Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Weigering kinderbijslag. Schoolverklaringen uit buitenland. Deugdelijk onderzoek door Svb? Onderhoudsbijdrage. Eén huishouden?

Uitspraak



04/4044 AKW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

U I T S P R A A K

op het hoger beroep van:

[appellant] (hierna: appellant),

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 mei 2004, 03-1459

(hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellant

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).

Datum uitspraak: 19 januari 2007

I. PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Samama, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.

De Svb heeft geen verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2006. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Samama. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door J.Y. van den Berg.

II. MOTIVERING

Met ingang van 1 januari 2003 zijn de artikelen 3, 4 en 5 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , voorzover het betreft de Sociale verzekeringsbank, in werking getreden. Thans oefent de Svb de taken en bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door de Sociale Verzekeringsbank. In deze uitspraak wordt onder de Svb tevens verstaan de Sociale Verzekeringsbank.

Appellant is geboren in 1961 in Marokko en woont al geruime tijd in Nederland.

Zijn gezin, bestaande uit een echtgenote en zes kinderen, woont in Marokko. Sedert januari 2002 woont een tweetal kinderen, waaronder Brahim, bij appellant in Nederland.

Brahim, geboren op 18 december 1982, volgde sinds 1998 onderwijs aan een school, genaamd Ibn al Khatib te Midar (Nador).

Bij besluit van 13 september 1999 heeft de Svb de uitbetaling van de kinderbijslag ten behoeve van Brahim met ingang van het eerste kwartaal van 1999 geschorst, omdat appellant niet heeft gereageerd op verzoeken van de Svb tot het verstrekken van inlichtingen.

Bij besluit van 11 oktober 2000 heeft de Svb appellant vervolgens medegedeeld dat hij met ingang van het eerste kwartaal van 1999 geen recht heeft op kinderbijslag voor Brahim, omdat appellant ook na de schorsing niet heeft gereageerd op de verzoeken van de Svb om informatie te verstrekken, zodat niet kan worden vastgesteld of nog recht bestaat op kinderbijslag.

Bij besluit van 25 april 2003 (hierna: het bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar tegen zowel het schorsingsbesluit als het beëindigingsbesluit gegrond verklaard, omdat appellant in de bezwaarprocedure een school- en onderhoudsverklaring heeft overgelegd. Op grond van die informatie heeft de Svb bij het bestreden besluit besloten dat appellant met ingang van het eerste kwartaal van 1999 tot het eerste kwartaal van 2001 geen recht heeft op kinderbijslag voor Brahim, omdat hij niet kan worden aangemerkt als een schoolgaand kind. De Svb heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat noch uit de door appellant overgelegde informatie noch op grond van het onderzoek van de sociaal attaché, aannemelijk is geworden dat Brahim gedurende die periode onderwijs in de zin van de AKW heeft gevolgd. De Svb heeft voorts gesteld dat Brahim niet geacht wordt zelfstandig uitwonend te zijn, en dat appellant niet heeft aangetoond in belangrijke mate te hebben bijgedragen in zijn onderhoudskosten.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij Brahim in belangrijke mate heeft onderhouden.

In hoger beroep is namens appellant, kort samengevat, aangevoerd dat het onderzoek van de Svb onzorgvuldig was en dat dit onderzoek de beëindiging van de kinderbijslag niet kan rechtvaardigen. Voorts heeft appellant naar voren gebracht dat Brahim vanaf het einde van het vierde kwartaal van 1999 uitwonend was.

De Raad overweegt het volgende.

Met betrekking tot de weigering van kinderbijslag stelt de Raad voorop dat de Svb erkent dat de door appellant overgelegde schoolverklaringen door de daartoe bevoegde instantie zijn afgegeven, maar van mening is dat de in die verklaringen neergelegde gegevens niet in overeenstemming met de werkelijkheid zijn. In dit verband heeft de Svb naar voren gebracht dat het instituut Ibn Al Khatib te Midar, meermalen is bezocht door een medewerker van de Nederlandse Ambassade in Marokko. Onder meer omdat tijdens deze bezoeken slechts een fractie van de 43 kinderen uit de steekproef werd aangetroffen, en minimaal 15 kinderen de school definitief hadden verlaten, is bij de Svb het vermoeden ontstaan dat kinderen die zijn ingeschreven bij deze school niet feitelijk onderwijs volgen dan wel extreem veel verzuimen waardoor niet aan de klokureneis wordt voldaan. Gelet hierop betreft het een onbetrouwbare school, aldus de Svb.

In het onderhavige geval stelt de Raad vast dat van de zijde van appellant schoolverklaringen (MN 402-formulieren) aan de Svb zijn verstrekt, volgens welke Brahim tijdens de schooljaren 1998/1999, 1999/2000 en 2000/2001 aan het instituut Ibn Al Khatib te Midar (Nador) onderwijs volgde. Bij brief van 6 september 2002 heeft de gemachtigde, naar aanleiding van een verzoek van de Svb om aan te tonen dat Brahim daadwerkelijk onderwijs heeft gevolgd aan het instituut Ibn Al Khatib, de Svb afschriften doen toekomen van rapporten van Brahim over die periode.

De Raad is van oordeel dat nu appellant geldige schoolverklaringen had ingezonden, het op de weg van de Svb lag om bij twijfel aan de betrouwbaarheid van deze verklaringen daarvoor - onderbouwd door middel van bewijsmiddelen - bewijs te leveren. Nu de Svb het meer algemene standpunt dat het instituut Ibn Al Khatib geen betrouwbare school is, enkel heeft gesteld maar in het geheel niet heeft onderbouwd door middel van (deugdelijke) stukken terwijl aangaande het schoolgaan van Brahim geen onderzoek heeft plaatsgevonden, acht de Raad het bestreden besluit, voorzover daarbij kinderbijslag voor Brahim is geweigerd, onvoldoende gemotiveerd en in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Met betrekking tot het standpunt van de Svb dat appellant geen aanspraak heeft op kinderbijslag ten behoeve van Brahim omdat hij niet op eenvoudig te controleren wijze heeft aangetoond de vereiste onderhoudsbijdrage te hebben geleverd, overweegt de Raad het volgende.

Zoals van de zijde van de Svb ter zitting van de Raad is bevestigd, behoefde appellant in de kwartalen voorafgaand aan het eerste kwartaal van 1999 niet aan de onderhoudseis te voldoen, omdat hij geacht werd één huishouden te vormen met zijn gezin in Marokko.

De gemachtigde van de Svb heeft ter zitting van de Raad verder medegedeeld dat, hoewel het bestreden besluit daar geen blijk van geeft, de eis om de onderhoudskosten aan te tonen gebaseerd is op één van de vier uitzonderingen zoals genoemd in artikel 5 van het Besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag van 21 september 1995 (Stb.1995, 451, hierna: het Besluit).

Ingevolge dit Besluit wordt met ingang van 1 oktober 1995 ten aanzien van thuiswonende kinderen vanaf 16 jaar en alle uitwonende kinderen in reguliere gevallen niet meer uitgegaan van een eis om onderhoudskosten aan te tonen, maar van een eis dat er slechts tot een maximumbedrag inkomsten zijn toegestaan. Artikel 2 van het Besluit, zo blijkt uit de Nota van toelichting op dat artikel, beoogt aan te geven in welke situaties het vanzelfsprekend is dat de verzekerde een kind onderhoudt. Hierbij dient te worden gedacht aan bijvoorbeeld de situatie waarbij het kind tot het huishouden van de verzekerde behoort, of - zoals in casu - geacht wordt te behoren.

In artikel 5 van het Besluit wordt een viertal situaties genoemd waarin het niet vanzelfsprekend is dat het kind voor rekening van de verzekerde komt, zoals wanneer het kind tot het huishouden van de ex-partner behoort of wanneer het kind in een inrichting verblijft. In die gevallen dient naast de inkomenseis ook aan de onderhoudseis te worden voldaan.

Gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, is de Raad niet gebleken dat in het onderhavige geval één van de vier uitzonderingen aan de orde zou zijn. Artikel 5 van het Besluit is dan ook niet van toepassing en kan het besluit tot weigering van de kinderbijslag voor Brahim met ingang van het eerste kwartaal van 1999, dan ook niet dragen.

De Raad kan en zal hierbij in het midden laten of Brahim ten tijde hier van belang thuiswonend was of zelfstandig uitwonend, omdat in beide gevallen de onderhoudseis niet kan worden gesteld.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep slaagt, zodat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, voorzover daarbij de kinderbijslag met ingang van het eerste kwartaal van 1999 is geweigerd, moeten worden vernietigd.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb de Svb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, tezamen € 1.288,-.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;

Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit, voorzover daarbij met ingang van het eerste kwartaal van 1999 kinderbijslag wordt geweigerd, gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

Veroordeelt de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank in de proceskosten van appellant in eerste aanleg tot een bedrag groot € 644,-, en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, in totaal € 1.288,- , te betalen door de Sociale verzekeringsbank aan de griffier van de Raad;

Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellant het gestorte recht van € 133,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en

H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van M.F. van Moorst als griffier, uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2007.

(get.) M.M. van der Kade.

(get.) M.F. van Moorst.

SSw


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature