Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De omstandigheid dat brief van de Inspecteur met mededeling dat hij afwijzend beschikt op bezwaar, niet is gevolgd door een kennisgeving via het geautomatiseerde systeem “uitspraak op ingediend bezwaarschrift”, doet aan de ontvankelijkheid van het beroepschrift niet af.

Stelling dat naast het zogenoemde werknemersdeel van de premies AOV/AWW, niet ook het zogenoemde werkgeversdeel daarvan over het premie-inkomen verschuldigd is, faalt. De berekening van de onderhavige aanslag naar een premiepercentage van 13,5 is terecht, nu geen sprake is van een werkgever op Aruba en daaarom ook geen sprake is van een werknemers- en een werkgeversdeel van de premie.

Geen strijdigheid LAOV-bepalingen met gelijkheidsbeginsel. Voor onderscheid waar het betreft de wijze waarop de verschuldigde premies worden geheven, tussen situaties waarbij de premie bij wijze van inhouding door een werkgever kunnen worden geheven en situaties waarin dit niet het geval is, zijn genoegzame rechtvaardigingsgronden gelegen in de uitvoering van de premieheffing. Voorts geen andere behandeling dan andere ingezetenen waarbij de premieheffing niet bij wijze van inhouding kan geschieden.

Uitspraak



BESCHIKKING RAAD VAN BEROEP

Vindplaats         &nbsp2005/0374

Datum               &nbsp10 november 2006

Rechters            &nbspDrop, Groeneveld en Overgaauw

Middel                &nbsppremie AOV/AWW

Artikel                &nbspArt. 18 en 19 ALB, art. 5, 23, 27 en 29 LAOV, en art. I.1 Staatsregeling

                         &nbspvan Aruba

Belastingjaar

Plaats                &nbspAruba

Essentie            &nbspDe omstandigheid dat brief van de Inspecteur met mededeling dat hij

                         &nbspafwijzend beschikt op bezwaar, niet is gevolgd door een kennisgeving via

                         &nbsphet geautomatiseerde systeem “uitspraak op ingediend bezwaarschrift”,

                         &nbspdoet aan de ontvankelijkheid van het beroepschrift niet af.

                         &nbspStelling dat naast het zogenoemde werknemersdeel van de premies

                         &nbspAOV/AWW, niet ook het zogenoemde werkgeversdeel daarvan over het

                         &nbsppremie-inkomen verschuldigd is, faalt. De berekening van de onderhavige

                         &nbspaanslag naar een premiepercentage van 13,5 is terecht, nu geen sprake is

                         &nbspvan een werkgever op Aruba en daaarom ook geen sprake is van een

                         &nbspwerknemers- en een werkgeversdeel van de premie.

                         &nbspGeen strijdigheid LAOV-bepalingen met gelijkheidsbeginsel. Voor

                         &nbsponderscheid waar het betreft de wijze waarop de verschuldigde premies

                         &nbspworden geheven, tussen situaties waarbij de premie bij wijze van

                         &nbspinhouding door een werkgever kunnen worden geheven en situaties waarin

                         &nbspdit niet het geval is, zijn genoegzame rechtvaardigingsgronden gelegen in

                         &nbspde uitvoering van de premieheffing. Voorts geen andere behandeling dan

                         &nbspandere ingezetenen waarbij de premieheffing niet bij wijze van inhouding

                         &nbspkan geschieden.

1. Aanslagregeling en procesverloop

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 op 8 juni 2004 tegelijk met de aanslag in de inkomstenbelasting een aanslag in de premieheffing AOV/AWW opgelegd naar een premie-inkomen van Afl. 26.628. Belanghebbende heeft tijdig een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag inkomstenbelasting. De Inspecteur heeft dit bezwaarschrift tevens opgevat als een bezwaarschrift tegen de aanslag in de premieheffing AOV/AWW en bij brief van 22 september 2005 afwijzend op beide bezwaren beschikt. De daaropvolgende via het geautomatiseerde systeem verzonden “uitspraak op ingediend bezwaarschrift” voor zover het de aanslag inkomstenbelasting betreft is gedagtekend 8 november 2005. Een soortgelijke kennisgeving voor zover het de aanslag in de premieheffing AOV/AWW betreft is niet aan belanghebbende verzonden. Belanghebbende is op 21 oktober 2005 in beroep gekomen tegen de afwijzing voor zover deze de aanslag in de premieheffing AOV/AWW betreft. Het beroep betreft uitsluitend het antwoord op de vraag of belanghebbende naast het zogenoemde werknemersdeel van de premies AOV/AWW (zijnde 4%) ook het zogenoemde werkgeversdeel (zijnde 9,5%) van het premie-inkomen is verschuldigd. De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. Belanghebbende heeft daarop gereageerd bij brief van 17 oktober 2006.

1.2. Het beroep is mondeling behandeld ter zitting van de Raad van 30 oktober 2006, gehouden op Aruba. Ter zitting zijn verschenen belanghebbende, tot bijstand vergezeld door mr. X, en namens de Inspecteur mr. drs. Y.

2. Ontvankelijkheid van het beroep

2.1. Bij de hiervoor genoemde brief van de Inspecteur van 22 september 2005 deelt hij belanghebbende mee dat hij afwijzend beschikt op haar bezwaren tegen de aanslagen inkomstenbelasting en premieheffing AOV/AWW voor het jaar 2002. Het beroepschrift van belanghebbende van 21 oktober 2005 is aldus tijdig ingediend. De omstandigheid dat deze brief niet is gevolgd door een kennisgeving via het geautomatiseerde systeem “uitspraak op ingediend bezwaarschrift”, voor zover het de aanslag premieheffing AOV/AWW voor het jaar 2002 betreft, doet aan de ontvankelijkheid van het beroepschrift niet af.

2.2. Artikel 39, tweede lid, van de Landsverordening AOV bepaalt dat de Inspecteur op een bezwaarschrift pas uitspraak doet nadat is komen vast te staan dat geen feiten en omstandigheden in geding zijn welke tevens van belang zijn voor de heffing van inkomstenbelasting. Nu het beroep nog uitsluitend betreft het antwoord op de vraag of belanghebbende naast het zogenoemde werknemersdeel van de premies AOV/AWW ook het zogenoemde werkgeversdeel van het premie-inkomen is verschuldigd, is de Raad van oordeel dat ook aan deze voorwaarde is voldaan.

2.3. De Raad is aldus van oordeel dat er geen formele beletselen zijn om tot inhoudelijke beoordeling van het beroep over te gaan.

3. Vaststaande feiten

3.1. Belanghebbende is geboren op dd-mm-jj en is sedert 1992 woonachtig op Aruba. Zij is arbeidsongeschikt en ontvangt vanuit Nederland een arbeidsongeschiktheidsuitkering krachtens de WAO.

3.2. Tot en met het jaar 2000 is belanghebbende over haar WAO-uitkering alleen in Nederland in de inkomstenbelasting en premieheffing volksverzekeringen betrokken.

3.3. De Hoge Raad der Nederlanden heeft in zijn arrest van 27 september 2000, nr. 34 796, BNB 2001/129, een beslissing gegeven over de belastbaarheid van een door een inwoner van Aruba genoten Nederlandse WAO-uitkering. De Hoge Raad oordeelde dat een WAO-uitkering, als rechtstreeks uit het wettelijke sociale zekerheidsstelsel voortvloeiende, niet door de werkgever betaalde voorziening, niet kan worden gerangschikt onder de in artikel 15, eerste lid, van de Belastingregeling voor het Koninkrijk (hierna: BRK) opgenomen algemene bepaling inzake inkomsten genoten uit het verrichten van niet-zelfstandige arbeid. Voorts oordeelde de Hoge Raad dat een WAO-uitkering evenmin onder artikel 17, tweede lid, BRK valt. Artikel 17 moet aldus de Hoge Raad worden beschouwd als een bijzondere bepaling met betrekking tot inkomsten genoten door overheidsfunctionarissen, en kan niet worden uitgelegd alsof het een bijzondere bepaling inzake uitkeringen krachtens het sociale zekerheidsstelsel inhoudt. De WAO-uitkering valt aldus de Hoge Raad derhalve onder artikel 20 BRK , de bepaling die betrekking heeft op zogenoemde “overige inkomsten”, en kan op grond van die bepaling slechts op Aruba worden belast.

3.4. Deze uitspraak van de Hoge Raad heeft ertoe geleid dat belanghebbende met ingang van 2001 in de premieheffing voor de AOV/AWW is betrokken. Belanghebbende heeft daardoor een aanmerkelijke lastenverzwaring ervaren, omdat op grond van de Arubaanse wetgeving een aanmerkelijk hoger bedrag aan premies is verschuldigd dan op grond van de Nederlandse wetgeving. Zij heeft naar aanleiding daarvan onder meer brieven geschreven aan de Minister van Volksgezondheid en Milieu, de Sociale Verzekeringsbank, de Nederlandse ministers van Financiën, van Volksgezondheid Welzijn en Sport en van Bestuurlijke Vernieuwing en Koninkrijksrelaties en aan de Nederlandse Ombudsman. Geen van deze brieven heeft tot een positief resultaat voor belanghebbende geleid.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is uitsluitend het antwoord op de vraag of belanghebbende naast het zogenoemde werknemersdeel van de premies AOV/AWW ook het zogenoemde werkgeversdeel daarvan over het premie-inkomen is verschuldigd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Artikel 5, eerste lid, van de Landsverordening Algemene ouderdomsverzekering <SUP>1</SUP> (hierna: LAOV) luidde voor het jaar 2002:

“Verzekerd overeenkomstig de bepalingen van deze landsverordening is degene die de leeftijd van 15 jaar doch niet die van 60 jaar heeft bereikt, indien hij:

a. ingezetene is;

b. ….”

5.2. Artikel 23 van de LAOV bepaalt dat tot dekking van de uit te keren pensioenen premies van de verzekerden worden geheven. Artikel 26 van de LAOV bepaalt vervolgens voor zover hier van belang:

“1. De premie wordt, met in achtneming van het bepaalde in de volgende leden, geheven naar de maatstaf van het door de verzekerde in een kalenderjaar genoten inkomen en vastgesteld in een percentage van dat inkomen. (…)

2. Onder inkomen wordt verstaan het zuiver inkomen in de zin van de Landsverordening inkomstenbelasting vermeerderd met de krachtens laatstgenoemde verordening als persoonlijke last in aftrek toegelaten premies AOV en AWW. (…)”

5.3. Op grond van artikel 27, eerste lid, van de LAOV wordt het premiepercentage vastgesteld bij Landsbesluit. Bij landsbesluit is de premie voor het jaar 2002 vastgesteld op 13,5% van het premie-inkomen, waarbij het werknemersdeel 4% en het werkgeversdeel 9,5% bedraagt.

5.4. Artikel 29 bepaalt vervolgens voor zover hier van belang:

“1. Tenzij bij of krachtens deze landsverordening anders is bepaald, geschiedt de heffing van de ingevolge deze landsverordening verschuldigde premie, onder verrekening van eventueel krachtens het tweede lid geheven premies, bij wege van aanslag (…)

2. De premie van verzekerden, die in dienstbetrekking werkzaam zijn, wordt geheven bij wege van inhouding door de werkgever. Indien de ingevolge artikel 26 lid 1 in totaal over een jaar verschuldigde premie door inhouding is geheven, blijft het bepaalde in het eerste lid achterwege.”

5.5. Belanghebbende is sedert 1992 ingezetene van Aruba en dus verzekerde krachtens de LAOV. De hoogte van het premie-inkomen is niet in geschil. Evenmin is in geschil dat belanghebbende niet in dienstbetrekking werkzaam is. De krachtens de LAOV verschuldigde premie kan dus niet via inhouding door een werkgever worden geheven, maar uitsluitend bij wege van aanslag. De onderhavige aanslag is voorts terecht berekend naar een premiepercentage van 13,5. Nu geen sprake is van een werkgever op Aruba, is ook geen sprake van bij wijze van inhouding geheven premies, noch van een werknemers- en een werkgeversdeel van de premie.

5.6. Belanghebbende heeft zich ter ondersteuning van haar standpunt nog beroepen op het in artikel I.1 van de Staatsregeling van Aruba opgenomen gelijkheidsbeginsel. Zij voert daartoe kort gezegd aan dat zij niet kan worden gelijk gesteld met een zelfstandige die winst uit onderneming geniet, maar gelijk zou moeten worden behandeld met een ingezetene van Aruba die een Arubaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering geniet.

5.7. Artikel I.1 van de Staatsregeling van Aruba luidt:

“Allen die zich in Aruba bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht, kleur, taal, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte, of op welke grond dan ook is niet toegestaan.”

5.8. In de wetsgeschiedenis van artikel I.1 van de Staatsregeling van Aruba wordt het gelijkheidsbeginsel geduid als fundamenteel beginsel voor de democratische rechtsstaat, welk beginsel naar uit de tekst van deze regeling volgt ook geldt voor de wetgever. Artikel I.1 krijgt aldus de toelichting op dit artikel voor de wetgever een extra gewicht, nu de rechter de bevoegdheid krijgt daden van de wetgever te beoordelen op hun grondwettigheid waar het betreft de grondrechten.

Wat betreft de terminologie van artikel I.1 wordt in de toelichting op die bepaling onder meer het volgende opgemerkt:

“De terminologie “gelijke behandeling in gelijke gevallen” wordt gelukkiger geacht dan de aanduiding, dat alle mensen voor de wet gelijk zijn …

Wetten scheppen immers juist differentiatie tussen mensen. Juist op basis van het recht hebben groepen mensen andere rechten en verplichtingen dan de overige mensen. Het recht creëert deze verschillende groepen mensen; voorbeelden daarvan in de administratieve wetgeving zijn er te over: belastingplichtigen, ….. Vanwege de complexiteit van onze moderne maatschappij kan ieder individu al naar gelang de situatie tot verschillende groepen behoren. Waar het echter om gaat is, dat op objectieve wijze de doelgroep wordt omlijnd. De personen behorende tot deze doelgroep moeten of gelijk worden behandeld of kunnen – indien er objectieve gronden zijn om tussen hen te differentiëren – dienovereenkomstig verschillend worden behandeld.”

5.9. Wat betreft het voorliggende geschil is de Raad van oordeel dat de in geding zijnde bepalingen van de LAOV niet strijdig kunnen worden geacht met de Staatsregeling van Aruba. De LAOV onderscheidt uitsluitend waar het betreft de wijze waarop de verschuldigde premies, welke in het onderhavige jaar voor alle verzekerden 13,5% van het premie-inkomen belopen, worden geheven situaties waarbij de premie bij wijze van inhouding door een werkgever kunnen worden geheven en situaties waarin dit niet het geval is. Voor dit onderscheid zijn genoegzame rechtvaardigingsgronden gelegen in de uitvoering van de premieheffing. Belanghebbende wordt voorts niet anders behandeld dan andere ingezetenen van Aruba die in dezelfde omstandigheden verkeren, dat wil zeggen waarbij de premieheffing niet bij wijze van inhouding kan geschieden.

5.10. De Raad onderkent dat toepassing van de Arubaanse regelgeving in 2002 voor belanghebbende ten opzichte van voorafgaande jaren tot een aanmerkelijke lastenverzwaring leidt. De Inspecteur heeft zijn begrip uitgesproken voor de moeilijke financiële positie waarin belanghebbende is komen te verkeren. Deze omstandigheden kunnen echter niet tot een ander oordeel leiden. Het is de Inspecteur noch de Raad immers toegestaan de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.

5.11. Het vorenstaande leidt ertoe dat als volgt moet worden beslist.

6. Beslissing

De Raad verklaart het beroep ongegrond.

<HR>

<SUP>1</SUP> In de Landsverordening Algemene Weduwen- en Wezenverzekering zijn overeenkomstige bepalingen opgenomen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature