Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Rechtbank 's-Gravenhage volgt verweerder niet in stelling dat niet zij, maar rechtbank Dordrecht (relatief) bevoegd zou zijn omdat sprake zou zijn van besluit van een bestuursorgaan van een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam (SVHW). De directeur van dat lichaam is door het college van b. en w. van een binnen het arrondissement van rechtbank 's-Gravenhage gelegen gemeente immers aangewezen als heffingsambtenaar als bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet . Gemeenschappelijke regeling geeft niet aan dat deelnemende gemeenten bevoegdheden van heffingsambtenaar op voet van artikel 10, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen aan het SVHW hebben overgedragen. Rioolrecht is terecht geheven. Verweerder heeft aan hand van tekening aannemelijk gemaakt dat in 2004 vanuit woning van eiser afvalwater op de buitendijks gelegen gemeentelijke riolering werd afgevoerd.

Uitspraak



RECHTBANK ‘S-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Procedurenummer: AWB 05/3787 GGH

Uitspraakdatum: 23 maart 2006

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

[X], wonende te [Z], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente [Q], verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij aanslagbiljet nr. 365614882, gedagtekend 31 mei 2004, zijn aan eiser aanslagen van de gemeente [Q] opgelegd over het kalenderjaar 2004 voor een totaal bedrag van € 1.719,22. Dit aanslagbiljet is voorzien van de ondertekening “directeur SVHW”. De afkorting SVHW staat voor het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling.

Tegen de op het aanslagbiljet voorkomende aanslag heffing rioolrecht ten bedrage van € 185,- heeft eiser bij brief van 14 juni 2004 bezwaar gemaakt. De directeur SVHW heeft bij uitspraak op bezwaar van 28 januari 2005 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen bij brief van 4 mei 2005 beroep ingesteld bij de rechtbank Dordrecht, waar deze brief ter griffie is ingekomen op 24 mei 2005. De rechtbank Dordrecht heeft dit beroepschrift bij brief van 27 mei 2005 doorgezonden aan de rechtbank ‘s-Gravenhage omdat naar haar oordeel deze rechtbank bevoegd is dat beroep te behandelen.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 februari 2006 te 's-Gravenhage.

Namens verweerder is verschenen mr. E. Blom. Eiser is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 2 januari 2006, aan eiser op het adres [adres] te [Z], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van TPG Post is gebleken dat de brief op 4 januari 2006 aan eiser op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden.

2. Bevoegdheid van deze rechtbank

2.1. De rechtbank ziet zich ambtshalve gesteld voor de vraag of zij en niet de rechtbank Dordrecht bevoegd is ter zake van het onderhavige beroep van eiser. Zij beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

2.2. Artikel 231, tweede lid, van de Gemeentewet , welk artikel is neergelegd in paragraaf 4 van hoofdstuk XV van die wet, luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde gelden de bevoegdheden en verplichtingen van de hierna vermelde, in de Algemene wet, de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen genoemde functionarissen, met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de daarachter genoemde colleges of functionarissen:

a. (…):

b. de inspecteur: de gemeenteambteaar, belast met de heffing van gemeentelijke belastingen;

c. t/m f. (…).”

2.3. Blijkens het door verweerder als bijlage 1 bij het verweerschrift aan de rechtbank ingezonden “Aanwijzingsbesluit heffingsambtenaar” heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [Q] bij dat besluit de heer [A] (hierna: [A]), directeur van het SVHW, voor de heffing van de onroerende-zaakbelastingen, rioolrechten, afvalstoffenheffing, reinigingsrechten en de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, aangewezen als de gemeenteambtenaar, bedoeld in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet en bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet waardering onroerende zaken . Voorts heeft verweerder ter zitting verklaard dat [A] is aangesteld als onbezoldigd ambtenaar van de gemeente [Q].

2.4. Gelet op de in 2.3. genoemde feiten moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat [A] de door eiser in beroep bestreden uitspraak op bezwaar van 28 januari 2005 heeft gedaan in zijn hoedanigheid van door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente [Q] aangewezen heffingsambtenaar van die gemeente als bedoeld in voormeld artikel 231, tweede lid, onder b, van de Gemeentewet .

2.5. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:7, eerste lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is, indien beroep wordt ingesteld tegen een besluit van een bestuursorgaan van een gemeente, de rechtbank binnen het rechtsgebied waarvan het bestuursorgaan zijn zetel heeft bevoegd.

2.6. Hetgeen in 2.4 is overwogen betekent dat de bestreden uitspraak op bezwaar afkomstig is van een bestuursorgaan van de gemeente [Q]. Nu dit bestuursorgaan zetelt in de gemeente [Q] en deze gemeente blijkens artikel 7 van de Wet op de rechterlijke indeling is gelegen in het arrondissement van de rechtbank ’s-Gravenhage, is deze rechtbank ingevolge artikel 8:7 van de Awb bevoegd ter zake van het onderhavige beroep. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn in het verweerschrift getrokken conclusie dat de rechtbank Dordrecht ter zake bevoegd is omdat sprake zou zijn van een besluit van een bestuursorgaan van een met toepassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen ingesteld openbaar lichaam, namelijk de directeur van het SVHW, dat zijn zetel heeft te [R], gemeente [S], welke gemeente is gelegen binnen het arrondissement van de rechtbank Dordrecht. Daarbij neemt de rechtbank nog het volgende in aanmerking. De gemeenschappelijke regeling SVHW geeft niet aan dat de deelnemende gemeenten de bevoegdheden van de heffingsambtenaar op de voet van artikel 10, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen aan het SVHW hebben overgedragen. Voorts is [A] niet naar de eis van artikel 232, vierde lid, van de Gemeentewet bij of krachtens de gemeenschappelijke regeling SVHW aangewezen als heffingsambtenaar. Derhalve kan in het midden blijven welke gevolgen voor de relatieve competentie zouden moeten worden verbonden aan een dergelijke aanwijzing.

3. Ontvankelijkheid

3.1. Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken. Deze termijn vangt ingevolge artikel 26c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) aan op de dag na die van de dagtekening van de uitspraak van de heffingsambtenaar, tenzij de dag van dagtekening is gelegen vóór de dag van de bekendmaking.

Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. In het tweede lid is bepaald dat een beroepschrift bij verzending per post tijdig is ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ingediend.

Ingevolge artikel 6:11 van die wet blijft bij een na afloop van de termijn ingediend beroepschrift een niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Ingevolge artikel 6:15, eerste lid, van de Awb wordt het beroepschrift, indien het wordt ingediend bij een onbevoegd bestuursorgaan of bij een onbevoegde administratieve rechter, nadat daarop de datum van ontvangst is aangetekend, zo spoedig mogelijk doorgezonden aan het bevoegde orgaan, onder gelijktijdige mededeling hiervan aan de afzender. In het tweede lid is bepaald dat het eerste lid van overeenkomstige toepassing is indien in de plaats van een bezwaarschrift een beroepschrift is ingediend of omgekeerd. Ingevolge het derde lid is het tijdstip van indiening bij het onbevoegde orgaan bepalend voor de vraag of het bezwaar- of beroepschrift tijdig is ingediend, behoudens in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht.

3.2. De rechtbank stelt vast dat de in beroep bestreden uitspraak op bezwaar is voorzien van de dagtekening 28 januari 2005. Er is geen grond om aan te nemen dat deze uitspraak op bezwaar eerst na die datum is verzonden, zodat de termijn voor het indienen van een beroepschrift is geëindigd op 12 maart 2005. Nu het door eiser bij de rechtbank Dordrecht ingediende beroepschrift is gedateerd op 4 mei 2005 en op 24 mei 2005 ter griffie van die rechtbank is ingekomen, moet worden aangenomen dat dit beroepschrift gelet op artikel 6:9, eerste en tweede lid, van de Awb , niet tijdig is ingediend.

3.3. Verweerder heeft zich in het verweerschrift en ter zitting van de rechtbank op het standpunt gesteld dat eiser niettemin moet worden ontvangen in zijn beroep tegen de uitspraak op bezwaar van 28 januari 2005. Daartoe heeft verweerder gesteld dat eiser naar aanleiding van deze uitspraak op bezwaar een brief gedateerd 7 februari 2005 heeft gestuurd naar de directeur van het SVHW. De directeur SVHW heeft deze brief beantwoord bij brief van 28 februari 2005. Beide brieven zijn door verweerder als gedingstukken aan de rechtbank ingezonden. Verweerder is van mening dat hij voornoemde brief van eiser van 7 februari 2005 had moeten aanmerken als beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar van 28 januari 2005 en deze brief derhalve onder toepassing van artikel 6:15 van de Awb had moeten doorzenden aan de rechtbank.

3.4. De rechtbank is van oordeel dat eisers brief van 7 februari 2005, gezien zijn inhoud en strekking, geen andere conclusie toelaat dan dat het zich richt tegen de uitspraak op bezwaar van 28 januari 2005. De rechtbank volgt verweerder derhalve in zijn standpunt dat hij deze brief op de voet van artikel 6:15, tweede lid, van de Awb zo spoedig mogelijk had moeten doorzenden aan de rechtbank ter behandeling als beroepschrift tegen genoemde uitspraak op bezwaar.

3.5. In navolging van het arrest van de Hoge Raad van 2 april 2004, BNB 2004/272 is de rechtbank van oordeel dat het verzuim van verweerder om aan artikel 6:15, tweede lid, van de Awb te voldoen niet ten nadele van eiser mag strekken. Hoewel op de door verweerder aan de rechtbank overgelegde kopie van eisers brief van 7 februari 2005 niet de datum van ontvangst is aangetekend, zoals ingevolge artikel 6:15, eerste lid, van de Awb is vereist, staat naar het oordeel van de rechtbank buiten twijfel dat deze brief bij verweerder is ingekomen vóór afloop van de wettelijke beroepstermijn van zes weken op 12 maart 2005. Verweerder heeft die brief immers vóór laatstgenoemde datum beantwoord bij brief van 28 februari 2005. Nu de rechtbank geen aanknopingspunten ziet voor de conclusie dat sprake is van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht als bedoeld in artikel 6:15, derde lid, van de Awb , moet worden geoordeeld dat eisers brief van 7 februari 2005 moet worden aangemerkt als een tijdig ingediend beroepschrift tegen de uitspraak op bezwaar van 28 januari 2005.

3.6. Hetgeen overwogen is in 3.5 leidt de rechtbank tot de slotsom dat eiser, nu ook overigens niet van beletselen daarvoor is gebleken, dient te worden ontvangen in zijn beroep tegen de uitspraak op bezwaar van verweerder van 28 januari 2005.

4. Feiten

4.1. Op grond van de gedingstukken stelt de rechtbank als tussen partijen niet in geschil de volgende feiten vast.

4.2. Eiser is eigenaar en gebruiker van de woning op het adres [adres] te [Z]. Deze woning is buitendijks gelegen in woonwijk [woonwijk]. Op het bij de woning behorende terrein was gedurende het hele jaar 2004 een septictank aanwezig waarop deze woning was aangesloten.

5. Geschil

5.1. Tussen partijen is in geschil of in 2004 vanuit eisers woning aan het adres [adres] direct of indirect afvalwater op de gemeentelijke riolering werd afgevoerd.

5.2. Verweerder stelt dat in woonwijk [woonwijk] in 2004 een (buitendijks) rioolstelsel was gelegen, dat in beheer was bij de gemeente [Q] en uitmondde in de rivier de [rivier]. Voorts stelt verweerder dat in genoemd jaar vanuit eisers woning afvalwater via een septictank werd geloosd op dit rioolstelsel. Ter ondersteuning van deze stelling heeft verweerder bij het verweerschrift een ongedateerde plattegrond van (een deel) van woonwijk [woonwijk] ingezonden waarop rioolbuizen zijn ingetekend, alsmede een tekening van het perceel van eiser gedateerd 16 juni 2005 over de uitvoering van werkzaamheden met betrekking tot de huisaansluiting op dat perceel.

5.3. Eiser stelt daarentegen dat het uit zijn woning afkomstige afvalwater in het onderhavige jaar via een septictank werd geloosd op de [rivier]. Het hemelwater werd rechtstreeks van het perceel van eiser naar de [rivier] afgevoerd. Hij was betrokken bij de bouw van de eerste vijf nagenoeg identieke woningen in [woonwijk] zodat hij precies weet hoe de rioolbuizen van de septictank en het hemelwater waren aangesloten. De tien later in de wijk gebouwde woningen hadden geen septictank en waren van meet af aan op de gemeenteriolering aangesloten.

5.4. Het beroep van eiser strekt tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag heffing rioolrecht tot nihil.

5.5. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Beoordeling van het geschil

6.1. In artikel 2, eerste lid, van de Verordening rioolrecht 2004 van de gemeente [Q] (hierna: de Verordening) wordt onder de naam “rioolrecht” geheven een recht van de gebruiker van een eigendom van waaruit afvalwater direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

6.2. Ter zitting heeft verweerder aan de hand van de hiervoor in 5.2 genoemde tekening van 16 juni 2005 naar voren gebracht dat daaruit kan worden afgeleid dat de woning van eiser in 2004 door middel van een reeds aanwezige verbinding in de vorm van een pvc-buis met een doorsnede van 125 mm vanuit de septictank was aangesloten op het buitendijks gelegen gemeentelijk rioolstelsel. Verweerder acht het niet mogelijk dat op een andere wijze vanuit de woning van eiser afvalwater werd geloosd op de rivier de [rivier].

6.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder aan de hand van de hiervoor in 6.1. genoemde tekening aannemelijk gemaakt dat de woning in 2004 op de in 6.1. beschreven wijze was aangesloten op het buitendijks gelegen gemeentelijk rioolstelsel. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat op deze tekening met het oog op de volgens de tekening uit te voeren werkzaamheden in een kader is vermeld dat de bestaande septictank buiten werking wordt gesteld, dat deze wordt leeggezogen en gevuld met zand en dat een goede verstoppingsvrije aansluiting wordt gemaakt tussen in- en uitgaande leiding met een pvc-buis met een doorsnede van 125 mm. Daarin ligt naar het oordeel van de rechtbank besloten dat in de situatie ter plaatse vóór uitvoering van bedoelde werkzaamheden reeds een uitgaande leiding vanuit de septictank aanwezig was. In dit licht bezien acht de rechtbank met verweerder aannemelijk dat deze uitgaande leiding op de tekening is weergegeven met een in zuidelijke richting vanaf de septictank getrokken stippellijn die aansluit op de met een doorgetrokken lijn weergegeven gemeentelijke rioolbuis van pvc met een doorsnede van 200 mm.

6.4. Gelet op hetgeen is overwogen in 6.2. heeft verweerder terecht geconcludeerd dat in 2004 overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, van de Verordening van uit de woning van eiser afvalwater op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd.

6.5. Het beroep dient daarom ongegrond te worden verklaard.

7. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

8. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 23 maart 2006 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. S.C. Stuldreher, mr. J.P.F. Slijpen en mr. G.J. van Leijenhorst en in tegenwoordigheid van mr. C.D. Loen, griffier.

Afschrift aangetekend

verzonden aan partijen op:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature