Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

Opties voor deze uitspraak

LJN AV5108, Rechtbank Rotterdam, 10/000322-04;10/000328-04;10/000396-04;10/000393-04;10000325-04;10/000323-04;10/000395-04;
Datum uitspraak: 10-03-2006
Datum publicatie: 16-03-2006
Rechtsgebied: Straf
Soort procedure: Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummers: 10/000322-04;10/000328-04;10/000396-04;10/000393-04;10000325-04;10/000323-04;10/000395-04;
Vindplaats: 
NJFS ; 2006, 120
 
Inhoudsindicatie:
Compilatie van de vonnissen in de zaak van veertien verdachten van de zogenoemde Hofstadgroep. Van de veertien verdachten worden vijf vrijgesproken. De rechtbank acht de overige negen verdachten allen schuldig aan deelneming aan een criminele organisatie en aan deelnemening aan een terroristische organisatie. Twee van deze negen verdachten zijn bovendien schuldig aan het medeplegen van poging tot moord, meermalen gepleegd, en het medeplegen van overtreding van de Wet wapens en munitie. Eén verdachte is schuldig aan deelneming aan een criminele organisatie en deelneming aan een terroristische organisatie, alsmede aan het overtreden van de Wet wapens en munitie.

Uw eigen juridische database
OpMaat, uw eigen juridische database, altijd en overal toegang, snel, uitgebreide zoekmogelijkheden, compleet, gebruiksvriendelijk en actueel, www.sneltotdekern.nl
gesponsorde link
Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM
NEVENVESTIGINGSPLAATS ’S-GRAVENHAGE
SECTOR STRAFRECHT

MEERVOUDIGE KAMER


Compilatie vonnissen in de Hofstad-zaak
Uitspraakdatum 10 maart 2006

De rechtbank zal thans uitspraak doen in de zaak van 14 verdachten in de zogenoemde Hofstadzaak, ook wel genoemd de Arles-zaak.
In verband met de privacy worden de achternamen alleen aangeduid met de eerste letter daarvan.

Allereerst zal uitspraak worden gedaan in de zaak van de verdachte:
[verdachte 14]. (10/000322-04).

Aansluitend zal de rechtbank uitspraak doen in de zaken van de overige 13 verdachten:
1. [verdachte 1]. (10/000328-04)
2. [verdachte 2] (10/000396-04)
3. [verdachte 3] (10/000393-04)
4. [verdachte 4] (10/000325-04)
5. [verdachte 5] (10/000323-04)
6. [verdachte 6] (10/000395-04)
7. [verdachte 7] (10/000365-04)
8. [verdachte 8] (10/000397-04)
9. [verdachte 9] (10/000394-04)
10. [verdachte 10] (10/600069-05)
11. [verdachte 11] (10/000354-04)
12. [verdachte 12] (10/000324-04)
13. [verdachte 13] (10/000174-04)

De uitspraak in de zaak van die 13 verdachten betreft geen letterlijke weergave van hun vonnissen, maar is een compilatie daarvan. Ook deze compilatie wordt een lang betoog van enkele uren. Deze lange duur komt omdat er door de rechtbank diverse beslissingen moeten worden genomen die alle gemotiveerd moeten zijn. In sommige gevallen is de motivering zelfs zeer uitgebreid.

Een afschrift van deze compilatie zal na afloop van de uitspraken beschikbaar zijn, ook voor de pers.

De individuele vonnissen in de bedoelde 13 zaken zullen zo spoedig mogelijk aan de raadslieden worden verstrekt.


Uitspraak in de zaak [verdachte 14].

Beoordeling van het tenlastegelegde feit.

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat hij al dan niet tezamen en in vereniging met een ander zich heeft schuldig gemaakt aan voorbereiding of bevordering van het door bedreiging met geweld de parlementariër A. Hirsi Ali verhinderen haar plicht in de Tweede Kamer van de Staten-Generaal onbelemmerd te vervullen, welk misdrijf al dan niet zouworden begaan met een terroristisch oogmerk, alsmede aan voorbereiding of bevordering van moord met een terroristisch oogmerk. Blijkens de tenlastelegging zou de verdachte een briefje voorhanden hebben gehad waarvan hij wist dat het bestemd was tot het plegen van die misdrijven. In tegenstelling tot de andere verdachten in het 'Arles' onderzoek - ook wel genoemd het onderzoek naar de 'Hofstadgroep' -, is aan de verdachte niet tenlastegelegd dat hij heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, al dan niet met een terroristisch oogmerk. Het openbaar ministerie heeft in de oorspronkelijke dagvaarding van de verdachte wel tenlastegelegd dat hij heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, mogelijk met terroristisch oogmerk, doch dit strafbare feit is na nadere omschrijving van de tenlastelegging ter terechtzitting van 10 januari 2006 komen te vervallen.

Verdachte is op 10 november 2004 aangehouden. Na zijn aanhouding is onder meer de werkgever van de verdachte alsgetuige gehoord. Bij gelegenheid van diens verhoor overhandigde genoemde getuige een briefje dat enkele dagen eerder was gevonden op de vloer in het magazijn van de bakkerij waar de verdachte werkzaam was. Op dit briefje was onder meer vermeld: 'Hirsi Ali hoofdverdachte Islam', '31-12-04', politie afleiding vuurwerk', 'via dakraam binnen en afslachten', 'pijnlijk' en 'religieuze mes (zwaard) van HZ Ali gebruiken'. Bovendien was een eenvoudige schets afgebeeld van een gebouw, vermoedelijk een huis met een puntdak met een dakraam. Bij het dakraam staat een pijl. Aan één zijde van het gebouw is een afdakje getekend waarbij 'politie' is geschreven.

De politie heeft in de onderhavige zaak onderzoek verricht naar de herkomst van het aangetroffen briefje. In dit kader heeft de verdachte op 21 december 2004 een schrijfproef afgelegd naar aanleiding waarvan een handschriftvergelijkend onderzoek heeft plaatsgevonden. Zowel dit handschriftvergelijkend onderzoek, als het onderzoek naar het op het briefje aangetroffen dactyloscopisch spoor, heeft geen aanwijzing opgeleverd dat de verdachte enige betrokkenheid bij dat briefje heeft gehad, anders dan dat het op diens werk is aangetroffen. De rechtbank merkt hierbij op dat is komen vast te staan dat vele personen - waaronder medewerkers die niet in het magazijn van de bakkerij werkzaam waren - toegang hadden tot de plaats waar het betreffende briefje is aangetroffen. Ook op grond van overige onderzoeksbevindingen in het dossier, waaronder verschillende getuigenverklaringen, is niet gebleken dat de verdachte enige betrokkenheid heeft gehad bij de totstandkoming van het aangetroffen briefje dan wel dat hij dat briefje op enig moment voorhanden heeft gehad.

De rechtbank acht derhalve - evenals het openbaar ministerie - op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte is tenlastegelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Inbeslaggenomen voorwerpen.

Onvoldoende duidelijk is geworden aan wie het blijkens de beslaglijst inbeslaggenomen briefje dat is aangetroffen in de bakkerij aan de [adres], in eigendom toebehoort. De rechtbank zal, nu geen persoon als rechthebbende kan worden aangemerkt, de bewaring van dit voorwerp ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

De officier van justitie heeft gevorderd (een aantal van) de in beslag genomen voorwerpen die staan vermeld op de ter zitting overgelegde beslaglijst aan het verkeer te onttrekken, te weten enkele CD-roms en een uit een in beslaggenomen computerafkomstige harde schijf. De vordering is door de officier van justitie niet per voorwerp afzonderlijk toegelicht of onderbouwd. De rechtbank heeft bij haar beraadslaging geconstateerd dat het thans niet doenlijk is kennis te nemen van de op die gegevensdragers opgeslagen digitale bestanden c.q. teksten. Het gaat daarbij (mede) om geschriften c.q. teksten in de Arabische, althans niet-Nederlandse taal. Daarvan is geen vertaling overgelegd. Dit brengt met zich mee dat de rechtbank niet in staat is zich een oordeel te vormen of die voorwerpen "van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang". De rechtbank is feitelijk derhalve niet in staat ten aanzien van al die voorwerpen enige beslissing te nemen als bedoeld in artikel 353 van het Wetboek van Strafvordering . De rechtbank ziet zich onder deze omstandigheden genoodzaakt het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vordering tot onttrekking aan het verkeer van deze voorwerpen. Deofficier van justitie kan desgewenst alsnog een vordering indienen ten einde een beschikking uit te lokken als bedoeld in artikel 36b, eerste lid, onder 4 van het Wetboek van Strafrecht , in welke procedure alsdan duidelijkheid dient te worden gebracht over voornoemde vraag.

Beslissing.

Het voorgaande leidt tot de beslissing van de rechtbank dat de verdachte wordt vrijgesproken van al hetgeen hem is tenlastegelegd. De rechtbank gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen briefje dat is aangetroffen in de bakkerij aan de [adres].

Het openbaar ministerie wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot het aan het ontrekken van het verkeer van voorwerpen.

Het openbaar ministerie heeft de mogelijkheid tegen dit vonnis hoger beroep in te stellen.

Als in het hiernavolgende over de verdachten wordt gesproken heeft dit geen betrekking op [verdachte 14].


De uitspraak in de overige 13 zaken:

In het hiernavolgende zullen de volgende onderwerpen aan de orde komen:
- het aanwezigheidsrecht van de verdachte [verdachte 6];
- de wijze van tenlasteleggen;
- de rechtmatigheid van aanhouding en/of inverzekeringstelling van de verdachte [verdachte 7];
- de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst;
- de bruikbaarheid van enkele bewijsmiddelen (de chatgesprekken en de verklaring van de getuige [getuige M]);
- het vuurwapenbezit door [verdachte 11];
- de gebeurtenissen aan de Antheunisstraat op 10 november 2004;
- deelneming aan een (terroristisch) criminele organisatie, en
- de eindbeoordeling.

Formele verweren

Het aanwezigheidsrecht

1. De raadslieden van verdachte [verdachte 6] hebben ter gelegenheid van het pleidooi op 3 februari 2006 gesteld dat het “betreurenswaardig [ is en blijft ] dat cliënt tijdens de inhoudelijke behandeling van zijn zaak is uitgezet naar Marokko. Het is hem onmogelijk gemaakt gebruik te maken van zijn aanwezigheidsrecht en er is derhalve strijd met art. 6 EVRM. Een en ander doet niet af aan het feit dat cliënt heeft aangegeven, door omstandigheden gedwongen, geen beroep te willen doen op zijn aanwezigheidsrecht, dit in verband met het voorzetten van de vreemdelingenbewaring.” De verdediging heeft aan dit standpunt geen verzoeken of gevolgen verbonden.

2. De rechtbank merkt hierover ambtshalve het volgende op. Gebleken is dat verdachte bij besluit van 7 juni 2005 tot ongewenst vreemdeling is verklaard; hij heeft daartegen een bezwaar ingediend, dat bij besluit van 29 september 2005 ongegrondis verklaard. Tegen dat laatstgenoemde besluit heeft verdachte op 30 september 2005 beroep ingesteld. Tevens heeft verdachte de voorzieningenrechter verzocht om bij voorlopige voorziening de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie te verbieden verdachte uit te zetten voordat de rechtbank op het ingestelde beroep heeft beslist. Bij de behandeling van voornoemde zaak bij de voorzieningenrechter is de omstandigheid dat verdachte is verwikkeld in de onderhavige strafzaak aan de orde geweest, in welk verband is gesteld dat verdachte er belang bij heeft zijn strafprocedure in Nederland te kunnen bijwonen. De voorzieningenrechter heeft dat belang in zijn uitspraak van 20 oktober 2005 onderkend en in dat verband overwogen: "Het belang de strafzaak te kunnen bijwonen en zich te kunnen verdedigen tegen de tenlastgelegde feiten is weliswaar een evident belang, maar in deze vreemdelingrechtelijke procedure onvoldoende zwaarwegend om het door verweerder aangevoerde belang van de nationale veiligheid bij spoedige uitzetting langdurend opzij te kunnen zetten. Daarbij heeft de voorzieningenrechter mede in aanmerking genomen dat het bijwonen van de strafzaak niet meebrengt dat verzoeker in verband met de behandeling van het beroep tegen de ongewenstverklaring voortdurend in Nederland moet verblijven en voorts dat niet is gebleken dat het afwijzen van de verzochte voorlopige voorziening verzoeker elke mogelijkheid ontneemt zijn strafzaak in Nederland bij te wonen. Verweerder (zijnde de Minister voor Vreemdelingenzaken enIntegratie) kan immers voor die periode de ongewenstverklaring tijdelijk opheffen."

3. Verdachte is bij de behandeling van zijn strafzaak aanwezig geweest tot aan het requisitoir. Op de zitting van 20 december 2005 is hij over de feiten waarvan hij wordt verdacht ondervraagd en heeft hij daarop kunnen reageren. Op die zitting is door of namens verdachte niet aan de orde gesteld dat hij het land zou (kunnen) worden uitgezet. Door middel van een faxbericht van 16 januari 2006 heeft de raadsvrouw van verdachte de rechtbank op de hoogte gesteld dat “de heer (..) heden om 13:00 uur wordt uitgezet naar Marokko en derhalve niet meer in staat is om zijn proces bij te wonen.” De rechtbank heeft vervolgens bij de verdediging geïnformeerd of die uitzetting uit Nederland zou leiden tot verzoeken zijdens de verdediging, bijvoorbeeld tot een verzoek tot aanhouding van de verdere behandeling. Bij een daarop volgende brief van 20 januari 2006 liet de verdediging de rechtbank weten: “Inmiddels heeft cliënt contactmet mij opgenomen en mij medegedeeld niet van het aanwezigheidsrecht in deze zaak gebruik te willen maken, zodat een verzoek tot aanhouding niet zal worden gedaan.” In diezelfde brief liet de verdediging tevens weten uitdrukkelijk te zijn gemachtigd om voor de verdachte op te treden. In deze strafzaak is vervolgens gerekwireerd en gepleit en hebben vervolgens de officier van justitie en de verdediging wederom het woord gevoerd voor repliek onderscheidenlijk dupliek.

4. Niet is gesteld of gebleken datdoor of namens verdachte een verzoek is gedaan tot tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring, zoals bedoeld in de hiervoor aangehaalde overweging van de voorzieningenrechter. Evenmin is ter zitting of anderszins het verzoek gedaan deze strafzaak aan te houden. In tegendeel, verdachte heeft om hem moverende redenen geen beroep willen doen op zijn aanwezigheidsrecht.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op voornoemde gang van zaken, te dezen geen sprake is van strijd met artikel 6 EVRM.


De wijze van tenlasteleggen

5. De raadslieden van verdachten [verdachte 4] en [verdachte 9] hebben in hun pleitnota een aantal kanttekeningen geplaatst bij de wijze waarop het openbaar ministerie uiteindelijk door middel van de ter zitting van 20 september 2005 ingediende en door de rechtbank toegewezen vordering tot nadere omschrijving van de feiten de aan verdachte verweten feiten heeft tenlastegelegd. Daarbij is de verdediging in het bijzonder ingegaan op feit 2 van de tenlastelegging. Dat feit 2 bestaatuit een onderdeel A dat betrekking heeft op de verweten deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) gedurende de periode van 10 augustus 2004 tot en met 10 november 2004, en uit een onderdeel B dat ziet op de verweten deelneming aan een organisatie met een terroristisch oogmerk (als bedoeld in artikel 140a Sr) gedurende dezelfde periode van 10 augustus 2004 tot en met 10 november 2004. Die onderdelen A en B kunnen blijkens de tussengevoegde woorden“en/of” worden gelezen als zijnde ten laste gelegd als cumulatief/alternatief.
De raadslieden stellen bij pleidooi: “De conclusie kan naar ons oordeel alleen zijn dat de tenlastelegging zoals die er nu ligt, niet door de beugel kan.” De verdediging laat daarmee in het midden of er bijvoorbeeld sprake zou zijn van (ten dele) niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dan wel van (partiële) nietigheid van de tenlastelegging.

6. De rechtbank merkt hierover het volgende op. Uit de toelichting op de ter zitting van 20 september 2005 ingediende vordering van het openbaar ministerie tot nadere omschrijving van de feiten op grond van artikel 314a Wetboek van Strafvordering (Sv), uit het dossier en uit het verhandelde ter terechtzitting moet het voor de verdachte en de verdediging zonder meer duidelijk zijn dat het openbaar ministerie bij de tenlastelegging zoals die thans voorligt het oog heeft op één organisatie. De wijze waarop de verweten gedragingen thans zijn tenlastegelegd houdt verbandmet de omstandigheid dat op 10 augustus 2004 de Wet terroristische misdrijven en daarmee onder meer het nieuwe artikel 140a Sr in werking is getreden. Daardoor is derhalve naast de reeds bestaande strafbaarstelling van deelneming aan een “gewone” criminele organisatie (140 Sr) ook strafbaar gesteld de deelneming aan een organisatie met een terroristisch oogmerk (140a Sr). Denkbaar is dat een verdachte verweten wordt dat hij heeft deelgenomen aan zowel een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr als aan een organisatie als bedoeld in artikel 140a Sr. Daarbij behoeft niet te zijn uitgesloten dat beide verdenkingen zien op dezelfde periode. Evenzo is mogelijk dat één en dezelfde organisatie kan worden aangemerkt als een organisatie op de voet van zowel artikel 140 Sr als artikel 140a Sr.

7. De rechtbank wijst er voorts op dat niet alle in onderdeel A van feit 2 genoemde misdrijven door de wetgever in artikel 83 Sr zijn aangemerkt als misdrijven die kunnen worden gepleegd met een terroristisch oogmerk. Dat geldt bijvoorbeeld voor de in dat onderdeel A van de tenlastelegging opgenomen misdrijven opruiing en verspreiding ter opruiing (artikelen 131 en 132 Sr). Deze misdrijven kunnen derhalve wel worden opgenomen in onderdeel A dat immers betrekking heeft op artikel 140 Sr, maar zij kunnen niet worden opgenomen in de opsomming van misdrijven in onderdeel B van feit 2.

8. Er is geen rechtsregel die zich verzet tegen een wijze van tenlasteleggen zoals in deze zaak is geschied. De rechtbank zal uiteraard,indien het tot een bewezenverklaring komt en afhankelijk van de vraag wat zij bewezen acht, zo nodig toepassing geven aan de samenloopbepalingen als bedoeld in Titel VI van Boek I van het Wetboek van Strafrecht.


De rechtmatigheid van de aanhouding en/of inverzekeringstelling

9. De raadsman van de verdachte [verdachte 7] heeft betoogd dat de aanhoudingen en inverzekeringstellingen van zijn cliënt in 2003 en 2004 onrechtmatig waren en dat daarom bewijsuitsluiting dient te volgen van “alle verbodenvruchten die zijn verkregen door deze aanhouding.” De rechtbank overweegt hierover als volgt.

10. Verdachte is op 17 oktober 2003 aangehouden en op diezelfde dag in verzekering gesteld. De rechter-commissaris heeft op 20 oktober 2003 geoordeeld dat de inverzekeringstelling niet onrechtmatig was en heeft op 22 oktober 2003 tegen verdachte een bevel tot bewaring afgegeven. Verdachte is op 28 oktober 2003 in opdracht van de officier van justitie bij het Landelijk Parket te Rotterdam heengezonden.
Verdachte is opnieuw aangehouden op 10 november 2004 en op die dag in verzekering gesteld. De rechter-commissaris heeft op de voet van artikel 59a Sv op 12 november 2004 de inverzekeringstelling niet onrechtmatig geacht. Door de rechter-commissaris is tegen verdachte de bewaring bevolen en nadien zijn de gevangenhouding en de verlenging daarvan bevolen.

11. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 8 mei 2001, NJ 2001, 587, onder punt 3.3. ten aanzien van verzuimen bij de aanhouding en inverzekeringstelling overwogen: “dergelijke verzuimen kunnen aan de orde worden gesteld bij het verhoor door de rechter-commissaris naar aanleiding van het verzoek van de officier van justitie als bedoeld in artikel 59a, tweede lid, Sv en/of een verzoek van de verdachte om invrijheidstelling.Tegen het oordeel van de rechter-commissaris dat het verleende bevel tot inverzekeringstelling niet onrechtmatig is en/of dat er geen gronden zijn het verzoek van de verdachte in te willigen, staat geen hogere voorziening open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen bij de aanhouding en inverzekeringstelling die aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd. Noch de tekst van artikel 359a Sv noch de wetsgeschiedenis van die bepaling geeft daartoe aanleiding.”

12. De raadsman heeft in zijn pleitnotities ten behoeve van de dupliek gesteld: “Inmiddels is de Hoge Raad op dit arrest teruggekomen althans heeft de Hoge Raad na dit arrest in ieder geval 1 arrest gewezen waarin de rechtmatigheid van de aanhouding (HR 19 maart 2002, nr 1336.01) werd getoetst. Zo ook het Hof te Amsterdam bij arrest van 5 november 2002 en 28 augustus 2002. Deze uitspraken zijn allen in de Nieuwsbrief strafrecht gepubliceerd.”

13. Uit de gepubliceerde uitspraak van de Hoge Raad van 19 maart 2002 ( LJN: AD8939), blijkt dat het in die zaak ging over - zakelijk weergegeven - de vraag of er wel of geen sprake was van een aanhouding in geval van heterdaad als bedoeld in artikel 53 lid 1 in verband met artikel 128 lid 1 Sv. De Hoge Raad heeft die vraag, gelet op hetgeen het gerechtshof had vastgesteld, bevestigend beantwoord en geoordeeld dat het gerechtshof het verweer terecht heeft verworpen. De rechtbank vindt in deze uitspraak van de Raad onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de Raad zou zijn teruggekomen op zijn beslissing in eerder genoemd arrest van 8 mei2001. De rechtbank acht dat ook niet aannemelijk, gelet op de hierna te noemen uitspraak van de Hoge Raad van 30 maart 2004.
De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn standpunt tevens verwezen naar twee arresten uit 2002 van het gerechtshof Amsterdam. De rechtbank neemt aan dat de raadsman doelt op de arresten die in de Nieuwsbrief Strafrecht van 13 februari 2003, aflevering 2, zijn gepubliceerd onder de nummers 64 en 65. Uit die gepubliceerde arresten van het gerechtshof blijkt niet dat in die zaken een toetsing of beslissing door de rechter-commissaris had plaatsgevonden als bedoeld in artikel 59a Sv. In die twee arresten van het gerechtshof kan dan ook geen steun worden gevonden voor het standpunt van de raadsman. Hoe dat ook zij, de Hoge Raad heeft in zijn van later datum daterend arrest van 30 maart 2004, NJ 2004, 376, onder punt 3.4.2 uitdrukkelijk zijn standpunt uit het arrest 8 mei 2001 herhaald door aan te geven: “Artikel 359a Sv is ook niet van toepassing bij vormverzuimen die betrekking hebben op bevelen inzake de toepassing van vrijheidsbenemende dwangmiddelen welke kunnen worden voorgelegd aan de rechter-commissaris die krachtens de wet belast is met het toezicht op de toepassing dan wel de voortduring van bepaalde tijdens het voorbereidend onderzoek bevolen vrijheidsbenemende dwangmiddelen en die aan dergelijke verzuimen rechtsgevolgen kan verbinden ten aanzien van de voortzetting van de vrijheidsbeneming. Tegen het oordeel van de rechter-commissaris dat het verleende bevel tot inverzekeringstelling niet onrechtmatig is en/of dat er geen gronden zijn het verzoek tot invrijheidstelling van de verdachte in te willigen, staat geen hogere voorziening open. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist indien bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting opnieuw of alsnog een beroep zou kunnen worden gedaan op verzuimen bij de inverzekeringstelling die aan de rechter-commissaris zijn of hadden kunnen worden voorgelegd.”

14. Gelet op hetvorengaande kan de (on)rechtmatigheid van de inverzekeringstelling thans niet meer ter discussie staan. Geheel ten overvloede en voor alle duidelijkheid merkt de rechtbank evenwel op dat naar haar oordeel in zowel 2003 als in 2004 afdoende verdenking aanwezig was om tot aanhouding van verdachte over te (kunnen) gaan en de inverzekeringstelling te bevelen. Er is dus geen enkele reden enig bewijsmiddel uit te sluiten.


De Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst (AIVD)

15. Door verscheidene raadslieden zijn verweren gevoerd dan wel opmerkingen gemaakt over de AIVD. Dit betreft de door deze dienst opgestelde ambtsberichten, de door de dienst aan het openbaar ministerie verstrekte fragmenten van door de dienst afgeluisterde gesprekken in de woning aan de Antheunisstraat (hierna te noemen de OVC-gesprekken) en de mogelijke rol van [getuige B] als informant. De rechtbank zal de bespreking hiervan laten voorafgaan door enkele algemene opmerkingen over de AIVD.

16. De AIVD is een instantie die zich bezighoudt met de bescherming van de nationale veiligheid en in dat verband ook met de bestrijding van terrorisme. De dienst wordt geacht zich een sterke informatiepositie te verwerven en doet dit door middel van onderzoek naar en het verzamelen van inlichtingen over personen en organisaties. Op basis van analyses van beschikbare gegevens tracht de dienst bedreigingen van de nationale veiligheid tijdig te onderkennen. De AIVD is op grond van artikel 9 van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (WIV 2002) niet belast met de opsporing van strafbare feiten. Het opsporingsonderzoek is opgedragen aan de politie en het openbaar ministerie.

17. Hoewel de taakstelling anders is, kan het zeer wel voorkomen dat zowel de AIVD als de politie en het openbaar ministerie op hetzelfde aandachtsgebied werkzaam zijn en de AIVD in bezit komt van informatie die relevant is voor de politie en het openbaar ministerie. Op grond van artikel 38 WIV 2002 kan deze informatie via een ambtsbericht aan de landelijk officier van justitie voor terreurbestrijding worden verstrekt. Deze heeft inzage in alle gegevens die nodig zijn om te kunnen beoordelen of de inhoud van het ambtsbericht juist is. Op deze wijze kan informatie afkomstig van de AIVD een rol spelen in het strafproces. Wel dient zorgvuldig en behoedzaam te worden omgegaan met het gebruik van dergelijke informatie omdat een toets op de rechtmatigheid van de verkrijging van de informatie slechts in zeer beperkte mate kan plaatsvinden aangezien op de AIVD de wettelijkeplicht rust zijn bronnen en zijn werkwijze geheim te houden (artikel 15 WIV 2002).
Ook het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) erkent het belang bij geheimhouding van opsporingsmethoden en bescherming van getuigen in het kader van de nationale veiligheid, hetgeen onder omstandigheden kan prevaleren boven het belang van de verdediging bij openbaarmaking van relevant bewijsmateriaal. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt evenwel dat de beperking van de rechten van de verdediging bestaand uit het afschermen van relevant bewijsmateriaal voor de verdediging moet worden gecompenseerd door een voortdurende controle door de rechter.

18. Een aantal thans terecht staande personen is zowel in oktober 2003 als in november 2004 als verdachte aangemerkt en aangehouden naar aanleiding van ambtsberichten van de AIVD.
De raadslieden van [verdachte 9] en [verdachte 4] stellen zich op het standpunt dat er voor een ‘redelijk vermoeden van schuld’ meer nodig is dan een ambtsbericht.

19. Het gerechtshof‘s-Gravenhage heeft in zijn arrest van 21 juni 2004, NJ 2004, 432, overwogen dat ambtsberichten zeer wel de grondslag kunnen vormen voor de start van een strafrechtelijk onderzoek of voor de aanwending van initiële opsporingsbevoegdheden, zoals de aanhouding van verdachten en de doorzoeking van woningen, mits de daarin vervatte informatie kan worden aangemerkt als feiten of omstandigheden die een redelijk vermoeden van schuld opleveren in de zin van artikel 27 Sv dan wel een redelijk vermoeden in de zinvan artikel 132 Sv. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan en stelt vast dat in casu aan deze voorwaarde is voldaan. De verstrekte gegevens boden voldoende aanknopingspunten om een redelijk vermoeden van schuld aan te nemen dat de verdachten de betreffende misdrijven hadden gepleegd. De verdachten zijn dan ook op goede grond aangehouden.

20. De raadslieden van [verdachte 12], [verdachte 7], [verdachte 13], [verdachte 8], [verdachte 9] en [verdachte 4] hebben aangevoerd dat de ambtsberichten niet mogen worden gebruikt voor het bewijs omdat ze onvoldoende toetsbaar zijn. Daarnaast, dan wel subsidiair, willen zij alle bronnen horen die ten grondslag liggen aan deze ambtsberichten.

21. Ingevolge artikel 6 EVRM dient de verdachte in de gelegenheid te worden gesteld de feitelijke juistheid en de herkomst van bewijsmateriaal te toetsen voordat het als bewijs kan worden gebruikt.
Zowel het hoofd van de AIVD, de heer Van Hulst, en zijn plaatsvervanger, de heer Bot, als de toenmalige landelijk terreurofficier van justitie, de heer Klunder, hebben bij de rechter-commissaris als getuigen een beroep gedaan op hun geheimhoudingsplicht op de voet van de artikelen 85 en 86 WIV 2002 en slechts zeer beperkt antwoord gegeven op de hun gestelde vragen. In de zaak van de verdachte [verdachte 4] hebben de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken aan hen geen ontheffing verleend van hun geheimhoudingsplicht.
Nu de medewerkers van de AIVD niet kunnen worden ondervraagd omtrent de herkomst en inhoud van de ambtsberichten, is het niet mogelijk de betrouwbaarheid daarvan te beoordelen. Dit dient ertoe te leiden dat deze berichten niet mogen bijdragen tot het bewijs van enig aan de verdachten tenlastegelegd feit.

22. Gelet hierop ontbreekt de noodzaak voor het horen van de bronnen die ten grondslag liggen aan deze berichten zodat de rechtbank dit verzoek afwijst.

23. De rechtbank neemt hier afstand van de stelling van de officieren van justitie dat deze berichten wel mogen worden gebruikt voor het vormen vande overtuiging dat verdachten de hun tenlastegelegde strafbare feiten hebben begaan. Artikel 338 Sv bepaalt immers met zoveel woorden dat de rechter zijn overtuiging uitsluitend mag baseren op de inhoud van wettige bewijsmiddelen.


De 'OVC-gesprekken'

24. Vast staat dat de door [verdachte 13] gehuurde woning aan de Antheunisstraat door de AIVD is afgeluisterd. Van de periode van 2 november 2004 tot en met 10 november 2004 heeft de AIVD op verzoek van het openbaar ministerie gespreksfragmenten aan het openbaar ministerie verstrekt.

25. De raadsman van [verdachte 13] heeft het verweer gevoerd dat zijn cliënt door de AIVD in de woning is gelokt teneinde hem aldaar te kunnen afluisteren waardoor zijn fundamentele rechten zijn geschonden met als gevolg dat de opgenomen en aan het openbaar ministerie geleverde gesprekken niet tot het bewijs mogen bijdragen omdat ze onrechtmatig zijn verkregen.

26. Gebleken is dat verdachte de woning heeft gehuurd door tussenkomst van een persoon zich noemende Ed Aarts. Ondanks inspanningen van het openbaar ministerie en de rechter-commissaris om de identiteit van deze man te achterhalen, is hij niet traceerbaar gebleken. In het beslag van [verdachte 13] is een visitekaartje van deze “Ed Aarts” aangetroffen. Het telefoonnummer waarvandaan door hem naar verdachte is gebeld, blijkt een telefoonnummer te zijn dat gebruikt wordt door de AIVD. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat de AIVD een rol heeft gespeeld in de verhuur van het pand aan verdachte. De AIVD heeft hierover geen inlichtingen willen verstrekken gelet op het gesloten verstrekkingenstelsel ingevolgde de WIV 2002.

27. Het gerechtshof ‘s-Gravenhage heeft in zijn arrest van 25 april 2003 ( LJN: AF7798, 2200076103) overwogen dat toetsing van de rechtmatigheid van de verkrijging van de door de AIVD aan justitie verstrekte informatie beperkt dient te blijven tot die gevallen waarin sterke aanwijzingen bestaan dat er sprake is van informatie die is verkregen met (grove) schending van fundamentele rechten. Dit omdat naar het oordeel van het gerechtshof in de relatie tussen de AIVD en justitie een vertrouwensbeginsel geldt erop neerkomend dat de justitiële autoriteiten mogen uitgaan van de rechtmatige verkrijging van de door de dienst verstrekte informatie. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan.

28. De vraag die thans voorligt is of door het bemiddelen bij de verhuur aan verdachte van een woning die wordt afgeluisterd of zal worden afgeluisterd de AIVD fundamentele rechten van verdachte heeft geschonden.

29. Sinds de inwerkingtreding van de WIV 2002 is door de wetgever voorzien in een expliciete en nauwkeurig genormeerde toedeling van bevoegdheden waarover de ambtenaren van de AIVD kunnen beschikken bij de uitvoering van hun taken op het terrein van gegevensverzameling, gegevensverstrekking en onderzoek. Tevens is in die wet vastgelegd in hoeverre en op welke wijze men daarbij een inbreuk mag maken op de persoonlijke levenssfeer van anderen. Zo mag de AIVD op grond van de WIV 2002 een woning afluisteren. Het bemiddelen in de verhuur/huur van een woning is niet in de wet opgenomen. Dit betekent echter niet dat een dergelijk optreden niet zou zijn toegestaan. Het bemiddelen bij het vinden van een woning maakt immers geen inbreuk op iemands privé-leven, zoals bedoeld in artikel 8 EVRM. De opgenomen gesprekken (die een wettelijke basis hebben in de WIV 2002) kunnen dan ook niet worden gezien als verboden vruchten van een onrechtmatig handelen, zodat ze in principe kunnen worden gebruikt voor het bewijs. Van een schending van fundamentele rechten van verdachte is dan ook geen sprake.

30. De raadslieden van [verdachte 4] en [verdachte 9] hebben aangevoerd dat het openbaar ministerie door het verkrijgen van voornoemde OVC-gesprekken op zijn nadrukkelijke verzoek en zonder wettelijke basis inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de gespreksdeelnemers en dus de bescherming van artikel 8 EVRM heeft genegeerd. Nu het strafrechtelijk onderzoek al liep ten tijde van het afgeven van de opnamen van deze gesprekken, was het OM gebonden aan de regels van strafvordering, aldus de verdediging.
Daarnaast doen deze raadslieden een beroep op artikel 8, lid 2, EVRM. Nu de gesprekken op verzoek van het OM aan de officier van justitie zijn afgegeven, is er sprake van een inmenging van enig openbaar gezag. Er dient dan een wettelijke basis te zijn om over de gesprekken te mogen beschikken en die ontbreekt. Dit dient huns inziens te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de gesprekken.

31. De rechtbank kan de raadslieden hierin niet volgen. Immers, in het eerder genoemd arrest van 21 juni 2004 heeft het gerechtshof overwogen dat, anders dan de minister heeft bedoeld, onderzoeken van de AIVD en justitie zeer wel naast elkaar kunnen doorlopen en dat informatie-uitwisseling kan worden voortgezet. Wel moet er streng op worden toegezien dat de taken niet door elkaar gaan lopen. Het is dus niet de bedoeling dat justitie strafvorderlijke regels en beperkingen terzijde schuift door de AIVD haar werk te latendoen en de vruchten daarvan in te (laten) brengen in het strafproces. Daarvan is in de onderhavige zaak niet gebleken. Het staat het OM dan ook vrij gebruik te maken van door de AIVD op eigen instigatie en met het oog op de eigen taakuitoefening afgeluisterde en opgenomen gesprekken. Dit ware eerst anders geweest als het OM de AIVD daartoe opdracht had gegeven. Van een schending van artikel 8 EVRM is dan ook geen sprake.

32. Verder heeft de verdediging van [verdachte 9] en [verdachte 4] aangevoerd dat door voormelde handelwijze van het OM de verdediging een effectief rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 EVRM is onthouden nu de mogelijkheid om de toepassing van dwangmiddelen voor te leggen aan de rechter hierdoor ontbreekt.

33. De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt. De aangehaalde bepaling eist dat er een effectief rechtsmiddel bestaat voor een nationale instantie voor een ieder wiens rechten en vrijheden die in het EVRM zijn vermeld, zijn geschonden. Het nationale recht dient ruimte te bieden voor een inhoudelijke beoordeling van een klacht over een verdragsschending. De schending dient te kunnen worden vastgesteld en zo mogelijk moet herstel kunnen worden bereikt. Van belang hierbij is onder meer dat de klager in de nationale procedure ruim de gelegenheid heeft het gebruik van het bewijsmateriaal aan te vechten. Ons rechtsstelsel voorziet hier in. Tevens heeft de rechtbank de gelegenheid om bepaald materiaal niet als bewijs toe te laten. De verdediging heeft in de onderhavige procedure ook daadwerkelijk alle gelegenheid gehad het gebruik van het bewijsmateriaal aan te vechten. De rechtbank is het dan ook oneens met de verdediging dat artikel 13 EVRM is geschonden.

34. Voorts hebben de raadslieden van [verdachte 12], [verdachte 13], [verdachte 6], [verdachte 9] en [verdachte 4] het verweer gevoerd dat de OVC-gesprekken niet mogen worden gebruikt voor het bewijs nu niet alle gesprekken door de AIVD aan het openbaar ministerie zijn verstrekt, de gebruikte methodiek onbekend is gebleven, er vermoedelijk in is geknipt, de kwaliteit slecht is en ze slecht zijn vertaald, zodat ze niet voldoende betrouwbaar zijn.

35. Voorop staat dat de woning in overeenstemming met de WIV 2002 is afgeluisterd. De WIV 2002 geeft de AIVD de mogelijkheid van alle mogelijke technische hulpmiddelen gebruik te maken die men nodig heeft voor het naar behoren kunnen uitoefenen van zijn taken. De afgeluisterde personen hebben de opgenomen en overgelegde gesprekken vrijwillig gevoerd, zijn niet onder druk gezet of uitgelokt. Verdachten hebben alle gelegenheid gehad om de authenticiteit van de opnamen ter discussie te stellen. Zij hebben de opnamen kunnen uitluisteren, zowel buiten de terechtzitting met hun raadsman of raadsvrouw en meerdere tolken als ter zitting, en zij hebben de opnamen van commentaar kunnen voorzien. Zij hebben hun stem op de opnamen herkend en kunnen zich vinden in de weergave en de vertaling van het overgrote deel van de gesprekken.

36. De CD-roms met de gesprekken zijn door verschillende beëdigde gerechtstolken uitgeluisterd. De kwaliteit van de opnamen is soms slecht. De rechtbank heeft dit ter terechtzitting ook zelf kunnen constateren. Dit dient er toe te leiden dat passages die door de tolken niet eenduidig worden vertaald dan wel verstaan niet meegenomen kunnen worden voor het bewijs. Hoewel de verdachten het niet altijd eens zijn met de vertaling van de overige gesprekken, volgt de rechtbank hierbij de vertaling van de tolken.

37. In de opgenomen gesprekken zijn bromtonen te horen. In het dossier bevindt zich een brief van de AIVD, getekend door de heer Bot, waarin hij schrijft dat de toon verschijnt als het geluidsniveau te laag is om te kunnen worden opgenomen. Gedurende deze bromtonen zijn er geen gesprekken opgenomen, aldus de heer Bot.
Ter zitting is gehoord de heer Bosbeek, een deskundige van de Dienst Specialistische Recherche Toepassingen (DSRT) van het KLPD. Hij heeft de opnamen uitgeluisterd en heeft verklaard over de bromtonen dat ze bij het kopiëren naar WAV-bestanden zijn ontstaan op de plaats waar eerst stilte was. Hij heeft geen aanwijzingen kunnen ontdekken voor manipulatie door de AIVD. Het geheel maakt op hem een “authentieke en verklaarbare indruk”. Op verzoek van de verdediging heeft hij printjes gemaakt van door hem beluisterde gesprekken waarop op de plaats van stilte een doorgetrokken streep is te zien. Om manipulatie geheel uit te kunnen sluiten, zou de deskundige de originele banden moeten onderzoeken. Een dergelijk verzoek door het OM aan de AIVD is echter doorde AIVD afgewezen.

38. Hoewel de verdediging heeft gesuggereerd dat er mogelijk met de banden is geknoeid, heeft zij dat niet aannemelijk kunnen maken. Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, wordt dit verweer dan ook verworpen.

39. De rechtbank acht de OVC-gesprekken voldoende betrouwbaar met uitzondering van de passages waarover bij de tolken onduidelijkheid blijft bestaan.
Dat niet bekend is gemaakt welke methode door de AIVD is gebruikt en dat wellicht niet alle door de AIVDopgenomen gesprekken aan het OM zijn verstrekt, maakt dit niet anders.
De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding de gesprekken van het bewijs uit te sluiten.


De mogelijke rol van een beweerdelijke informant

40. [Verdachte 13] alsmede de raadslieden van [verdachte 9] en [verdachte 4] hebben gesteld dat een zekere [getuige B] de handgranaten aan [verdachte 13] heeft geleverd. Deze [getuige B] zou volgens [verdachte 13] een informant zijn van de AIVD. De verdediging heeft overigens op dit punt geenverweer gevoerd. De rechtbank merkt hierover toch iets op, mede omdat deze beweringen in de procedure veel aandacht hebben gekregen en onder meer hebben geleid tot het horen van genoemde [getuige B] als getuige ter terechtzitting. In dat verhoor heeft [getuige B] de beweringen ontkend. De genoemde beweringen van [verdachte 13], waarin hij overigens zijn eerdere verklaring dat hij de handgranaten had gekocht tegenspreekt, zijn alleen bevestigd door de getuige [getuige A]. Deze verklaarde ter zitting van 21 december 2005 dit van [verdachte 13] gehoord te hebben en van [getuige B] de bevestiging te hebben gekregen dat deze de handgranaten had geleverd aan [verdachte 13]. Aan dit deel van de verklaring van de getuige [getuige A] komt geen geloof toe, al was het maar omdat hij in zijn verklaring er melding van maakte dat berichten over [getuige B] reeds in het voorjaar van het jaar 2005 in de media waren verschenen. De rechtbank heeft hiervan geen bevestiging kunnen vinden. Wat daarvan zij, ook al zou [getuige B]informant zijn van de AIVD en de granaten aan [verdachte 13] hebben geleverd, dan nog staat daarmee niet vast dat de AIVD enigerlei rol hierbij heeft gespeeld. Voorts is niet aangevoerd of gebleken dat verdachten door [getuige B] tot het plegen van deze delicten zouden zijn gedwongen of uitgelokt.


De bruikbaarheid van de chatgesprekken

41. Over de chatgesprekken die door [verdachte 13] in 2003 zijn gevoerd, heeft zijn raadsman opgemerkt dat ze niet serieus zijn bedoeld. Bovendien heeft het OM reedsin 2003 de beschikking gehad over deze chats, maar toen geen actie ondernomen en ze zelfs teruggegeven aan verdachte. Ook de Minister van Justitie heeft in 2003 geen maatregelen genomen.

42. Hoewel de rechtbank het met de raadsman eens is dat vele chatgesprekken kennelijk niet serieus zijn bedoeld, gaat dit niet op voor de gesprekken over trainingskampen en jihad. Zij kunnen dan ook worden gebruikt voor het bewijs. De rechtbank laat bij die beslissing meewegen dat verdachte een encryptieprogramma heeft gebruikt bij die gesprekken. Blijkbaar was hij bang te worden afgeluisterd, hetgeen wordt bevestigd door één van zijn chatpartners, te weten een zekere [naam 1] (overigens niet de verdachte met diezelfde naam). Daarbij komt dat de beschrijving door verdachte van wat hij zelf met wapens heeft gedaan toen hij in een trainingskamp in Pakistan verbleef (‘al schietend een koprol maken’) terug komt in een OVC-gesprek met [verdachte 12] in de Antheunisstraat een paar dagen voor de inval. (“ik heb er anderedingen mee gedaan, een koprol maken, schieten”). Van belang in dit verband is ook de inhoud van de afscheidsbrief die verdachte achterliet toen hij in 2003 naar Pakistan afreisde. Hij schreef daarin dat hij vertrok naar Pakistan, ‘naar het land van jihad, om er de ongelovigen te verdrijven en te helpen om de Islamitische staat op te richten. Ik doe het niet omdat ik het leuk vind om te vechten, maar omdat de Almachtige het heeft verordend’. Een bevestiging dat verdachte daadwerkelijk in staat was om te bemiddelen in het regelen van reizen naar een trainingskamp, vindt de rechtbank in de chats die hij met [getuige A] heeft gevoerd. Dat ook de mensen waarmee verdachte chatte de gesprekken serieus opvatten, blijkt uit de verklaringen van [getuige P] en voornoemde [naam 1].

43. Ten aanzien van de opmerking van de raadsman dat de gesprekken blijkbaar ook door het OM niet serieus genomen werden in 2003 merkt de rechtbank op dat het gegeven dat het OM destijds tot de conclusie kwam dat zij over onvoldoendebewijs beschikte om tot vervolging over te gaan niet wil zeggen dat de chats niet op een later tijdstip mee mogen wegen voor het bewijs. Dat de Minister van Justitie toen geen actie heeft ondernomen is verklaarbaar nu uit zijn uitleg aan de Tweede Kamer blijkt dat de dreiging in Nederland na evaluatie laag was gebleken.


De bruikbaarheid en betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige M]

44. De verdediging van [verdachte 11] en [verdachte 8] heeft het verweer gevoerd dat de verklaringvan [getuige M] tegenover de politie niet mag worden gebruikt voor het bewijs omdat zij tegenover de rechter-commissaris en ter zitting geen verklaring heeft willen afleggen. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

45. Op 30 augustus 2005 heeft [getuige M] bij de politie een voor een aantal verdachten belastende verklaring afgelegd. Op 21 november 2005 is zij gehoord door de rechter-commissaris. Bij die gelegenheid heeft de officier van justitie de rechter-commissaris een brief ter hand gesteld die [getuige M] in oktober 2005 zou hebben ontvangen. In die brief is onder meer te lezen dat [getuige M], doordat ze een verklaring heeft afgelegd, de ongelovigen heeft geholpen waardoor ze bij de ongelovigen is gaan horen. Zij wordt in de brief opgeroepen haar verklaring te wijzigen of in te trekken. De brief eindigt met de woorden “Moge Allah jou leiden en anders jouw rug breken”. Bij de rechter-commissaris heeft zij geweigerd inhoudelijk te verklaren. Ze zei de brief te zien als een advies om terug te keren naar de ware Islam. De rechter-commissaris heeft vervolgens haar gijzeling gelast. Op 23 november 2005 heeft zij in raadkamer volhard in haar beslissing niet te verklaren en gezegd dat de brief daar niets mee te maken had. Ze gaf aan de brief niet te zien als een dreigbrief, maar als een advies. Ze wilde niet verklaren en ook niet uitleggen waarom ze dat niet wilde, waarop de raadkamer de beslissing om haar te gijzelen heeft bevestigd. Tijdens de terechtzitting van 5 december 2005 heeft de voorzitter [getuige M] haar verklaring bij de politie voorgehouden. Zij persisteerde ook bij die gelegenheid bij haar weigering [getuige M] om te verklaren. Ze wist van het bestaan van de brief af maar had deze niet mogen lezen. Haar was verteld dat er sprake was van een ernstige dreiging in die brief, aldus nog steeds de raadsvrouw van [getuige M].

46. Door de raadsman van [verdachte 8] is gesteld dat de verklaring van [getuige M] bij de politie niet mag meewegen voor het bewijs. Dit omdat hij door de weigering van [getuige M] om te verklaren niet in de gelegenheid is haar verklaring te toetsen op betrouwbaarheid en geloofwaardigheid.

47. Volgens vaste jurisprudentie van de HR mag een ambtsedig proces-verbaal inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde belastende verklaring voor het bewijs worden gebruikt indien de verdediging in enig stadium van het geding de gelegenheid heeft gehad om die verklaring te toetsen op betrouwbaarheid door degene die de verklaring heeft afgelegd te ondervragen als getuige. Hieraandoet niet af dat de getuige alsdan weigert te verklaren. Van een inbreuk op artikel 6 EVRM is geen sprake. Van een dergelijke verklaring kan ook gebruik worden gemaakt indien degene die de verklaring heeft afgelegd niet voor een rechter gehoord is kunnen worden maar de verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.

48. Hetgeen hiervoor is overwogen brengt dan ook met zich mee dat, hoewel [getuige M] niet heeft willen verklaren voor een rechter, haar verklaring bij de politie in principe mag meewegen voor het bewijs.

49. Vervolgens is aan de orde de vraag of de verklaring van [getuige M] betrouwbaar kan worden geacht. In dat verband heeft de raadsman van [verdachte 8] aangevoerd dat de verklaring van [getuige M] die zij bij de politie heeft afgelegd onbetrouwbaar zou zijn omdat ze psychische problemen heeft en omdat de officier regelmatig contact heeft gehad met de vader en broer zonder tolk en zonder hiervan proces-verbaal op te maken. Ook de raadsvrouwen van [verdachte 11] achtende verklaring van [getuige M] onbetrouwbaar omdat ze psychische problemen heeft en zeer beïnvloedbaar is. Tevens hebben zij aangevoerd dat [getuige M] maanden onder druk zou zijn gezet door haar familie om belastend over [verdachte 11] te verklaren en dat zij min of meer thuis gevangen is gehouden.

50. Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring van [getuige M] acht de rechtbank van belang of deze verklaring steun vindt in andere bewijsmiddelen. Vast staat dat [getuige M] bij de politie veel details heeft gegeven. Hetgeen ze heeft gezegd wordt, soms in detail, soms in hoofdlijnen, bevestigd door anderen. [verdachte 3] heeft ter zitting in grote lijnen bevestigd wat [getuige M] heeft gezegd over zijn rol gedurende de periode rond en tijdens het sluiten van haar huwelijk met [verdachte 11]. Daarnaast is over haar voornemen om met [verdachte 8] te trouwen en over haar huwelijk met [verdachte 11] door verscheidene anderen verklaard. De zus van [getuige M], [naam 4] noemt de cassettebandjesdie [getuige M] van [verdachte 8] zou hebben gekregen en [N H] spreekt over [verdachte 11] als zijnde een takfiri, hetgeen overeenkomt met hetgeen [getuige M] over hem heeft gezegd.

51. [Getuige M] heeft geen verklaring gegeven voor haar weigering om te verklaren. Hoewel ze heeft gezegd dat de inhoud van de brief die ze heeft ontvangen geen invloed heeft gehad op haar beslissing, acht de rechtbank het aannemelijk dat hierin wel degelijk de oorzaak ligt. In deze brief wordt [getuige M] immers met klem verzocht haar verklaring te wijzigen of in te trekken en gewezen op de consequenties voor haar en haar man op de dag des oordeels. Het kan geen toeval zijn dat zij na ontvangst van deze brief die aan duidelijkheid niets overlaat, zwijgt.

52. Dat haar verklaring bij de politie vals zou zijn omdat zij is ingegeven door haar vader en broers die haar gedurende acht maanden onder druk zouden hebben gezet om belastend over [verdachte 11] te verklaren, acht de rechtbank niet aannemelijk nu uit hetgeen de rechter-commissaris heeft gerelateerd over datgene wat door de officier van justitie bij gelegenheid van het verhoor van [getuige M] op 10 november 2005 is medegedeeld, juist blijkt dat de officier van justitie verscheidene malen met de vader en broer heeft moeten spreken alvorens de vader toestemming gaf voor een verhoor van zijn dochter. Dit is in tegenspraak met hetgeen door de raadsvrouwe naar voren is gebracht. Dat het moeite heeft gekost om [getuige M] als getuige te horen blijkt uit de omstandigheid dat zij als één van de laatsten als getuige is gehoord op 30 augustus 2005. Overigens heeft zij niet alleen belastend over [verdachte 11] verklaard maar ook over anderen zodat het ook niet voor de hand ligt dat hetgeen de raadsvrouw stelt, juist is.

53. Niet aannemelijk is geworden dat, mocht [getuige M] inderdaad psychische problemen hebben, zoals door de raadslieden is gesteld, zij door die problemen niet in staat was een betrouwbare en geloofwaardige verklaring af te leggen. Haar verklaring bij de politie is coherent en gedetailleerd en klopt in de tijd. De verhorende verbalisanten hebben bovendien geen opmerking gemaakt over haar geestesgesteldheid ten tijde van het verhoor. Blijkbaar is hen niets bijzonders opgevallen. Daarbij komt dat de verklaring van de vader waarin hij zegt dat zijn dochter problemen heeft en zeer beïnvloedbaar is, dateert uit de periode dat zijn dochter van huis was weggelopen en hij naar de rechtbank aanneemt zeer bezorgd was over het welzijn van zijn dochter en graag wilde dat de politie hem hielp om haar weer naar huis te laten terugkeren. De rechtbank hecht aan dit deel van de verklaring van de vader dan ook niet zoveel waarde.

54. Niet valt in te zien dat, mocht [getuige M] thuis min of meer gevangen zijn gehouden - hetgeen zou kunnen blijken uit haar verklaring bij de rechter-commissaris van 10 november 2005 waarin ze stelt dat een gijzeling in haar geval betekent dat zij vanuit de ene gevangenis naar de ander gevangenis gaat omdat het leven dat zij nu leidt, overeen komt met het leven in een gevangenis - dit van invloed is geweest op de inhoud van haar verklaring in die zin dat deze daardoor onbetrouwbaar zou zijn. De verdediging heeft haar stelling ook niet nader onderbouwd.

55. In hetgeen de raadsman van [verdachte 8] naar voren heeft gebracht over de contacten tussen de officieren van justitie en de vader, waarbij de zoon heeft getolkt, ziet de rechtbank evenmin aanleiding om de verklaring van [getuige M] niet toe te laten tot het bewijs. Niet aannemelijk is geworden datdit de inhoud van de verklaring van [getuige M] heeft beïnvloed.

56. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, ziet de rechtbank geen aanleiding de verklaring van [getuige M] niet te gebruiken voor het bewijs. Zwaar weegt hierbij dat [getuige M] weliswaar bij de rechter-commissaris, in raadkamer en op zitting heeft geweigerd een verklaring af te leggen maar dat zij haar bij de politie afgelegde verklaring niet heeft ingetrokken of gewijzigd. De rechtbank leidt hieruit af dat [getuige M] haar bij de politie afgelegde verklaring handhaaft. Dat uit het ambtsedig proces-verbaal van verhoor niet blijkt dat deze verklaring door de getuige is gelezen en/of door de politie is voorgelezen, doet hier niet aan af.


Het vuurwapenbezit door [verdachte 11]

57. Uit het dossier blijkt dat verdachte [verdachte 11] bij zijn aanhouding op 22 juni 2005 te Amsterdam in het bezit was van onder meer een doorgeladen machinepistool Agram 2000, kaliber 9mm, met een patroonhouder met 22 patronen, een tweede losse patroonhouder met 31 patronen, een geluiddemper en een doos met 40 patronen. De raadsvrouw heeft ter zitting van 31 januari 2006 tijdens haar pleidooi gesteld dat het vuurwapen niet “stond zoals in het proces-verbaal vermeld”. Op een vraag daaromtrent van de rechtbank heeft de raadsvrouw nader verklaard dat zij daarmee de vraag heeft willen opwerpen of denkbaar zou zijn dat de vuurregelaar van het machinepistool tijdens dan wel door de aanhouding van verdachte in de stand is komen te staan zoals die in het proces-verbaal is gerelateerd. De raadsvrouw heeft deze vraagstelling noch tijdens het voorbereidend onderzoek noch eerder ter zitting naar voren gebracht. Ook verdachte zelf heeft nooit iets verklaard over dit punt. De raadsvrouw heeft overigens deze ter zitting van 31 januari 2006 opgeworpen vraag niet verder toegelicht of onderbouwd.

58. De rechtbank merkt naar aanleiding hiervan allereerst op dat het voor een eventuele bewezenverklaring van het in de Wet wapens en munitie strafbaar gestelde voorhanden hebben van dit soort voorwerpen – zoals in feit 3 op de dagvaarding tenlastegelegd – niet van belang is of het machinepistool op het moment van de aanhouding van verdachte al dan niet op “safe” stond. Omdat de stand van de vuurregelaar niettemin een rol kan spelen bij de beoordeling van de feiten en de ernst daarvan, merkt de rechtbank nog het volgende op. In het dossier is in het proces-verbaal van 23 juni 2005 het volgende gerelateerd: “Wij zagen dat El F(…) een beige met zwart kleurige rugzak over zijn linkerschouder had hangen. Toen wij de verdachte op ongeveer 3 meter waren genaderd en wij ons door het luid roepen van ’Politie’ bekend maakten als politieambtenaren, zagen wij dat hij met zijn rechterhand in de richting van zijn linkerschouder greep, alwaar de rugzak van de verdachte hing en vervolgens probeerde de rugzak te openen”. En “Voordat de verdachte iets uit de rugzak kon trekken en voordat hij van het perron afsprong, gelukte het ons om hem door middel van een fysieke procedure aan te houden. Hierbij hebben B27 en B13 geweld gebruikt. Dit geweld bestond uit het geven van een trap tegen zijn lichaam en het met kracht naar de grond werken van de verdachte.” Voorts: “Wij zagen dat de rugzak aan de bovenzijde open was. Tevens zagen wij dat er een kolf van een vuurwapen uit de rugzak stak. Later bleek dit een doorgeladen automatisch vuurwapen betrof van het merk Agram 2000, kaliber 9mm, voorzien van 2 houders met, een op het moment van het relateren van dit proces-verbaal, nog onbekend aantal scherpe patronen. De vuurregelaar van genoemd wapen stond niet in de “safe” stand, maar op de stand om direct automatisch vuur af te kunnen geven.” Op bladzijde 3006 van het dossier staat gerelateerd: “Tevens is vastgesteld dat de veiligheidspal van het machinepistool niet geblokkeerd was en dat de stand van vuren op automatisch stond (..)”, en verder: “Uit de technische specificatie blijkt overigens dat met het in beslaggenomen machinepistool maximaal 800 (zegge achthonderd) schotenper minuut gelost kan worden.” In het proces-verbaal van 23 juni 2005 is door de technisch rechercheur [rechercheur] met betrekking tot het vuurwapen gerelateerd: “Het wapen werd door mij aan de buitenzijde geïdentificeerd als een machine pistool merk AGRAM 2000, kaliber 9 mm. De veiligheidspal was niet geblokkeerd. De afvuurkeuze-pal stond op de stand repeteren. Het wapen bleek doorgeladen en de patroonhouder in het wapen was voorzien van een aantal patronen.” In een nader proces-verbaal van 29 augustus 2005 heeft voornoemde technisch rechercheur [rechercheur] – met verwijzing naar voormeld proces-verbaal van 23 juni 2005 – geschreven: “In voornoemd proces-verbaal is abusievelijk onder het kader “onderzoek” vermeld dat de afvuurkeuze-pal stond op de stand repeteren. Daar waar het woord repeteren staat, moet gelezen worden volautomatisch”.
In het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) van 5 juli 2005 staat vermeld: “De wijze van afvuren kan worden ingesteld metde vuurregelaar, die zich aan de linkerzijde van de kast bevindt. De vuurregelaar kan in drie standen worden gezet. Stand 1 is voor semi-automatisch en de stand R voor volautomatisch. In de stand S staat het wapen op veilig.” En “Tijdens het proefschieten traden geen storingen op; het machinepistool functioneerde goed.”

59. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is het door de verdediging kennelijk niet meer of anders dan bij wijze van veronderstelling opgeworpen idee dat de vuurregelaar door of tijdens de aanhouding van verdachte in een andere stand is komen te staan dan de stand die de verbalisanten hebben omschreven, niet aannemelijk geworden.

60. De rechtbank merkt voorts het volgende op. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij het vuurwapen (samen met de andere voorwerpen zoals de geluiddemper en de munitie) ongeveer twee maanden voor zijn aanhouding op 22 juni 2005 in een park heeft gevonden. Hij heeft toen tevens verklaard dat hij aan [getuige S] gevraagd had wat er zou gebeuren als hij het vuurwapen naar de politie zou brengen. Als verdachte vervolgens wordt geconfronteerd met het feit dat de getuige [getuige S] tegenover de politie heeft verklaard dat verdachte haar dat helemaal niet heeft gevraagd, zegt verdachte dat de politie zijn eerdere verklaring verkeerd heeft begrepen en dat hij het aan een ander heeft gevraagd. De rechtbank acht de verklaring van verdachte over het wapen niet geloofwaardig. Voor zover verdachte met zijn verklaring dat hij een ander had gevraagd of hij het wapen bij de politie zou afgeven aannemelijk heeft willen maken dat hij zich van het wapen en dergelijke zou hebben willen ontdoen - of anders gezegd dat hij het liever kwijt dan rijk was - rijst de vraag waarom verdachte op 22 juni 2005 dat vuurwapen dan wel bij zich droeg, terwijl dat wapen nota bene was doorgeladen en hij ook nog een geluiddemper, patroonhouders en een doos met patronen bij zich had. Verdachte heeft – door zich op dit punt consequent op zijn zwijgrecht te beroepen –ook ter zitting geen enkel verklaring willen geven waarom hij die voorwerpen op 22 juni 2005 bij zich had.

61. De rechtbank merkt in dit verband terzijde nog op dat op verzoek van de verdediging ter zitting van 16 december 2005 de heer [getuige L B] en mevrouw [getuige H S] als getuigen zijn gehoord. Zij hebben onder meer verklaard over feiten en omstandigheden waarbij de verdachte [verdachte 11] betrokken zou zijn geweest, maar die vallen buiten de thans tenlastegelegde periode. De rechtbank betrekt diefeiten en omstandigheden niet bij haar oordeel in de onderhavige zaak. Dat ligt anders voor wat betreft de verklaringen van die getuigen die wel betrekking hebben op de in de onderhavige zaak ten laste gelegde periode, zoals hun verklaringen dat verdachte met een machinepistool in het bijzijn van deze getuigen in het Amsterdamse bos heeft geschoten en verdachte deze getuigen ook zelf toen en daar met dat vuurwapen heeft laten schieten. De getuigen hebben ter zitting het machinepistool van een zich in het proces-verbaal bevindende foto herkend en uit het dossier kan worden afgeleid dat dit hetzelfde vuurwapen is als het machinepistool dat verdachte op 22 juni 2005 ten tijde van zijn aanhouding bij zich droeg.

62. Onduidelijk is gebleven waar verdachte op 22 juni 2005 naar toe ging. De rechtbank is van oordeel dat niet onomstotelijk is komen vast te staan dat verdachte op die dag (22 juni 2005) onderweg was om mevrouw A. Hirsi Ali en de heer G. Wilders te vermoorden, zoals de getuige [getuige AA] op 10 november 2005 bij de politie en op 1 december 2005 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dit van verdachte te hebben vernomen.

63. In feit 3 op de dagvaarding van verdachte [verdachte 11] is de verdenking van het verboden wapenbezit toegespitst op “op of omstreeks 22 juni 2005”. Daarbij is in de tenlastelegging als modaliteit opgenomen “terwijl het feit al dan niet is begaan met een terroristisch oogmerk (als bedoeld in artikel 83 van het Wetboek van Strafrecht).” Voor een bewezenverklaring indeze zaak is, wat dat laatste betreft, derhalve vereist dat verdachte het machinepistool, de munitie, de geluiddemper en een of meer patroonhouders op of omstreeks die datum 22 juni 2005 voor handen heeft gehad met een terroristisch oogmerk. De rechtbank verwijst in dit verband naar de memorie van toelichting (Kamerstukken II, vergaderjaar 2001-2002, 28 463, nr. 3, bladzijde 8) bij het voorstel van wet dat heeft geleid tot de Wet terroristische misdrijven. In die memorie van toelichting is met betrekking tot onder meer de voorgestelde aanpassing van artikel 55 van de Wet wapens en munitie geschreven: “De aanwijzing als terroristisch misdrijf vloeit voort uit het kaderbesluit voor zover de onderhavige delicten plaatsvinden met een terroristisch oogmerk. Bij de onderhavige delicten is evenwel zeer wel denkbaar dat zij niet met een terroristisch oogmerk plaatsvinden, maar slechts met het oogmerk om een – later te plegen – terroristisch misdrijf voor te bereiden of gemakkelijk te maken. Het voorhanden hebben van vuurwapens, bijvoorbeeld, zal gewoonlijk niet in zichzelf een vreesaanjagend oogmerk hebben, alleen al omdat het in het geheim plaatsvindt. In de geest van het kaderbesluit is erin voorzien dat ook het voorhanden hebben van vuurwapens met het oog op een later te plegen terroristisch misdrijf onder de voorgestelde strafverzwaringsgrond valt.”

64. Ofschoon het voorhanden hebben van een vuurwapen als een machinepistool met daarbij een geluiddemper, patroonhouders en munitie de nodige vragen oproept, geldt dat het enkele onbevoegd bezitten c.q. voorhanden hebben van dergelijke voorwerpen op zichzelf niet voldoende is om een terroristisch oogmerk aan te (kunnen) nemen. Immers, het is zeer wel denkbaar dat iemand een (dergelijk) vuurwapen in zijn bezit heeft en wellicht ook plannen heeft om daarmee iemand van het leven te beroven, zonder dat er gesproken kan worden van een terroristisch oogmerk zoals dat is omschreven in artikel 83a van het Wetboek van Strafrecht .

65. De rechtbank is van oordeel dater in deze strafzaak tegen verdachte onvoldoende wettig bewijs voorhanden is waaruit blijkt dat verdachte op of omstreeks 22 juni 2005 met een terroristisch oogmerk het machinepistool en de andere voorwerpen (munitie, geluiddemper, patroonhouders) voorhanden heeft gehad. In het dossier is evenmin afdoende bewijs aanwezig dat verdachte op of omstreeks 22 juni 2005 het vuurwapen en/of de andere bedoelde voorwerpen voorhanden heeft gehad met het oog op een later te plegen terroristisch misdrijf. De rechtbankwil er evenwel geen misverstand over laten bestaan dat zij ervan overtuigd is dat verdachte zich het vuurwapen heeft verschaft met de bedoeling dat te eniger tijd te gebruiken voor een moord of een aanslag.

66. De rechtbank komt tot de slotsom dat zij wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte [verdachte 11] het vuurwapen en de andere voorwerpen zoals tenlastegelegd op 22 juni 2005 voorhanden heeft gehad. Zij acht evenwel niet bewezen dat dit is geschied met een terroristisch oogmerk.


De gebeurtenissen in de Antheunisstraat op 10 november 2004 betreffende de verdachten [verdachte 12] en [verdachte 13]

67. Aan [verdachte 13] en [verdachte 12] wordt onder feit 3B verweten – kort samengevat – dat zij in de periode van 6 november 2004 tot en met 24 januari 2005 te Den Haag, al dan niet tezamen en in vereniging, Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders hebben bedreigd met moord dan wel doodslag, al dan niet met een terroristisch oogmerk.

68. De genoemde bedreiging zou er uit hebben bestaan dat deze verdachten op 6 en op 8 november 2004 in de woning aan de Antheunisstraat voor Hirsi Ali en Wilders bedreigende teksten hebben uitgesproken.

69. Voor de beoordeling van dit feit is van belang dat volgens vaste rechtspraak een bedreiging eerst is voltooid indien het slachtoffer direct of indirect kennis heeft genomen van de geuite bedreiging. Voorts is nog van belang dat bewezen moet worden dat sprake is van opzet om te bedreigen, welke opzet gelet op het voorgaande er tevens op moet zijn gericht dat het slachtoffer kennis neemt van de bedreiging. Daarbij kan volstaan worden met voorwaardelijk opzet, dat wil zeggen dat de bedreiger willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer van de bedreiging zal kennisnemen. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn in geval in het openbaar een bedreigende opmerking wordt gemaakt.

70. Uit de OVC-opnamen in het dossier blijkt dat [verdachte 13] en/of [verdachte 12] op de genoemde data in de woning aan de Antheunisstraat de in de tenlastelegging vermelde teksten hebben uitgesproken. Veelal gaat het daarbij kennelijk om het (aan elkaar) voorlezen van documenten en brieven.

71. De rechtbank merkt allereerst op dat de inhoud van deze teksten voor Hirsi Ali en Wilders bedreigend was. Dat zij geschrokken zijn toen zij op enig moment van de inhoud van deze teksten vernamen, is dan ook alleszins begrijpelijk. Uit het dossier blijkt echter niet dat [verdachte 13] en/of [verdachte 12] wisten of zelfs maar het vermoeden hadden dat de woning aan de Antheunisstraat werd afgeluisterd toen zij deze teksten uitspraken, waardoor Hirsi Ali en Wilders later van deze bedreigende taal zouden kunnen kennisnemen. Daarom kan niet worden aangenomen dat zij willens en wetens een aanmerkelijke kans hebben aanvaard dat deze in huiselijke kring uitgesproken woorden uiteinde

Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven     |     zoeken     |     uitgebreid zoeken