Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 20 september 2005, verzonden 23 september 2003, heeft verweerder aan verzoekers lasten onder dwangsommen opgelegd wegens overtredingen van het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003 (hierna: het BOAS) en het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het BOT).

Uitspraak



200508659/1.

Datum uitspraak: 12 december 2005

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekers], gevestigd en wonende te [plaats], gemeente Aalburg,

en

het college van burgemeester en wethouders van Aalburg,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 20 september 2005, verzonden 23 september 2003, heeft verweerder aan verzoekers lasten onder dwangsommen opgelegd wegens overtredingen van het Besluit ozonlaagafbrekende stoffen Wms 2003 (hierna: het BOAS) en het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het BOT).

Tegen dit besluit hebben verzoekers bezwaar gemaakt. Bij brief van 13 oktober 2005, bij de Raad van State ingekomen op 14 oktober 2005, hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 24 november 2005, waar van [een van de verzoeker bijgestaan door mr. drs. J.P. de Man, advocaat te Rosmalen, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. G. Verweij en mr. M.C. van Doornik, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij het bestreden besluit heeft verweerder lasten onder dwangsommen opgelegd in verband met overtredingen ter plaatse van de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats]. Volgens verweerder zijn de overtredingen geconstateerd op 27 januari 2005 en is bij een hercontrole van de inrichting op 29 juni 2005 gebleken dat deze nog steeds voortduren. De dwangsommen heeft verweerder vastgesteld op:

€ 5.000,00 per week dat het BOAS wordt overtreden, met een maximum waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd van € 30.000,00;

€ 1.250,00 per week dat artikel 6 van het BOT wordt overtreden, met een maximum waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd van        € 25.000,00;

€ 1.135,00 per week dat voorschrift 1.3.2 van de bijlage behorende bij het BOT wordt overtreden, met een maximum waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd van € 22.700,00;

€ 1.135,00 per week dat voorschrift 1.3.4 van de bijlage behorende bij het BOT, met een maximum waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd van € 22.700,00;

€ 1.135,00 per week dat voorschrift 1.6.5 van de bijlage behorende bij het BOT wordt overtreden, met een maximum waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd van € 22.700,00;

€ 227,00 per dag dat voorschrift 2.1.4 van de bijlage behorende bij het BOT wordt overtreden, met een maximum waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd van € 22.700,00;

€ 227,00 per dag dat voorschrift 2.1.7 van de bijlage behorende bij het BOT wordt overtreden, met een maximum waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd van € 22.700,00;

€ 450,00 per dag dat voorschrift 2.7.1 van de bijlage behorende bij het BOT wordt overtreden, met een maximum waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd van € 45.000,00;

€ 450,00 per dag dat voorschrift 3.1.1 van de bijlage behorende bij het BOT wordt overtreden, met een maximum waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd van € 45.000,00;

€ 227,00 per week dat voorschrift 3.2.3 van de bijlage behorende bij het BOT wordt overtreden, met een maximum waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd van € 1.135,00;

€ 1.135,00 per week dat voorschrift 3.4.2 van de bijlage behorende bij het BOT wordt overtreden, met een maximum waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd van € 22.700,00.

2.2.    Verzoekers hebben betoogd dat de aanklachten jegens hen feitelijk onjuist zijn.

   De Voorzitter begrijpt dit bezwaar aldus dat verzoekers betwisten dat sprake was van overtredingen op grond waarvan verweerder bevoegd was om handhavend op te treden.

2.2.1.    Op 27 januari en 29 juni 2005 is geconstateerd dat de voorschriften 1.3.2, 1.3.4, 1.6.5, 2.1.4, 2.1.7, 3.1.1 en 3.2.3 van de bijlage bij het BOT werden overtreden. Verder voldeed de door verzoekers op 22 juni 2005 ingediende melding niet aan artikel 6 van het BOT . Niet is gebleken dat deze overtredingen v óór het nemen van het bestreden besluit ongedaan zijn gemaakt. Geconcludeerd moet derhalve worden dat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden terzake van de overtreding van artikel 6 van het BOT en de voorschriften 1.3.2, 1.3.4, 1.6.5, 2.1.4, 2.1.7, 3.1.1 en 3.2.3 van de bij dit besluit behorende bijlage.

2.2.2.    Weliswaar is op 27 januari 2005 geconstateerd dat werd gehandeld in strijd met paragraaf 6 van de bijlage van de Regeling lekdichtheidsvoorschriften koelinstallaties 1997 (hierna: de Regeling) en artikel 3 van het BOAS, maar uit de brief van de VROM-inspectie van 23 februari 2005, kenmerk 20050297/LD/LM, volgt dat deze overtredingen nadien zijn opgeheven. Voor zover uit deze brief volgt dat ondanks het ongedaan maken van de hiervoor genoemde overtredingen de koelinstallaties van de inrichting niet aan de eisen van de Regeling voldoen, overweegt de Voorzitter dat de stukken geen duidelijkheid verschaffen over de vraag welke voorschriften van de Regeling zouden zijn overtreden. Gelet hierop stond niet vast dat het BOAS ten tijde van het nemen van het bestreden besluit werd overtreden.

   Op 27 januari en 29 juni 2005 is niet geconstateerd dat de op het terrein van de inrichting aanwezige onderhoudsbrug werd gebruikt ten behoeve van herstel- of onderhoudswerkzaamheden aan motorvoertuigen of dat de in voorschrift 3.4.2 van de bijlage behorende bij het BOT genoemde registraties en documenten niet gedurende vijf jaar na dagtekening waren bewaard. Gelet hierop stond niet vast dat de voorschriften 2.7.1 en 3.4.2 van de bijlage behorende bij het BOT werden overtreden.

   Het vorenstaande in aanmerking nemende is de Voorzitter van oordeel dat verweerder zich in strijd met artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bevoegd heeft geacht om handhavend op te treden terzake van de overtreding van het BOAS en de voorschriften 2.7.1 en 3.4.2 van de bijlage behorende bij het BOT.

2.3.    Verzoekers hebben betoogd dat aan het bestreden besluit verbonden begunstigingstermijn te kort is.

   Verweerder heeft aan de lasten onder dwangsommen een begunstigingstermijn verbonden van vier weken ingaande de dag na verzending van het bestreden besluit. In hetgeen verzoekers hebben aangevoerd ziet de Voorzitter geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de gestelde begunstigingstermijn niet voldoende moet worden geacht om de lasten te kunnen uitvoeren zonder dat dwangsommen worden verbeurd.

2.4.    Verzoekers hebben aangevoerd dat de hoogte van de dwangsommen niet in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belangen en de beoogde werking van de lasten onder dwangsommen. In dit verband hebben zij betoogd door het verbeuren van de dwangsommen het bedrijf van verzoekers failliet zal gaan.

   Verweerder heeft de hoogte van de dwangsommen in het bestreden besluit gemotiveerd door te wijzen op de ernst van de overtredingen, de beoogde werking van de lasten onder dwangsommen en het door verweerder neergelegde beleid in het zogeheten Handboek Professionalisering Handhaving. In dit Handboek wordt aanbevolen om wanneer de overtreding geen betrekking heeft op een specifiek milieucompartiment, zoals in het geval van een verouderde vergunning, de hoogte van de dwangsom vast te stellen op € 45,00 per dag, met een maximum waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd van € 2.700,00. Verweerder heeft wat betreft de hoogte van de dwangsommen wegens de overtreding van artikel 6 van het BOT en de voorschriften 1.3.4 en 3.1. 1 van de bij dit besluit behorende bijlage kennelijk geen aansluiting gezocht bij deze aanbeveling. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de Voorzitter in zoverre niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de hoogte van deze dwangsommen in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de geschonden belangen en de beoogde werking van de desbetreffende lasten onder dwangsommen. Ook wat betreft de hoogte van de dwangsommen wegens de overtreding van de voorschriften 1.3.2, 1.6.5, 2.1.4 en 2.1.7 van de bijlage behorende bij het BOT heeft verweerder zich naar het oordeel van de Voorzitter niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de geschonden belangen en de beoogde werking van de desbetreffende lasten onder dwangsommen.

2.5.    Gezien het vorenstaande ziet de Voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorzieningen te treffen.

2.6.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Aalburg van 20 september 2005 voor zover daarbij lasten onder dwangsommen zijn opgelegd wegens overtreding van het BOAS en de voorschriften 2.7.1 en 3.4.2 van de bijlage behorende bij het BOT;

II.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Aalburg van 20 september 2005 voor zover daarbij lasten onder dwangsommen zijn opgelegd wegens overtreding van artikel 6 van het BOT en de voorschriften 1.3.2, 1.3.4, 1.6.5, 2.1.4, 2.1.7 en 3.1.1 van de bij dit besluit behorende bijlage uitsluitend voor zover het de hoogte van deze dwangsommen betreft, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

III.    treft de voorlopige voorziening dat zolang het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Aalburg van 20 september 2005 onder II is geschorst de hoogte van dwangsommen wegens de overtreding van artikel 6 van het BOT en de voorschriften 1.3.2, 1.3.4, 1.6.5, 2.1.4, 2.1.7 en 3.1.1 van de bij dit besluit behorende bijlage € 500,00 (zegge: vijfhonderd euro) per week bedraagt, met een maximum waarboven geen dwangsommen meer worden verbeurd van € 5.000,00 (zegge: vijfduizend euro);

IV.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Aalburg tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient door de gemeente Aalburg aan verzoekers onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

V.    gelast dat de gemeente Aalburg aan verzoekers het door hen voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 276,00 (zegge: tweehonderdzesenzeventig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen    w.g. Jansen

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2005

312-399.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature