Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 20 april 2015 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Uitspraak



201603294/1/V1.

Datum uitspraak: 15 maart 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op de hoger beroepen van:

1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

2. [de vreemdeling],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 april 2016 in zaak nr. 15/18371 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2015 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij besluit van 18 september 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 april 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het betrekking heeft op het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod, en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J. van Koesveld, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. De hogerberoepschriften zijn aangehecht.

De vreemdeling heeft een nadere uiteenzetting ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

In het hoger beroep van de vreemdeling

1. De vreemdeling klaagt in zijn grieven onder meer dat de rechtbank ten onrechte geen overwegingen heeft gewijd aan de beroepsgrond dat de staatssecretaris hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord alvorens op het door hem tegen het besluit van 20 april 2015 gemaakte bezwaar te beslissen.

1.1. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

De vreemdeling heeft in bezwaar onder meer gesteld dat terugkeer naar Marokko leidt tot een situatie die in strijd moet worden geacht met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM). Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij sedert 1991 in Nederland verblijft, opleidingen heeft gevolgd en heeft gewerkt en volledig is ingeburgerd, zodat hij moet worden aangemerkt als "settled migrant", van wie het verblijf op grond van de toepasselijke jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) slechts in uitzonderlijke gevallen kan worden beëindigd.

De rechtbank heeft niet onderkend dat gelet op het gewicht van de door de vreemdeling voorgedragen belangen niet op voorhand kon worden uitgesloten dat het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tot een andersluidend besluit zou kunnen leiden. De grieven slagen reeds hierom.

2. Het hoger beroep van de vreemdeling is kennelijk gegrond.

In het hoger beroep van de staatssecretaris

3. Het inreisverbod is tegen de vreemdeling uitgevaardigd voor de duur van 10 jaar. Aan het inreisverbod zijn de in artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedoelde rechtsgevolgen verbonden.

4. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 2 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1550, volgt uit het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377, dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

5. In zijn grieven klaagt de staatssecretaris onder meer dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, nu zich in beroep belangrijke wijzigingen in het leven van de vreemdeling hebben voorgedaan die direct van invloed kunnen zijn op de vraag of de vreemdeling kan worden aangemerkt als een bedreiging als bedoeld onder 4, het besluit van 18 september 2015 ondeugdelijk is gemotiveerd voor zover dat betrekking heeft op het inreisverbod. De staatssecretaris voert aan dat, ook indien hij rekening zou hebben gehouden met deze wijzigingen, hij tot het oordeel zou zijn gekomen dat sprake is van die bedreiging.

5.1. De staatssecretaris heeft aan het besluit van 18 september 2015, door daarin het besluit van 20 april 2015 over te nemen, voor zover hier van belang ten grondslag gelegd dat de vreemdeling in 1991 op zeventienjarige leeftijd Nederland is binnengekomen en sindsdien voor misdrijven, waaronder geweldsmisdrijven, 21 maal onherroepelijk is veroordeeld tot in totaal 48 maanden gevangenisstraf. De staatssecretaris noemt met name een op 2 juni 2002 door de vreemdeling tezamen met anderen gepleegde woningoverval, waarvoor hem een gevangenisstraf van 36 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, is opgelegd, waarbij de strafrechter in het bijzonder heeft laten meewegen dat de beroving gepaard is gegaan met excessieve geweldshandelingen en ernstige bedreigingen.

5.2. De vreemdeling heeft gesteld dat hij snel na zijn komst in Nederland door zijn vader het huis is uitgezet en door verslaving aan softdrugs en foute vrienden op het verkeerde pad is geraakt. Culturele aspecten bemoeilijkten het zoeken van hulp. Voorts heeft hij betoogd dat de staatssecretaris ten onrechte geen rekening heeft gehouden met een drastische wijziging in zijn persoonlijke situatie, te weten inbedding in zijn familie en psychisch-medische ondersteuning. Hierdoor is een keerpunt bereikt. Van een antisociale persoonlijkheidsstoornis, zoals eerder gediagnosticeerd, blijkt geen sprake. Wel is een chronische posttraumatische stressstoornis vastgesteld, waarvoor hij nu met succes wordt behandeld. Ook is hij niet meer verslaafd. Van een actuele en ernstige bedreiging van de openbare orde is daardoor geen sprake meer, aldus de vreemdeling.

5.3. Gelet op de ernst en de voortduring van de door de vreemdeling gepleegde delicten, heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt. Voorts heeft de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat, gelet op het betrekkelijk geringe tijdsverloop sedert het meest recente, in 2013 door de vreemdeling gepleegde delict, de in 5.2 bedoelde wijziging in de persoonlijke situatie van de vreemdeling niet afdoet aan de actualiteit van die bedreiging. De staatssecretaris heeft zich reeds hierom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de vreemdeling een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt, die een fundamenteel belang van de samenleving aantast.

5.4. De grieven slagen reeds hierom.

6. Het hoger beroep van de staatssecretaris is kennelijk gegrond.

7. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 18 september 2015 voor zover het betrekking heeft op het tegen de vreemdeling uitgevaardigde inreisverbod, vernietigen wegens strijd met de artikelen 7:2, eerste lid, en 7:3, aanhef en onder b, van de Awb .

8. De Afdeling ziet aanleiding te bezien of uit een oogpunt van finale geschilbeslechting reden bestaat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 18 september 2015, voor zover vernietigd, in stand blijven. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt.

9. Uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:3186, volgt dat de beroepsgronden tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd moeten worden beoordeeld alsof zij deel uitmaken van het beroep tegen het inreisverbod.

10. De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM ten onrechte in zijn nadeel heeft laten uitvallen. Hij heeft erop gewezen dat hij als gevolg van zijn zeer langdurige verblijf in Nederland en het feit dat nagenoeg alle directe familieleden in Nederland wonen, zeer sterke banden met Nederland heeft. Hij is volledig ingeburgerd en heeft jarenlang, van 1993 tot 2009, gewerkt. Met zijn familieleden, met name zijn moeder, heeft hij een meer dan normale emotionele binding. Zij zijn betrokken bij zijn behandeling en hij is voor zijn welzijn in hoge mate van hen afhankelijk. Van een sociale binding met Marokko is geen sprake; hij is er mishandeld, in de steek gelaten en is noodgedwongen gaan zwerven. Sinds zijn komst naar Nederland heeft hij Marokko eenmaal bezocht voor een vakantie. Met zijn daar wonende broer en zusters heeft hij geen contact, aldus de vreemdeling.

10.1. Zoals het EHRM heeft overwogen in onder meer het arrest Boultif tegen Zwitserland van 2 augustus 2001, ECLI:CE:ECHR:2001:0802JUD005427300, dient bij de beoordeling van de vraag of artikel 8 van het EVRM in een bepaald geval een inmenging in het priv éleven en familie- of gezinsleven rechtvaardigt, een "fair balance" te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van de desbetreffende vreemdeling en anderzijds het algemeen belang van de betrokken lidstaat. Daartoe heeft het EHRM in dat arrest een aantal criteria gedefinieerd. In aanvulling daarop heeft het EHRM in zijn arrest Üner tegen Nederland van 18 oktober 2006, ECLI:CE:ECHR:2006:1018JUD004641099, nog twee criteria genoemd.

10.2. De staatssecretaris heeft zich aan de hand van deze criteria op het standpunt gesteld dat in de voorliggende zaak voornoemde "fair balance" is getroffen.

10.3. De staatssecretaris heeft voornoemde belangenafweging niet ten onrechte in het nadeel van de vreemdeling laten uitvallen. Hij heeft daarbij niet ten onrechte meegewogen dat de vreemdeling geen partner of kinderen heeft, niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten tijde van het besluit van 18 september 2015 meer dan de normale emotionele banden met zijn familieleden bestonden, geboren en getogen is in Marokko en dat land pas op zeventienjarige leeftijd heeft verlaten, niet aannemelijk heeft gemaakt dat terugkeer naar Marokko daadwerkelijk op onoverkomelijke problemen zal stuiten, niet is gebleken dat zijn moeder, broers en zussen niet in staat kunnen worden geacht hem naar Marokko te volgen of hem daar te bezoeken en dat zijn verblijf in Nederland wordt gekenmerkt door crimineel gedrag.

De verwijzing naar het arrest van het EHRM, Udeh tegen Zwitserland, van 16 april 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0416JUD001202009, treft geen doel, nu de vreemdeling, anders dan in de zaak die ten grondslag ligt aan dat arrest, is veroordeeld voor een reeks van ernstige strafbare feiten en het EHRM in dat arrest nadrukkelijk wijst op het grote belang van kinderen om in de nabijheid van hun beide ouders te kunnen opgroeien, welk belang in de voorliggende zaak niet aan de orde is.

10.4. In deze beroepsgrond is derhalve geen grond gelegen voor het oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit van 18 september 2015, voor zover vernietigd, niet in stand kunnen worden gelaten.

11. Over de overige beroepsgronden heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop zij betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden kunnen daarom evenmin leiden tot het oordeel dat de rechtsgevolgen van het besluit van 18 september 2015, voor zover vernietigd, niet in stand kunnen worden gelaten.

12. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling aanleiding met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 18 september 2015, voor zover vernietigd, in stand blijven.

13. De staatssecretaris moet op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart de hoger beroepen gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 8 april 2016 in zaak nr. 15/18371;

III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 18 september 2015, V-nummer […], voor zover het betrekking heeft op het inreisverbod;

V. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 18 september 2015, voor zover vernietigd, geheel in stand blijven;

VI. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.485,00 (zegge: veertienhonderdvijfentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie aan de vreemdeling het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 418,00 (zegge: vierhonderdachttien euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. R. van der Spoel, leden, in tegenwoordigheid van mr. E. de Groot, griffier.

w.g. Verheij w.g. De Groot

voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2017

210.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature