Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

Oplegging gedoogplicht o.g.v. Belemmeringenwet privaatrecht (Bp). Gerechtshof heeft alle grieven betreffende de toetsingsgronden van artikel 4, eerste lid, van de Bp behandeld, behoudens mandaatkwestie. Bezwaar terecht kennelijk n.o. verklaard. Hoofd afdeling Bestuurlijke en Juridische zaken was bevoegd namens de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in ondermandaat de gedoogplicht op te leggen. Aard en inhoud van gedoogplicht verzetten zich niet tegen mandaatverlening. Ook beslissing op bezwaar is bevoegd in ondermandaat genomen.

Uitspraak in hoger beroep vernietigd; LJN AT9247.

Uitspraak



RECHTBANK 'S-HERTOGENBOSCH

Meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

UITSPRAAK

AWB 03/3440

Uitspraak van de rechtbank ingevolge de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geschil tussen:

[eiser] (eiser) en [eiseres] (eiseres), wonende te Helmond, hierna tezamen aangeduid als eisers,

gemachtigde mr. [gemachtigde], advocaat te Deurne,

en

de Minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder.

Partij als bedoeld in artikel 8:26 van de Awb : [belanghebbende]., gevestigd te 's-Hertogenbosch (hierna: derde-belanghebbende).

I. PROCESVERLOOP

Bij besluit van 18 februari 2003 heeft verweerder eisers, naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van 26 maart 2002 van [betrokkene] namens [belanghebbende]., op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: Belemmeringenwet) de plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van de 150 kV-hoogspanningsverbinding Eindhoven-Oost - Helmond-Zuid met bijbehorende werken op hun onroerende zaak gelegen in de gemeente Helmond. Dit besluit is, in gerectificeerde vorm, met ingang van 12 mei 2003 ter inzage gelegd.

Bij brief van 17 juni 2003 hebben eisers tegen dit besluit bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 6 november 2003, op dezelfde dag verzonden, heeft verweerder het bezwaar deels kennelijk niet-ontvankelijk en voor het overige kennelijk ongegrond verklaard en zijn besluit van 18 februari 2003 onverkort gehandhaafd.

Eisers hebben bij brief van 18 december 2003, op dezelfde datum ter griffie ontvangen, tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank. Op 16 januari 2004 hebben eisers de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 6 maart 2004 hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb .

Bij uitspraak van 4 mei 2004 (registratienummer AWB 04/606 VV) heeft de voorzieningenrechter het verzoek toegewezen in dier voege dat verweerders besluiten van 18 februari 2003 en 6 november 2003 zijn geschorst tot vier weken nadat de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank zal zijn bekendgemaakt.

De zaak is vervolgens behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van 16 juli 2004, waar namens eiseres [gemachtigde] is verschenen, bijgestaan door eisers' gemachtigde. Verweerder heeft zich ter zitting doen bijstaan door [gemachtigde]. Namens derde-belanghebbende heeft [gemachtigde] het woord gevoerd.

II. OVERWEGINGEN

Aan de orde is of verweerders besluit van 6 november 2003, waarbij verweerder eisers bezwaar deels kennelijk niet-ontvankelijk en voor het overige kennelijk ongegrond heeft verklaard en zijn besluit van 18 februari 2003 tot oplegging van een gedoogplicht op grond van de Belemmeringenwet onverkort heeft gehandhaafd, in rechte stand kan houden.

De rechtbank gaat bij de beantwoording van deze vraag uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij beschikking van 14 oktober 2003 heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch het bij hem ingediende verzoek van onder meer eisers tot vernietiging van het besluit van 18 februari 2003 tot oplegging van de gedoogplicht afgewezen.

Het hof heeft met betrekking tot de door eisers in dat kader ingebrachte grieven onder meer overwogen dat de vraag of en in hoeverre (dubbele) mandaatverlening in zaken als de onderhavige al dan niet mogelijk is, beoordeeld zal dienen te worden door de bestuursrechter (...). Aan het hof komt, aldus deze rechtsoverweging, geen verdere beoordeling toe dan is voorgeschreven in artikel 4, lid 1, laatste volzin, van de Belemmeringenwet.

Het beroep richt zich onder meer tegen verweerders oordeel dat de bevoegdheid tot oplegging van een gedoogplicht is gemandateerd aan de regionale directies van Rijkswaterstaat, dat de Belemmeringenwet mandatering van de beslissingsbevoegdheid niet uitsluit, dat de aard van die bevoegdheid zich niet tegen mandatering verzet en dat de op de bevoegdheid betrekking hebbende bezwaren kennelijk ongegrond zijn.

Verder bestrijden eisers verweerders opvatting dat de door eiser tegen het besluit tot oplegging van de gedoogplicht gerichte bezwaren reeds bij het hof aan de orde zijn geweest en in zoverre dan ook kennelijk niet-ontvankelijk zijn.

Uit de gedingstukken blijkt dat het besluit tot oplegging van de gedoogplicht namens verweerder in mandaat is genomen door de hoofdingenieur-directeur van de Rijkswaterstaat in de directie Noord-Brabant en voor deze in ondermandaat door het hoofd van de afdeling Bestuurlijke en Juridische zaken.

Op grond van artikel 5, eerste lid, van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging plaatsvervangend secretaris-generaal en diensthoofden Verkeer en Waterstaat (hierna: Besluit mandaat V&W) wordt aan onder meer de directeur-generaal van de Rijkswaterstaat (diensthoofd) mandaat verleend ten aanzien van aangelegenheden die behoren tot zijn werkterrein en naar aard of inhoud niet een zodanig gewicht hebben dat zij behoren te worden afgedaan door de secretaris-generaal. In artikel 6, eerste lid, van het Besluit mandaat V &W wordt de directeur-generaal toegestaan van het aan hem verleende mandaat ondermandaat te verlenen aan de in dat artikellid genoemde functionarissen.

In artikel 5 van het Besluit mandaat, volmacht en machtiging Rijkswaterstaat (hierna: Besluit mandaat Rijkswaterstaat) zijn de op grond van artikel 5, eerste lid, van het Besluit mandaat V &W aan de directeur-generaal van de Rijkswaterstaat gemandateerde bevoegdheden (onder)gemandateerd aan onder meer de (staf)afdelingshoofden van de regionale directies. Hierbij is een voorbehoud gemaakt met betrekking tot de in de artikelen 2 en 4 van het Besluit mandaat Rijkswaterstaat genoemde bevoegdheden.

De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de bevoegdheid tot oplegging van een gedoogplicht naar aard of inhoud van een dusdanig gewicht is dat het karakter van die bevoegdheid zich verzet tegen mandaatverlening. De omstandigheid dat de oplegging van een gedoogplicht een inbreuk op het eigendomsrecht maakt, vormt onvoldoende grond voor het aannemen van een dergelijk karakter.

De rechtbank stelt vast dat het besluit tot oplegging van een gedoogplicht is genomen overeenkomstig het mandaat en ondermandaat zoals deze in het Besluit mandaat V&W en het Besluit mandaat Rijkswaterstaat zijn vastgelegd en is daarmee bevoegd genomen. De ondertekening van het besluit voldoet aan de ondertekening vermeld in artikel 11, vierde lid, van het Besluit mandaat Rijkswaterstaat. Niet is verder gebleken dat de uitoefening van de bevoegdheid valt onder een van de in deze Besluiten gemaakte uitzonderingen.

Blijkens de ondertekening van het bestreden besluit is dit namens verweerder genomen door de hoofdingenieur van Rijkswaterstaat en in ondermandaat voor deze door het hoofd van de hoofdafdeling Waterbeheersing en Instandhouding Infrastructuur.

Ook het bestreden besluit is daarmee naar het oordeel van de rechtbank bevoegd genomen.

In artikel 2 van het Besluit mandaat Rijkswaterstaat is weliswaar aangegeven dat aan de directeur- generaal en de plaatsvervangend directeur-generaal onder meer de bevoegdheid blijft voorbehouden tot het beslissen op bezwaarschriften, maar deze bevoegdheid is beperkt tot een aantal in dat artikel genoemde categorieën van besluiten. Een van die categorie ën betreft besluiten die zijn genomen door de in artikel 5, onder a, van het Besluit mandaat Rijkswaterstaat genoemde functionarissen. Dit betekent dat, indien het primaire besluit is genomen door een andere functionaris dan genoemd in artikel 5, onder a, van dit Besluit, de beslissing op het daartegen gerichte bezwaar niet is voorbehouden aan de directeur-generaal of diens plaatsvervanger. Het hoofd van de hoofdafdeling Waterbeheersing en Instandhouding Infrastructuur is op grond van artikel 5 van het Besluit mandaat Rijkswaterstaat zonder meer bevoegd op het bezwaar te beslissen. De ondertekening van het bestreden besluit voldoet eveneens aan de in artikel 11, vierde lid, van het Besluit gestelde eisen.

De rechtbank is tot slot van oordeel dat het getuigt van zorgvuldigheid dat verweerder in casu de beslissing op bezwaar heeft doen nemen door het hoofd van de hoofdafdeling Waterbeheersing en Instandhouding Infrastructuur in plaats van door het hoofd van de hoofdafdeling Bestuurlijke en Juridische zaken, omdat deze laatste functionaris ten tijde van het nemen van dat besluit tevens plaatsvervangend hoofd van de afdeling Bestuurlijke en Juridische zaken was en die functionaris in ondermandaat het primaire besluit had genomen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder op goede gronden eisers bezwaar te dezer zake kennelijk ongegrond heeft verklaard.

Op grond van artikel 4, eerste lid, van de Belemmeringenwet, voor zover hier van belang, kan ieder die enig recht heeft ten aanzien van de onroerende zaak, aan het gerechtshof (...) vernietiging van de beslissing tot oplegging van een gedoogplicht verzoeken op grond dat daarbij ten onrechte is geoordeeld dat de belangen van de rechthebbenden ten aanzien van die zaak redelijkerwijze onteigening niet vorderen, of dat in het gebruik van die zaak niet meer belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijze (...) nodig is.

Verweerder is van mening dat een in aanvulling hierop tot het bestuursorgaan te richten bezwaar slechts betrekking kan hebben op andere dan de in artikel 1 (slot) (en in artikel 4, eerste lid, rechtbank) van de Belemmeringenwet verwoorde toetsingscriteria, hetgeen ook blijkt uit de onder verweerders besluit van 18 februari 2003 geplaatste rechtsmiddelenclausule. Volgens verweerder is hiervan geen sprake.

De rechtbank deelt niet eisers visie dat die opvatting onjuist is. De rechtbank is, na kennisneming van de in het bezwaarschrift en de in het aan het gerechtshof gerichte verzoekschrift vervatte grieven, alsmede van de beschikking van het gerechtshof, van oordeel dat niet kan worden gezegd dat eiser in casu, behoudens zijn grieven met betrekking tot de mandatering, bezwaren heeft aangevoerd die andere gronden betreffen dan de toetsingsgronden van artikel 4, eerste lid, van de Belemmeringenwet. Dat eiser in dat verband soms andere argumenten heeft aangevoerd, doet daaraan niet af. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het gerechtshof alle door eiser naar voren gebrachte grieven, behoudens die betreffende de hiervoor reeds behandelde mandaatkwestie, behandeld.

Met betrekking tot eisers grief dat, ten gevolge van het aanvankelijk niet ter inzage leggen door verweerder van het besluit tot oplegging van de gedoogplicht en het herstel van die omissie op een later moment, een onduidelijke situatie is ontstaan waardoor hij twee verzoekschriften bij het gerechtshof heeft moeten indienen, overweegt de rechtbank specifiek als volgt.

Weliswaar betreft deze grief niet rechtstreeks de toetsingsgronden van artikel 4, eerste lid, van de Belemmeringenwet, maar naar het oordeel van de rechtbank hangt deze grief zozeer met de procedure bij het gerechtshof samen, dat het gerechtshof moet worden geacht de instantie bij uitstek te zijn die omtrent die grief behoort te beslissen. Het gerechtshof is ook op die grief ingegaan en heeft in zijn beschikking geoordeeld dat eisers door de onregelmatigheden bij de terinzagelegging niet in hun belangen zijn geschaad, nu zij tijdig kennis hebben kunnen nemen van de beschikking en hun verzoeken tijdig bij het hof hebben ingediend. Het hof heeft in de desbetreffende grieven dan ook geen aanleiding gezien voor een vernietiging van de beschikking tot oplegging van de gedoogplicht.

Naar het oordeel van de rechtbank was er voor verweerder derhalve geen ruimte voor een afzonderlijke beoordeling van deze grief.

De rechtbank is, op grond van het hiervoor overwogene, van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het bezwaar van eisers, behoudens de grieven betreffende het mandaat, geen andere grieven bevatte dan grieven betreffende de toetsingsgronden van artikel 4, eerste lid, van de Belemmeringenwet. Verweerder heeft het bezwaar dan ook terecht kennelijk niet- ontvankelijk verklaard.

Het beroep is derhalve ongegrond.

De rechtbank acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

III. BESLISSING

De rechtbank,

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. D.J. de Lange, mr. P.H.C.M. Schoemaker en mr. L.C. Michon en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. L.M.H. Vermeulen als griffier op 16 november 2004.

Partijen kunnen tegen deze uitspraak binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag.

Afschrift verzonden:

5

AWB 03/3440


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde jurisprudentie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature