Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

De voorzieningenrechter oordeelt dat de stadsduif geen beschermde inheemse diersoort is. De Minister van landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit is derhalve niet gehouden op te treden tegen het vangen en doden van de stadsduif.

Uitspraak



RECHTBANK GRONINGEN

Sector Bestuursrecht

Zaaknummer.: AWB 06/1127 BELEI VEN

van de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van

Afdeling Groningen van de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, gevestigd te Groningen, verzoekster,

gemachtigde: mr. W.R. van der Velde

ten aanzien van het besluit van 6 september 2006, kenmerk: hh75n.06.0044.rr, van

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. G.J.L. Veth.

1. PROCESVERLOOP

Bij brief van 29 juni 2006 heeft verzoekster zich tot verweerder gewend met het verzoek onmiddellijk op te treden tegen het vangen en doden van (verschillende soorten) duiven in de stad Groningen, bijvoorbeeld door de gemeente Groningen op straffe van verbeurte van een dwangsom te gelasten de met de Flora- en Faunawet strijdige handelingen onmiddellijk te staken.

Bij besluit van 6 september 2006 heeft verweerder afwijzend beslist op dit verzoek.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 7 september op grond van artikel 7:1, eerste lid, Awb bij verweerder een bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van gelijke datum heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat verweerder wordt gelast binnen drie werkdagen na de uitspraak een handhavingsbesluit te nemen jegens de gemeente Groningen, waarin de gemeente Groningen wordt gelast om onmiddellijk, althans met een begunstigingstermijn van maximaal één dag te stoppen met het vangen en doden van rotsduiven, zulks op straffe van een effectieve dwangsom.

Op de voet van artikel 8:26, eerste lid, Awb is de gemeente Groningen in de gelegenheid gesteld aan het geding deel te nemen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 12 september 2006. Verzoekster en verweerder hebben zich ter zitting door hun gemachtigden laten vertegenwoordigen. De gemeente Groningen heeft zich ter zitting laten vertegenwoordigen door mr. J.D. Lerink en W.J. Veldstra.

2. RECHTSOVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb, kan, voorzover hier van belang, indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

De voorzieningenrechter concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan nu verzoekster een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank Groningen bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

Overige beletselen die de ontvankelijkheid in de weg zouden kunnen staan zijn gesteld noch gebleken.

Artikel 5:21 Awb verstaat onder bestuursdwang: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Op grond van artikel 112, eerste lid, Flora- en faunawet (Ffw) is verweerder bevoegd tot het toepassen van bestuursdwang ter handhaving van het bij of krachtens deze wet bepaalde.

Op grond van artikel 9 Ffw is het verboden dieren, behorende tot een beschermde inheemse diersoort, te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen.

Verzoekster is van mening dat de gemeente Groningen in strijd met de artikelen 9 en 10 Ffw handelt door de rotsduiven te (laten) vangen en doden, omdat sprake is van een beschermde diersoort in de zin van de Ffw. Ter zitting van 12 september 2006 heeft verzoekster voorts verzocht een voorlopige voorziening te treffen met betrekking tot het 'meevangen' van andere vogels dan rotsduiven.

Zowel verweerder als de gemeente Groningen zijn van mening dat de rotsduiven in kwestie geen bescherming op grond van de Ffw genieten. Voor wat betreft de 'meegevangen' vogels is huns inziens geen sprake van strijd met de Ffw, omdat de vogels weer worden vrijgelaten.

Artikel 4, eerste lid, Ffw , onder b, bepaalt dat als beschermde inheemse diersoort worden aangemerkt alle van nature op het Europese grondgebied van de Lid-Staten van de Europese Unie voorkomende soorten vogels met uitzondering van gedomesticeerde dieren behorende tot bij algemene maatregel van bestuur aangewezen soorten.

Artikel 4, aanhef en onder c van het besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet luidt als volgt:

"Als soorten vogels waarvan gedomesticeerde vogels niet worden aangemerkt als beschermde inheemse diersoort als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, van de wet zijn aangewezen:

a. de grauwe gans (Anser anser);

b. de Europese kanarie (Serinus canaria);

c. de rotsduif (Columba livia);

d. de wilde eend (Anas platyrhynchos)."

Het geschil -voor wat betreft het vangen en doden van de rotsduiven- spitst zich toe op de vraag of de duiven die in opdracht van de gemeente Groningen worden gevangen en worden gedood wel of geen gedomesticeerde vogels zijn.

Verzoekster is van mening dat geen sprake is van gedomesticeerde vogels, waardoor artikel 4 vorengenoemd niet van toepassing is en dus sprake is van beschermde vogels.

Verweerder en de gemeente Groningen daarentegen zijn van mening dat sprake is van gedomesticeerde rotsduiven waardoor artikel 4 wel van toepassing is en de duiven niet onder de bescherming van de Ffw vallen.

Met betrekking tot het vangen en doden van de rotsduiven staat centraal wat onder gedomesticeerd dient te worden verstaan.

Verzoekster heeft gesteld dat in het normale taalgebruik onder gedomesticeerde dieren dienen te worden verstaan huisdieren, althans dieren in en rond het huis gehouden. In het Van Dale woordenboek wordt het begrip gedomesticeerd in verband gebracht met huisdieren. Belangrijker dan dat acht verzoekster de parlementaire geschiedenis waaruit blijkt dat de wetgever met gedomesticeerd het oog heeft gehad op huisdieren, althans dieren die een eigenaar hebben en die verhandeld kunnen worden. De rotsduiven in de stad Groningen vallen daar volgens verzoekster niet onder. Dat die duiven niet gedomesticeerd zijn wordt bevestigd door de motie Stellingwerf-Vos, waaruit blijkt dat de stadsduiven wilde dieren zijn. De nagenoeg voltallige Tweede Kamer heeft de Minister verzocht de Ffw aan te passen.

Ook volgt uit de Vogelrichtlijn dat de rotsduiven beschermd moeten worden. In het bestreden besluit erkent verweerder dat de stadsduiven in het wild leven; het zijn volgens verweerder namelijk (deels) 'de in het wild levende nakomelingen' van post- en sierduiven.

In de toelichting op artikel 4 van het besluit aanwijzing dier- en plantensoorten Flora- en faunawet wordt aangegeven dat met gedomesticeerde rotsduif zowel wordt gedoeld op de postduif als op de stadsduif, een verwilderde vorm van de gedomesticeerde rotsduif. De voorzieningenrechter kan daarin meegaan. De bedoeling van de wetgever -zoals onder meer blijkt uit de Memorie van Toelichting en artikel 4, eerste lid, Ffw- is geweest het beschermen van de van nature voorkomende, niet gedomesticeerde, vogels. Het is niet de bedoeling geweest bescherming te bieden aan vogels waarbij de noodzaak tot bescherming ontbrak.

De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat de rotsduiven die in de stad Groningen voorkomen verwilderde 'huisdieren' zijn en/of nazaten daarvan. Partijen verschillen daarover ook niet van mening. Dat er duiven zijn die afstammelingen zijn van 'huisdieren' die al tientallen generaties (of meer dan dat) al niet meer door de mens gehouden worden doet daaraan niet af en maakt niet dat sprake is van wilde duiven. Ook de nazaat van een gedomesticeerde duif is een gedomesticeerde duif.

Op grond van de thans geldende wettelijke bepalingen vallen gedomesticeerde rotsduiven

-naar het oordeel van de voorzieningenrechter de duiven in kwestie- niet onder de bescherming van de Ffw, waardoor verweerder op grond van de Ffw niet bevoegd is op te treden tegen het vangen en het doden van die duiven. Dat de Tweede Kamer een motie heeft aangenomen strekkend tot het schrappen van de rotsduif uit artikel 4, eerste lid, onderdeel b, Ffw maakt dat niet anders en verandert de regelgeving op dit moment niet.

Verzoekster heeft voorts gesteld dat het vangen en doden van de duiven in strijd is met de Vogelrichtlijn (Richtlijn 79/409/EEG). De voorzieningenrechter is die visie niet toegedaan, aangezien de Vogelrichtlijn betrekking heeft op de instandhouding van alle natuurlijk in het wild levende vogelsoorten. Daarvan is hier geen sprake. Voorts is beantwoording van de vraag of sprake is van strijdigheid met de Vogelrichtlijn in het kader van de thans aanhangige procedure in wezen niet relevant. Indien wel sprake zou zijn van strijdigheid met de Vogelrichtlijn, zou dat namelijk betekenen dat implementatie van de Vogelrichtlijn in de Ffw niet juist heeft plaatsgevonden en verweerder op grond van de Ffw derhalve niet kan optreden tegen de gemeente Groningen. Immers, verweerder ontleent zijn bevoegdheid op te treden op grond van de Ffw aan artikel 112 Ffw , welk artikel in dat geval geen soelaas zou kunnen bieden omdat ook in vorenbedoeld geval geen sprake zou zijn van overtreding van een artikel uit de Ffw .

Verzoekster heeft voorts gesteld dat verweerder dient op te treden tegen de gemeente Groningen aangezien is gebleken dat behalve rotsduiven ook andere (beschermde) vogels 'meegevangen' worden in de kooien.

De vraag of sprake is van schending van artikel 9 Ffw beantwoordt de voorzieningenrechter ontkennend. De kooien in kwestie zijn geplaatst om de 'stadsduiven' te vangen, niet om andere vogels te vangen. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat behalve de rotsduiven ook andere mogelijk wel beschermde vogels gevangen worden. Dit is echter geenszins de bedoeling van de gemeente, het gaat om incidenten en de vogels in kwestie worden verwijderd uit de kooien. Voor zover al geconcludeerd zou moeten worden dat sprake is van strijdigheid met artikel 9 Ffw is de voorzieningenrechter van oordeel dat de mate van strijdigheid dusdanig gering is dat optreden daartegen niet gerechtvaardigd is.

Naar het zich thans laat aanzien zal het bestreden besluit in de daartegen door verzoekster aangespannen procedure de rechtmatigheidstoets kunnen doorstaan.

Het verzoek om voorlopige voorziening komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.

Ter zitting van 12 september 2006 heeft verzoekster verweerder verzocht op grond van artikel 7:1a, eerste lid, Awb in te stemmen met rechtstreeks beroep bij de administratieve rechter en heeft zij de voorzieningenrechter verzocht, ingeval verweerder met toepassing van artikel 7:1a, eerste lid, Awb akkoord gaat, zonder nader onderzoek op de voet van artikel 8:86, eerste lid, Awb onmiddellijk uitspraak te doen op het dan als beroepschrift aan te merken bezwaarschrift.

De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij niet ter plekke kan beslissen op het verzoek in te stemmen met toepassing van artikel 7:1a, eerste lid, Awb , doch dat hij daarover eerst ruggespraak wil plegen.

De voorzieningenrechter heeft daarop ter zitting van 12 september 2006 partijen medegedeeld dat hij zich nader zal beraden op het door verzoekster gedane verzoek.

De voorzieningenrechter komt tot het oordeel dat toepassing van artikel 8:86 Awb hier achterwege dient te blijven omdat de eventuele mogelijkheid daartoe eerst ter zitting aan de orde kwam, partijen op die eventuele mogelijkheid in de uitnodiging voor het bijwonen van de zitting niet zijn gewezen, het verzoek om toepassing van artikel 7:1a, eerste lid, Awb niet in het bezwaarschrift is gedaan en verweerder ter zitting geen uitsluitsel kon geven over het al dan niet instemmen met toepassing van artikel 7:1a, eerste lid, Awb .

3. BESLISSING

De voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen,

RECHT DOENDE,

wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. H.C.P. Venema, voorzieningenrechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 14 september 2006, in tegenwoordigheid M.J.'t Hart als griffier.

De griffier, De voorzieningenrechter,

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:

Typ: HtH

Zaaknummer: AWB 06/1127 BELEI VEN blad 5

uitspraak


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature