Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Uganda / LRA / knowing and personal participation / artikel 1F VSV.

Eiser is van Ugandese nationaliteit en heeft aangegeven dat hij in 1995 (op vijftienjarige leeftijd) door de rebellen van de Lords Resistance Army (LRA) is ontvoerd. Eiser werd gedwongen om mensen te vermoorden, te plunderen en mensen, waaronder kinderen, te ontvoeren. In november 2002 heeft eiser kans gezien de rebellen te ontvluchten. Het geschil tussen partijen beperkt zich tot de vraag of verweerder op goede gronden heeft aangetoond dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser, bij toepassing van de ‘knowing en personal participation test’, na zijn achttiende de oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid heeft gepleegd, die verweerder aan hem verwijt, en of eiser individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor die na zijn achttiende gepleegde misdrijven. In het voornemen en het bestreden besluit heeft verweerder niet duidelijk aangegeven wanneer eiser welke misdrijven zou hebben gepleegd, noch onder welke – mogelijke schuld- of strafuitsluitende – omstandigheden die misdrijven zouden hebben plaatsgevonden. Anders dan verweerder heeft aangevoerd, blijkt uit de verklaringen van eiser in het eerste gehoor en het nader gehoor niet wanneer eiser welke gedragingen precies heeft gepleegd, onder welke omstandigheden die gedragingen plaatsvonden en bij welke van die gedragingen sprake was de aan eiser verweten oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Eiser heeft in het nader gehoor meerdere malen aangegeven dat hij zijn asielrelaas slechts kort heeft kunnen toelichten, en daarbij niet heeft uitgewijd en dat hij nog veel meer bijzonderheden kan vertellen. Verweerder heeft bovendien, ondanks zijn aanvankelijk voornemen daartoe, afgezien van het houden van een zogenaamd 1F-gehoor door de gespecialiseerde 1F-unit. Van belang is in dit verband dat de conclusies van verweerder over eisers betrokkenheid bij misdrijven uitsluitend zijn gebaseerd op eisers eigen verklaringen. De openbare bronnen, die verweerder in het besluit heeft aangehaald, bevatten immers geen verwijzing naar eisers persoonlijke betrokkenheid. Verweerder heeft ook onvoldoende onderzocht of aan eiser misdrijven, die hij na zijn achttiende zou hebben begaan, vanwege zijn jonge leeftijd ten tijde van zijn ontvoering en de omstandigheden waaronder hij daarna verbleef bij de rebellen, kunnen worden toegerekend. Verweerder heeft de toerekenbaarheid van de misdrijven immers uitsluitend gebaseerd op eisers eigen, nog onvolledige, verklaringen tijdens het nader gehoor. Ook hierbij is van belang dat er geen algemeen ambtsbericht over Uganda beschikbaar is en verweerder ter zitting heeft bevestigd dat de rapportages van onder andere Amnesty International en Human Rights Watch, waarnaar verweerder in het voornemen heeft verwezen, geen informatie bevatten over de toerekenbaarheid van de gestelde misdaden aan individuele rebellen, maar alleen algemene informatie geven over de werkwijze van de rebellen van de LRA. Die beschreven werkwijze duidt overigens wel op het toepassen van dwang bij rekrutering en inzet van de rebellen. Beroep gegrond.

Uitspraak



RECHTBANK ‘s-GRAVENHAGE

Sector bestuursrecht

Nevenzittingsplaats Haarlem

zaaknummer: AWB 05 / 7166

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 12 januari 2006

in de zaak van:

A,

geboren op [...] 1980, van Oegandese nationaliteit,

eiser,

gemachtigde: mr. M. Spapens, jurist bij de Stichting Rechtsbijstand Asiel te Haarlem,

tegen:

de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,

verweerder,

gemachtigde: mr. E. Bervoets, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te

’s-Gravenhage.

1.1 Procesverloop

1.2 Eiser heeft op 6 december 2002 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag bij besluit van 20 januari 2005 afgewezen. Eiser heeft tegen het besluit op 16 februari 2005 beroep ingesteld.

1.3 Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

1.4 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 1 december 2005. Eiser en verweerder zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. Overwegingen

2.1 In beroep toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw) worden verleend aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is. Onder verdragsvluchteling wordt ingevolge artikel 1, aanhef en onder l, Vw verstaan de vreemdeling die vluchteling is in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: Vluchtelingenverdrag) en op wie de bepalingen ervan van toepassing zijn.

2.3 Ingevolge artikel 1F Vluchtelingenverdrag zijn de bepalingen van dit verdrag niet van toepassing op een persoon, ten aanzien van wie ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat:

a. hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

b. hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

c. hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

2.4 In C1/5.13 Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc) heeft verweerder beleidsregels neergelegd over toepassing van artikel 1F Vluchtelingenverdrag . In C1 /5.13.3.3 Vc heeft verweerder bepaald, dat het aan verweerder zelf is om aan te tonen dat er “ernstige redenen” zijn om te veronderstellen dat de vreemdeling onder de criteria van artikel 1F Vluchtelingenverdrag valt. Teneinde te kunnen bepalen of betrokkene individueel voor artikel 1F handelingen verantwoordelijk dient te worden gehouden, past verweerder de ‘personal and knowing participation test’ toe. Dit wil zeggen dat moet worden bezien of ten aanzien van betrokkene kan worden aangenomen dat hij weet heeft gehad of had behoren te hebben van het plegen van het betreffende misdrijf/de betreffende misdrijven (‘knowing participation’) én of hij op enige wijze hieraan persoonlijk heeft deelgenomen (‘personal participation’). Indien hiervan sprake is en zich niet de in het beleid opgesomde omstandigheden voordoen, op grond waarvan betrokkene gevrijwaard is van de individuele verantwoordelijkheid voor zijn handelen, kan aan betrokkene artikel 1F worden tegengeworpen. De ‘personal and knowing participation test’ is volgens dit beleid in lijn met het gestelde in het Statuut van Rome (artikel 25 en 27 tot en met 33 ).

Deze artikelen in het Statuut van Rome inzake het Internationaal Strafhof zien op schuld- en strafuitsluitende omstandigheden.

2.5 Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende naar voren gebracht. Eiser behoort tot de Acholi bevolkingsgroep en is afkomstig uit Noord Oeganda. Eind 1995 hebben rebellen van de Lords Resistance Army (hierna: LRA) eiser ontvoerd. Hij was toen vijftien jaar. In de daarop volgende jaren hebben de rebellen eiser gebruikt om spullen te dragen en te werken. Eiser werd ook opgedragen om mensen te vermoorden, te plunderen en mensen, waaronder kinderen, te ontvoeren. Eiser werd gedwongen seksuele contacten te hebben met de rebellen en hij werd gedwongen om opium te roken. In november 2002 heeft eiser, na eerdere mislukte pogingen, eindelijk kans gezien de rebellen te ontvluchten. Eiser is daarna naar Nederland gereisd. Na zijn desertie uit het rebellenleger vreest eiser door het regeringsleger of de rebellen te worden gedood.

2.6 Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser zich persoonlijk schuldig heeft gemaakt aan misdrijven als bedoeld in artikel 1F, aanhef en onder a en b, Vluchtelingenverdrag en dat eiser vanaf zijn achttienjarige leeftijd voor deze gedragingen verantwoordelijk kan worden gehouden. De bepalingen van het Vluchtelingenverdrag zijn daarom niet op eiser van toepassing. Verweerder brengt eiser in verband met plundering, moord, doodslag, buitengerechtelijke executies, vrijheidsberoving, foltering en het rekruteren van kinderen beneden de vijftien jaar voor de strijd. Deze gedragingen merkt verweerder aan als een of meer oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Dat zijn ook ernstige, niet-politieke misdrijven. In het bestreden besluit ontbreekt, zo heeft verweerder ter zitting toegelicht, weliswaar een chronologisch overzicht van de aan eiser verweten misdrijven maar er kan worden aangenomen dat eiser de in het voornemen genoemde misdrijven door de jaren heen heeft begaan. Uit de verklaringen van eiser zelf tijdens het nader gehoor van 13 januari 2003 komt een voldoende duidelijk beeld naar voren van de misdaden, die eiser heeft gepleegd. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij genoemde activiteiten ook na zijn achttiende onder dwang heeft verricht en dat hij zich niet eerder aan de rebellen heeft kunnen onttrekken. Verweerder voert voorts aan dat uit het relaas van eiser niet de conclusie kan worden getrokken dat juist hij bij terugkeer een reëel en voorzienbaar risico loopt op een wrede of onmenselijke behandeling of bestraffing. Gelet op het bepaalde in artikel 3.107 Vreemdelingenbesluit (hierna: Vb) komt eiser evenmin in aanmerking voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op een van de andere in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.7 Eiser heeft hiertegen het volgende aangevoerd. LRA heeft eiser op jonge leeftijd ontvoerd en hem vervolgens gedwongen om deel te nemen aan de activiteiten van de rebellen. Ter zitting heeft eiser benadrukt, dat een nauwkeurig en chronologisch overzicht ontbreekt van de misdrijven gepleegd na zijn achttienjarige leeftijd, die verweerder aan eiser verwijt. Verweerder heeft er van afgezien een zogenaamd 1F-gehoor te doen houden door een gespecialiseerde 1F-unit. Aan eiser ontbrak het bovendien ook in de periode na 1998 aan een vrije keuze. Hij kan ook nadien niet voor zijn handelen als rebel verantwoordelijk worden gehouden. Als gevolg van de psychische schade die eiser gedurende de eerste periode bij de rebellen moet hebben opgelopen, is het aannemelijk dat hij ook gedurende zijn meerderjarigheid niet als toerekeningsvatbaar beschouwd dient te worden. Daarnaast heeft eiser de genoemde misdaden onder bevel van een meerdere uitgevoerd. Het niet volgen van deze instructies zou zijn eigen dood hebben betekend. Eiser heeft eerdere ontsnappingspogingen ondernomen maar is daar toen niet in geslaagd. Tenslotte werd eiser beïnvloed door het (gedwongen) gebruik van opium en het occultisch karakter van de LRA.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.8 Niet in geschil is dat de gedragingen waarvoor verweerder eiser verantwoordelijk houdt, oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid zijn en daarmee ernstige, niet-politieke misdrijven, als bedoeld in artikel 1F, onder a en b, van het Vluchtelingenverdrag .

2.9 Ter zitting heeft verweerder bevestigd dat hij eiser niet verantwoordelijk houdt voor misdrijven die eiser tussen zijn vijftiende en achttiende levensjaar heeft gepleegd.

2.10 Het geschil tussen partijen beperkt zich derhalve tot de vraag of verweerder op goede gronden heeft aangetoond dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat eiser, bij toepassing van de ‘knowing en personal participation test’, na 1998 de oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid heeft gepleegd, die verweerder aan hem verwijt, en of eiser individueel verantwoordelijk kan worden gehouden voor die na 1998 gepleegde misdrijven.

2.11 In het voornemen van 12 november 2004 en het bestreden besluit van 20 januari 2005 heeft verweerder niet duidelijk aangegeven wanneer eiser welke misdrijven zou hebben gepleegd, noch onder welke – mogelijke, hem van zijn individuele verantwoordelijkheid vrijwarende, schuld- of strafuitsluitende – omstandigheden die misdrijven zouden hebben plaatsgevonden.

2.12 Anders dan verweerder ter zitting nog heeft aangevoerd, blijkt uit de verklaringen van eiser in het eerste gehoor van 6 december 2002 en het nader gehoor van 13 januari 2003 niet wanneer eiser welke gedragingen precies heeft gepleegd, onder welke omstandigheden die gedragingen plaatsvonden en bij welke van die gedragingen sprake was de aan eiser verweten oorlogsmisdrijven en misdrijven tegen de menselijkheid. Eiser heeft wel in het nader gehoor meerdere malen (op bladzijdes 6, 12 en 13) aangegeven dat hij zijn asielrelaas slechts kort heeft kunnen toelichten, en daarbij niet heeft uitgewijd en dat hij nog veel meer bijzonderheden kan vertellen. Verweerder heeft bovendien, ondanks zijn aanvankelijk voornemen daartoe, afgezien van het houden van een zogenaamd 1F gehoor door de gespecialiseerde 1F-unit. Van belang is in dit verband dat de conclusies van verweerder over eisers betrokkenheid bij misdrijven uitsluitend zijn gebaseerd op eisers eigen verklaringen. De openbare bronnen, die verweerder in het besluit heeft aangehaald, bevatten immers geen verwijzing naar eisers persoonlijke betrokkenheid.

2.13 Verweerder heeft onder deze omstandigheden de feiten onvoldoende duidelijk in kaart gebracht.

2.14 Verweerder heeft daarmee ook onvoldoende onderzocht of aan eiser misdrijven, die hij na 1998 zou hebben begaan, vanwege zijn jonge leeftijd ten tijde van zijn ontvoering en de omstandigheden waaronder hij daarna verbleef bij de rebellen, kunnen worden toegerekend. Verweerder heeft de toerekenbaarheid van de misdrijven immers uitsluitend gebaseerd op eisers eigen, nog onvolledige, verklaringen tijdens het nader gehoor. Ook hierbij is van belang dat er geen algemeen ambtsbericht over Oeganda beschikbaar is en verweerder ter zitting heeft bevestigd dat de rapportages van onder andere Amnesty International en Human Rights Watch, waarnaar verweerder in het voornemen (op pagina’s 4 en 5 van het voornemen) heeft verwezen, geen informatie bevatten over de toerekenbaarheid van de gestelde misdaden aan individuele rebellen, maar alleen algemene informatie geven over de werkwijze van de rebellen van de LRA. Die beschreven werkwijze duidt overigens wel op het toepassen van dwang bij rekrutering en inzet van de rebellen.

2.15 De onder 2.10 bedoelde vragen dienen derhalve ontkennend te worden beantwoord.

2.16 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat verweerders onderzoek naar de relevante feiten onvoldoende zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit daarom niet berust op een deugdelijke motivering.

2.17 Hetgeen overigens door partijen naar voren is gebracht behoeft geen bespreking.

2.18 De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren. Verweerder heeft gehandeld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen een nieuw besluit te nemen.

2.19 De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:75, eerste en derde lid, Awb verweerder veroordelen in de door eiser gemaakte kosten en de rechtspersoon aanwijzen die de kosten moet vergoeden. De kosten ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn € 644,- ( 1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1).

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit;

3.3 draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op de aanvraag van 6 december 2002 met inachtneming van deze uitspraak;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 644,- en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon die deze kosten aan eiser moet voldoen;

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter en mrs. J.P. Smit en H.C. Greeuw, leden van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken, en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2006, in tegenwoordigheid van mr. A. Martens als griffier.

afschrift verzonden op:

Coll:

Rechtsmiddel

Partijen kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC, ’s-Gravenhage. Het hoger beroep moet ingesteld worden door het indienen van een beroepschrift, dat een of meer grieven bevat, binnen vier weken na verzending van de uitspraak door de griffier. Bij het beroepschrift moet worden gevoegd een afschrift van deze uitspraak.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature