Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:

Uitspraak



ARRONDISSEMENTSRECHTBANK TE ROTTERDAM

President

Reg.nr.: VWET 00/1516-SIMO

Uitspraak

naar aanleiding van het verzoek om voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met de procedure tussen

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

gemachtigde P. Hoogenboom, adviseur te Schipluiden,

en

de minister van Verkeer en Waterstaat, verweerder,

gemachtigde mr. F. Blok, werkzaam bij het ministerie van Verkeer en Waterstaat,

met als derde partij:

N.V. Waterbedrijf Europoort, gevestigd te Rotterdam (hierna: het Waterbedrijf),

gemachtigde mr. H.D.M. Mulder, advocaat te Rotterdam.

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 27 maart 2000 heeft verweerder - voorzover hier van belang - aan verzoeker op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht (hierna: de Bp) de plicht opgelegd tot het gedogen van de aanleg en instandhouding van een drinkwatertransportleiding met bijbehorende werken, en daarbij op grond van artikel 4, zesde lid, van de Bp bepaald dat met de uitvoering van de gedoogplichtbeschikking niet kan worden gewacht.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft de gemachtigde van verzoeker bij brief van 3 mei 2000, aangevuld bij brief van 17 mei 2000, bezwaar gemaakt.

Namens verzoeker is op 15 mei 2000 bij het Gerechtshof te 's-Gravenhage op grond van artikel 4, eerste lid, derde volzin, van de Bp een verzoek tot vernietiging van de gedoogplichtbeschikking ingediend.

Bij brief van 19 juli 2000 heeft de gemachtigde van verzoeker de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Daartoe door de president in de gelegenheid gesteld heeft het Waterbedrijf als partij aan het geding deelgenomen.

De president heeft bepaald dat de zaak ter behandeling wordt gevoegd met de zaken met de reg.nrs. VWET 00/1643-SIMO en WET 00/1644-SIMO.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2000. Aanwezig waren verzoeker en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het Waterbedrijf heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, met bijstand van mr. R. Lucas, werkzaam bij het Waterbedrijf, en ING. H.M. van den Houten, werkzaam bij Tebodin Consultants & Engineers.

Na de sluiting van het onderzoek heeft de president de behandeling van de gevoegde zaken gedeeltelijk gesplitst.

2. Overwegingen

Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of eventueel in de hoofdzaak.

Verzoeker kan zich op de in bezwaar en in het kader van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening aangevoerde gronden met beide onderdelen van het bestreden besluit niet verenigen.

Verweerder heeft zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt gehandhaafd.

Het Waterbedrijf heeft het standpunt van verweerder onderschreven.

De president stelt allereerst vast dat bij Koninklijk Besluit van 16 december 1992 het openbaar belang is erkend van de werken ten behoeve van de drinkwaterverzorging binnen het verzorgingsbied van -thans - het Waterbedrijf, alsmede dat zulks door verzoeker niet wordt betwist.

Gegeven het stelsel van de Bp acht de president het aangewezen in het kader van een verzoek om voorlopige voorziening met betrekking tot een gedoogplichtbeschikking ten aanzien waarvan toepassing is gegeven aan de bevoegdheid van artikel 4, zesde lid, van de Bp , allereerst te beoordelen of verweerder rechtmatig van die bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.

Artikel 4, zesde lid, van de Bp bepaalt, in afwijking van het algemene - in de Awb neergelegde - stelsel van bestuurs(proces)recht, dat de werking van een op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Bp gegeven gedoogplichtbeschikking (en van een beslissing als bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Bp) wordt opgeschort totdat de termijn voor het indienen van een verzoek tot vernietiging bij het gerechtshof is verstreken of, indien een verzoek is ingediend, op het verzoekschrift is beslist. Tegelijkertijd geeft artikel 4, zesde lid, van de Bp verweerder de bevoegdheid een uitzondering te maken op de in die bepaling neergelegde hoofdregel "in de gevallen, dat naar het oordeel van Onzen Minister van Waterstaat met de uitvoering niet kan worden gewacht". Met betrekking tot de uitoefening van die bevoegdheid beschikt verweerder derhalve over (een zekere) beoordelingsvrijheid en beleidsvrijheid, hetgeen overigens niet wegneemt dat van die bevoegdheid - die immers een uitzondering op de hoofdregel inhoudt - terughoudend gebruik dient te worden gemaakt.

Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder uiteengezet dat verweerder in gevallen als het onderhavige beziet of het algemeen belang de onmiddellijke uitvoering van de in de gedoogplichtbeschikking aangewezen werken vordert en zo ja, of dit belang dient te prevaleren boven de belangen van degene aan wie de gedoogplicht is opgelegd. Verweerder kent geen betekenis toe aan de private (in het bijzonder: de financiële) belangen van degene ten behoeve van wie de gedoogplicht is opgelegd, zoals in het onderhavige geval het Waterbedrijf. De president acht deze benadering juist.

In het bestreden besluit heeft verweerder in dit verband overwogen dat het Waterbedrijf een beleid voert waarin het prioriteit geeft aan de leveringszekerheid van de drinkwatervoorziening binnen het gehele verzorgingsgebied. Dit beleid is mede gebaseerd op de daarop betrekking hebbende richtlijn van de Vereniging voor Waterleidingbedrijven in Nederland, die anticipeert op de binnen afzienbare tijd in werking tredende - nieuwe - Waterleidingwet waarin de normstelling voor leveringszekerheid zal worden verankerd. De richtlijn stelt als minimum dat bij storing of uitval van enig onderdeel van het drinkwatersysteem ten minste 75% van de reguliere waterlevering gecontinueerd dient te kunnen worden. Op dit moment bestaat het transportsysteeem naar de stad Delft uit één reguliere watertoevoerleiding. Indien zich daarin een calamiteit voordoet, dient de drinkwaterlevering plaats te vinden via een noodvoorziening, die echter van onvoldoende capaciteit is om aan de in de richtlijn gestelde norm te voldoen. Het huidige systeem biedt aldus onvoldoende leveringszekerheid en voldoet niet aan de richtlijn. Mede gelet op de stand van het project als geheel en op de inmiddels verstreken tijd, is spoedige realisering van - het resterende gedeelte van - de tweede watertoevoerleiding naar Delft gewenst.

Naar het oordeel van de president heeft verweerder op deze grond in redelijkheid kunnen oordelen dat met de uitvoering van de werken niet kan worden gewacht. Hetgeen verzoeker heeft aangevoerd met betrekking tot de zijns inziens toereikende capaciteit van het huidige systeem, kan daaraan niet afdoen.

Tegenover de met onmiddellijke tenuitvoerlegging van de gedoogplichtbeschikking gemoeide belangen staan de door verzoeker naar voren gebrachte belangen. Verzoeker heeft dit verband in het bijzonder aangevoerd dat zijn financiële belangen worden geschaad, doordat - zakelijk weergegeven - door de in de gedoogplichtbeschikking voorziene wijze van uitvoering van de werken de mogelijke bouwgrond-exploitatieve ontwikkeling van zijn gronden wordt geblokkeerd en voorts de mogelijke realisering van toekomstige andere bestemmingen dan de huidige aanmerkelijk wordt bemoeilijkt of zelfs onmogelijk wordt gemaakt.

De president stelt, met verweerder, vast dat de - mogelijke - financiële gevolgen voor verzoeker als gevolg van de aanleg en de instandhouding van de werken zowel wat reeds geleden als nog te lijden schade betreft ten volle kunnen worden geredresseerd in het kader van de in artikel 14 van de Bp voorziene bijzondere schadevergoedingsprocedure bij de kantonrechter. Verweerder heeft daarom in redelijkheid aan de financiële belangen van verzoeker een geringer gewicht kunnen toekennen dan aan de met onmiddellijke uitvoering van de werken gemoeide belangen. Voor deze benadering kan overigens steun worden gevonden in artikel 14, derde lid, van de Bp .

Uit het voorgaande vloeit voort dat dit onderdeel van het bestreden besluit in bezwaar naar verwachting in stand zal (kunnen) blijven.

Ten aanzien van de opgelegde gedoogplicht overweegt de president als volgt.

Voorop staat - mede gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 januari 2000 (AB 2000, nr. 81) - dat de mogelijkheid van het indienen van een verzoek tot vernietiging bij het gerechtshof op grond van artikel 4, eerste lid, derde volzin, van de Bp met zich brengt dat in beroep bij de bestuursrechter - en daarmee ook in bezwaar bij verweerder - niet mag worden getreden binnen het uitdrukkelijk aan het gerechtshof voorbehouden toetsingskader, inhoudende dat bij de gedoogplichtbeschikking "ten onrechte is geoordeeld hetzij dat de belangen van de rechthebbenden ten aanzien van dat goed redelijkerwijze onteigening niet vorderen hetzij dat in het gebruik van dat goed niet meer belemmering wordt gebracht dan redelijkerwijze voor den aanleg, de instandhouding, de verandering of de overbrenging van het werk noodig is". Het voorgaande geldt, met analoge toepassing van het in artikel 8:81, eerste lid, van de Awb neergelegde zogenoemde connexiteitsbeginsel, evenzeer voor de voorlopige beoordeling van de rechtmatigheid van een besluit tot oplegging van een gedoogplicht in het kader van een verzoek om voorlopige voorziening. Al hetgeen verzoeker heeft aangevoerd ten betoge dat de werken niet op de minst belemmerende wijze worden uitgevoerd, moet hier derhalve buiten bespreking blijven.

Aldus staan thans slechts de volgende bezwaren van verzoeker ter beoordeling:

- er is onvoldoende inspanning verricht om met verzoeker tot een minnelijke regeling te komen;

- uit het opleggen van de gedoogplicht vloeit voor verzoeker ook schade voort die niet op grond van de in de Bp voorziene schadevergoedingsprocedure voor vergoeding ten laste van degene ten behoeve van wie de gedoogplicht is opgelegd in aanmerking kan komen; daarbij heeft verzoeker in het bijzonder het oog op de schade die voortvloeit uit de feitelijke onverkoopbaarheid van de gronden thans als gevolg van de opgelegde gedoogplicht; om die reden had verweerder bij het bestreden besluit in zoverre moeten voorzien in nadeelcompensatie, hetgeen ten onrechte achterwege is gebleven;

- verweerder heeft ten onrechte nagelaten milieuvoorschriften aan de gedoogplichtbeschikking te verbinden en te bepalen dat de aan te leggen leiding niet voor andere doeleinden dan drinkwatertransport mag worden gebruikt.

Uit artikel 2, eerste lid, aanhef, van de Bp volgt dat de procedure tot oplegging van een gedoogplicht slechts in gang mag worden gezet indien met de rechthebbende geen overeenstemming wordt verkregen. In lijn daarmee mag van degene ten behoeve van wie de gedoogplicht eventueel wordt opgelegd, worden gevergd dat serieus wordt getracht tot een minnelijke regeling te komen alvorens de procedure van de Bp in gang te zetten. Niet is gebleken dat aan dit vereiste in het onderhavige geval niet is voldaan. Daarbij kent de president mede betekenis toe aan het feit dat verzoeker - in het aanvullend bezwaarschrift van 17 mei 2000 - zelf heeft aangegeven dat op 23 september 1999 overleg van enige betekenis is gepleegd, waarbij alle bezwaren van de rechthebbenden de revue hebben gepasseerd. Dat dit overleg niet heeft geleid tot de door verzoeker gewenste uitkomst, maakt dit uiteraard niet anders.

Hiervoor heeft de president reeds vastgesteld dat de - mogelijke - financiële gevolgen voor verzoeker als gevolg van de aanleg en de instandhouding van de werken zowel wat reeds geleden als nog te lijden schade betreft ten volle kunnen worden geredresseerd in het kader van de in de Bp voorziene schadevergoedingsprocedure. Daaronder is begrepen - en zowel verweerder als de derde-partij heeft zulks ter zitting ook uitdrukkelijk bevestigd - alle huidige en toekomstige schade die voortvloeit uit - kort gezegd - verminderde exploitatieve bruikbaarheid van de gronden als gevolg van de aanleg en de instandhouding van de werken. Daaronder valt ook de door verzoeker gestelde schade in verband met feitelijke onverkoopbaarheid van de gronden thans. Van enige door middel van nadeelcompensatie ten laste van verweerder te brengen schade als gevolg van de aanleg en de instandhouding van de werken kan dan ook geen sprake zijn, zodat verweerder hieraan in het bestreden besluit ook geen aandacht hoefde te besteden.

De president acht de stelling dat verweerder ten onrechte nagelaten zou hebben milieuvoorschriften aan de gedoogplichtbeschikking te verbinden onvoldoende onderbouwd. Een bepaling dat de aan te leggen leiding niet voor andere doeleinden dan drinkwatertransport mag worden gebruikt is voorts niet nodig, omdat zulks reeds voortvloeit uit de gedoogplichtbeschikking als zodanig. Voor het op grond van artikel 2, vijfde lid, van de Bp stellen van voorschriften bij de gedoogplichtbeschikking bestaat dan ook geen aanleiding.

Nu uit het voorgaande volgt dat ook dit onderdeel van het bestreden besluit in bezwaar naar verwachting in stand zal (kunnen) blijven, is er geen aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de president ten slotte geen aanleiding.

Gelet op het voorgaande wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De president,

recht doende:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. Th.G.M. Simons als president.

De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. L. Hegie als griffier, uitgesproken in het openbaar op 29 augustus 2000.

De griffier: De president:

Afschrift verzonden op:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature