Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:

Uitspraak



College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

Nrs. AWB 02/569 en 02/570 28 mei 2002

32030

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken van:

de Stichting Natuur en Milieu, gevestigd te Utrecht,

verzoekster,

vertegenwoordigd door de Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie, gevestigd te Rotterdam, waarvoor als gemachtigden optreden: mr drs J. Rutteman en drs H.G. Muilerman, beiden werkzaam bij de Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie,

tegen

het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), gevestigd te Wageningen, verweerder,

gemachtigde: mr M.K. Polano, werkzaam bij verweerder,

waaraan voorts als partijen deelnemen:

Dow AgroSciences B.V., gevestigd te Terneuzen en Wilrijk, België,

BASF Nederland B.V., gevestigd te Arnhem,

gemachtigde: mr A.S. Gratama, advocaat te Breda.

1. De procedure

Bij besluiten van 16 augustus 2001 heeft verweerder besloten de aanvragen van Dow Agrosciences B.V. en BASF Nederland B.V. (hierna aangeduid als: toelatinghouders) tot verlenging van hun toelatingen van de bestrijdingsmiddelen telone-cis (toelatingsnummer: 10858 N), onderscheidenlijk nematrap (toelatingsnummer: 10659 N) met als werkzame stof cis-dichloorpropeen niet in behandeling te nemen.

Bij besluiten van 15 februari 2002, gepubliceerd in de Staatscourant van 26 februari 2002, nr. 40, heeft verweerder:

- de door de toelatinghouders tegen de besluiten van 16 augustus 2001 ingediende bezwaren gegrond verklaard,

- die besluiten herroepen,

- evengenoemde verlengingsaanvragen alsnog in behandeling genomen en

- de toelatingen van telone-cis en nematrap op de voet van het bepaalde bij artikel 5, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: de Wet), juncto artikel 7, vijfde lid, van de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (hierna: de Rtb 1995) verlengd tot 1 februari 2003.

Tegen deze besluiten heeft verzoekster bij beroepschrift van 20 maart 2002, aangevuld bij brief van 2 april 2002, beroep ingesteld. Dit beroepschrift is ter behandeling gesplitst in twee beroepen, die zijn geregistreerd onder nrs. AWB 02/532 en 02/533. Voorts heeft verzoekster bij verzoekschrift van 2 april 2002, binnengekomen op 4 april 2002, aan de voorzieningenrechter van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van de hiervoor genoemde besluiten van 15 februari 2002 totdat de behandeling van de beroepen heeft plaatsgevonden.

Het verzoekschrift is ter behandeling gesplitst in twee verzoeken om voorlopige voorziening, elk betrekking hebbend op het middel van de desbetreffende, hiervoor genoemde, toelatinghouder.

Bij brieven van 15 april 2002 zijn de toelatinghouders in de gelegenheid gesteld als partijen aan het geding deel te nemen.

Verweerder heeft bij brief van 22 april 2002 schriftelijk op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd.

De voorzieningenrechter heeft de onderhavige verzoeken om voorlopige voorziening behandeld ter zitting van 14 mei 2002, alwaar partijen, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten nader uiteen hebben gezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor de rechtsoverwegingen van belang zijnde bepalingen.

De considerans van Richtlijn nr. 91/414/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, waarvan de bijlagen nadien enkele malen zijn gewijzigd (PbEG L230/1, hierna: de Richtlijn) bevat onder meer de volgende passages:

" (…)

Overwegende dat de toelatingsvoorwaarden een zodanig hoge mate van bescherming moeten garanderen dat met name wordt voorkomen dat gewasbeschermingsprodukten worden goedgekeurd waarvan de risico's voor de gezondheid, het grondwater en het milieu niet op adequate wijze zijn onderzocht; dat de bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu voorrang moet hebben op het streven naar een betere plantaardige produktie;

Overwegende dat bij de toelating van gewasbeschermingsmiddelen moet worden nagegaan of zij bij een voor het beoogde doel juiste toepassing in voldoende mate werkzaam zijn, geen onaanvaardbare uitwerking hebben op planten en plantaardige produkten, geen onaanvaardbare nadelige uitwerking hebben op het milieu in het algemeen en in het bijzonder geen schadelijke gevolgen hebben voor de gezondheid van mens en dier of voor het grondwater;

(…)

Overwegende dat de communautaire procedure een Lid-Staat niet mag beletten om op zijn grondgebied voor een beperkte periode gewasbeschermingsmiddelen toe te laten die een werkzame stof bevatten welke nog niet in de communautaire lijst is opgenomen, mits vaststaat dat de belanghebbende een dossier heeft ingediend dat met de communautaire eisen overeenstemt en de betrokken Lid-Staat van oordeel is dat verwacht mag worden dat de werkzame stof en de gewasbeschermingsmiddelen aan de desbetreffende communautaire voorschriften voldoen;

(…)"

In de Richtlijn is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

" Artikel 4

1. De Lid-Staten zien erop toe dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten indien:

(…)

b) op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van het onderzoek van het dossier overeenkomstig bijlage III, is vastgesteld dat het middel, wanneer het overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, lid 3, wordt gebruikt en rekening wordt gehouden met alle normale omstandigheden waaronder het kan worden gebruikt, en met de gevolgen van het het gebruik:

(…)

v) geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met de volgende aspecten:

- de plaats waar het middel in het milieu terechtkomt en wordt verspreid, met name voor wat betreft besmetting van het water, met inbegrip van drinkwater en grondwater,

- de gevolgen voor niet-doelsoorten;

(…)

Artikel 9

1. Toelating voor een gewasbeschermingsmiddel moet door of namens degene die er verantwoordelijk voor is dat het middel voor het eerst op het grondgebied van een Lid-staat op de markt wordt gebracht, worden aangevraagd bij de bevoegde instanties van elke Lid-Staat waar het gewasbeschermingsmiddel op de markt zal worden gebracht.

(…)

Artikel 1 3

1. Onverminderd het bepaalde in artikel 10, eisen de Lid-Staten dat de aanvrager van een toelating voor een gewasbeschermingsmiddel zijn aanvraag vergezeld laat gaan van:

a) een dossier dat in het licht van de wetenschappelijke en technische kennis aan de voorschriften van bijlage III voldoet, (…)"

De artikelen 3 en 3a van de Wet luiden als volgt:

" Artikel 3

1. Een bestrijdingsmiddel wordt slechts toegelaten indien:

a. op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek van de gegevens, bedoeld in artikel 4, tweede lid, met inachtneming van de bij of krachtens artikel 3a vastgestelde regels en beginselen voor de beoordeling, is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde

bij of krachtens deze wet wordt gebruikt:

(…)

9. geen schadelijke uitwerking heeft op het grondwater;

10. geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, waarbij in het bijzonder rekening wordt gehouden met:

- de plaats waar het bestrijdingsmiddel in het milieu terecht komt en wordt verspreid, met name voor wat betreft besmetting van het water, met inbegrip van drink- en grondwater en belasting van de bodem;

- de gevolgen voor niet-doelsoorten;

(…)

Artikel 3 a

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de toelatingscriteria als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en kunnen beginselen voor de beoordeling worden vastgesteld.

(…)"

Ter uitvoering van artikel 3a van de Wet is het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Stb 1995, nr. 37, hierna: Bmb) vastgesteld. In het Bmb - inwerking getreden op 1 februari 1995 - zoals dit laatstelijk is gewijzigd is - voorzover hier van belang - het volgende bepaald:

" § 1. Algemene bepalingen

Artikel 2

Dit besluit is van toepassing op de toelating van gewasbeschermingsmiddelen met uitzondering van:

(…)

d. op het tijdstip van inwerkingtreding van het besluit toegelaten gewasbeschermingsmiddelen die dichloorpropeen, cis-dichloorpropeen of metam-natrium bevatten en waarop het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen van toepassing is.

§ 2. Persistentie in de bodem

§ 3. Uitspoeling naar het grondwater

§ 4. Risico voor waterorganismen

§ 4a. Overige milieucriteria

Artikel 7 a

Het gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsproducten voldoen aan de criteria genoemd in deel C, punt 2.5.1.3 en, onverminderd artikel 4, aan punt 2.5.2 van richtlijn nr. 97 /57/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 september 1997 tot vaststelling van bijlage VI bij richtlijn 91/414/EEG betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PbEG L 227), zoals verwerkt in het Besluit uniforme beginselen gewasbeschermingsmiddelen."

In de Nota van toelichting bij het Bmb is met betrekking tot artikel 2, aanhef en onder d, van dit besluit het volgende opgemerkt:

" Ingevolge dit artikel zal de toelating voor bestrijdingsmiddelen die dichloorpropeen, cis-dichloorpropeen of metam-natrium bevatten niet worden ingetrokken voorzover deze middelen worden toegepast als natte grondontsmettingsmiddelen en als zodanig onderworpen zijn aan het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen (Stb. 1993, 225). Door de in dat besluit opgelegde beperking van de frequentie van grondontsmetting (eens in de vier jaar tot het jaar 2001 en vanaf dat moment eens in de vijf jaar) met deze middelen, wordt er vooralsnog van uitgegaan dat daarmee wordt voldaan aan de milieukwaliteitseisen. Dit zal echter worden geëvalueerd."

Artikel 13 van de Wet luidt als volgt:

Artikel 1 3

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften onderscheidenlijk nadere voorschriften worden gegeven betreffende het afleveren, het voorhanden of in voorraad hebben, het vervoeren na aflevering aan de kleinhandel anders dan in een vervoeronderneming, het vervoeren door de gebruiker, en het gebruiken van bestrijdingsmiddelen, alsmede omtrent het verwijderen en vernietigen van bestrijdingsmiddelen, resten van bestrijdingsmiddelen en ledige verpakkingen. Voorzover de in de vorige volzin bedoelde voorschriften het verwijderen van de daarbedoelde zelfstandig-heden betreffen kunnen zij mede betrekking hebben op de afgifte van die zelfstandigheden aan, het vervoer naar en de in ontvangstneming door personen, behorende tot een daarbij aangewezen categorie.

(…)"

Het Besluit regeluring grondontsmettingsmiddelen (Stb. 1993, nr. 25, hierna: Brg) strekt tot uitvoering van artikel 13, eerste lid, van de Wet. In het Brg zoals dit laatstelijk is gewijzigd is - voorzover hier van belang - het volgende bepaald:

" Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

grondontsmettingsmiddel: ingevolge artikel 4 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat tenminste dichloorpropeen, cis-dichloorpropeen of metam-natrium bevat;

(…)

Artikel 5

1. Indien aan het bepaalde bij of krachtens dit besluit is voldaan, verleent Onze Minister op aanvraag van de gebruiksgerechtigde ten behoeve van zijn perceel of perceelsgedeelte betreffende een grondontsmettingsmiddel een vergunning alsmede een gewaarmerkte kopie daarvan.

2. Tot 1 januari 2001 kan slechts éénmaal in een periode van vier kalenderjaren en vanaf 1 januari 2001 éénmaal in een periode van vijf kalenderjaren ten behoeve van hetzelfde perceel of perceelsgedeelte een vergunning alsmede een gewaarmerkte kopie daarvan worden verleend.

3. De periodes van vier kalenderjaren beginnen op 1 mei 1993 onderscheidenlijk 1 januari 1997 en eindigen op 31 december 1996 onderscheidenlijk 31 december 2000. De eerste periode van vijf kalenderjaren begint op 1 januari 2001. De periodes van vijf kalenderjaren beginnen en

eindigen telkens op 1 januari onderscheidenlijk 31 december.

Artikel 6

1. Onze betrokken Minister kan bij ministeriële regeling voor daarbij aan te wijzen teelten, teeltwijzen, grondsoorten, inrichting of ligging van het perceel of perceelsgedeelte afwijken van artikel 5, tweede en derde lid. Onze betrokken Minister kan daarbij nadere voorwaarden stellen voor het in aanmerking komen voor een vergunning.

(…)"

In het algemene gedeelte van de Nota van toelichting bij dit besluit is onder meer het volgende opgemerkt:

" Sinds de wijziging van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (Stb. 288) in 1975 zijn de doelstellingen van de Bestrijdingsmiddelenwet uitgebreid met het bijdragen tot een betere bewaking van het leefmilieu van mens, dier en plant tegen ongunstige invloeden. (…)

In de lijn van bovengenoemde doelstelling zijn in het Meerjarenplan Gewasbescherming (Kamerstukken II 1990/91, 21 677, No 4) onder meer maatregelen aangekondigd inzake de vermindering van de afhankelijkheid, de omvang van het gebruik en de emissie van chemische bestrijdingsmiddelen. Daarbij is aangegeven dat toepassingen van bestrijdingsmiddelen die niet voldoen aan de geoperationaliseerde milieucriteria - waaronder de in het onderhavige besluit bedoelde grondontsmettingsmiddelen - in principe verboden zullen worden.

Daarnaast is aangegeven dat door het reguleren van gebruik van bepaalde middelen de nadelen die daaraan bij ongereguleerd gebruik kleven, grotendeels kunnen worden weggenomen. Bij die regulering moet dan onder andere worden gedacht aan gebruiksregulering.

Natte grondontsmettingsmiddelen zijn middelen in vloeibare vorm die worden ingezet tegen aaltjes, schimmels en onkruid. De hoeveelheid werkzame stof die door het gebruik van natte grondontsmettingsmiddelen in de bodem terecht komt, behelst ongeveer de helft van de hoeveelheid werkzame stof die in Nederland in de landbouw wordt gebruikt.

Door een regulering van het gebruik van deze grondontsmettingsmiddelen kan de afhankelijkheid worden verminderd, zal een aanzienlijke reductie in het gebruik kunnen worden gerealiseerd en kan de milieubelasting verregaand worden teruggedrongen. Bovendien wordt hiermee een overgangsfase gecreëerd waarin alternatieve teelt- en beschermingsmethoden kunnen worden ontwikkeld.

Het onderhavige besluit strekt er dan ook toe de frequentie van het gebruik van grondontsmettingsmiddelen voor alle toepassingen te regelen. Gelet op de praktische uitvoering van een dergelijke regulering, waarbij niet alleen aan het gebruik maar ook aan het verkopen en het voorhanden of in voorraad hebben voorschriften worden verbonden, worden de gebruiksvoorschriften niet individueel, dus per toepassing, maar in het algemeen krachtens artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 vastgesteld.

(…)"

In de Uitvoeringsregeling grondontsmettingsmiddelen, een ministeriële regeling, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Brg (stcrt. 1993, nr. 81), zoals deze regeling laatstelijk is gewijzigd, is voor een aantal teelten een uitzondering gemaakt op het bepaalde in artikel 5, tweede lid, van het Brg .

De artikelen 4 en 5 van de Wet luiden als volgt:

" Artikel 4

(…)

2. Onze betrokken Minister stelt regelen omtrent het indienen van een aanvraag, de bij een aanvraag door de aanvrager over te leggen gegevens en zelfstandigheden, de aan de gegevens en zelfstandigheden ten grondslag liggende onderzoeksmethoden en omstandigheden en de wijze van behandeling daarvan. Daarbij kan onder meer worden bepaald:

a. dat een aanvraag eerst in behandeling wordt genomen nadat een daarvoor vastgesteld bedrag is voldaan;

b. in welke gevallen een aanvraag voor een toelating niet in behandeling wordt genomen.

3. Bij de regeling, bedoeld in het tweede lid, wordt bepaald in welke gevallen en onder welke voorwaarden het overleggen van gevraagde gegevens achterwege kan blijven.

(…)

Artikel 5

1. De toelating van een bestrijdingsmiddel geldt voor een in het besluit tot toelating te bepalen termijn van ten hoogste tien jaren. De toelating kan één of meerdere malen met ten hoogste tien jaren worden verlengd indien is gebleken dat nog steeds aan de voorwaarden voor toelating is voldaan. Zonodig kan de toelating worden verlengd voor de periode die met de beoordeling van de aanvraag tot verlenging gemoeid is.

(…)"

De Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (Stcrt. 1995, nr. 41, hierna: Rtb 1995) strekt tot uitvoering van onder meer artikel 4, tweede lid, van de Wet. In deze regeling, zoals deze laatstelijk is gewijzigd, is, voorzover hier van belang, het volgende bepaald:

" Artikel 7

1. Aanvragen tot toelating van een bestrijdingsmiddel, tot verlenging van de toelating van een bestrijdingsmiddel en tot wijziging van de samenstelling of uitbreiding van het gebruiksgebied van een toegelaten bestrijdingsmiddel worden ingediend bij het college onder gebruikmaking van aldaar verkrijgbare formulieren.

(…)

3. Een aanvraag tot verlenging van een toelating wordt tenminste 14 maanden voor de afloop van de toelating ingediend, met dien verstande dat, indien het een aanvraag betreft om verlenging van een toelating als bedoeld in artikel 25c, derde lid, van de wet, de aanvraag ten minste tien maanden voor de afloop van de toelating wordt ingediend.

4. Binnen twee weken na ontvangst van het aanvraagformulier wordt de ontvangst van de aanvraag onder mededeling van een aanvraagnummer aan de aanvrager schriftelijk bevestigd. Binnen acht weken na de ontvangst van zowel het aanvraagformulier als de op grond van het tweede lid verschuldigde aanvraagkosten wordt de aanvrager meegedeeld of de aanvraag in behandeling is genomen (…).

5. Het college kan indien de behandeling van een aanvraag tot verlenging van een toelating niet tijdig kan zijn afgerond de betreffende toelating verlengen voor de duur die benodigd is voor de afronding van deze behandeling.

(…)

Artikel 8

1. Een aanvraag wordt niet in behandeling genomen indien:

(…)

b. met inachtneming van de artikelen 24 en 26 het aanvraagformulier onvolledig is ingevuld, een of meer bij het formulier behorende gegevens en bescheiden dan wel vereiste zelfstandigheden niet zijn overgelegd dan wel de overgelegde gegevens, bescheiden of zelfstandigheden niet voldoen aan de eisen welke in de bij het formulier behorende instructie zijn neergelegd;

c. het aanvraagformulier anderszins niet overeenkomstig de bij het formulier behorende instructie is ingevuld;

(…)

§ 4. dossiervereisten

Artikel 1 8

1. Bij indiening van een aanvraag als bedoeld in de artikelen 7 en 16, die betrekking heeft op een gewasbeschermingsmiddel (…), worden de gegevens, bedoeld in de bijlage II en III van de richtlijn, overgelegd overeenkomstig de in het aanvraagformulier en de bijbehorende instructie neergelegde eisen,

met dien verstande dat indien aan deze bijlagen nog geen nadere invulling is gegeven, voor de onderdelen die het betreft de daarmee corresponderende gegevens uit het in het tweede lid bedoelde aanvraagformulier worden overgelegd overeenkomstig dat formulier en de bijbehorende instructie.

2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid worden met betrekking tot

gewasbeschermingsmiddelen bevattende uitsluitend werkzame stoffen die reeds voor 26 juli 1993 werden afgeleverd en die niet bij de in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van de wet bedoelde communautaire maatregel zijn aangewezen, bij de indiening van een aanvraag de gegevens overgelegd zoals aangegeven in het op deze gewasbeschermingsmiddelen van toepassing zijnde aanvraagformulier en de bijbehorende instructie.

(…)

Artikel 2 4

Een aanvrager kan het overleggen van gegevens die strekken tot beantwoording van een of meer vragen van het aanvraagformulier dan wel gegevens die strekken tot het beantwoorden van op grond van artikel 10 gestelde vragen achterwege laten voorzover:

a. het openbare gegevens betreft, of

b. de gegevens door een ander zijn overgelegd en deze schriftelijk heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen gebruikmaking van de gegevens ten behoeve van de aanvrager, of

c. de gegevens door een ander in het kader van een aanvraag tot toelating zijn overgelegd en meer dan tien jaren zijn verstreken sinds de toelating van het middel waarop de aanvraag van laatstgenoemde betrekking had, of

d. de gegevens door een ander in het kader van een aanvraag tot verlenging of wijziging van een toelating zijn overgelegd en meer dan vijf jaren zijn verstreken sinds de verlenging of wijziging van die toelating, of

e. het gegevens betreft die door een ander in het kader van een aanvraag tot toelating dan wel ten behoeve van een verlenging of wijziging van een toelating voor 5 februari 1994 zijn overgelegd."

In de toelichting bij artikel 7, vijfde lid, van de Rtb 1995 is vermeld dat indiening van een aanvraag tot verlenging van een toelating na het in het derde lid genoemde tijdvak van 14 maanden tot gevolg kan hebben dat de toelating expireert voordat de besluitvorming op de verlengingsaanvraag is afgerond. Indien in zo'n geval de besluitvorming niet tijdig kan zijn afgerond en dit niet aan nalatigheid van de aanvrager is te wijten (bijvoorbeeld omdat het college aanvullende vragen stelt) zal het college de toelating verlengen voor de duur die benodigd is voor de afronding van de besluitvorming, aldus deze toelichting.

Besluiten tot verlenging van een toelating die zijn genomen met toepassing van artikel 5, eerste lid, derde volzin van de Bmw , gelezen in samenhang met artikel 7, vijfde lid, van de Rtb 1995, zijn in het navolgende aangeduid als "procedurele verlengingen".

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- De bestrijdingsmiddelen nematrap en telone-cis, middelen op basis van de werkzame stof cis-dichloorpropeen, zijn toegelaten sinds 1990, respectievelijk 1991. Sedertdien zijn deze toelatingen een aantal malen (procedureel) verlengd, laatstelijk bij besluiten van 26 februari 1999 tot 1 januari 2002. In bijlage I bij die besluiten is onder meer het volgende overwogen:

" (…)

Omdat cis-dichloorpropeen een grondontsmettingsmiddel is, is mortaliteit onder regenwormen en remming van de nitrificatie/bodemademhaling inherent aan de werking van deze stof. Het CTB heeft daarom besloten dat het beter is om de aandacht te concentreren op het herstel van de regenwormpopulaties en nitrificatie/bodemademhaling. Omdat geen betrouwbare gegevens voorhanden zijn om dit aspect te beoordelen is de toelatinghouder gevraagd een betrouwbare veldstudie naar de effecten van cis-dichloorpropeen op regenwormen en nitrificatie uit te voeren waarbij aandacht moet worden geschonken aan de mate van herstel.

(…)"

- In november 2000 hebben de toelatinghouders aanvragen ingediend tot verlenging van de toelatingen van telone-cis en nematrap.

- Bij brieven van 15 februari 2001 heeft verweerder de toelatinghouders bericht te hebben besloten de aanvragen niet in behandeling te nemen, omdat deze op het punt van de fysisch-chemische eigenschappen en de milieugegevens onvolledig zijn. Wat laatstbedoelde gegevens betreft, heeft verweerder aangegeven dat is gehandhaafd de vraag naar een betrouwbare veldstudie naar de effecten van cis-dichloorpropeen op regenwormen en nitrificatie met speciale aandacht voor herstel.

- In april 2001 hebben de toelatinghouders aanvullende gegevens geleverd. Voorts hebben de toelatinghouders verweerder laten weten dat naar hun mening onvoldoende rekening is gehouden met de bestaande literatuur over nitrificatie en met de in mei 1999 ingediende studie over regenwormen, dat verweerder hierover voldoende gegevens heeft en dat voldoende is aangetoond dat herstel optreedt.

- Bij brief van 6 juni 2001 heeft verweerder de toelatinghouders verzocht de hiervoor bedoelde (betrouwbare) veldstudie uiterlijk op 1 augustus 2001 over te leggen.

- Bij besluiten van 16 augustus 2001 heeft verweerder besloten de aanvragen tot verlenging van telone-cis en nematrap niet in behandeling te nemen. Hierbij is, voorzover hier van belang, het volgende overwogen:

" Het College stelt vast dat niet binnen 8 weken de aanvraag in overeenstemming is gebracht met de vereisten (artikel 8, eerste lid, onderdelen b en c, van de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen ) Bovendien hebt u naar aanleiding van de brief van 6 juni 2001 waarin wordt verzocht de veldstudie te leveren naar de effecten van cis-dichloorpropeen op regenwormen en nitrificatie met speciale aandacht voor herstel te leveren voor 1 augustus 2001 gereageerd bij brief

d.d. 24 juli 2001 waarin u vermeldt dat het interim rapport m.b.t. de genoemde veldstudie vanwege vertraging bij de start pas in september gereed zal zijn. Echter u was reeds sinds 1997 op de hoogte van het ontbreken van deze studie.

Op grond hiervan besluit het College de aanvraag niet in behandeling te nemen. Hierbij wordt de aanvraag buiten behandeling gesteld.

Indien u ertoe overgaat om een nieuwe aanvraag tot toelating in te dienen dient deze te voldoen aan de eisen voor het indienen van een aanvraag zoals vermeld in hoofdstuk 3 van de algemene instructie bij het aanvraagformulier."

- Tegen deze besluiten hebben de toelatinghouders bij brieven van 19 september 2001 (Dow AgroSciences B.V.) en 24 september 2001 (BASF Nederland B.V.) een bezwaarschrift ingediend.

- De toelatinghouders en verweerder zijn op 28 november 2001 gehoord door de Adviescommissie voor de bezwaarschriften van het Ctb (hierna: de Commissie). Het verslag van die hoorzitting houdt onder meer het volgende in:

" De commissie vraagt op welke basis het Ctb naar een veldstudie gevraagd heeft.

Het Ctb antwoordt dat dit gebruikelijk is bij een nieuwe aanvraag. Het vormt een bestendige gedragslijn.

De commissie merkt op dat artikel 2 Bmb de onderhavige middelen uitsluit van de toepassing van dit besluit.

Het Ctb merkt op dat het relevante onderdeel van dit artikel bedoeld is als overgangsregeling. Dit is volgens het Ctb af te leiden uit de toelichting op dit artikel die spreekt over intrekking. Het geldt niet voor nieuwe aanvragen.

De commissie vraagt of een dergelijke handelwijze wel strookt met het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen.

Het Ctb antwoordt dat met de invoering van artikel 7a Bmb in 2000 de middelen ook aan de zogenaamde tweede fase criteria getoetst moeten worden. Het Ctb stelt dat ook zonder artikel 7a Bmb op grond van artikel 3 Bmw een veldstudie gevraagd kan worden.

De commissie vraagt of het Bmb niet als speciale regeling derogeert aan het Bmw.

Het Ctb stelt op basis van artikel 3 Bmw en de toelichting op artikel 2, aanhef en onder d Bmb wel ruimte voor toetsing te hebben gezien."

- Vervolgens heeft de Commissie verweerder op 17 december 2001 als volgt geadviseerd:

" (…)

Op grond van de toelichting op artikel 2, aanhef en onder d Bmb blijkt dat ingevolge de door het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen opgelegde beperking van de frequentie van grondontsmetting (vanaf 2001 eens in de vijf jaar) met aan het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen onderworpen middelen die worden toegepast als natte grondontsmettingsmiddelen, er vooralsnog van wordt uitgegaan dat daarmee wordt voldaan aan de milieukwaliteitseisen. Deze veronderstelling zal nog worden geëvalueerd.

Voorzover de commissie heeft kunnen nagaan is er nog geen aanvang met deze evaluatie gemaakt.

Het Bmb is op 1 februari 1995 in werking getreden. De commissie heeft vastgesteld dat zowel het middel Telone Cis als het middel Nematrap op deze datum waren toegelaten. Het besluit is derhalve niet van toepassing op deze middelen.

De besluiten van het Ctb d.d. 16 augustus 2001 betreffen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot verlenging van de toelatingen. Op grond van de toelichting op artikel 5 Bmw zal een aanvraag tot verlenging (sedert de wetswijziging in 1994) beschouwd dienen te worden als een aanvraag tot nieuwe toelating. Bestaande toelatingen zullen derhalve niet meer worden verlengd in die zin dat het nog steeds dezelfde toelating betreft waarvan de geldigheidsduur wordt gewijzigd. Er zal dus een volledige beoordeling aan de hand van de criteria plaatsvinden. Deze wijziging in behandeling van een aanvraag tot verlenging van een toelating van een middel doet er echter naar de mening van de commissie niet aan af dat er op 1 februari 1995 sprake is van een reeds toegelaten middel. De status van het middel wijzigt niet.

Het Ctb geeft in zijn verweerschrift aan dat er met inachtneming van hetgeen is voorgeschreven in het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen aan het Bmb getoetst wordt omdat er geen ander toetsingskader beschikbaar is. Hiermee miskent het Ctb volgens de commissie dat de middelen genoemd in artikel 2, aanhef en onder d Bmb van de werking van het Bmb zijn uitgezonderd op grond van de veronderstelling dat er met de op basis van het Besluit regulering grondontsmettingsmiddelen toegelaten toepassingsfrequentie voldaan wordt aan de milieukwaliteitseisen.

De commissie concludeert dat artikel 2, aanhef en onder d Bmb derhalve geen ruimte laat voor het toetsen van onderhavige middelen aan het Bmb.

De opvatting van het Ctb dat, gelet op de invoeging van artikel 7a Bmb , de tweede fase criteria de vraag om een veldstudie rechtvaardigen volgt de commissie niet. Met de invoering van de zogenoemde tweede fase criteria is artikel 2, aanhef en onder d Bmb niet gewijzigd. De toevoeging van artikel 7a Bmb doet derhalve niet af aan het hiervorenoverwogene.

De commissie stelt op grond van de brief van het Ctb d.d. 6 juni 2001 vast dat de aanvragen tot verlenging van de toelatingen van de middelen Telone Cis en Nematrap uitsluitend vanwege het ontbreken van de veldstudie naar de effecten van cis-dichloorpropeen op regenwormen en nitrificatie met speciale aandacht voor herstel, niet in behandeling zijn genomen.

Op grond van het bovenstaande behoeven de overige bezwaren geen bespreking meer en adviseert de commissie het Ctb de aanvragen tot verlenging van de toelatingen van de middelen Telone Cis en Nematrap in behandeling te nemen.

Samenvatting advies

De commissie adviseert om

. de bestreden besluiten van 16 augustus 2001 te herroepen;

. de aanvragen tot verlenging van de toelatingen in behandeling te nemen."

- Vervolgens heeft verweerder, in navolging van dit advies, de in rubriek 1 geduide besluiten genomen ten aanzien waarvan thans het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan.

3. Het standpunt van verzoekster

Verzoekster heeft, samengevat weergegeven en voorzover hier van belang, aangevoerd dat artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb niet de grondslag kan vormen voor een (verlenging van de) toelating van bestrijdingsmiddelen op basis van cis-dichloorpropeen. Hiertoe heeft verzoekster de navolgende argumenten naar voren gebracht.

Uit de uitspraak van het College van 28 januari 1998, nr. 95/0995/060/029, gepubliceerd in AB 1998/111 en in M en R 1998, nr. 4 (inzake chloorthalonil-houdende middelen), volgt onder meer dat aanvragen tot (verlenging van een) toelating moeten worden beoordeeld aan de hand van artikel 3 van de Wet, in samenhang gelezen met de artikelen 5 tot en met 7a van het Bmb en dat (verlenging van de) toelating slechts kan plaatsvinden, indien op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis is vastgesteld dat het middel geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft. Verweerders interpretatie van artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb , dat toetsing van grondontsmettingsmiddelen aan de

criteria van het Bmb niet nodig is, is dan ook in strijd met de artikelen 3 en 3a van de Wet, omdat die interpretatie tot gevolg heeft dat bestrijdingsmiddelen kunnen worden toegelaten zonder dat een behoorlijke toetsing heeft plaatsgevonden.

De grondslag van de toelating die artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb biedt, wordt niet gevormd door feiten en inzichten, maar door de aanname dat, gelet op de beperking van de gebruiksfrequentie tot eens in de vijf jaar, aan de milieucriteria wordt voldaan. Stukken waaruit blijkt dat deze aanname juist is, ontbreken echter, terwijl er bovendien geen wetenschappelijke consensus is over de periode waarbinnen volledig herstel van de bodem optreedt. Er zal wel enig herstel plaatsvinden, doch ook na vijf jaar zal het ecosysteem niet volledig zijn hersteld. Daarnaast volgt uit de uitspraak van de president van het College van 11 mei 1999, nr. AWB 99/412, gepubliceerd in AB 1999/331 en in M en R 1999, nr. 7/8 (inzake dichloorvos-houdende middelen), waarbij een (overgangs)bepaling die toelating mogelijk maakt zonder volledige toetsing aan het Bmb onverbindend werd geacht, dat een toelating steeds op feiten dient te worden gebaseerd en niet op veronderstellingen. Aldus is artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb een onjuiste uitwerking van artikel 3 van de Wet.

Blijkens de toelichting moet artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb worden beschouwd als een overgangsbepaling, die inmiddels zijn werking heeft verloren. Daarnaast kan uit deze toelichting worden afgeleid dat het steeds de bedoeling is geweest binnen redelijke termijn een evaluatie te laten uitvoeren. Deze evaluatie heeft nog nooit plaatsgevonden en zal ook niet op korte termijn worden uitgevoerd, met als gevolg dat grondontsmettingsmiddelen nooit aan de milieucriteria zullen worden getoetst. De in de toelichting op artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb bedoelde evaluatie zou dan ook behoren plaats te vinden in het kader van de beoordeling van nieuwe besluiten over toelating. In feite is dit in het onderhavige geval in eerste instantie ook gebeurd, met als resultaat dat niet kon worden vastgesteld dat werd voldaan aan de criteria van het Bmb. De veronderstelling dat aan die criteria wordt voldaan bleek derhalve onjuist te zijn, zodat de grondslag voor toelating op grond van artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb is komen te vervallen.

4. Het standpunt van verweerder

In reactie op de stellingen van verzoekster heeft verweerder, samengevat weergegeven, het volgende naar voren gebracht.

Ingevolge artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb is het Bmb niet van toepassing op de onderhavige grondontsmettingsmiddelen, zodat de daarop betrekking hebbende verlengingsaanvragen niet kunnen worden beoordeeld aan de hand van de in dat besluit opgenomen criteria. De toelichting op evengenoemde bepaling dient aldus te worden verstaan, dat de besluitgever grondontsmettingsmiddelen, waarvoor een regeling is getroffen in het Brg, van het Bmb heeft uitgezonderd, omdat hij, gelet op de beperking van de gebruiksfrequentie tot eens in de vijf jaar, ervan uitgaat dat aan de criteria van het Bmb wordt voldaan. Zolang de door de besluitgever aangekondigde evaluatie nog niet is uitgevoerd, is het Ctb, als uitvoeringsorgaan, gebonden aan dat uitgangspunt en daarmee tevens aan de systematiek van artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb .

De in de toelichting aangekondigde evaluatie heeft nog niet plaatsgevonden omdat in het verleden in het kader van aanvragen tot (verlenging van de) toelating van grondonsmettingsmiddelen feitelijk aan de milieucriteria werd getoetst. Hiermee werd evenwel miskend, zoals de Adviescommissie voor de bezwaarschriften terecht heeft gesteld, dat de in artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb bedoelde middelen, die reeds v óór de inwerkingtreding van het Bmb waren toegelaten, zijn uitgesloten van de werking van het Bmb. Dit betekent dat in het kader van een aanvraag tot verlenging van de toelating van een zodanig middel niet aan de milieucriteria mag worden getoetst. Aldus staat het wettelijk systeem eraan in de weg dat in een concreet geval wordt getoetst of de in het Brg opgenomen frequentie voor het gebruik van grondontsmettingsmiddelen voldoende is voor herstel van de bodem. Indien verzoekster dit aan de orde wil stellen, zal zij dat moeten doen via andere kanalen - bijvoorbeeld via het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij - en niet in het kader van de onderhavige procedure.

In het onderhavige geval betreft de resterende vraag naar een veldstudie slechts een aspect dat nodig is voor de beoordeling in het kader van artikel 7a van het Bmb . Deze vraag kan echter niet worden gesteld, nu de besluitgever uitdrukkelijk heeft gestipuleerd dat aan de criteria van het Bmb niet wordt getoetst, omdat door de algemene gebruiksvoorschriften ex artikel 13, eerste lid, van de Wet, juncto het Brg, inhoudende een beperking van de gebruiksfrequentie van grondontsmettingsmiddelen, naar verwachting aan die criteria zal worden voldaan.

Niet is gebleken dat artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb , waarbij uitdrukkelijk het bereik van dit besluit is geregeld, een overgangsbepaling betreft. Dit geval ligt dan ook anders dan dat van de uitspraak van de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 11 mei 1999, waarin het juist wel om een overgangsbepaling ging. Bovendien was in dat geval sprake van bestrijdingsmiddelen waarvan was gebleken dat niet werd voldaan aan de bij en krachtens de artikelen 3 en 3a van de Wet gestelde criteria, terwijl artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb ziet op een aparte categorie bestrijdingsmiddelen, waarvan wordt aangenomen dat vanwege het beperkte gebruik aan de milieucriteria wordt voldaan.

5. Het standpunt van de toelatinghouders

De toelatinghouders hebben, samengevat weergegeven, betoogd:

- primair, dat artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb in dit geval wel degelijk van toepassing is, dat die bepaling uitsluitend dan niet meer van toepassing is indien de besluitgever hiertoe heeft besloten na de in de toelichting op die bepaling bedoelde evaluatie te hebben uitgevoerd, dat artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb derhalve op dit moment de omvang van de dossiervereisten voor de onderhavige middelen bepaalt en dat in dit geval aan de betreffende vereisten is voldaan en

- subsidiair, dat indien deze bepaling niet van toepassing is dan wel onverbindend, de procedurele verlengingen niettemin in stand kunnen blijven en hooguit van een nieuwe motivering moeten worden voorzien.

Ter onderbouwing van hun primaire betoog hebben de toelatinghouders de navolgende argumenten naar voren gebracht.

Uit de toelichting op artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb blijkt de ratio achter deze uitzonderingsbepaling: gelet op de beperking van de toepassingsfrequentie van de onderhavige middelen tot - vóór 1 januari 2001 - eens in de vier jaar en de regulering van het gebruik overeenkomstig het Brg, is de conclusie gerechtvaardigd dat deze middelen aan de milieucriteria voldoen. Binnen die periode zal immers, zo heeft de besluitgever aangenomen, volledig herstel van het milieu optreden. Weliswaar ontbreekt in de toelichting de wetenschappelijke onderbouwing van die aanname, doch zowel uit "expert judgements" als uit de literatuur blijkt dat dit een logische aanname is. Om die reden is in de bezwaarprocedure ook de noodzaak van de gevraagde veldstudie betwist.

Vergelijking met de door verzoekster genoemde uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 28 januari 1998, waarbij een overgangsbepaling van het Bmb onverbindend werd geacht, omdat artikel 3a van de Wet daarvoor geen grondslag bood, gaat hier niet op. Immers, anders dan die overgangsbepaling, geeft artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb een nadere invulling aan de open norm van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder 10, van de Wet, waarvoor ingevolge artikel 3a van de Wet nadere regels mogen worden gesteld. Die nadere regels houden in dit geval in dat voor de categorie van natte grondontsmettingsmiddelen, die met een voorgeschreven, beperkte frequentie en op basis van een vergunningenstelsel worden toegepast, op basis van expert judgements is vastgesteld dat op voorhand kan worden aangenomen dat aan de milieucriteria wordt voldaan. Van belang hierbij is dat deskundigen het erover eens zijn dat herstel van de bodem optreedt binnen een relatief korte periode na toepassing van grondontsmettings-middelen, welke periode in ieder geval veel korter is dan de periode van vier/vijf jaar die ingevolge het Brg tussen twee toepassingen van die middelen moet liggen. Artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb , in combinatie met de algemene voorschriften van het Brg, strekt derhalve ter uitvoering van artikel 3a van de Wet. Overigens is het systeem, dat geen sprake is van onaanvaardbare schade aan het milieu, indien kan worden aangetoond dat herstel optreedt binnen een bepaalde periode, ook terug te vinden in de bepaling van het Bmb met betrekking tot persistentie.

Evenmin gaat hier de vergelijking op met de uitspraak van de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 11 mei 1999. Immers, anders dan het in dat geval aan de orde zijnde artikel 8 van het Bmb , bepaalt artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb niet dat natte grondontsmettingsmiddelen niet aan de milieucriteria behoeven te voldoen. Het systeem dat in die bepaling ligt besloten, houdt slechts in dat op grond van de aanname, dat vanwege de beperkte toepassingsfrequentie van natte grondontsmettings-middelen aan de milieucriteria wordt voldaan, geen individuele toets aan het Bmb behoeft plaats te vinden. Daar waar op basis van artikel 8 van het Bmb een groep bestrijdings-middelen werd "gered", die anders de toets aan het Bmb niet zou hebben doorstaan, geldt voor de categorie natte grondontsmettingsmiddelen nu juist dat op basis van een sluitend systeem van regels wordt gegarandeerd dat het milieu niet op onaanvaardbare wijze wordt belast. Deze middelen nemen in die zin een uitzonderingspositie in, dat toetsing daarvan aan de reguliere Bmb-criteria zinloos is. Het is logisch dat deze uitzonderingspositie is vertaald in een aparte regeling.

Uit de tekst van artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb valt niet af te leiden dat dit een overgangsbepaling betreft. Op basis van de toelichting zou hooguit kunnen worden geconcludeerd dat het hier gaat om een vooralsnog tijdelijke maatregel, totdat na de in de toelichting bedoelde evaluatie eventueel zal zijn besloten op die maatregel terug te komen.

Ter onderbouwing van hun subsidiaire betoog hebben de toelatinghouders de navolgende argumenten naar voren gebracht.

In de besluiten op bezwaar is verweerder niet meer ingegaan op de bezwaren tegen de besluiten van 16 augustus 2001 tot het buiten behandeling stellen van de verlengingsaanvragen.

Als bezwaar is onder meer aangevoerd dat de reden voor het buiten behandeling stellen van de verlengingsaanvragen - het ontbreken van een veldstudie - niet valide is. In dit verband is naar voren gebracht dat op basis van expert judgements, literatuuronderzoek en interimresultaten van veldonderzoek in voldoende mate is aangetoond dat de aanname, dat binnen vier jaar na toepassing van de onderhavige middelen herstel optreedt van regenwormpopulaties en nitrificatie, correct is. Bovendien heeft dr J.W. Vonk, werkzaam bij EEP Consultancy en specialist op het gebied van bodemleven, uitvoerig toegelicht dat en om welke reden de toelatinghouders gelijk hebben waar zij stellen dat de gevraagde veldstudie overbodig is. Van dit alles is niets terug te vinden in de besluiten op bezwaar.

Als bezwaar is voorts aangevoerd dat verweerder nooit is ingegaan op de voorstellen van de toelatinghouders om over de veldstudie in overleg te treden en met de beoordeling een aanvang te maken in afwachting van consensus daarover. In dit verband is naar voren gebracht dat de vraag naar de veldstudie geen standaardvraag betreft in de zin van de Handleiding toelating bestrijdingsmiddelen. Ook hierop is in de besluiten op bezwaar niet ingegaan.

Ten slotte is in deze besluiten niet ingegaan op de interimresultaten van de uiteindelijk toch nog uitgevoerde veldstudies. Die interimresultaten bevestigen de aanname dat herstel van de bodem optreedt ruim binnen de periode tussen twee opvolgende toepassingen.

Ook indien artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb onverbindend wordt geacht, zal verweerder evengenoemde bezwaren alsnog moeten beoordelen. Het is aan verweerder om zich over deze bezwaren uit te laten en niet aan de rechter, aangezien hierbij verweerders beleidsvrijheid, die besloten ligt in de open norm van artikel 3 van de Wet, in het geding is. Beoordeling van de bezwaren van de toelatinghouders had verweerder tot het oordeel moeten brengen dat de verlengingsaanvragen in behandeling konden worden genomen en dat het niet afronden van de besluitvorming ten tijde van de expiratiedatum niet aan de toelatinghouders te wijten was.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien, voorzover hier van belang, bij het College beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

6.2 Bij de primaire besluiten van 16 augustus 2001 heeft verweerder besloten de door de toelatinghouders ingediende aanvragen tot verlenging van de toelatingen van telone-cis en nematrap buiten behandeling te laten, omdat, kort gezegd, de toelatinghouders de al eerder gevraagde veldstudie naar de effecten van cis-dichloorpropeen op regenwormen en nitrificatie met speciale aandacht voor herstel niet hadden geleverd. Bij de besluiten op bezwaar van 15 februari 2002 heeft verweerder besloten de verlengingsaanvragen alsnog in behandeling te nemen en de toelatingen van evengenoemde middelen procedureel te verlengen tot 1 februari 2003.

Deze laatste besluiten zijn gestoeld op verweerders oordeel dat in dit geval beoordeling van de verlengingsaanvragen aan de hand van de (milieu)criteria van het Bmb achterwege dient te blijven, omdat de onderhavige grondontsmettingsmiddelen op grond van artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb zijn uitgesloten van de werking van het Bmb, aangezien blijkens de toelichting moet worden aangenomen dat, gezien de in het Brg neergelegde beperking van de gebruiksfrequentie tot eens in de vijf jaar, wordt voldaan aan de milieucriteria. Op basis hiervan heeft verweerder bij de beslissingen op de bezwaar-schriften alsnog geconcludeerd dat de veldstudie niet kon worden gevraagd.

Volgens de toelatinghouders ligt in artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb , welke bepaling een nadere invulling geeft aan de "open norm" van artikel 3, eerste lid, aanhef en onder 10, van de Wet, het systeem besloten dat, op grond van de door "experts judgements" bevestigde aanname dat vanwege de in het Brg opgenomen beperking van de gebruiks-frequentie van natte grondontsmettingsmiddelen tot eens in de vier/vijf jaar aan de milieucriteria wordt voldaan, geen individuele toets aan het Bmb behoeft plaats te vinden. Aldus bepaalt artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb volgens de toelatinghouders de omvang van de dossiervereisten voor de onderhavige middelen, waaraan in dit geval is voldaan.

Verzoeksters stellen hier tegenover, kort gezegd, dat het systeem, dat besloten ligt in artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb , zich niet verdraagt met de artikelen 3 en 3a van de Wet. Voorzover die bepaling van het Bmb niettemin verbindend wordt geacht, stellen verzoeksters zich op het standpunt dat de toelatingen feitelijk berusten op een niet met stukken onderbouwde aanname, waarover geen wetenschappelijke consensus bestaat.

Hieromtrent overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

6.2.1 In de considerans van de Richtlijn is tot uitdrukking gebracht dat, uit oogpunt van bescherming van de gezondheid van mens en dier en van het milieu, voor iedere toelating van een gewasbeschermingsmiddel de risico's daarvan voor de gezondheid, het grondwater en het milieu op adequate wijze moeten worden onderzocht. Aan de hand van een door de toelatinghouder ingediend dossier, dat met de daaraan gestelde communautaire eisen overeenstemt, zal dan ook moeten worden nagegaan, zo blijkt voorts uit de considerans, of het betrokken middel bij een voor het beoogde doel juiste toepassing geen onaanvaardbaar nadelige uitwerking heeft op het milieu in het algemeen en in het bijzonder geen schadelijke gevolgen heeft voor de gezondheid van mens of dier of voor het grondwater.

De desbetreffende overwegingen van de considerans hebben hun neerslag gevonden in onder meer de artikelen 4 en 13 van de Richtlijn. In artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, sub v, van de Richtlijn is bepaald dat de lidstaten erop moeten toezien dat een gewasbeschermingsmiddel slechts wordt toegelaten indien op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek aan de hand van het dossier overeenkomstig bijlage III is vastgesteld dat het middel, wanneer het overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, derde lid, van de Richtlijn wordt gebruikt en rekening wordt gehouden met alle omstandigheden waaronder het kan worden gebruikt, en met de gevolgen van het gebruik, geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft. Wat betreft de ten behoeve van dat onderzoek te verstrekken gegevens, schrijft artikel 13, eerste lid, aanhef en onder a, van de Richtlijn voor dat de lidstaten van de aanvrager van een toelating eisen dat een dossier wordt geleverd dat voldoet aan de voorschriften van bijlage III.

Hieruit valt, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, af te leiden dat in de systematiek van de Richtlijn voor ieder gewasbeschermingsmiddel waarvoor toelating wordt gevraagd een dossier dient te worden geleverd dat voldoet aan de voorschriften van bijlage III bij de Richtlijn en aan de hand waarvan na onderzoek moet kunnen worden vastgesteld dat het middel in kwestie geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft. Uitzonderingen hierop, in die zin dat in gevallen als het onderhavige het onderzoek naar onaanvaardbare milieueffecten uiteindelijk geheel achterwege kan blijven en dat in verband daarmee de voor dat onderzoek benodigde gegevens niet behoeven te worden geleverd, heeft de voorzieningenrechter in de Richtlijn en overige communautaire regelgeving niet kunnen vinden.

6.2.2 Voorshands moet worden aangenomen dat het "toelatingssysteem" van de Richtlijn, voorzover hier relevant, is geïmplementeerd in de Wet juncto het Bmb en de Rtb 1995. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, sub 10, van de Wet is immers bepaald dat een bestrijdingsmiddel slechts wordt toegelaten, indien op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek van de gegevens, bedoeld in artikel 4, tweede lid, met inachtneming van de bij of krachtens artikel 3a vastgestelde regels en beginselen voor de beoordeling, is vastgesteld dat het bestrijdings-middel en zijn omzettingsproducten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt gebruikt, geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft. Het ingevolge artikel 3a van de Wet vastgestelde Bmb bevat regels /criteria voor de in artikel 3 van de Wet voorgeschreven beoordeling. In de krachtens artikel 4, tweede lid, van de Wet vastgestelde Rtb 1995 is onder meer geregeld welke gegevens de aanvrager van een (verlenging van een) toelating moet verstrekken.

6.2.3 Op zichzelf staat het hiervoor geschetste toelatingssysteem, zoals dat in het licht van de Richtlijn moet worden begrepen, er, naar voorlopig oordeel, niet aan in de weg dat een bepaalde categorie bestrijdingsmiddelen, waarop het Brg van toepassing is, ingevolge het bepaalde in artikel 2, aanhef en onder d, van het, van de werking van het Bmb is uitgesloten. Deze uitsluiting heeft immers op zichzelf niet tot gevolg dat het in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, sub 10, van de Wet neergelegde toelatingscriterium niet meer, dan wel niet ten volle op de betreffende bestrijdingsmiddelen van toepassing is. Voorshands vermag de voorzieningenrechter dan ook niet in te zien dat artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb niet een nadere regel, als bedoeld in artikel 3a van de Wet, zou kunnen zijn. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter verschilt die Bmb-bepaling in zoverre van de Bmb-(overgangs)bepalingen die door het College, respectievelijk de president van het College onverbindend c.q. onmiskenbaar onverbindend werden geoordeeld bij de door partijen genoemde uitspraken van 28 januari 1998, respectievelijk 11 mei 1999.

6.2.4 Het in punt 6.2.3 overwogene laat evenwel onverlet dat ook indien het gaat om de (verlenging van de, en dus nieuwe) toelating van bestrijdingsmiddelen, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb , aan de hand van onderzoek van individuele, op de afzonderlijke middelen toegesneden - al dan niet met toepassing van artikel 24 van de Rtb 1995 gevulde - dossiers moet kunnen worden vastgesteld dat het middel in kwestie geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft.

6.2.5 De voorzieningenrechter stelt vast dat die milieutoets in het onderhavige geval, waarin het gaat om verlenging van de toelating van (grondontsmettings)middelen, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb , niet heeft plaatsgevonden. Aan verweerders besluiten is immers slechts ten grondslag gelegd de aanname, die besloten ligt in de toelichting op artikel 2, aanhef en onder d, van het Bmb , dat, gelet op de in het Brg geregelde beperking van de gebruiksfrequentie van de onderhavige grondontsmettings-middelen, aan de milieucriteria wordt voldaan. Geplaatst tegen de achtergrond van het hiervoor overwogene moet derhalve evenwel voorshands worden geoordeeld dat toetsing aan - verder niet gespecificeerde - milieucriteria bij wege van een aanname, zoals die hier is geformuleerd en gepresenteerd, zich niet verdraagt met het toelatingssysteem, zoals dat door de Richtlijn wordt voorgeschreven en door middel van de bepalingen in de Wet is geïmplementeerd. Nu voorts noch op grond van tekst van en toelichting bij het Bmb en het Brg noch anderszins is kunnen blijken dat deze aanname voldoende omlijnd en hetzij evident juist is, hetzij op basis van gegevens, als bedoeld in artikel 24 van de Rtb 1995, als juist kan worden beschouwd, verbindt de voorzieningenrechter aan één en ander de, voorlopige, conclusie dat de bestreden besluiten zijn genomen in strijd met artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, sub 10, in samenhang gelezen met artikel 5 van de Wet.

De voorzieningenrechter merkt in dit verband nog op dat hij, voorshands, geen aanleiding ziet de door de toelatinghouders ingeroepen, niet nader gespecificeerde - en door verzoek-sters bij gebrek aan wetenschap als onvoldoende overtuigend bestempelde - "expert judgements" als gegevens als hiervoor bedoeld te laten gelden. Zulks te minder nu verweerder - daargelaten de hier niet aan de orde zijnde vraag of dit juist was - aanvankelijk aanleiding heeft gezien om aan de betrokken toelatinghouders te vragen om gegevens gebaseerd op een veldstudie te leveren.

6.3. Gelet op het vorenoverwogene moet waarschijnlijk worden geacht dat de bestreden besluiten door het College, oordelend in beroep, niet in stand zullen worden gelaten. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, in die zin dat de in rubriek 1 geduide besluiten van 15 februari 2002 worden geschorst, onder de in rubriek 7 gegeven bepalingen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de producenten en hun afnemers een korte periode te laten om in te kunnen spelen op de gevolgen van het hier voor toewijzing gereed liggende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van de Awb ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;

- schorst de besluiten van het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen van 15 februari 2002;

- bepaalt dat de middelen telone-cis (toelatingsnummer: 10858 N) en nematrap (toelatingsnummer: 10659 N) worden behandeld als waren de toelatingen daarvan niet verlengd;

- bepaalt dat de schorsing en de getroffen voorlopige voorziening gelden met ingang van 4 juni 2002;

- bepaalt dat de schorsing en de voorlopige voorziening vervallen op de datum waarop het College van Beroep voor het bedrijfsleven einduitspraak in de bodemprocedure zal doen, of zoveel eerder als het geschil tot een einde zal zijn gekomen;

- gelast dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht ad € 218,--zegge: tweehonderdachttien euro) vergoedt;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Aldus gewezen door mr R.R. Winter in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens,

als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 mei 2002.

w.g. R.R. Winter w.g. W.F. Claessens


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature