Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

» Vergelijk internet, digitale tv en bellen «
Prijs vergelijk ADSL, kabel, glasvezel aanbieders en bespaar geld door over te stappen!
Opties voor deze uitspraak

Datum uitspraak: 11-02-1999
Datum publicatie: 02-08-2001
Rechtsgebied: Ambtenarenrecht
Soort procedure: Hoger beroep
Zaaknummers: 98/3853 en 98/8213 AW
Vindplaats: 
TAR ; 1999, 55
JB ; 1999, 89
 

Uitspraak







98/3853 AW en 98/8213 AW

U I T S P R A A K

in het geding tussen:

de Korpsbeheerder van de politieregio Friesland, appellant,

en

A, wonende te B, gedaagde.


I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING

Appellant heeft hoger beroep doen instellen tegen de door de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden op 22 april 1998 ondernr. 96/702 AW gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift (met bijlagen) ingediend.

Namens appellant is de Raad afschrift gezonden van een door appellant naar aanleiding van genoemde uitspraak genomen nieuw besluit van 10 november 1998.

Het geding is behandeld ter zitting van 3 december 1998.
Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr H.P. Kallenbach, werkzaam bij het Centraal Adviesbureau voor Publiekrecht en Administratie te Zwolle. Deze heeft afschrift overgelegd van appellants brief van 19 november 1998 aan gedaagde.
Gedaagde is zoals tevoren aangekondigd niet verschenen.


II. MOTIVERING

Voor een uitgebreidere weergave van de voor dit geding van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1. Het besluit van 18 april 1996

Bij besluit van 18 mei 1995 is gedaagde aangesteld in de functie van groepschef parketpolitie en is zijn functie op schaal 7 gewaardeerd. Dit besluit heeft appellant na bezwaar bij het door gedaagde bestreden besluit van 18 april 1996 (hierna: bestreden besluit I)gehandhaafd.

De rechtbank heeft gedaagdes beroep tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd, met een bepaling omtrent griffierecht.

Naar aanleiding van het hoger beroep overweegt de Raad als volgt.

Ingevolge artikel 10, eerste lid, van de Regeling bezwarenprocedure functiewaardering politie van 5 augustus 1994 (hierna: Regeling) kan de politieambtenaar, die zich niet met de vastgestelde waardering van de voor hem geldende functie kan verenigen, daartegen bij het bevoegd gezag bezwaar maken. De Minister van Binnenlandse Zaken (hierna: minister) heeft deze bepaling vastgesteld, omdat hij de mogelijkheid van bezwaar gewenst achtte en ervan uitging dat ingevolge 's Raads rechtspraak tegen functiewaarderingsbesluiten geen beroep op grond van artikel 8:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en derhalve evenmin bezwaar op grond van artikel 7:1 van de Awb openstond.
Voorts is ingevolge artikel 10, tweede lid, van de Regeling het bevoegd gezag verplicht de bij artikel 11 ingestelde landelijke commissie van advies functiewaardering politie (hierna: Bezwarenadviescommissie) over het bezwaar advies te vragen. De ministerheeft daarvoor gekozen vanwege het belang van landelijke eenheid bij het beoordelen van waarderingsbesluiten terzake van politiefuncties.

Bij besluit van 24 november 1994 hebben de korpsbeheerders van de politieregio's Friesland, Groningen en Drenthe gezamenlijk een Interregionale Adviescommissie voor de Bezwaarschriften (IBAC) ingesteld en deze belast met het uitbrengen van advies over bij een van de drie korpsbeheerders gemaakte bezwaren. Zij hebben beoogd daarmee te bewerkstelligen dat inzake alle aangelegenheden van personele aard in hun regio's een uniforme bezwaarschriftprocedure zou gelden.

In strijd met de in artikel 10, tweede lid, van de Regeling vervatte verplichting heeft appellant over gedaagdes bezwaar niet het advies van de Bezwarenadviescommissie ingewonnen, maar dat van de IBAC. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de minister deze verplichting aan de korpsbeheerdersmocht opleggen.

De rechtbank heeft die vraag bevestigend beantwoord. Zij heeft geoordeeld, dat appellant het bezwaar overeenkomstig de Regeling had moeten afhandelen en niet de bezwarenprocedure zoals geregeld in de Awb had mogen volgen, nu de Regeling op grond van de Politiewet 1993 (Pw) aan de Awb derogeert.

Appellant is van mening dat het opleggen van meergenoemde verplichting een afwijking van Awb vormt, nu de Awb het aan het op bezwaar beslissende bestuursorgaan zelf overlaat al dan niet een adviescommissie in te stellen. Appellant meent dat de Awb noch de Pw een basis biedt voor zodanige afwijking.

De Raad is van oordeel dat de minister bevoegd was de korpsbeheerders te verplichten de Bezwarenadviescommissie om advies te vragen en dat de minister daarbij niet van de Awb is afgeweken. De Raad overweegt als volgt.

Volgens het systeem van de Awb is afdeling 7.2 van de Awb niet alleen van toepassing op bezwaren gemaakt op grond van artikel 7:1, eerste lid, aanhef, van de Awb , maar ook op bezwaren gemaakt op grond van een ander in artikel 1:5, eerste lid, van de Awb , bedoeld wettelijk voorschrift. Derhalve is ook artikel 7:13 van toepassing op de behandeling van bezwaren op grond van artikel 10, eerste lid, van de op de Pw berustende Regeling. De betekenis van artikel 7: 13 van de Awb is evenwel slechts, dat ingeval een adviescommissie is ingesteld die aan de in het eerste lid opgenomen voorwaarden voldoet, een aantal bijzondere procedurebepalingen van toepassing is.
De Awb regelt niet welk orgaan bevoegd is de in artikel 7:13 bedoelde adviescommissie in te stellen. De Awb verzet zich er niet tegen, dat een ander orgaan dan het in bezwaar beslissende bestuursorgaan een adviescommissie instelt en dit bestuursorgaan verplicht die commissie over het bezwaar advies te vragen. Derhalve is artikel 10, tweede lid, van de Regeling niet met de Awb in strijd en vormen deze bepaling en de daarop volgende bepalingen van de Regeling geen afwijking van maar een aanvulling op de bezwaarprocedure zoals deze in afdeling 7.2 van de Awb is geregeld.

Het voorgaande neemt niet weg, dat de minister de korpsbeheerders slechts mag verplichten de Bezwarenadviescommissie om advies te vragen, indien de minister daartoe bij of krachtens formele wet bevoegd is. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat die bevoegdheid krachtens de Pw bij het Besluit bezoldiging politie (BBP) aan de minister is verleend.
Ingevolge artikel 50, eerste lid, van de Pw in verbinding met artikel 125, eerste lid, van de Ambtenarenwet worden over onder meer bezoldiging van politieambtenaren bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gegeven. Dezekunnen naar het oordeel van de Raad mede betrekking hebben op de (vaststelling en heroverweging van de) waardering van de zwaarte van de functies, omdat de bezoldiging vooral daardoor wordt bepaald.
Het BBP geeft uitvoering aan artikel 50, eerste lid, van de Pw. Artikel 7 van het BBP geeft de ambtenaar die zich niet met de waardering van de voor hem geldende functie kan verenigen, het recht om het bevoegd gezag om heroverweging te verzoeken en verplicht de minister regels inzake de behandeling van die verzoeken te stellen. Uit de nota van toelichting op artikel 7 van het BBP blijkt duidelijker dan uit de tekst van het artikel dat daarbij niet alleen op de bedenkingenprocedure terzake van een voorgenomen waardering wordt gedoeld, maar ook op de bezwarenprocedure terzake van een vastgestelde waardering.
Gelet op het voorgaande was en is de minister krachtens de Pw bevoegd om (onder meer) het tweede lid van artikel 10 van de Regeling vast te stellen.

De Raad wijst er, naar aanleiding van hetgeen apppellantvoorts heeft betoogd, op dat dit ook het geval zou zijn indien de minister in de later ingetreden ontwikkeling in 's Raads rechtspraak als gevolg waarvan tegen een vastgestelde functiewaardering wel bezwaar op grond van artikel 7:1, eerste lid, van de Awb zou openstaan indien artikel 10, eerste lid, van de Regeling daar niet reeds in zou voorzien aanleiding zou hebben gevonden het eerste lid van artikel 10 wegens zijn inmiddels gebleken overbodigheid in te trekken. Immers ook geheel los van dit artikellidwas de minister bevoegd om met het oog op de door hem wenselijk geachte landelijke uniformiteit de in artikel 10, tweede lid, van de Regeling opgenomen verplichting op te leggen.

De Raad komt tot de slotsom dat, nu appellant deze verplichting niet heeft nageleefd, de rechtbank terecht geconcludeerd heeft dat bestreden besluit I rechtens niet houdbaar is. De aangevallen uitspraak moet derhalve worden bevestigd.

2. Het besluit van 10 november 1998

Namens appellant is de Raad op 13 november 1998 ter voldoening aan artikel 6:18, vierde lid, van de Awb , afschrift van een nieuw besluit op bezwaar gezonden dat appellant, na alsnog advies van de Bezwarenadviescommissie te hebben ingewonnen, op 10 november 1998 ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft genomen (bestreden besluit II). Daarbij is het besluit van 18 mei 1995 wederom gehandhaafd. Vervolgens heeft appellant de in bestreden besluit II opgenomen onjuiste vermelding van de mogelijkheid van bezwaar, bij de in rubriek I bedoelde brief van 19 november 1998 vervangen door de juiste mededeling dat beroep bij de rechtbank openstaat.

De Raad overweegt dat, nu bestreden besluit II niet geheel aan gedaagdes primaire beroep tegen bestreden besluit I voldoet, gedaagde ingevolge artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb wordt geacht bij de Raad beroep tegen bestreden besluit II te hebben ingesteld.
Aangezien gedaagde zich bij de rechtbank niet heeft kunnen uitlaten over een beslissing op bezwaar die is gebaseerd op het adviesvan de Bezwarenadviescommissie, zal de Raad gedaagdes beroep niet zelf afdoen, maar overeenkomstig artikel 6:19, tweede lid, van de Awb , de beslissing op dat beroep naar de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden verwijzen.

De Raad ziet aanleiding om appellant te veroordelen tot vergoeding van kosten wegens aan gedaagde in hoger beroep verleende rechtsbijstand, zijnde een bedrag van f. 710,-.

Beslist wordt daarom als volgt.


III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep,

Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Verwijst de beslissing op het beroep dat gedaagde wordt geacht te hebben ingesteld tegen het besluit van 10 november 1998 naar de Arrondissementsrechtbank te Leeuwarden;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep tot een bedrag van f. 710,-, te betalen door de politieregio Friesland;
Bepaalt dat van de politieregio Friesland een griffierecht wordt geheven van f. 675,-.

Aldus gegeven door mr H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr G.P.A.M. Garvelink-Jonkers en mr J.H. van Kreveld als leden,
in tegenwoordigheid van P.H. Schippers als griffier
en uitgesproken in het openbaar op 11 februari 1999.





(get.) H.A.A.G. Vermeulen.


(get.) P.H. Schippers.


HD 29.01 Q

98/3853 AW en 98/8213 AW

Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven     |     zoeken     |     uitgebreid zoeken

Vacatures