Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Vindplaats:

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/823 26 juli 2002

4129 Heffing

Heffingen BDA

Uitspraak in de zaak van:

de Vereniging Drankenhandel Nederland, te Leidschendam, appellante,

gemachtigden: ING. S. Veenstra, secretaris van appellante, en mr H.G.J.E. Plagge, juridisch adviseur te Hintham,

tegen

het Bedrijfschap voor de Detailhandel in Alcoholhoudende Dranken, gevestigd te Rijswijk (met ingang van 1 juli 2002 het Productschap Dranken), verweerder,

gemachtigde: mr K. Gilhuis, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Op 18 oktober 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van 13 september 2000.

Bij dit besluit is beslist op bezwaar tegen met toepassing van de Basisheffingsverordening 2000 B.D.A. en de Bestemmingsheffingsverordening 2000 B.D.A. aan leden van appellante opgelegde heffingen.

Verweerder heeft op 29 maart 2001 een verweerschrift ingediend.

Op 22 februari 2002 heeft verweerder en op 24 februari 2002 heeft appellante nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2002. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Van de zijde van verweerder is tevens het woord gevoerd door diens voorzitter, B.A.H. van Zweden.

Conform de ter zitting gemaakte afspraak, waarbij tevens is bepaald dat geen nadere zitting wordt gehouden, heeft verweerder bij faxbericht van 6 maart 2002 het College nadere stukken doen toekomen. Appellante heeft hierop bij faxbericht van 7 maart 2002 gereageerd.

2. De grondslag van het geschil

2.1. Artikel 1 van de Basisheffingsverordening 2000 B.D.A., die op 25 november 1999 is vastgesteld door het bestuur van verweerder en in werking is getreden op 1 januari 2000, luidt als volgt:

" Voor de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 wordt aan degene(n), die op 1 januari 2000 een onderneming drijft of drijven, waarvoor het Bedrijfschap is ingesteld, een basisheffing opgelegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, lid 2, van de Instellingswet Bedrijfschap Detailhandel in Alcoholhoudende Dranken voor iedere verkoopplaats van de onderneming."

Artikel 5 van die Verordening luidt als volgt:

" Van de betaling der basisheffing, in deze verordening bedoeld,

a. (…);

b. kunnen, op verzoek, door de voorzitter, namens het bestuur, geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld die bijzondere gevallen of groepen van gevallen die kunnen aantonen dat zij onderdeel uitmaken van het grootwinkelbedrijf."

Artikel 1 van de Bestemmingsheffingsverordening 2000 B.D.A., die op 25 november 1999 is vastgesteld door het bestuur van verweerder en in werking is getreden op 1 januari 2000, luidt als volgt:

" Onverminderd het bepaalde in de Basisheffingsverordening 2000 B.D.A. wordt voor de periode van 1 januari 2000 tot en met 31 december 2000 aan diegenen die op 1 januari 2000 een onderneming drijven, waarvoor het Bedrijfschap is ingesteld, een bestemmingsheffing opgelegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, lid 4, van de Instellingswet Bedrijfschap Detailhandel in Alcoholhoudende Dranken en wel voor iedere verkoopplaats van de onderneming."

Artikel 5 van die Verordening luidt als volgt:

" Van de betaling der bestemmingsheffing, in deze verordening bedoeld,

a. (…);

b. kunnen, op verzoek, door de voorzitter, namens het bestuur, geheel of gedeeltelijk worden vrijgesteld die bijzondere gevallen of groepen van gevallen die kunnen aantonen dat zij onderdeel uitmaken van het grootwinkelbedrijf."

2.2. Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak onder meer de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 13 januari 2000, aangevuld bij brief van 31 januari 2000, heeft de Vereniging van Grootwinkelbedrijven in Alcoholhoudende en Alcoholvrije Dranken, wier naam per 3 februari 2000 is gewijzigd in Vereniging Drankenhandel Nederland, in deze uitspraak ook aan te duiden als appellante, namens haar met name genoemde leden bij verweerder een verzoek ingediend voor vrijstelling van de basis- en bestemmingsheffing 2000 B.D.A..

- Bij besluit van 30 juni 2000 heeft de voorzitter van verweerder geweigerd aan de leden van appellante de verzochte vrijstellingen te verlenen.

- Bij besluiten van 30 juni 2000 zijn aan de betrokken detailhandelaren, door middel van nota's van het Centraal Registratiekantoor, de heffingen 2000 opgelegd.

- Tegen deze heffingen hebben de betrokkenen, al dan niet door middel van een aan appellante verleende machtiging, bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 5 juli 2000 heeft appellante namens de leden tegen de weigering van de vrijstelling bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 21 juli 2000 is van de zijde van de voorzitter van de Hoorcommissie Heffingsaangelegenheden van verweerder aan appellante medegedeeld dat, indien zij er prijs op stelt inzake haar bezwaren tegen de heffingen 2000 te worden gehoord, er op 16 augustus 2000 een hoorzitting wordt gehouden, waarvoor zij wordt uitgenodigd.

- Vervolgens heeft op 16 augustus 2000 de hoorzitting plaatsgevonden. In het verslag daarvan is onder meer het volgende vermeld:

" Na vergelijk met de ontvangen individuele bezwaarschriften, merkt de voorzitter op dat in feite door middel van het collectieve bezwaarschrift alle leden van de VDN tijdig bezwaar hadden aangetekend (ondanks onbekendheid met de statutaire bevoegdheden van de VDN is hij bereid dit als zodanig te beschouwen) en dat er sprake is van een aantal individuele bezwaarschriften."

- In het op 6 maart 2002 door verweerder aan het College toegefaxte verslag van de vergadering van het dagelijks bestuur van verweerder van 11 september 2000, is met betrekking tot de hoorzitting van 16 augustus 2000 onder meer vermeld:

" De voorzitter wil gelet op de eerdere discussies de opvattingen van de leden van het DB betrekken in zijn uiteindelijke besluitvorming en zet zijn zienswijze uiteen. Unaniem zijn de leden van het DB het erover eens dat er geen vrijstellingen kunnen worden verleend. Zij delen de visie van de voorzitter in deze. De bedrijven en de VDN zullen conform door de voorzitter op de hoogte worden gesteld."

- Daarna is het bestreden besluit genomen, waarbij het bezwaar ongegrond is verklaard.

- Bij besluit van 2 november 2000 is - definitief - beslist op het bezwaar tegen de weigering van de vrijstelling. Hiertegen heeft appellante geen beroep ingesteld.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit is in de aanhef vermeld:

" betr.: beslissing op Uw schrijvens d.d. 13 januari, 31 januari, 5 juli 2000 inzake bezwaarschrift heffingen 2000 BDA namens Uw leden"

en vervolgens

" Met U opgemelde schrijvens (hierna het bezwaarschrift), maakt u, namens Uw leden bezwaar tegen de Basisheffing 2000 BDA en de Bestemmingsheffing 2000 BDA (hierna de Heffingen 2000 BDA), welke aan Uw leden door het Centraal Registratiekantoor (…) zijn opgelegd, namens en ingevolge het besluit d.d. 25 november 1999 van het Bedrijfschap voor de Detailhandel in Alcoholhoudende Dranken (hierna het Bedrijfschap)."

Onder het kopje "Ontvankelijkheid" staat:

" Uw bezwaarschrift is tijdig ingediend en voldoet aan alle overige wettelijke vereisten. Uw vereninging is danook ontvankelijk in Uw bezwaarschrift."

Onder het kopje "Beoordeling van de argumenten" staat onder meer:

" De discussie tussen het Bedrijfschap en de VDN inzake de vrijstelling van de leden van de VDN is geen zaak die Uw bezwaar tegen formeel raakt en zal hier dan ook verder buiten beschouwing blijven."

Vervolgens staat onder het kopje "De beslissing op het bezwaar":

" Gelet op vorenstaande zie ik geen aanleiding Uw bezwaar te honoreren. Uw bezwaarschrift als in aanhef deze bedoeld, wordt dan ook ongegrond verklaard.

Uw verzoek tot uitstel van betaling voor Uw leden hangende de discussie tussen het Bedrijfschap en de VDN wordt niet gehoneerd.

Hoogachtend,

B.A.H. van Zweden

voorzitter"

4. Het standpunt van appellante

Appellante kan zich op inhoudelijke gronden niet verenigen met de handhaving van de opgelegde heffingen. Om formele redenen waarvan hierna zal blijken zal het College een verdere weergave van het standpunt van appellante dienaangaande hier achterwege laten.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Het College stelt voorop dat het bezwaar van appellante tegen de weigering de vrijstellingen aan haar leden te verlenen, door partijen is opgevat als tevens te zijn gericht tegen de aan die leden bij besluiten van 30 juni 2000 opgelegde heffingen. Ook het College zal daar in dit geval van uitgaan.

Het bezwaar tegen de weigering van de vrijstellingen was ten tijde van het nemen van het bestreden besluit nog niet afgehandeld. Dit besluit heeft enkel betrekking op de heffingen.

5.2. Verweerder heeft gesteld dat in deze zaak het griffierecht door appellante niet tijdig is betaald zodat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Het College overweegt hierover dat blijkens zijn administratie het griffierecht wel tijdig is betaald, zodat daarin geen reden is gelegen voor een niet-ontvankelijkverklaring. Evenmin kan verweerders betoog dat appellante niet valt aan te merken als belanghebbende, leiden tot het oordeel dat het beroep niet kan worden ontvangen, aangezien het beroep een ten aanzien van appellante genomen besluit betreft. Dat het beroep, zoals verweerder tenslotte heeft gesteld, niet bevoegdelijk namens appellante is ingesteld is het College niet kunnen blijken.

5.3. Het College overweegt vervolgens, dat het bestreden besluit is genomen door de voorzitter van verweerder. Dit besluit is op eigen naam ondertekend en in het besluit wordt ook steeds gesproken van "ik", wanneer de beoordeling van de argumenten en het nemen van de beslissing aan de orde is. Dit duidt erop dat het besluit op bezwaar door de voorzitter zelve, op eigen naam en titel, is genomen. De bevoegdheid tot het opleggen van heffingen is evenwel niet toegekend aan de voorzitter. Bij gebreke van een aanduiding in de desbetreffende primaire besluiten van het orgaan van verweerder dat die besluiten heeft genomen gaat het College er van uit dat de heffingen zijn opgelegd door het bestuur van verweerder overeenkomstig de uit de Wet op de bedrijfsorganisatie voortvloeiende bevoegdheidsverdeling. De voorzitter was dan ook niet bevoegd op het bezwaar te beslissen.

Dat het besluit op bezwaar door de voorzitter namens het bestuur van verweerder is genomen, zoals door verweerder is gesteld, is niet gebleken. Verweerder heeft desgevraagd terzake geen mandaatbesluit kunnen overleggen. De notulen van een vergadering van het dagelijks bestuur van 11 september 2000, zoals in rubriek 2.1 vermeld, bieden geen steun voor het standpunt van verweerder, nu daaruit niet meer blijkt dan dat de voorzitter met het dagelijks bestuur over de beslissing die hij voornemens was te nemen, ruggespraak heeft gehouden.

5.4. Uit het vorenoverwogene volgt dat aan het bestreden besluit een bevoegdheidsgebrek kleeft doordat dit niet door het bevoegde orgaan van verweerder is genomen. Hieruit volgt dat het beroep gegrond is en dat dit besluit dient te worden vernietigd.

5.5. Het College acht het niet noodzakelijk dat het wel bevoegde orgaan van verweerder zelf een beslissing op bezwaar neemt. Blijkens artikel 2, eerste lid, van haar statuten heeft appellante als doel de behartiging van de economische en sociale belangen van de detailhandel in dranken. Het zelfstandig opkomen tegen aan dergelijke detailhandelaren opgelegde heffingen - zoals in deze zaak aan de orde, waarin het niet gaat om een procedure namens de betrokken individuele leden die appellante daartoe bepaaldelijk gemachtigd hebben - kan niet onder het statutaire doel worden begrepen. Ook overigens is haar belang niet rechtstreeks bij de besluiten tot het opleggen van de heffingen betrokken. Appellante is daarbij dan ook geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het wel bevoegde orgaan zal niet anders dan tot een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar kunnen komen. Het College zal in die zin met toepassing van het vierde lid van artikel 8:72 van de Awb zelf in de zaak voorzien.

5.6. Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb .

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- verklaart het bezwaar niet-ontvankelijk;

- veroordeelt verweerder in de door appellante gemaakte kosten van deze procedure tot een bedrag van € 644,00

(zegge:zeshonderdvierenveertig euro); dit bedrag dient door verweerder te worden betaald aan appellante;

- gelast dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 204,20 (zegge: tweehonderdvier

euro en twintig cent) vergoedt.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr M.J. Kuiper en mr F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 juli 2002.

w.g. C.M. Wolters w.g. R.H.L. Dallinga


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature