Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 11 augustus 2004, verzonden op 2 september 2004, kenmerk GZ\R&W\006358, heeft verweerder aan verzoekster een viertal lasten onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd wegens het overtreden van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer binnen de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].

Uitspraak



200408024/1.

Datum uitspraak: 4 november 2004

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zijpe,

verweerder.

1.    Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2004, verzonden op 2 september 2004, kenmerk GZ\R&W\006358, heeft verweerder aan verzoekster een viertal lasten onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd wegens het overtreden van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer binnen de inrichting op het perceel [locatie] te [plaats].

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Bij brief van 28 september 2004, bij de Raad van State ingekomen op 29 september 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 oktober 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. E. van der Hoeven en [eigenaar], beiden gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. de Ruyter en R. Mak, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2.    Overwegingen

2.1.    Bij besluit van 11 augustus 2004 heeft verweerder verzoekster wegens overtreding van het Besluit opslag- en transportbedrijven milieubeheer (hierna: het Bot) lasten onder dwangsom opgelegd strekkende tot naleving van:

I. voorschrift 1.6.2, aanhef en onder a, van de bijlage van het Bot, van € 1.000,00 per gasfles;

II. voorschrift 1.6.2, aanhef en onder e, van de bijlage van het Bot, van € 7.000,00 per maand, met een maximum van € 21.000,00;

III. voorschrift 2.1.2 van de bijlage van het Bot, van € 500,00 per emballage;

IV. voorschrift 2.1.4 van de bijlage van het Bot, van € 7.000,00 per maand, met een maximum van € 21.000,00.

2.2.    Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder ten onrechte overtreding van het Bot als grondslag heeft gehanteerd voor de oplegging van de lasten onder dwangsom. Zij meent dat eerder nog het Besluit inrichtingen voor motorvoertuigen milieubeheer (hierna: het Bim) op de inrichting van toepassing is dan wel dat de inrichting vergunningplichtig is en derhalve de aan verzoekster verleende vergunning van 27 december 1994 geldt.

2.3.    Verweerder stelt zich op het standpunt dat, gelet op de activiteiten die binnen de inrichting worden ontplooid, het Bot op de inrichting van toepassing is. Daarbij heeft verzoekster zelf bij brief van 3 november 2003 een melding in de zin van het Bot gedaan. Verweerder heeft deze melding geaccepteerd. Het Bot is zijns inziens derhalve op de inrichting van toepassing. Voorts heeft verzoekster tot het nemen van het bestreden besluit niets ondernomen tegen de haar inziens ten onrechte geaccepteerde melding, aldus verweerder.

2.4.    Ingevolge artikel 2, eerste lid van het Bot is dit besluit van toepassing op een inrichting die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor:

a. het opslaan, overslaan en transporteren over de weg, van goederen of producten, of

b. het parkeren, stallen of verhuren van voor vervoer van mensen of goederen over de weg bestemde motorvoertuigen, gelede motorvoertuigen, aanhangwagens of caravans.

   Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Bot is dit besluit eveneens van toepassing op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor een samenstel van bedrijvigheden als bedoeld in het eerste lid, onder a en b.

   In artikel 2, eerste lid, van het Bim is bepaald dat het van toepassing is op inrichtingen die uitsluitend of in hoofdzaak bestemd zijn voor het onderhouden, repareren, behandelen van de oppervlakte, keuren, reinigen van carrosserie en bekleding, verhandelen, verhuren, stallen of proefdraaien van motorvoertuigen, caravans, landbouwwerktuigen, aanhangwagens of opleggers.

2.5.    Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 1997, in zaak no. E03.96.0663 (AB 1997,439 en JB 1997/271), overweegt de Voorzitter allereerst dat tegen een beslissing tot acceptatie van een gedane melding op basis van een krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer vastgestelde algemene maatregel van bestuur geen rechtsmiddelen op grond van de Algemene wet bestuursrecht openstaan. De Voorzitter wijst er voorts op dat het doen van een melding in de zin van artikel 6 van het Bot en de acceptatie daarvan niet van belang zijn voor het al dan niet van toepassing zijn op de inrichting van het Bot; daarvoor is enkel bepalend de feitelijke situatie binnen de inrichting ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Daarbij dienen alle activiteiten die op het terrein van de inrichting worden verricht, in hun totaliteit, te worden betrokken.     De onderhavige inrichting betreft een handelsonderneming. De ter plaatse verrichte activiteiten bestaan blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting uit de in- en verkoop van voor de landbouw bestemde machines en werktuigen en onderdelen daarvoor. Ten behoeve van deze activiteiten vindt in loodsen en op het buitenterrein opslag plaats. Verder worden installatie- en reparatiewerkzaamheden verricht aan voor de landbouw bestemde machines en werktuigen. Gelet op met name de activiteiten die betrekking hebben op het installeren en repareren van voor de landbouw bestemde machines en werktuigen, is de Voorzitter er niet van overtuigd dat de inrichting moet worden beschouwd als een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak activiteiten plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 2 van het Bot . Het is derhalve twijfelachtig of het Bot op de inrichting van toepassing is.

   Voorts overweegt de Voorzitter, voorzover verzoekster betoogt dat op de inrichting het Bim van toepassing is, dat, hij er, gelet op verrichte opslagactiviteiten en de omvang daarvan ook niet van is overtuigd dat de inrichting moet worden beschouwd als een inrichting waar uitsluitend of in hoofdzaak activiteiten plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 2, eerste lid, van het Bim .

   De Voorzitter acht op grond van het vorenoverwogene het niet onaannemelijk dat de onderhavige inrichting vergunningplichtig is. In dat geval geldt, nu de inrichting nimmer onder de toepassing van een krachtens artikel 8.40, eerste lid, van de Wet milieubeheer vastgestelde algemene maatregel van bestuur is komen te vallen, de krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning van 23 januari 1996.

   Gelet op het bovenstaande acht de Voorzitter het twijfelachtig of het bestreden besluit op de juiste grondslag is gebaseerd.

2.6.    De Voorzitter ziet op grond van het bovenstaande en na afweging van de betrokken belangen aanleiding om het bestreden besluit te schorsen.

2.7.    Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3.    Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zijpe van 11 augustus 2004, verzonden op 2 september 2004, kenmerk GZ\R&W\006358, tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op het verzoek is beslist;

II.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zijpe in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 682,98, waarvan een gedeelte groot € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het totale bedrag dient door de gemeente Zijpe te worden betaald aan verzoekster;

III.    gelast dat de gemeente Zijpe aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt    w.g. Melse

Voorzitter    ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2004

195-375.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature