Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Verzoek tot wraking afgewezen.

Uitspraak



Uitspraak: 15 januari 2008

Rekestnummer: R07/1616

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingsverzoeken

Beslissing op het schriftelijke wrakingsverzoek van

[VERZOEKER],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

hierna te noemen: [verzoeker],

procureur: mr. H.J.A. Knijff,

advocaat: mr. R.V. de Lauwere.

Het geding

[verzoeker] heeft bij een op 13 november 2007 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift verzocht om wraking van [raadsheer 1, raadsheer 2 en raadsheer 3].

[Raadsheer1] heeft - mede namens [raadsheer 2 en raadsheer 3] - bij brief van 29 november 2007 gereageerd op dit verzoek.

Het verzoek is behandeld ter openbare terechtzitting van 3 december 2007. [verzoeker] en diens advocaat waren daarbij aanwezig en daarnaast, als belanghebbende, Technip Benelux B.V. (voorheen Kinetics Technology International B.V. - hierna: Technip), vergezeld van mr. O. Trojan, advocaat. Beide advocaten hebben het woord gevoerd aan de hand van pleitnota’s. Na afloop is een uitspraakdatum bepaald.

De beoordeling van het verzoek

1. [verzoeker] is sedert 1980 in procedures verwikkeld met Technip. Die procedures gaan over de auteursrechten met betrekking tot het computerprogramma Spyro van Technip. Dat programma is bedoeld om met behulp van simulaties productieprocessen in de petrochemische industrie te besturen. Door [verzoeker], die tot 1978 bij Technip in dienst was, is een vergelijkbaar computerprogramma op de markt gebracht. Volgens Technip maakt [verzoeker] hiermee inbreuk op haar auteursrechten. Verder verwijt zij hem een schending van zijn contractuele geheimhoudingsverplichting, alsmede onrechtmatig handelen door gebruik van knowhow en bedrijfsgeheimen.

2. De Haagse voorzieningenrechter heeft [verzoeker] bij vonnis van 14 maart 1994 een inbreukverbod opgelegd.

3. In een door hem bij de Rechtbank ’s-Gravenhage aanhangig gemaakte bodemprocedure heeft [verzoeker] gevorderd om voor recht te verklaren dat Technip géén auteursrechten heeft op het Spyro-programma. Die vordering is afgewezen bij vonnis van 3 september 1997. Een door Technip in een gevoegde procedure gevorderd wereldwijd inbreukverbod is daarentegen toegewezen. Tegen beide beslissingen heeft [verzoeker] op 13 oktober 1997 hoger beroep ingesteld, welk hoger beroep bij dit hof aanhangig is onder de rolnummers 97/1213 en 97/1214. In deze appelzaken zijn inmiddels vier tussenarresten gewezen. Tegen het eerste tussenarrest heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Dat is verworpen. Daarna is de procedure bij dit hof voortgezet. Het laatste tussenarrest is van 20 september 2007 en is gewezen door de drie raadsheren wier wraking [verzoeker] verzoekt.

4. Als gronden voor wraking heeft [verzoeker] aangevoerd: (i) onwil of onvermogen van het hof in de samenstelling van de drie raadsheren om binnen een redelijke termijn een eindarrest te wijzen; (ii) het naar zijn inschatting negatieve beeld dat bij de raadsheren over hem zal zijn ontstaan vanwege zijn aanhoudend klagen bij verschillende instanties over de lange procesduur, welk klagen hem niet in dank zal zijn afgenomen, te minder doordat deze klachten er waarschijnlijk toe hebben geleid dat de raadsheren een pinksterweekeinde hebben moeten doorwerken.

5. Wat de eerste grond betreft, stelt de wrakingskamer voorop dat het enkele feit dat een appelprocedure lang duurt en niet meteen bij eindarrest wordt afgedaan geen aanwijzing oplevert voor partijdigheid van de behandelend rechters. In het onderhavige geval gaat het bovendien om omvangrijke en ingewikkelde bodemprocedures. Dat daarin meerdere tussenarresten zijn gewezen, getuigt niet van vooringenomenheid jegens de persoon van [verzoeker], maar wijst, gelet op de inhoud van die arresten, veeleer op een zorgvuldig besluitvormingsproces, waarbij [verzoeker], die nu eenmaal in de eerste instantie in het ongelijk is gesteld, optimaal de gelegenheid wordt geboden om de juistheid van zijn standpunt in hoger beroep aan te tonen, althans aannemelijk te maken. In elk geval getuigen de tussenarresten niet van onwil jegens [verzoeker] om de procedures af te doen en ook niet van onvermogen daartoe, nog daargelaten dat het laatste geen grond voor wraking is. Voor zover [verzoeker] het op inhoudelijke gronden oneens is met de tussenarresten, is daarin evenmin een wrakingsgrond gelegen en zal hij zich op andere rechtsmiddelen moeten verlaten. Overigens vergist [verzoeker] zich waar hij stelt dat in het laatste tussenarrest van 20 september 2007 wederom geen eindbeslissing is genomen. Het is weliswaar geen eindarrest maar het bevat wel een eindbeslissing, in rechtsoverweging 31, waarin is overwogen dat het hof ervan uitgaat dat naar Nederlands recht en het recht van de overige EU-lidstaten sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk.

6. Ook ten aanzien van de tweede grond, de vrees dat de behandelend rechters vanwege zijn aanhoudend klagen en de door hem uitgebrachte aansprakelijkstellingen vooringenomenheid jegens hem zijn gaan koesteren, geldt dat die vrees niet objectief gerechtvaardigd is. Behoudens aanwijzingen voor het tegendeel wordt een rechter uit hoofde van zijn aanstelling geacht onpartijdig te zijn. Die onpartijdigheid houdt niet op zodra een der procespartijen onvrede over het procestempo uit of blijk geeft van ongenoegen over hem onwelgevallige beslissingen. Anders zou het geheel aan partijen zijn om uit te maken of en wanneer een rechter van de zaak wordt gehaald. Aan het rechterswerk is bovendien eigen dat daarmee niet in alle gevallen alle partijen naar tevredenheid kunnen worden bediend. Blijken van onvrede, die in hun uitingsvormen divers kunnen zijn, zijn daardoor voor de rechter niet vreemd en om zich hierdoor niet in negatieve zin te laten beïnvloeden hoort bij diens professionele standaard. Bij de besluitvorming is gebleken of nog te verwachten onvrede van een procespartij dan ook geen factor van betekenis. Hetzelfde geldt voor het eventueel buiten de gebruikelijke kantooruren verrichten van de rechterlijke arbeid.

7. De slotsom is dat het verzoek tot wraking ongegrond is.

De beslissing

De wrakingskamer van het hof:

- wijst het verzoek tot wraking af;

- bepaalt dat de zaken met rolnummers 97/1213 en 97/1214 worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van de indiening van het wrakingsverzoek.

Deze beslissing is genomen door mrs. J.M. van der Klooster, F. Heemskerk en A.N. Labohm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 januari 2008 in aanwezigheid van mr. M.A. Treep als griffier.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature