Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 27 januari 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Uitspraak



201603596/1/V3.

Datum uitspraak: 26 april 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 15 april 2016 in zaak nr. 15/21174 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 12 november 2015 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 15 april 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    De vreemdeling, van Turkse nationaliteit, heeft op 27 januari 2015 een aanvraag ingediend om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf bij echtgenote te verlenen. Zijn echtgenote heeft de Nederlandse en Turkse nationaliteit en heeft op grond van haar werkzaamheden het verblijfsrecht van artikel 6 eerste lid, eerste streepje, van Besluit nr. 1 /80 verworven. Zij ontvangt vanaf 26 oktober 2013 een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: de WIA), per 13 januari 2014 in de vorm van een loongerelateerde uitkering op grond van de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (hierna: de WGA) en per 5 mei 2014 in de vorm van een loonaanvullende uitkering op grond van de WGA. Zij is volledig, maar niet blijvend, arbeidsongeschikt.

    Partijen verschillen van mening over de beantwoording van de vragen of de echtgenote van de vreemdeling een werknemer in de zin van artikel 13 van Besluit nr. 1 /80 is en of deze bepaling van toepassing is op het vereiste om duurzaam en zelfstandig te beschikken over voldoende middelen van bestaan (hierna: het middelenvereiste). Het antwoord op deze vragen is van belang voor het bepalen welke rechtsregel over het middelenvereiste mogelijk van toepassing is: het thans geldende artikel 3.22 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), zoals nader uitgewerkt in paragraaf B7/2.1.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), of het op 1 december 1980 geldende deel G4, hoofdstuk IV (pagina 20d) van de Vreemdelingencirculaire 1966 (hierna: de Vc 1966). Gelet op de uitspraak van de Afdeling rechtspraak van de Raad van State van 8 maart 1979 in zaak nr. A-2.0033 (RV 1979/36) kan worden aangenomen dat de staatssecretaris deze laatste beleidsregel, inhoudende dat een werknemer die wegens volledige arbeidsongeschiktheid een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: de WAO) ontving aan het middelenvereiste voldoet, ook heeft toegepast bij aanvragen voor gezinshereniging met een zodanige werknemer.

Aangevallen uitspraak en grieven 1 en 2

3.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, samengevat, overwogen dat uit het arrest van het Hof van Justitie (hierna: het Hof) van 6 juni 1995, Bozkurt, ECLI:EU:C:1995:168, punten 39 en 40, kan worden afgeleid dat artikel 13 van Besluit nr. 1 /80 kan worden ingeroepen door Turkse onderdanen die in een lidstaat werkzaam of tijdelijk arbeidsongeschikt zijn. De rechtbank volgt de staatssecretaris niet in zijn betoog, onder verwijzing naar het arrest van het Hof van 4 februari 2010, Hava Genc, ECLI:EU:C:2010:57, punt 19, dat de echtgenote geen werknemer is, omdat zij geen reële en daadwerkelijke arbeid verricht. Niet in geschil is dat zij eerder werknemer is geweest in de zin van het arrest Hava Genc en uit dat arrest volgt volgens de rechtbank niet dat ook bij tijdelijke arbeidsongeschiktheid het verrichten van reële en daadwerkelijke arbeid is vereist. Omdat de echtgenote niet blijvend arbeidsongeschikt is en zij dus de arbeidsmarkt niet definitief heeft verlaten, kan de vreemdeling zich op artikel 13 van Besluit nr. 1 /80 beroepen, aldus de rechtbank.

    In de grieven 1 en 2 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat uit het arrest van het Hof van 23 januari 1997, Tetik, ECLI:EU:C:1997:31, punt 45, volgt dat het arrest Bozkurt betrekking heeft op de uitleg van het begrip 'behoren tot de legale arbeidsmarkt' en niet op de uitleg van het begrip 'werknemer'. Uit het arrest Hava Genc, punt 16, volgt dat 'behoren tot de legale arbeidsmarkt' en 'werknemer' afzonderlijke begrippen zijn, zodat het feit dat de echtgenote behoort tot de legale arbeidsmarkt niet betekent dat zij ook een werknemer is. Omdat de echtgenote thans geen arbeid verricht, heeft de rechtbank niet onderkend dat zij geen werknemer is en zich niet op artikel 13 van Besluit nr. 1 /80 kan beroepen, aldus de staatssecretaris.

Beoordeling grieven 1 en 2

3.1.    Het Hof in het arrest Hava Genc het volgende overwogen:

    16    Overeenkomstig artikel 6, lid 1, van besluit nr. 1 /80 moeten Turkse staatsburgers die in de gastlidstaat een beroep willen doen op de in deze bepaling neergelegde rechten, aan drie voorwaarden voldoen, namelijk werknemer zijn, tot de legale arbeidsmarkt behoren en legale arbeid verrichten.

        […].

    19    Zoals het Hof herhaaldelijk heeft geoordeeld, heeft het begrip „werknemer" in de zin van artikel 39 EG naar het recht van de Unie een autonome inhoud en mag het niet restrictief worden uitgelegd. „Werknemer" is iedereen die reële en daadwerkelijke arbeid verricht, met uitsluiting van werkzaamheden van zo geringe omvang dat zij louter marginaal en bijkomstig zijn. Volgens de rechtspraak van het Hof wordt de arbeidsverhouding daardoor gekenmerkt dat iemand gedurende een bepaalde tijd voor een ander en onder diens gezag prestaties verricht tegen beloning (zie met name arresten van 3 juli 1986, Lawrie-Blum, 66/85, Jurispr. blz. 2121, punten 16 en 17, en 11 september 2008, Petersen, C‑228/07, Jurispr. blz. I‑6989, punt 45).

3.2.    Het Hof heeft in het arrest Bozkurt het volgende overwogen:

    38     Artikel 6, lid 2, regelt immers slechts de gevolgen van bepaalde onderbrekingen van de arbeid voor de toepassing van artikel 6, lid 1. Zo worden jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekte gelijkgesteld met tijdvakken van arbeid, met name voor de berekening van de periode van legale arbeid die noodzakelijk is voor het verkrijgen van het recht op vrije toegang tot elke arbeid in loondienst. Tijdvakken van werkloosheid of afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van arbeid, maar worden enkel in aanmerking genomen ter verzekering van de rechten die de werknemer heeft verworven uit hoofde van vroegere arbeidstijdvakken. Deze bepalingen garanderen derhalve alleen een voortzetting van het recht op arbeid en onderstellen noodzakelijkerwijs, dat de werknemer na een eventuele tijdelijke onderbreking arbeidsgeschikt blijft.

    39     Uit het voorgaande volgt, dat artikel 6 van besluit nr. 1 /80 de situatie van Turkse werknemers betreft die werkzaam of tijdelijk arbeidsongeschikt zijn. Het betreft daarentegen niet de situatie van een Turks onderdaan die de arbeidsmarkt van een Lid-Staat definitief heeft verlaten, bij voorbeeld omdat hij de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of, zoals in het onderhavige geval, blijvend volledig arbeidsongeschikt is geworden.

    40    Bij gebreke van een specifieke bepaling die aan Turkse werknemers het recht verleent van voortgezet verblijf op het grondgebied van een Lid-Staat na er arbeid te hebben verricht, vervalt het verblijfsrecht van de Turkse onderdaan dat hem bij artikel 6 van besluit nr. 1 /80 impliciet, maar noodzakelijkerwijs wordt verleend als accessoir van het verrichten van legale arbeid, indien hij volledig en blijvend arbeidsongeschikt is geworden.

3.3.    Het Hof heeft in het arrest Tetik het volgende overwogen:

    44    Verder hebben de Duitse en de Franse regering betoogd, dat het verblijfsrecht van een Turks onderdaan in een Lid-Staat slechts een uitvloeisel van het recht op arbeid is en dat indien, zoals blijkt uit het arrest Bozkurt (reeds aangehaald), een Turks onderdaan geen recht heeft om op het grondgebied van de Lid-Staat van ontvangst te verblijven nadat hij als gevolg van een arbeidsongeval blijvend arbeidsongeschikt is geworden, dit zeker moet gelden, wanneer de werknemer de arbeidsmarkt van de betrokken Lid-Staat vrijwillig heeft verlaten door zijn arbeid op te geven.

    45    Ter zake zij eraan herinnerd dat het Hof in het arrest Bozkurt (reeds aangehaald, r. o. 38 en 39), omdat er geen enkele uitdrukkelijke bepaling dienaangaande bestond, Turkse onderdanen het recht heeft ontzegd om op het grondgebied van de Lid-Staat van ontvangst te verblijven, wanneer zij ten gevolge van een arbeidsongeval verder geen werkzaamheden in loondienst kunnen uitoefenen. Om die reden wordt de betrokkene geacht, de arbeidsmarkt van die Lid-Staat definitief te hebben verlaten, zodat het door hem aangevraagde verblijfsrecht geen enkele band met, al was het maar toekomstige, arbeid in loondienst vertoont.

3.4.    Uit de punten 38 tot en met 40 van het arrest Bozkurt kan worden afgeleid dat dit arrest niet alleen betrekking heeft op de uitleg van het begrip 'behoren tot de arbeidsmarkt', maar ook op de uitleg van het begrip 'werknemer'. Uit de eerste volzin van punt 39 volgt dat met een 'werknemer' in de zin van artikel 6 van Besluit nr. 1 /80 wordt gedoeld op een Turks onderdaan die daadwerkelijk arbeid in loondienst verricht of die tijdelijk niet in staat is om arbeid in loondienst te verrichten. Uit de tweede volzin van punt 39 kan worden afgeleid dat een Turks onderdaan de hoedanigheid van 'werknemer' verliest indien hij blijvend niet in staat is om arbeid in loondienst te verrichten en dat dit verlies tot gevolg heeft dat deze Turkse onderdaan niet meer geacht kan worden te 'behoren tot de legale arbeidsmarkt'.

    De lezing van de staatssecretaris van het arrest Bozkurt op grond van punt 45 van het arrest Tetik is daarom te beperkt.

    De uitleg van het begrip 'werknemer' in de zin van artikel 6, eerste lid, van Besluit nr. 1 /80 moet worden overgenomen voor de uitleg van dit begrip in artikel 13 van dit Besluit (vergelijk, naar analogie het arrest van 18 december 2008, Altun, ECLI:EU:C:2008:744, punten 27 en 28).

    De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de echtgenote van de vreemdeling een werknemer is in de zin van artikel 13 van Besluit nr. 1 /80 en de vreemdeling zich daarom op deze bepaling kan beroepen, ook al is zijn echtgenote tijdelijk arbeidsongeschikt.

    De grieven 1 en 2 falen.

Aangevallen uitspraak en grief 4

4.    In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank in overweging 4 in wezen overwogen dat uit het arrest van het Hof van 7 november 2013, Demir, ECLI:EU:C:2013:725, kan worden afgeleid dat artikel 13 van Besluit nr. 1/80 ook van toepassing is op het middelenvereiste als zelfstandige afwijzingsgrond.

    In grief 4 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat in tegenstelling tot het vereiste om te beschikken over een machtiging tot voorlopig verblijf het middelenvereiste geen nieuwe zelfstandige afwijzingsgrond is, omdat dit laatste vereiste ook op 1 december 1980 bestond. De rechtbank heeft daarom ten onrechte het arrest Demir aan deze overweging ten grondslag gelegd, aldus de staatssecretaris.

4.1.    Uit het arrest Demir volgt dat voor het antwoord op de vraag of een op 1 december 1980 geldende zelfstandige afwijzingsgrond - zoals het middelenvereiste - binnen de werkingssfeer van artikel 13 van Besluit nr. 1 /80 valt bepalend is of de toepassing van een zodanige zelfstandige afwijzingsgrond na deze datum ten nadele van de desbetreffende Turkse onderdaan is gewijzigd met als gevolg dat deze onderdaan niet meer in aanmerking kan komen voor legaal verblijf op grond van gezinshereniging, hetgeen op of voor 1 december 1980 wel kon (vergelijk overweging 2.4. van de uitspraak van de Afdeling van 30 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4805).

    Gegeven hetgeen is bepaald in de op 1 december 1980 en de thans geldende beleidsregel over het middelenvereiste bij werknemers die blijvend arbeidsongeschikt zijn, moet worden vastgesteld dat de toepassing van het middelenvereiste in algemene zin ten nadele van Turkse onderdanen die tot deze groep behoren is gewijzigd.

    De rechtbank heeft daarom terecht uit het arrest Demir afgeleid dat artikel 13 van Besluit nr. 1/80 ook van toepassing is op het middelenvereiste en dat een bij deze bepaling verboden beperking aan de orde is. De staatssecretaris heeft immers niet aangevoerd dat die beperking kan worden gerechtvaardigd door een dwingende reden van algemeen belang, noch dat voor Unieburgers een vergelijkbare beperking geldt.

    Grief 4 faalt.

Aangevallen uitspraak en grief 3

5.    De staatssecretaris heeft ter zitting bij de rechtbank subsidiair betoogd dat, indien artikel 13 van Besluit nr. 1/80 van toepassing is, de vreemdeling niet voldoet aan het op 1 december 1980 geldende middelenvereiste. Volgens de staatssecretaris heeft de echtgenote van de vreemdeling onvoldoende inspanningen verricht om werk te vinden, gelet op de verzekeringsgeneeskundige rapportages van 20 april en 26 mei 2015, zodat zij verwijtbaar niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

    De rechtbank heeft, samengevat, overwogen dat niet is gebleken dat de uitkerende instantie op enig moment gevolgen heeft verbonden aan het gedrag van de echtgenote van de vreemdeling. Bovendien is zij begonnen met een specialistische behandeling, zodat de staatssecretaris niet in zijn betoogd wordt gevolgd, aldus de rechtbank.

    In grief 3 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank, door aldus te overwegen, niet heeft onderkend dat hij een juist criterium heeft gehanteerd.

5.1.    De bewoordingen van het betoog duiden er op dat de beoordeling door de staatssecretaris gebaseerd is op de beleidsregel in punt 8 van Hoofdstuk IX, onder B, van deel C (pagina C-26t) van de Vc 1966. Volgens deze beleidsregel kan het niet beschikken over voldoende middelen van bestaan alleen aan een vreemdeling worden tegengeworpen, indien hem daarvan een verwijt kan worden gemaakt, met name omdat hij bij herhaling heeft geweigerd passend werk te aanvaarden. Het is echter niet deze beleidsregel, maar de beleidsregel in deel G4, hoofdstuk IV (pagina 20d) die in onderhavig geval van toepassing is. Voor zover het betoog van de staatssecretaris wel betrekking heeft op deze laatste beleidsregel, lijkt het te verwijzen naar het verkeerde onderdeel van deze beleidsregel, namelijk het middelenvereiste bij gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, waarin ook wordt verwezen naar passende arbeid. De echtgenote van de vreemdeling is volledig arbeidsongeschikt, zodat dit onderdeel niet van toepassing is.

De staatssecretaris heeft aldus niet aannemelijk gemaakt dat hij de juiste, op 1 december 1980 geldende, beleidsregel over het middelenvereiste heeft toegepast noch dat de vreemdeling niet aan deze juiste beleidsregel voldoet. Grief 3 faalt ook.

Conclusie

6.    Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

7.    De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van de bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 495,00 (zegge: vierhonderdvijfennegentig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.    bepaalt dat van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie een griffierecht van € 501,00 (zegge: vijfhonderdeen euro) wordt geheven.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H.G. Sevenster en mr. E. Steendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van de Kolk

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2017

347.

Bijlage Recht van de Europese Unie

Besluit nr. 1/80

    Artikel 6

1. Behoudens het bepaalde in artikel 7 betreffende de vrije toegang tot arbeid van de gezinsleden, heeft de Turkse werknemer die tot de legale arbeidsmarkt van een Lid-Staat behoort:

- na een jaar legale arbeid in die Lid-Staat recht op verlenging van zijn arbeidsvergunning bij dezelfde werkgever indien deze werkgelegenheid heeft;

- na drie jaar legale arbeid en onder voorbehoud van de aan de werknemers uit de Lid-Staten van de Gemeenschap te verlenen voorrang, in die Lid-Staat het recht om in hetzelfde beroep bij een werkgever van zijn keuze te reageren op een ander arbeidsaanbod, gedaan onder normale voorwaarden en geregistreerd bij de arbeidsbureaus van die Lid-Staat;

- na vier jaar legale arbeid in die Lid-Staat vrije toegang tot iedere arbeid in loondienst te zijner keuze.

2. Jaarlijkse vakanties en perioden van afwezigheid wegens zwangerschap, arbeidsongeval of kortdurende ziekten worden gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid. Tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid die naar behoren zijn geconstateerd door de bevoegde autoriteiten, alsmeden perioden van afwezigheid wegens langdurige ziekte worden niet gelijkgesteld met tijdvakken van legale arbeid, doch doen geen afbreuk aan de rechten die zijn verkregen uit hoofde van het voorafgaande tijdvak van arbeid.

    Artikel 1 3

De Lid-Staten van de Gemeenschap en Turkije mogen geen nieuwe beperkingen invoeren met betrekking tot de toegang tot de werkgelegenheid van werknemers en hun gezinsleden wier verblijf en arbeid op hun onderscheiden grondgebied legaal zijn.

    Artikel 1 6

1. De bepalingen van dit deel zijn van toepassing met ingang van 1 december 1980.

    Nationale regelgeving

Vb 2000

    Artikel 3.2 2

1. De verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 3.13, eerste lid, wordt verleend, indien de hoofdpersoon duurzaam en zelfstandig beschikt over voldoende middelen van bestaan als bedoeld in artikel 3.74, eerste lid, onder a.

2. In afwijking van het eerste lid wordt de verblijfsvergunning eveneens verleend, indien de hoofdpersoon de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet , heeft bereikt of naar het oordeel van Onze Minister blijvend en volledig arbeidsongeschikt is.

Vc 2000

    paragraaf B7/2.1.1.

Uitkering WIA

De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, Vb aan als de referent:

• een uitkering op grond van de WIA ontvangt of arbeid verricht in het kader van de Wsw; en

• aanspraak kan maken op een uitkering op grond van de WIA; en

• voldoet aan één van de volgende voorwaarden:

• de referent valt onder de regeling IVA en uit de toekenningsbeschikking en/of uit de meest recente herbeoordeling blijkt dat er geen kans is op herstel; of

• de referent valt onder de regeling IVA en uit zowel de toekenningsbeschikking als uit de meest recente herbeoordeling blijkt dat er een geringe kans is op herstel.

De IND neemt blijvende en volledige arbeidsongeschiktheid als bedoeld in artikel 3.22, tweede lid, Vb , in ieder geval niet aan als de referent een uitkering WIA ontvangt op grond van de regeling WGA.

Vc 1966

    Hoofdstuk IX, onder B, van deel C

8. Bijzondere toelatingsvereisten ten aanzien van huwelijkspartners van:

- Nederlanders;

[…]

Aan vreemdeling behorende tot de hier genoemde categorieën wordt, in afwijking van de algemene vereisten voor toelating, hierboven vermeld onder 3 a, toestemming tot verblijf in Nederland slechts geweigerd indien:

[…];

- de betrokkenen niet beschikken over voldoende middelen van bestaan om in hun levensonderhoud te kunnen voorzien, terwijl dit kennelijk aan henzelf te wijten is, met name doordat de man of vrouw bij herhaling heeft geweigerd passend werk te aanvaarden.

deel G4, hoofdstuk IV (pagina 20d en 20e)

[…]

ad 1. Van volledige arbeidsongeschiktheid is sprake indien deze 80 - 100% bedraagt. De uitkering is in dit geval 80% van 100/107 maal het dagloon.

Een buitenlandse werknemer die in het genot is van deze maximale uitkering, wordt geacht over voldoende middelen van bestaan te beschikken. In gevallen als deze is er geen aanleiding over te gaan tot intrekking of tot weigering van de verlenging van de geldigheidsduur van de vergunning tot verblijf.

ad 2. In geval van gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid (percentage van minder dan 80%) dient de werknemer te worden ingeschreven bij het gewestelijk arbeidsbureau. Het GAB zal trachten passende arbeid voor hem te vinden.

Te rekenen vanaf het tijdstip van vaststelling van de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid geniet de werknemer een eveneens gedeeltelijke WAO-uitkering. Zodra hij zich hij het GAB als werkzoekende heeft doen inschrijven, heeft hij recht op een uitkering uit hoofde van de WW of van de WWV, al naargelang hij, ook afgezien van zijn arbeidsongeschiktheid, in geval van werkloosheid daarvoor in aanmerking zou zijn gekomen. Indien een WW- of WWV-uitkering wordt verstrekt, vindt een verrekening plaats met het bedrag van de WAO-uitkering.

Evenals in andere gevallen van werkloosheid kan de buitenlandse werknemer die gedeeltelijk arbeidsongeschikt is, en die nog niet kan worden tewerkgesteld omdat er nog geen passende arbeid voor hem is gevonden, zijn verblijf hier te lande voortzetten tot een jaar na de datum waarop de geldigheidsduur van zijn vergunning tot verblijf was verlopen. Te zijnen aanzien wordt verder gehandeld als ten aanzien van de andere werkloze werknemers.

[…].


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature