Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Terrugvordering en boete kinderbijslag.

Bij het bestreden besluit van 27 juli 2005 heeft verweerder het “bezwaarschrift tegen (verweerders) afwijzende beschikking van 30 maart 2005 over het derde kwartaal van 2004 ongegrond (verklaard)” en het “bezwaarschrift tegen de aankondiging van de terugvordering en boete kennelijk niet-ontvankelijk (verklaard)”.

Uitspraak



RECHTBANK ALMELO

Sector bestuursrecht

Registratienummer: 05 / 1048 AKW AZ1 A

uitspraak van de enkelvoudige kamer d.d. 25 juli 2006

in het geschil tussen:

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank,

gevestigd te Deventer, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 27 juli 2005.

2. De feiten en het verloop van de procedure

Eiser heeft op 4 januari 2005 telefonisch aan verweerder doorgegeven dat zijn zoon [zoon], voor wie hij kinderbijslag kinderbijslag krachtens de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) ontvangt, tot aan de zomervakantie 2004 schoolgaand is geweest en daarna niet meer.

Op een daartoe bestemd formulier, gedagtekend 10 februari 2005, heeft eiser onder meer aangegeven dat [zoon] in het vierde kwartaal van 2004 heeft gewerkt bij [werkgever] te [plaats] (hierna: [werkgever]) en bij deze werkgever met ingang van 1 september 2004 een jaarcontract heeft.

Op een daartoe bestemd formulier, gedagtekend 3 maart 2005 heeft [werkgever] onder meer aangegeven dat de eerste werkdag van [zoon] viel op 1 september 2003. Op dit formulier, onder het kopje “Vergoeding uit arbeid”, heeft [werkgever] aangegeven dat de netto beloning voor de arbeid van [zoon] in de maanden april tot en met december 2004 respectievelijk € 308,89 (april), € 281,87 (mei), € 369,69 (juni), € 396,96 (juli), € 422,81 (augustus), € 574,71 (september), € 614,98 (oktober), € 548,23 (november) en € 614,98 (december) bedroeg.

Bij besluit van 30 maart 2005 heeft verweerder medegedeeld dat eiser over het derde kwartaal van 2004 geen recht heeft op kinderbijslag krachtens de AKW voor zijn zoon [zoon] omdat [zoon] in dat kwartaal € 1.175,- netto of meer heeft verdiend en derhalve niet in belangrijke mate door eiser wordt onderhouden.

Bij brief van - eveneens - 30 maart 2005 heeft verweerder eiser aangekondigd van plan te zijn de over het derde kwartaal 2004 betaalde kinderbijslag van eiser terug te vorderen en eiser een boete op te leggen van € 45,00 omdat eiser niet tijdig aan verweerder heeft doorgegeven dat [zoon] is gestopt met zijn vorige opleiding. Bij deze brief wordt vermeld dat, en op welke wijze, eiser op deze aankondiging kan reageren en dat tegen de aankondiging van de boete geen bezwaarschrift kan worden ingediend.

Bij brief van 4 april 2005 heeft eiser te kennen gegeven het niet eens te zijn met de in de voornemens die zijn neergelegd in verweerders brief van 30 maart 2005. In deze brief heeft eiser aangevoerd, kort samengevat, dat zijn zoon [zoon] tijdens de zomermaanden van 2004 (juli en augustus) als vakantiemedewerker - scholier met een vakantiebaan - heeft gewerkt bij [werkgever] en dat verweerder, door te stellen dat het netto-inkomen van [zoon] in het derde kwartaal € 1.175,- of meer bedroeg, een onjuist referentiekader heeft gehanteerd voor het netto-inkomen. Volgens eiser moet het inkomen van [zoon] in het derde kwartaal van 2004 worden getoetst aan “de regeling waarbij het inkomen niet hoger mag zijn dan € 2.225,- (€ 1.175,- + € 1.050,-)”. Eiser concludeert dat verweerders voornemen een terugvordering te eisen en hem een boete op te leggen ongegrond is.

Verweerder heeft eisers brief van 4 april 2005 aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen enerzijds het hiervoor vermelde besluit van 30 maart 2005 en anderzijds de brief van dezelfde datum waarbij de terugvordering en het opleggen van een boete is aangekondigd.

Op 2 juni 2005 is eiser door verweerder gehoord.

Vervolgens heeft verweerder nadere informatie ingewonnen bij [werkgever]. Bij brief van 1 juli 2005 heeft [werkgever] de door verweerder voorgelegde vragen beantwoord en loonstaten van eisers zoon van 2003 tot en met 2005 overgelegd.

Bij het bestreden besluit van 27 juli 2005 heeft verweerder het “bezwaarschrift tegen (verweerders) afwijzende beschikking van 30 maart 2005 over het derde kwartaal van 2004 ongegrond (verklaard)” en het “bezwaarschrift tegen de aankondiging van de terugvordering en boete kennelijk niet-ontvankelijk (verklaard)”.

Bij besluit van 11 augustus 2005 heeft verweerder besloten de te veel betaalde kinderbijslag ad € 252,31 van eiser terug te vorderen, alsmede eiser een boete op te leggen van € 45,- omdat eiser een wijziging niet of te laat heeft gemeld.

Eiser heeft bij brief van 31 augustus 2005 beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 27 juli 2005.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 19 juli 2005, waar eiser in persoon is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door K. van Ingen.

3. Overwegingen

Processueel

De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of verweerder eisers brief van 4 april 2005 terecht heeft aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen enerzijds zijn besluit van 30 maart 2005, waarbij eiser te kennen is gegeven dat hij geen recht heeft op kinderbijslag voor zijn zoon [zoon] voor het derde kwartaal van 2004, en anderzijds de brief van dezelfde datum waarbij is aangekondigd dat de te veel betaalde kinderbijslag over het derde kwartaal van 2004 van eiser zal worden teruggevorderd en dat hem een boete zal worden opgelegd.

Hoewel in de kop van eisers brief van 4 april 2005 staat: “Betreft boete en terugbetaling kinderbijslag”, hetgeen doet vermoeden dat eiser daarmee uitsluitend heeft beoogd te reageren op verweerders aankondiging van 30 maart 2005, is de inhoud van deze brief duidelijk gericht tegen verweerders besluit van 30 maart 2005. Eiser heeft immers, door in die brief aan te voeren dat, kort gezegd, zijn zoon in het derde kwartaal van 2004 niet te veel heeft verdiend, omdat het om vakantiewerk ging, impliciet gesteld dat hij wel recht heeft op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2004. Hieruit leidt de rechtbank af dat eiser met zijn brief van 4 april 2005 (tevens) heeft beoogd bezwaar te maken tegen verweerders besluit van 30 maart 2005, waarbij hem is medegedeeld dat hij geen recht heeft op kinderbijslag over het derde kwartaal van 2004. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deze brief dan ook terecht in zoverre aangemerkt als een tegen dat besluit gericht bezwaarschrift.

Voor het overige moet eisers brief van 4 april 2005 naar het oordeel van de rechtbank worden aangemerkt als een zienswijze op de aankondiging/het voornemen van verweerder de te veel betaalde kinderbijslag over het derde kwartaal van 2004 terug te vorderen en een boete op te leggen. De rechtbank ziet niet in dat deze brief (ook) zou moeten worden aangemerkt als een bezwaarschrift gericht tegen die aankondiging/dat voornemen. Uit de brief zelf, noch anderszins blijkt dat eiser heeft beoogd daartegen bezwaar te maken. Eiser heeft slechts gebruik gemaakt van de mogelijkheid om te reageren op de aankondiging/het voornemen van 30 maart 2005 en daarbij tevens (impliciet) bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van die datum. De rechtbank kan dan ook tot geen andere conclusie komen dan dat verweerder eisers brief van 4 april 2005 ten onrechte tevens heeft aangemerkt als een bezwaarschrift tegen de aankondiging/het voornemen om tot terugvordering en oplegging van een boete over te gaan en bij het bestreden besluit ter zake daarvan een beslissing heeft genomen. Dit betekent dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, voor zover daarbij de als bezwaarschrift tegen verweerders aankondiging van 30 maart 2005 aangemerkte brief van eiser van 4 april 2005 kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. In zoverre zal verweerder het nemen van een nieuwe beslissing achterwege dienen te laten.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat het beroep van eiser zich in ieder geval ook richt tegen de terugvordering van te veel betaalde kinderbijslag. Nu verweerder hierover op 11 augustus 2005 een definitief besluit heeft genomen en eiser dit besluit met het beroepschrift heeft meegezonden, leidt het naar het oordeel van de rechtbank geen twijfel dat eisers beroep mede tegen dat besluit is gericht. Aangezien bedoeld besluit een primair besluit is, is de rechtbank in zoverre onbevoegd kennis te nemen van het beroep. Voor zover het beroepschrift is gericht tegen verweerders besluit van 11 augustus 2005, zal de rechtbank het dan ook op grond van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan verweerder doorzenden ter behandeling als bezwaarschrift.

Op grond van het vorenstaande acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb , billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiser redelijkerwijs heeft moeten maken met de behandeling van dit beroep, zijnde de door haar gemaakte reiskosten (Delden - Almelo v.v.).

Inhoudelijk

In geschil is de vraag of het besluit van 27 juli 2005, voor zover daarbij eisers bezwaar tegen het besluit van 30 maart 2005 ongegrond is verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 7, eerste lid onder b van de AKW heeft de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een eigen kind, een aangehuwd kind en een pleegkind dat jonger is dan 18 jaar en door hem in belangrijke mate wordt onderhouden. Ingevolge het vierde lid van dit artikel kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld worden naar welke wordt beoordeeld of een kind in belangrijke mate of grotendeels door de verzekerde wordt onderhouden.

Ingevolge artikel 3, aanhef en onder b, van het besluit onderhoudsvoorwaarden kinderbijslag onderhoudt de verzekerde een kind in belangrijke mate indien het kind 16 jaar of ouder doch jonger dan 18 jaar is, het kind tot zijn huishouden behoort en in het inkomen van het kind minder dan € 1.175,-- per kwartaal bedraagt.

In artikel 9 van de AKW is bepaald dat voor het vaststellen van de mate, waarin een eigen kind, een aangehuwd kind, een pleegkind dan wel een met een pleegkind gelijkgesteld kind door de verzekerde wordt onderhouden, het inkomen van het kind wordt geacht te zijn aangewend voor het onderhoud van dat kind. In het tweede lid van dit artikel is onder meer bepaald dat bij ministeri ële regeling naderde regels kunnen worden gegeven ter bepaling van het inkomen van het kind.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Regeling inkomen kinderbijslag 1997 (hierna: Regeling) wordt onder inkomen van het kind, bedoeld in artikel 9 van de AKW verstaan: alle inkomsten uit arbeid na aftrek van eventueel verschuldigde loonbelasting, premies volksverzekeringen en werknemersverzekeringen die in een kwartaal betaald of verrekend zijn, ter beschikking zijn gesteld, rentedragend zijn geworden of vorderbaar en tevens inbaar zijn geworden, die dat kind toekomen of ter beschikking worden gesteld.

In artikel 3 van de Regeling is bepaald dat netto-inkomen tot een totaalbedrag van € 1.050,-- dat het kind tijdens de zomervakantie uit arbeid verwerft niet als inkomen als bedoeld in artikel 1 wordt aangemerkt, voor zover deze arbeid niet voor een langere periode ook buiten de zomervakantie wordt verricht en mits deze arbeid geen deel uitmaakt van de studie of beroepsopleiding die dat kind volgt.

Standpunten van partijen

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, nu uit de door [werkgever] op 1 juli 2005 verstrekte informatie blijkt dat [zoon] daar al langere tijd gedurende een variabel aantal uren werkzaam is geweest, geen sprake is van (vakantie)arbeid, als bedoeld in artikel 3 van de Regeling. Hiervan uitgaande heeft verweerder het totale inkomen van [zoon] over het derde kwartaal van 2004 meegeteld in de berekening van diens inkomsten over dat kwartaal. Volgens verweerder kan niet worden gesteld dat het inkomen van [zoon] in het derde kwartaal van 2004 minder heeft bedragen € 1.175,-- en kan eiser niet geacht worden in belangrijke mate te hebben bijgedragen in de kosten van onderhoud van [zoon].

Eiser kan zich niet met verweerders besluit verenigen en heeft daartoe aangevoerd, samengevat weergegeven, dat, in tegenstelling tot hetgeen door verweerder is gesteld, er geen 0-urencontract bestond tussen [werkgever] en zijn zoon. Verder is eiser van mening dat de werkzaamheden die zijn zoon heeft verricht in de maanden juli en augustus 2004 wel als vakantiewerk moet worden beschouwd. Daarnaast acht eiser de verklaringen van [werkgever] over, kort gezegd, aard en omvang van de werkzaamheden van [zoon] bezijden de waarheid.

Overwegingen van de rechtbank

Het geschil spitst zich toe op de vraag of de inkomsten van eisers zoon [zoon] in het derde kwartaal van 2004 (geheel of gedeeltelijk) zijn te beschouwen als inkomen uit arbeid als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling dan wel (geheel of gedeeltelijk) sprake is van arbeid als bedoeld in artikel 3 van de Regeling, waarvoor de inkomensvrijstelling van deze bepaling geldt. Daartoe zal moeten worden beoordeeld of de arbeid die eiser in het derde kwartaal van 2004 heeft verricht al dan niet (geheel of gedeeltelijk) als vakantiewerk is te beschouwen.

Bij de bevoordeling of er sprake is van vakantiewerk is van belang dat het inkomen is verworven tijdens de zomervakantie en dat de arbeid die tijdens de desbetreffende maanden is verricht zich in aard en/of omvang duidelijk onderscheidt van eventueel vóór of na die maanden verrichte arbeid.

Uit de door [werkgever] op 1 juli 2005 overgelegde loonstaten blijkt dat eiser vanaf mei 2003 in een wisselend aantal uren per maand arbeid heeft verricht bij [werkgever]. Zo heeft eiser in de maanden april tot en met augustus 2004 respectievelijk 80 uur (april), 64 uur (mei), 84 uur (juni), 84 uur (juli) en 96 uur (augustus) gewerkt. In antwoord op vragen van verweerder, heeft [werkgever] in zijn brief van 1 juli 2005 aangegeven dat [zoon] vanaf de aanvangdatum van zijn werkzaamheden (1 mei 2003) tot aan de zomervakantie 2004, alsook gedurende die vakantie, de volgende werkzaamheden heeft verricht: winkel schoonmaken, bij vullen van de (groente)winkel, winkel opruimen, keuken opruimen, magazijn opruimen, groente snijden en inpakwerk.

Uit deze gegevens blijkt dat eisers zoon [zoon] feitelijk regelmatig gedurende een wisselend en ook in ieder geval voorafgaande aan de zomervakantie van 2004 substantieel aantal uren per maand bij [werkgever] heeft gewerkt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de arbeid die [zoon] gedurende de maanden juli en augustus 2004 heeft verricht dan ook terecht niet aangemerkt als arbeid als bedoeld in artikel 3 van de Regeling. Dat [zoon] van af 1 september 2004 een vast contract heeft bij [werkgever] en sindsdien (ook) andere werkzaamheden verricht dan in de zomermaanden van 2004 doet hier niet aan af. Of eiser bij [werkgever] vóór 1 september 2004 al dan niet werkzaam was op basis van een 0-urencontract doet evenmin af aan de conclusie dat de door [zoon] gedurende de zomermaanden van 2004 verrichte arbeid niet is beschouwen als arbeid als bedoeld in artikel 3 van de Regeling. Nu tussen partijen niet in geding is dat de inkomsten van [zoon] in het derde kwartaal van 2004 meer bedroegen dan € 1.175,-, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat [zoon] in dat kwartaal niet in belangrijke mate door eiser werd onderhouden en dat eiser om die reden over het derde kwartaal van 2004 geen recht had op kinderbijslag.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit, voor zover verweerder daarbij eisers bezwaar tegen het besluit van 30 maart 2005 ongegrond heeft verklaard, in rechte in stand kan worden gelaten.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb , billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken met de behandeling van dit beroep, zijnde de door haar gemaakte reiskosten ad € 4,46 ([woonplaats] - Almelo v.v.).

Beslist wordt derhalve als volgt:

4. Beslissing

De rechtbank Almelo;

Recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de als bezwaarschrift tegen verweerders aankondiging van 30 maart 2005 aangemerkte brief van eiser van 4 april 2005 kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard;

- bepaalt dat verweerder in zoverre een nieuwe beslissing achterwege laat;

- laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

- verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep, voor zover dit is gericht tegen verweerders besluit van 11 augustus 2005, registratienummer 325.087.148;

- bepaalt dat het beroepschrift in zoverre wordt doorgezonden aan verweerder, ter behandeling als bezwaarschrift;

- veroordeelt verweerder in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op € 4,46, door de Sociale Verzekeringsbank te betalen aan eiser;

- verstaat dat de Sociale Verzekeringsbank aan eiser het griffierecht ad € 37,-- vergoedt.

Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht

Aldus gegeven door mr. W.F. Claessens, in tegenwoordigheid van J.G.M. Wolbers als griffier.

Buiten staat te tekenen

Afschrift verzonden op 25 juli 2006

AW


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature