Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Uitspraak



200106188/1.

Datum uitspraak: 9 oktober 2002

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaats]

en

gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerders.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2001, kenmerk DWM/2000/13278, hebben verweerders met toepassing van artikel 5:32 van de Algemene wet bestuursrecht een drietal lasten onder dwangsom opgelegd ter zake van overtreding van de hierna te noemen voorschriften, verbonden aan de oprichtingsvergunning van 3 februari 1993, veroorzaakt door het in werking zijn van de inrichting van appellante (een schroot- en autosloopbedrijf) gelegen op het perceel aan de Bronsweg 10 te Alphen aan den Rijn. De hoogte van de dwangsom is bepaald op:

- ƒ 2.500,00 (€ 1.134,45) per geconstateerde overtreding van het gestelde in voorschrift 8.1 van de vergunning, met een maximum van ƒ 25.000,00 (€ 11.344,50);

- ƒ 500,00 (€ 226,89) per geconstateerde overtreding van het gestelde in voorschrift 8.2 van de vergunning, met een submaximum van ƒ 2.500,00 (€ 1134,45) per dag. Het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, wordt bepaald op ƒ 25.000,00 (€ 11.344,50);

- ƒ 2.500,00 (€ 1.134,45) per overtreding van het gestelde in voorschrift 8.4 van de vergunning. Het bedrag waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd, wordt bepaald op ƒ 25.000,00 (€ 11.344,50).

Aan het besluit is een begunstigingstermijn van twee weken verbonden. Dit besluit is aangehecht.

Bij besluit van 5 november 2001, kenmerk DWM/RGG/01/9570, verzonden op dezelfde datum, hebben verweerders het hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit herroepen wat de last onder dwangsom met betrekking tot voorschrift 8.1 betreft. Dit besluit is aangehecht.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 13 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 14 december 2001, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 5 februari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 september 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [directeur], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. W.R.H. Lutjes, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 122, eerste lid, van de Provinciewet is het provinciaal bestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Krachtens artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge het tweede lid strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge het derde lid wordt voor het opleggen van een last onder dwangsom niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

Ingevolge het vierde lid stelt het bestuursorgaan de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag moet in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

Ingevolge het vijfde lid wordt in de beschikking die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

2.2. Ingevolge voorschrift 8.1 mag het equivalente geluidniveau (LAeq) veroorzaakt door de inrichting ter plaatse van de buiten het industrieterrein gelegen woningen (de 'molenwoning', de boerderij en de woonwijk) in de dagperiode van 07.00 tot 19.00 uur niet meer bedragen dan 45 dB(A); tijdens het beladen van een schip is een equivalent geluidniveau van 55 dB(A), betrokken op de gehele laadtijd, toelaatbaar.

Ingevolge voorschrift 8.2 mogen onverminderd het gestelde in voorschrift 8.1 bij normale omstandigheden kortstondige verhogingen van het geluidniveau (Lmax gemeten in de meterstand 'fast') op bovengenoemde plaatsen, in de dagperiode van 07.00 tot 19.00 uur, niet meer bedragen dan 75 dB(A).

Ingevolge voorschrift 8.4 moeten, om aan de in de voorschriften 8.1 en 8.2 genoemde grenswaarden te voldoen, in ieder geval ten aanzien van de mobiele dieselkranen akoestische voorzieningen zijn getroffen; voorts mogen de kranen hun lading eerst lossen, indien de gebezigde poliepgrijper en/of magneet op de stort (hetzij in de schaar, in een auto, in een schip of op het terrein) is gebracht (lossen – vrijwel – zonder valhoogte).

2.3. Appellante is van mening dat verweerders onbevoegd zijn om handhavend op te treden nu geen sprake is van overtreding van het gestelde in voorschrift 8.2. Dit blijkt haars inziens uit de akoestische onderzoeksrapporten die door Dorsser Raadgevende Ingenieurs op 4 oktober 2000 en 31 januari 2001 in opdracht van appellante zijn opgesteld. Appellante stelt dat verweerders op onjuiste wijze hebben gemeten dan wel dat tijdens de metingen sprake is geweest van stoorgeluid. Voorts is haars inziens onduidelijk of de geluidoverlast is toe te rekenen aan haar inrichting.

2.3.1. Verweerders betogen dat zij een aantal malen door middel van geluidmetingen hebben geconstateerd dat het in voorschrift 8.2 opgenomen maximale geluidniveau werd overschreden.

De geluidmetingen zijn weergegeven in het akoestisch onderzoeksrapport van 20 juli 2000, kenmerk R.00.3036.A1.JK. Bij het immissiepunt “molenwoning” is een groot aantal overschrijdingen van de gestelde geluidgrenswaarde vastgesteld. Verder zijn bij het eveneens relevante immisiepunt “de woonwijk” ter plaatse van een woning enkele overschrijdingen van de grenswaarde vastgesteld. De overschrijdingen van de grenswaarde waren het gevolg van handelingen met metaalschroot door de kranen en de schrootschaar en het vallen van metaal in de schrootschaar, welke verrichtingen ten tijde van de geluidmetingen op het terrein van de inrichting zijn waargenomen.

2.3.2. De Afdeling is van oordeel dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting niet is gebleken dat de metingen op onjuiste wijze zijn verricht dan wel dat er sprake is geweest van stoorgeluid. Voorts acht de Afdeling voldoende aangetoond dat de gemeten piekgeluiden werden veroorzaakt door activiteiten die binnen de inrichting plaatsvonden. Het feit dat in de rapporten van de in opdracht van appellante uitgevoerde akoestische onderzoeken van 4 oktober 2000 en 31 januari 2001 wordt geconcludeerd dat de maximale geluidgrenswaarden niet worden overschreden, doet hier niet aan af. Deze metingen hebben immers op andere dagen plaatsgevonden. In het akoestisch rapport van 31 januari 2001 wordt overigens aangegeven dat er op dient te worden toegezien dat er zorgvuldig wordt gewerkt volgens het principe van good housekeeping om aan de vergunde waarden uit de vigerende vergunning te kunnen voldoen. Gezien het vorenstaande waren verweerders bevoegd om handhavend op te treden ten aanzien van overtreding van voorschrift 8.2.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.4. Appellante acht het niet redelijk dat verweerders zowel een last onder dwangsom met betrekking tot voorschrift 8.2 als met betrekking tot voorschrift 8.4 hebben opgelegd nu overtreding van voorschrift 8.2 haars inziens ook overtreding van voorschrift 8.4 inhoudt. Afgezien daarvan heeft voorschrift 8.4 volgens haar betrekking op een incidentele bedrijfssituatie, namelijk het verwerken van zwaar (staal) schroot. Deze situatie zou niet meer dan twaalf keer per jaar voorkomen en kan volgens haar middels een afwijkende normstelling worden gelegaliseerd in het kader van de aangevraagde revisievergunning.

2.4.1. Verweerders stellen zich op het standpunt dat de last onder dwangsom met betrekking tot voorschrift 8.4 slechts betrekking heeft op de valhoogte van ijzer en ertoe dient om aan de in de voorschriften 8.1 en 8.2 genoemde grenswaarden te voldoen. Voorts betwijfelen verweerders of er sprake is van een incidentele bedrijfssituatie gelet op het aantal reeds geconstateerde overtredingen. Verder betogen zij dat het nog niet zeker is dat de revisievergunning zal worden verleend aangezien de vergunningaanvraag nog in de conceptfase verkeert.

2.4.2. De Afdeling is van oordeel dat het enkele feit dat ten aanzien van een doelvoorschrift als voorschrift 8.2 een last onder dwangsom is opgelegd, niet betekent dat ten aanzien van een daarmee samenhangend middelvoorschrift als voorschrift 8.4 niet tevens handhavend kan worden opgetreden.

Laatstbedoeld voorschrift heeft - anders dan appellante veronderstelt - niet specifiek betrekking op incidentele bedrijfssituaties. Het voorschrift ziet voorts op andere aspecten dan de door appellante beoogde normstelling voor incidentele bedrijfssituaties in een eventuele nieuwe revisievergunning. Zoals verweerders terecht hebben aangegeven, bestond ten tijde van het nemen van het bestreden besluit geen grond voor de verwachting dat in positieve zin op de aanvraag om revisievergunning zou worden beslist. Dat de aanvraag zich ten tijde van het bestreden besluit reeds drie jaren in de conceptfase bevond, maakt dit niet anders. Gezien het vorenstaande vindt de Afdeling in hetgeen appellante heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat verweerders bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid een last onder dwangsom met betrekking tot voorschrift 8.4 hebben kunnen opleggen.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

2.5. Appellante is van mening dat verweerders een te korte begunstigingstermijn aan het besluit van 9 januari 2001 hebben verbonden om aan de gestelde eisen te voldoen. In dat verband voert zij aan dat zij niet binnen twee weken de benodigde voorzieningen kan treffen.

2.5.1. Verweerders zijn van mening dat de begunstigingstermijn van twee weken niet onredelijk is nu appellante zonder veel aanpassingen van haar bedrijfsvoering het storten van een te grote valhoogte kan voorkomen. In dit verband hebben zij er op gewezen dat de last onder dwangsom met betrekking tot voorschrift 8.4 niet is gericht op het treffen van akoestische voorzieningen.

2.5.2. De Afdeling stelt vast dat het treffen van akoestische voorzieningen ter voldoening aan het gestelde in voorschrift 8.4 niet aan de orde is, maar dat het er slechts om gaat dat niet van te grote hoogte wordt gestort. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat niet valt in te zien dat verweerders niet in redelijkheid een begunstigingstermijn van twee weken hebben kunnen stellen.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, Voorzitter, en mr. Th.G. Drupsteen en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.E. van der Vlis, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Van der Vlis

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2002

197-353.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature