Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaats:

Uitspraak



WS

Gerechtshof Arnhem

eerste meervoudige belastingkamer

nummer 98/4231

U i t s p r a a k

op het beroep van de provincie overijssel te Zwolle (hierna te noemen: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Hoofd stafafdeling financiën van de gemeente Dalfsen (hierna: de Ambtenaar) op het bezwaarschrift van belanghebbende tegen de na te melden beschikking.

1. Beschikking en bezwaar

1.1. Bij beschikking met objectnummer 1, die met een andere is verenigd op één geschrift gedagtekend 28 februari 1997 en genummerd 2, is de waarde van de onroerende zaak plaatselijk bekend a-weg 1 te P (hierna: het object) voor het tijdvak dat bestaat uit de jaren 1997 tot en met 2000 op de voet van artikel 22, eerste lid, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: woz) vastgesteld op ¦ 516 000 naar de waardepeildatum 1 januari 1992.

1.2. Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Ambtenaar bij uitspraak van 28 oktober 1998 de beschikking gehandhaafd.

2. Geding voor het hof

2.1. Het beroepschrift is ter griffie ontvangen op 4 december 1998.

2.2. Tot de stukken van het geding behoren het vertoogschrift en de daarin genoemde bijlagen.

2.3. Bij de mondelinge behandeling te Arnhem op 24 augustus 2000 door de achtste enkelvoudige belastingkamer zijn gehoord [twee] ambtenaren van belanghebbende als haar gemachtigden, alsmede de Ambtenaar.

2.4. Na verwijzing van de zaak door de genoemde enkelvoudige kamer naar de meervoudige kamer zijn op 7 december 2000 gehoord de genoemde gemachtigden en de Ambtenaar.

2.5. De notities van de pleidooien die de gemachtigden van belanghebbende in beide zittingen en de Ambtenaar in de laatstgenoemde zitting hebben gehouden, worden als hier herhaald en ingelast beschouwd.

3. De vaststaande feiten

3.1. Het object is een verkooppunt van motorbrandstoffen, staande en gelegen op een belanghebbende in eigendom toebehorend perceel kadastraal bekend gemeente Dalfsen, sectie A, nummer 1, groot 9 720 m², aan de provinciale weg tussen Q en R.

3.2. Blijkens het taxatieverslag is van het object een oppervlakte van 66 m² voor de kiosk en 742 m² voor de luifel/tanks/ondergrond in de waardering begrepen.

3.3. Voor het mogen hebben en exploiteren van het verkooppunt hebben gedeputeerde staten van Overijssel ontheffing verleend op grond van de Provinciale wegenverordening Overijssel 1978 aan B (hierna: de exploitant).

3.4. Privaatrechtelijk is tussen belanghebbende en de exploitant over het gebruik van het object niets geregeld.

4. Het geschil en de standpunten van partijen

4.1. Partijen houdt verdeeld, of belanghebbende terecht is aangemerkt als genothebbende van het object krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

4.2. Elk van de partijen heeft voor haar standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van haar afkomstige stukken.

4.3. Daaraan is mondeling, behalve de inhoud van de voormelde pleitnotities, toegevoegd - zakelijk weergegeven -

4.3.1. namens belanghebbende:

4.3.1.1. Haar daartoe bevoegde orgaan kan ontheffingen voor verkooppunten van motorbrandstoffen langs provinciale wegen in behoorlijk bestuur enkel weigeren met het oog op de belangen die de Provinciale wegenverordening Overijssel 1978 en de Wegenwet beogen te beschermen. Zo zullen er geen twee benzinestations op enkele honderden meters afstand aan dezelfde weg mogen liggen.

4.3.1.2. Zij heft daadwerkelijk precariobelasting van de exploitant.

4.3.1.3. Op haar voormelde wegperceel is juridisch geen recht van opstal gevestigd.

4.3.1.4. De verhoudingen tussen het bestuursrecht en het privaatrecht (de zogenoemde tweewegenleer) dwingen haar in situaties als de onderhavige tot het kiezen voor de bestuursrechtelijke weg. Het staat haar dan niet meer vrij een en ander privaatrechtelijk te regelen. Als zij op bestuursrechtelijke gronden een ontheffing niet kan weigeren moet dat worden aangemerkt als een onvrijwillige ontneming van de mogelijkheid haar eigendomsrecht uit te oefenen.

4.3.2. en namens de Ambtenaar:

4.3.2.1. Vanaf de provinciale weg leidt een uitvoegstrook naar het naast de weg gelegen object.

4.3.2.2. Er bestaat geen wettelijke regeling die het belanghebbende mogelijk maakt om onder (het genot krachtens de) eigendom uit te komen.

4.3.3. en namens belanghebbende en de Ambtenaar tezamen:

4.3.3.1. Tussen hen is de vastgestelde waarde niet in geschil.

4.4. Belanghebbende verzoekt in beroep om vernietiging van de aangevallen uitspraak en van de beschikking.

4.5. De Ambtenaar concludeert tot bevestiging van zijn uitspraak.

5. Beoordeling van het geschil

5.1. Volgens artikel 24, derde lid, van de woz, voor zover hier van belang, geschiedt bekendmaking van de beschikking door toezending aan (onderdeel a:) degene die aan het begin van het tijdvak het genot heeft van de onroerende zaak krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

5.2. Belanghebbende voert aan, formeel-juridisch eigenares van de grond te zijn. Ter zitting heeft zij bevestigd dat haar onderhavige geregistreerde eigendom bij het begin van het jaar 1997 niet bezwaard was met een daarop gevestigd recht van opstal of enig ander beperkt recht.

5.3. Het standpunt van belanghebbende berust kennelijk op de opvatting dat de exploitant met de hem verleende ontheffing voor gebruik en exploitatie genothebbende van het object krachtens bezit is geworden in de zin van artikel 24, derde lid, voormeld en dat belanghebbende niet langer kan worden aangemerkt als genothebbende. Die opvatting is onjuist. Overeenkomstig hetgeen daarover is geoordeeld in het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2000, nr. 34 633, BNB 2000/273*, is met ‘bezit’ in die wetsbepaling het bezit in de zin van het burgerlijk recht bedoeld. Bij de verlening van de voormelde ontheffing ontstaat naar burgerlijk recht een rechtsverhouding krachtens welke de exploitant het object - in zijn geheel, nu geen recht van opstal is gevestigd - houdt voor de eigenaar en niet voor zichzelf, zodat hij niet kan worden aangemerkt als bezitter in de zin van artikel 3:107, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek . Met het verlenen van die ontheffing heeft belanghebbende als eigenares een beperking van haar gebruiksrecht aanvaard, die er niet toe leidt dat zij niet langer zou kunnen worden aangemerkt als genothebbende krachtens eigendom (vgl. HR 29 november 1989, nr. 26 308, BNB 1990/43*).

5.4. Aan het vorenstaande oordeel doet niet af dat belanghebbende zich aan de aanvaarding van die beperking op grond van de beginselen van behoorlijk bestuur, zoals zij nog aanvoert, niet zou hebben kunnen onttrekken. Dat het object, zoals belanghebbende onweersproken aanvoert, deel uitmaakt van een wegperceel brengt op zichzelf niet mee dat publiekrechtelijke beperkingen op haar genot krachtens eigendom op één lijn zouden staan met een wederrechtelijke (en anders dan voorbijgaande) ontneming van de mogelijkheid tot uitoefening van haar eigendomsrecht, als bedoeld in de arresten van de Hoge Raad van 10 maart 1982, nr. 20 860, BNB 1982/115*, en van 4 juni 1986, nr. 23 764, BNB 1986/240.

5.5. Dat oordeel wordt evenmin anders doordat de baten niet haar maar de exploitant toevallen. De positie van belanghebbende verschilt in zoverre immers niet van die van bijvoorbeeld de eigenaar van een verhuurde of verpachte zaak, aan wiens (zakelijke) genotsrecht de wettelijk beschermde positie van de huurder en de pachter geen afbreuk doet.

5.6. De verwijzing naar de Telecommunicatiewet - waarvan belanghebbende kennelijk hoofdstuk 5 op het oog heeft - mist betekenis. De onder 3.3 bedoelde ontheffing steunt niet op die wet. Het genoemde hoofdstuk ervan regelt bovendien niet de zakenrechtelijke verhouding tussen de houder van een concessie als daar bedoeld en degene op wie dat hoofdstuk een gedoogplicht legt. Nu tussen partijen vaststaat dat belanghebbende met de exploitant privaatrechtelijk niets heeft geregeld over het gebruik van het object, ligt hierin - bij gebreke van andersluidende aanwijzingen - tevens besloten dat belanghebbende zich ook geen beperkt recht of beding als bedoeld in artikel 5, derde lid, onderdeel b, van de Belemmeringenwet Privaatrecht heeft voorbehouden.

5.6. Voor zover belanghebbende met hetgeen zij onder 5 van haar pleitnotities nog aanvoert, bedoelt te betogen dat de waarde van ondergrond buiten aanmerking moet worden gelaten op grond van artikel 2, eerste lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten woz, faalt dit betoog. De onder 4. 3.2.1 weergegeven stelling van de Ambtenaar is door belanghebbende niet weersproken. Daaruit volgt dat het object, hoezeer ook dienstbaar aan weggebruikers die er zich voorzien van motorbrandstof en andere benodigdheden, zelf geen deel heeft aan de verkeersfunctie van de provinciale weg waaraan het ligt, en dat het object zelf geen openbare landweg of daartoe behorend ‘kunstwerk’ vormt, welk laatstgenoemde begrip is ontleend aan - en geacht moet worden dezelfde betekenis te hebben als in - artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het tot 1 januari 1995 gegolden hebbende Besluit gemeentelijke onroerende-zaakbelastingen.

6. Slotsom

Het beroep is ongegrond.

7. Proceskosten

Voor een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 5a van de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken vindt het Hof geen termen aanwezig.

8. Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de Ambtenaar.

Aldus gedaan te Arnhem op 19 januari 2001 door mr Lamens, voorzitter, mr Heisterkamp en mr Kooijmans, in tegenwoordigheid van mr Snoijink, gerechtsauditeur, en mr Van Hoorn als griffier.

(E.M. van Hoorn) (J. Lamens)

De beslissing is in het openbaar uitgesproken en afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 19 januari 2001

Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het college van burgemeester en wethouders binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Het instellen van beroep in cassatie geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij dit gerechtshof (zie voor het adres de begeleidende brief).

2. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van de bestreden uitspraak overgelegd.

3. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

De partij die beroep in cassatie instelt, is een griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature