Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 15 juli 2003, kenmerk 036615/13/14, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd wegens overtreding van voorschrift 1.15, van de voor haar inrichting bij besluit van 13 november 1998 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning. De dwangsom is vastgesteld op € 400,00 per overtreding per dag, tot een maximum van € 20.000,00.

Uitspraak



200306229/1.

Datum uitspraak: 23 oktober 2003

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Zeeland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 juli 2003, kenmerk 036615/13/14, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als bedoeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd wegens overtreding van voorschrift 1.15, van de voor haar inrichting bij besluit van 13 november 1998 krachtens de Wet milieubeheer verleende vergunning. De dwangsom is vastgesteld op € 400,00 per overtreding per dag, tot een maximum van € 20.000,00.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Bij brief van 17 september 2003, bij de Raad van State ingekomen op 18 september 2003, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 7 oktober 2003, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. A. van Rossem, advocaat te Rotterdam en [gemachtigde], en verweerder, vertegenwoordigd door W. Beilo en R. de Nooijer, beiden ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet is het provinciaal bestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2.2. Verzoekster betoogt dat verweerder niet in redelijkheid gebruik had mogen maken van zijn bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. Zij stelt door omstandigheden genoodzaakt te zijn geweest het ongebroken puin tot boven de keerwanden op te slaan. Reden hiervoor is een stagnerende afzet van menggranulaat, waardoor niet alleen verzoekster, maar een groot deel van de puinbrekers een overschot aan ongebroken puin en menggranulaat had. Verder had verzoekster, anders dan verwacht, niet de beschikking over een mobiele puinbreker die nodig was om een in het voorjaar geaccepteerde aanzienlijke hoeveelheid puin te breken. Verzoekster stelt dat verweerder haar heeft medegedeeld dat een zekere overschrijding van de keerwanden zou worden geaccepteerd. Aangezien tijdelijke opslag elders of afvoer naar concurrerende puinbrekers voor verzoekster geen aanvaardbare alternatieven waren, stelt zij niet in staat te zijn geweest om de overtreding binnen korte tijd ongedaan te maken. Verzoekster voert verder aan dat het belang dat het overtreden voorschrift beoogt te beschermen niet in het geding is. Door het vochtig houden van het materiaal valt volgens haar in beginsel geen stofhinder te verwachten. Zij merkt in dit verband ook op dat haar geen klachten bekend zijn over stofoverlast vanwege de inrichting. Ten slotte is verzoekster van mening dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten om te onderzoeken of legalisatie mogelijk was.

2.3. De Voorzitter stelt allereerst vast dat niet in geding is dat het hier aan de orde zijnde voorschrift 1.15 ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet werd nageleefd. Verweerder was derhalve bevoegd tot het opleggen van een last onder dwangsom. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de omstandigheid dat er geen klachten over stofoverlast zouden zijn ingediend, verzoekster niet van de verplichting ontslaat de vergunningvoorschriften na te leven.

2.3.1. Wat betreft het betoog van verzoekster dat verweerder niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom gebruik had mogen maken, overweegt de Voorzitter het volgende. Het is de Voorzitter gebleken dat verzoekster reeds enkele maanden voor het bestreden besluit welbewust voorschrift 1.15 overtrad en daarmee is voortgegaan. De Voorzitter overweegt in dit verband dat verzoekster aan een opmerking van een ambtenaar dat een zekere overschrijding van de keerwanden wel zou worden geaccepteerd, mede gezien de overige mededelingen van verweerder aan verzoekster hieromtrent, niet het vertrouwen had mogen en kunnen ontlenen dat niet tegen de overtreding zou worden opgetreden. Het is de Voorzitter niet aannemelijk geworden dat verzoekster in een onmogelijkheid verkeerde om de overtreding ongedaan te maken. Het feit dat dit de bedrijfsvoering van verzoekster niet ten goede zou komen, doet aan het voorgaande niet af. De Voorzitter merkt in dit verband op dat hem niet is gebleken dat verzoekster door het ongedaan maken van de overtreding in een zodanig slechte financiële positie zou komen te verkeren dat voor het voortbestaan van de inrichting zou moeten worden gevreesd. Gelet hierop ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder in zoverre niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen.

Het betoog van verzoekster dat door het vochtig houden van het materiaal in beginsel geen stofhinder is te verwachten, kan niet slagen. Het is de Voorzitter, gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting, niet aannemelijk geworden dat het besproeien van het puin toereikend is om stofhinder te voorkomen.

Het betoog van verzoekster dat verweerder ten onrechte niet heeft onderzocht of legalisatie mogelijk was, kan ook niet slagen. Het is de Voorzitter uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat verweerder, door toedoen van verzoekster, over onvoldoende informatie beschikte om te kunnen beoordelen of legalisatie mogelijk is.

2.3.2. Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid om een last onder dwangsom op te leggen. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Oudenaller

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 oktober 2003

179-415.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature