Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bij besluit van 9 oktober 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] (lees: [vergunninghouder A]) een omgevingsvergunning verleend voor de uitbreiding van de achterzijde van de woning op het perceel [locatie 1] te Zeist (hierna: het perceel).

Uitspraak



201604187/1/A1.

Datum uitspraak: 26 april 2017

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Zeist,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 28 april 2016 in zaak nr. 15/4183 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zeist.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2014 heeft het college aan [vergunninghouder] (lees: [vergunninghouder A]) een omgevingsvergunning verleend voor de uitbreiding van de achterzijde van de woning op het perceel [locatie 1] te Zeist (hierna: het perceel).

Bij besluit van 7 juli 2015 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard voor zover het is gericht op de motivering van de afwijking van het bestemmingsplan en het voldoen aan de redelijke eisen van welstand en voor het overige ongegrond verklaard en het besluit van 9 oktober 2014 in stand gelaten met de toevoeging van een aangepaste bouwtekening van 27 november 2014, wijziging van het NEN-nummer in de voorschriften en een aanvulling van de motivering van dat besluit.

Bij uitspraak van 28 april 2016 heeft de rechtbank het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] hoger beroep ingesteld.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

Het college en [vergunninghouder A] hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid een schriftelijke uiteenzetting te geven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 maart 2017, waar [appellanten] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.S. Exler en F. Verheul LLB, zijn verschenen. Ter zitting zijn voorts [vergunninghouder A] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. T.A.M. Oosterhout, advocaat te Utrecht, gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    De omgevingsvergunning ziet op de bouw van een serre aan de achterzijde van de twee-onder-één-kap woning van [vergunninghouder A]. [appellanten] wonen op het adres [locatie 2] te Zeist in de andere helft van de twee-onder-één-kap woning. De realisering van de serre leidt volgens hen tot een aantasting van hun woon- en leefklimaat. De rechtbank heeft onder meer overwogen dat het college bij de verlening van de omgevingsvergunning gebruik heeft mogen maken van zijn bevoegdheid om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) gelezen in verbinding met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) af te wijken van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Zeist Centrum e.o.". Voorts is volgens de rechtbank niet gebleken van strijd met de redelijke eisen van welstand, het Bouwbesluit 2012 of de Bouwverordening Zeist 2010. Volgens de rechtbank heeft het college de omgevingsvergunning daarom terecht verleend. [appellanten] zijn het daar niet mee eens.

De aanvraag

2.    [appellanten] betogen tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het een bevoegdheid van het college is om een aanvraag al dan niet onvolledig te achten. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in onder meer de uitspraak van 12 maart 2014, ECLI:NL:RVS:2014:869), is het aan het bevoegde bestuursorgaan om te beoordelen of het over voldoende gegevens en bescheiden beschikt om een besluit op een aanvraag te nemen.

3.    [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat na verlening van de omgevingsvergunning van 9 oktober 2014 een gewijzigde bouwtekening van 27 november 2014 aan de omgevingsvergunning is toegevoegd. Volgens hen is het niet mogelijk een reeds verleende omgevingsvergunning te wijzigen. Bovendien voorziet de gewijzigde bouwtekening volgens hen in niet-ondergeschikte wijzigingen en bevat deze onderlinge tegenstrijdigheden.

3.1.    Anders dan [appellanten] betogen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de aangepaste bouwtekening van 27 november 2014 onderdeel mocht uitmaken van de omgevingsvergunning. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 27 februari 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ2530) is geen nieuwe aanvraag nodig als de wijziging van het bouwplan van ondergeschikte aard is en dient de vraag of de wijziging van ondergeschikte aard is, per concreet geval te worden beantwoord.

    In dit geval is de bij de aanvraag om omgevingsvergunning behorende bouwtekening van 22 september 2014 vóór de verlening van de omgevingsvergunning vervangen door een tekening van 7 oktober 2014. Na de verlening van de vergunning is op 27 november 2014 nogmaals een gewijzigde tekening aan de omgevingsvergunning toegevoegd. Het indienen van de gewijzigde bouwtekening heeft het college terecht aangemerkt als een wijziging van de aanvraag. De wijzigingen komen erop neer dat de dakbedekking van de serre wordt gewijzigd van sedum in grind en dat de schoorsteen van de gashaard wordt verlaagd tot 30 cm boven het dak van de serre. Voor deze wijzigingen zijn geen bouwkundige veranderingen nodig. Gelet hierop hebben de wijzigingen van het bouwplan in verband waarmee de gewijzigde bouwtekening is ingediend niet of nauwelijks gevolgen voor het bouwwerk zelf. Er is ook geen aanleiding om aan te nemen dat [appellanten] of andere derden door de voorgestelde wijzigingen in hun belangen worden geschaad. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat het gaat om wijzigingen van ondergeschikte aard van het bouwplan, waarover kan worden besloten zonder eerst een geheel nieuwe aanvraag voor het bouwplan in te dienen. Het door [appellanten] ter zitting van de Afdeling ingenomen standpunt dat de gewijzigde bouwtekening voorziet in een verhoging van de serre, leidt niet tot een ander oordeel. Zowel op de oorspronkelijk bij de omgevingsvergunning behorende bouwtekening van 7 oktober 2014 als op de bouwtekening van 27 november 2014 is de serre met een hoogte van 3,5 m ingetekend. De vervanging van het oorspronkelijk op het dak van de serre voorziene substraat met de sedumdakbedekking door een laag van 3 mm grind geeft, zo dit al een verhoging van de serre tot gevolg heeft, geen grond voor het oordeel dat de bouwtekening van 27 november 2014 voorziet in wijzigingen van niet ondergeschikte aard.

    [appellanten] hebben voorts niet aannemelijk gemaakt dat de tekeningen van 7 oktober en 27 november 2014, waarvan overigens alleen de laatste bij de omgevingsvergunning behoort, onderlinge tegenstrijdigheden bevatten. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de bouwtekening van 27 november 2014 niet aan de omgevingsvergunning ten grondslag mocht worden gelegd.

    Het betoog faalt.

Artikel 4:8 van de Awb

4.    [appellanten] betogen tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat is gehandeld in strijd met artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), omdat zij niet zijn gehoord voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning aan [vergunninghouder A]. De in artikel 4:8 van de Awb neergelegde hoorplicht geldt voor het bestuursorgaan in de situatie waarin de te nemen beschikking zou steunen op gegevens over feiten en belangen die niet door de belanghebbende, in dit geval [vergunninghouder A] als aanvrager van de vergunning, zelf ter zake zijn verstrekt. Het doel daarvan is gegevensverificatie. De in artikel 4:8 opgenomen hoorplicht heeft in zoverre geen rechtsbeschermingsfunctie voor derde-belanghebbenden. Daarom vloeit uit dat artikel geen verplichting voor het college voort om [appellanten] voorafgaand aan de verlening van de omgevingsvergunning te horen.

Het bestemmingsplan

5.    [appellanten] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de artikelen 19.2.2, onder h en o, van de planregels van het bestemmingsplan in deze zaak niet van toepassing zijn. Volgens hen heeft de rechtbank niet onderkend dat de hoofdgebouwen van [appellanten] en [vergunninghouder A] deels niet aaneengebouwd zijn, omdat deze haaks op elkaar zijn gebouwd. Volgens [appellanten] zijn de woningen aaneengebouwd voor zover die aan elkaar grenzen, maar zijn de aan de voor- en achterkant uitstekende gedeelten van de woning van [appellanten] niet aaneengebouwde hoofdgebouwen dan wel niet aaneengebouwde onderdelen daarvan. Volgens hen volgt uit de vermelde bepalingen van de planregels en de toelichting op het bestemmingsplan dat het niet de bedoeling van de planwetgever is geweest om binnen het bouwvlak toe te staan dat binnen 3 m van de erfgrens wordt gebouwd. In dit verband voeren zij aan dat in de Nota van zienswijzen en ambtshalve wijzigingen van juni 2012 die behoort bij het bestemmingsplan is opgenomen dat in het bestemmingsplan buiten het bouwvlak geen verplichte afstand voor bijgebouwen tot de perceelsgrenzen meer geldt. Hieruit kan volgens [appellanten] worden afgeleid dat binnen het bouwvlak wel een afstandseis van 3 m tot aan de perceelsgrens geldt.

5.1.    Artikel 1.31 van de planregels luidt: "Hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is."

    Artikel 19.2. 1 luidt: "Op en in de gronden als bedoeld in lid 19.1, mogen uitsluitend worden gebouwd:

a. woningen,

b. bijbehorende bouwwerken, en

c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- of perceelsafscheidingen en tuinmeubilair, niet zijnde overkappingen."

    Artikel 19.2. 2 luidt: "Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in lid 19.2.1 gelden de volgende bepalingen:

(…)

h. binnen een bouwvlak mag tussen twee niet aaneengebouwde hoofdgebouwen de afstand van elk van het hoofdgebouw tot de onderlinge zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 3 m bedragen of niet minder dan de bestaande afstand, indien die minder dan 3 m is, tenzij op de verbeelding een andere 'minimum afstand tot de zijdelingse perceelsgrens' is voorgeschreven of een andere 'minimum afstand onderling';

(…)

o. binnen het bouwvlak gelden de voorgeschreven afstanden tot de zijdelingse perceelsgrenzen of tot het naastgelegen hoofdgebouw, ook voor bijbehorende bouwwerken;

(…).

5.2.    De rechtbank heeft in navolging van het advies van de bezwaarschriftencommissie dat ten grondslag is gelegd aan het besluit van 7 juli 2015, met juistheid vastgesteld dat de woning van [appellanten] haaks op de woning van [vergunninghouder A] is gebouwd en dat de beide woningen over een lengte van ongeveer 7 m aan elkaar zijn verbonden. Doordat de woningen haaks op elkaar staan, steekt de woning van [appellanten] aan de voor- en achterzijde gedeeltelijk uit. De rechtbank heeft het college terecht gevolgd in zijn standpunt dat de aan de voor- en achterkant uitstekende gedeelten van de woning van [appellanten] niet als niet aaneengebouwde hoofdgebouwen in de zin van artikel 19.2.2, onder h, van de planregels kunnen worden aangemerkt. Gelet hierop heeft de rechtbank evenzeer terecht overwogen dat de in de artikel 19.2.2, onder h en o, van de planregels bedoelde afstandseis van 3 m tot aan de erfgrens in dit geval niet tot gevolg heeft dat een afstand van 3 m moet worden aangehouden tussen de serre en het uitstekende deel van de woning van [appellanten].

    Voor zover [appellanten] hebben aangevoerd dat uit de Nota van zienswijzen die behoort bij het bestemmingsplan kan worden afgeleid dat wel een afstand van 3 m moet worden aangehouden, geldt dat, zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:682), de op de verbeelding aangegeven bestemming en de daarbij behorende regels bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan. Nu de planregels wat dit betreft duidelijk zijn, is de rechtbank terecht aan een uitleg van de bedoeling van de planwetgever niet toegekomen.

    Het betoog faalt.

6.    [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan omdat hierdoor meer van 50% van het perceel wordt bebouwd. Volgens hen blijkt uit het samenstel van de in artikel 19.2. 2 opgenomen planregels dat het de bedoeling van de planwetgever is geweest dat het hoofdgebouw met eventuele bijbehorende bouwwerken en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, in totaal niet meer dan 50% van het perceel mogen beslaan. Volgens hen kan dat worden afgeleid uit de laatste zin van artikel 19.2. 2, onder t, gelezen in verbinding met artikel 19.2. 2, onder ac. Volgens [appellanten] klopt de door de rechtbank gegeven uitleg van deze artikelen niet, omdat bijbehorende bouwwerken volgens hen ook hoofdgebouwen omvatten. Omdat het perceel van [vergunninghouder A] 485 m² groot is en het voor 285 m² is bebouwd met het hoofdgebouw en bijbehorende bouwwerken en diverse bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt in strijd met het bestemmingsplan gehandeld, aldus [appellanten].

6.1.    Artikel 1.16 van de planregels luidt: "Bijbehorende bouwwerken (bijgebouwen/aan- en uitbouwen): uitbreiding van een hoofdgebouw, dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak."

    Artikel 1.20 luidt: "Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten."

    Artikel 19.2. 2 luidt: "Voor het bouwen van bouwwerken als bedoeld in lid 19.2.1 gelden de volgende bepalingen:

(…)

t. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak, mag bij elk hoofdgebouw niet meer dan 40 m² bedragen plus 2% van de oppervlakte van het desbetreffende bouwperceel, tot een maximum van 100 m² en met dien verstande dat het bouwperceel daardoor nooit voor meer dan 50% mag worden bebouwd (inclusief de bij de woning behorende gronden die voor 'Tuin' zijn aangewezen);

u. in aanvulling op het bepaalde onder u (lees: t) mag een bouwperceel kleiner dan 150 m² tot maximaal 60% worden bebouwd (inclusief de bij de woning behorende gronden die voor 'Tuin' zijn aangewezen);

(…)

ac. in aanvulling op het bepaalde onder e en f, mag de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij elk hoofdgebouw niet meer bedragen dan 50% van het bouwperceel, inclusief de gronden die als Tuin zijn aangewezen, of niet meer dan het bestaande percentage, indien dat meer dan 50% bedraagt.

6.2.    Niet in geschil is dat de serre is gesitueerd binnen het bouwvlak. De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 19.2.2, onder t, van de planregels ziet op bouwwerken buiten het bouwvlak en dus in deze zaak niet van toepassing is. Het artikel bevat volgens de tekst daarvan immers voorschriften voor de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken buiten het bouwvlak. Voor de door [appellanten] voorgestane uitleg van dit artikel dat het de bouwwerken op het bouwperceel binnen en buiten het bouwvlak omvat, biedt de tekst van artikel 19.2. 2, onder t, geen aanknopingspunten.

    De rechtbank heeft evenzeer terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat wordt gehandeld in strijd met artikel 19.2. 2, onder ac. Anders dan [appellanten] betogen ziet dit artikel volgens de tekst daarvan alleen op bijbehorende bouwwerken zoals dat begrip is gedefinieerd in artikel 1.16 en daarmee alleen op de bouwwerken die vallen onder de in artikel 1.16 opgenomen definitie. Voor het oordeel dat artikel 19.2. 2, onder ac, ook betrekking heeft op het hoofdgebouw en de door [appellanten] genoemde pergola's, een trappartij en de niet van een dak voorziene veranda, heeft de rechtbank dan ook terecht geen aanleiding gezien.

    Het betoog faalt.

7.    [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de serre de maximaal in het bestemmingsplan toegestane hoogte niet met 0,5 m, maar met 2 m overschrijdt. Zij voeren daartoe aan dat de woningen zijn gebouwd op een terp en dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college ten onrechte de bovenkant van de terp als peil heeft gehanteerd. Volgens [appellanten] ligt het peil op het niveau van voor de verlening van de bouwvergunning voor de bouw van de woning in 2001.

7.1.    Artikel 1.40 van de planregels luidt: "Peil:

a. voor een gebouw waarvan de hoofdtoegang direct aan een weg grenst:

de hoogte van die weg ter plaatse van die hoofdtoegang;

b. in andere gevallen:

de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein voorafgaand aan het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen;"

    Artikel 2.4 luidt: "Bij toepassing van de regels wordt als volgt gemeten: De bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen."

    Artikel 19.2. 2, aanhef en onder v, luidt: "van bijbehorende bouwwerken mag de goothoogte niet meer dan 3 m bedragen, de bouwhoogte niet meer dan 4,5 m en de dakhelling niet meer dan 60°."

7.2.    Niet in geschil is dat de hoofdtoegang van de woningen van [vergunninghouder A] en [appellanten] niet direct grenst aan de weg zoals bedoeld in artikel 1.40, onder a, van de planregels. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht vastgesteld dat de hoogte van het peil moet worden bepaald aan de hand van artikel 1.40, onder b.

    Anders dan [appellanten] betogen, heeft de rechtbank voorts terecht overwogen dat de achtertuin van de woningen als het aansluitend afgewerkte terrein moet worden aangemerkt. De rechtbank overweegt daartoe terecht dat de begane grond van de woningen hoger ligt dan het straatniveau en dat de achtertuinen van de woningen van [vergunninghouder A] en [appellanten] op gelijke hoogte liggen met de begane grond van die woningen. Anders dan [appellanten] aanvoeren, volgt uit artikel 1.40, onder b, niet dat het peil moet worden bepaald aan de hand van de voor de bouw van de woningen aanwezige situatie. Voor hun stelling dat met de in dat artikel bedoeld e 'omgevingsvergunning voor bouwen' wordt gedoeld op de bouwvergunning die voor de bouw van de woning in 2003 is verleend, kan in de tekst van dit artikel geen aanknopingspunt worden gevonden. De bedoelde omgevingsvergunning betreft in dit geval de voor de bouw van de serre verleende omgevingsvergunning van 9 oktober 2014. De door [appellanten] aangehaalde uitspraken van de Afdeling van 7 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1688) en 3 april 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:BZ7559) geven geen aanknopingspunt voor een ander oordeel, reeds omdat die uitspraken betrekking hebben op de uitleg van artikel 1, tweede lid, aanhef en onder b, van bijlage II van het Bor en de vraag hoe in dat geval de hoogte dient te worden gemeten. Uit deze uitspraken kan niet worden afgeleid dat ook in deze zaak het peil is gelegen op (in dit geval) het straatniveau.

    Het voorgaande betekent dat de hoogte van de aanbouw 3,5 m bedraagt, hetgeen een overschrijding van het in artikel 19.2.2, aanhef en onder v, van de planregels genoemde maximale goothoogte met 0,5 m is. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

    Het betoog faalt.

8.    [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college de omgevingsvergunning voor de afwijking van het bestemmingsplan niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen. Daartoe voeren zij in de eerste plaats aan dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat rekening moet worden gehouden met bestaande bebouwingsmogelijkheden. Die zijn er volgens [appellanten] niet, omdat het peil moet worden gemeten vanaf de straathoogte en door de ophoging van het perceel thans geen gebouw meer kan worden gerealiseerd. Zij voeren voorts aan dat de rechtbank in de opsomming van hun belangen ten onrechte het belang van waardevermindering van hun woning niet heeft genoemd. Voorts heeft [vergunninghouder A] volgens [appellanten] geen rechtens te respecteren belang bij een overschrijding van de maximale hoogte, is ten onrechte niet ingegaan op mogelijke alternatieven en is bovendien niet geloofwaardig dat de overschrijding van de in het bestemmingsplan toegestane hoogte ten doel heeft de lichtinval in de woning van [vergunninghouder A] te vergroten. [appellanten] voeren voorts aan dat de rechtbank hun belangen ten aanzien van de van belemmering van hun uitzicht en het voorkomen van geluidsoverlast niet op de juiste waarde geschat.

8.1.    De in de verleende omgevingsvergunning toegestane afwijking van het bestemmingsplan heeft betrekking op de hoogte van de serre. Zoals hiervoor onder 7.2 is overwogen wordt de maximaal toegestane goothoogte van 3 m overschreden met 0,5 m. Gelet hierop bestaat geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het bestemmingsplan in beginsel de bouw van een serre met een hoogte van 3 m toestaat. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2713), mag het college bij de afweging van de bij de besluitvorming betrokken belangen meewegen dat negatieve gevolgen van een bouwplan ook kunnen worden veroorzaakt door de fictieve realisering van een bouwplan dat in overeenstemming is met het bestemmingsplan.  Dat betekent dat het belang van [vergunninghouder A] bij de realisering van een serre die met een hoogte van 3,5 m moet worden afgewogen tegen het belang van [appellanten] bij de realisering van een serre van 3 m hoog.

8.2.    In het advies van de bezwaarschriftencommissie van 29 juni 2015 dat ten grondslag is gelegd aan het besluit van 7 juli 2015, is opgenomen dat de serre op het zuiden is gelegen waardoor deze een vermindering van de daglichttoetreding in de woning van [vergunninghouder A] zal veroorzaken. Bij het ontwerp van de serre is daarom gekozen voor een serre waarvan de goothoogte 0,5 m boven de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag is gelegen, omdat de vermindering van daglichttoetreding in de woning van [vergunninghouder A] daarmee zoveel mogelijk wordt beperkt.

8.3.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college het belang van [vergunninghouder A] bij de overschrijding van de toegestane hoogte in redelijkheid zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van [appellanten] bij realisering van een serre met een hoogte van 3 m. Daarbij is van belang dat de serre is gelegen op 2,5 m van de blinde zijgevel van de woning van [appellanten] en dat de achtergevel van hun woning 2,2 m achter die van de woning van [vergunninghouder A] ligt zodat het overgrote deel van de serre, die inclusief het dakoverstek 3,33 m diep is, aan het zicht van [appellanten] wordt onttrokken. Voorts is van belang dat, zo er al sprake is van geluidsoverlast vanuit de serre is, niet aannemelijk is gemaakt dat deze geluidsoverlast wordt veroorzaakt door de overschrijding van de in het bestemmingsplan toegestane hoogte. [appellanten] hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat de serre onaanvaardbare lichthinder veroorzaakt. Daargelaten dat de omgevingsvergunning geen betrekking heeft op de inpandige verlichting van de serre en het aanbrengen van verlichting in het dakoverstek daarvan, is van belang dat J. Hettema van Jevanhet Architectuur in een rapport van 18 januari 2016 aan de hand van onder meer foto's heeft geconcludeerd dat de serre voor wat betreft de aspecten daglicht, zonlicht, privacy en zichtlijnen geen hinder veroorzaakt. Nu Van [appellanten] geen tegenrapport hebben overgelegd waaruit volgt dat deze conclusies onjuist zijn, bestaat er geen grond voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de in het dak van de serre aanwezige verlichting onaanvaardbare overlast veroorzaakt. Dat de overschrijding van de maximaal toegestane hoogte van de serre met 0,5 m leidt tot een onaanvaardbare waardevermindering van de woning van [appellanten] is niet onderbouwd.

    Gelet op het bovenstaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de door [appellanten] genoemde belangen zodanig zwaarwegend zijn dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen instemmen met de overschrijding van de bouwhoogte met 0,5 m.

8.4.    Voor zover [appellanten] hebben aangevoerd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar mogelijke alternatieven voor de serre, wordt overwogen dat, indien een project op zichzelf voor het college aanvaardbaar is, het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking kan nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [appellanten] wensen dat [vergunninghouder A] een kleinere, lager serre van glas realiseert, zodat reeds om die reden geen sprake is van een gelijkwaardig alternatief met de thans vergunde serre.

    Het betoog faalt.

Evidente privaatrechtelijke belemmering

9.    [appellanten] betogen tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de omgevingsvergunning niet kon worden verleend vanwege een evidente privaatrechtelijke belemmering, omdat de serre is gerealiseerd bovenop een leiding die is verbonden met de regenwaterafvoer van de woning van [appellanten] en die [vergunninghouder A] volgens hen moet dulden op grond van een erfdienstbaarheid. Daargelaten of de realisering van de serre bovenop de leiding onderhoud en eventueel herstel van de leiding onmogelijk maakt, geldt dat in dit geval niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de hemelwaterafvoer die onder de serre aanwezig is onder de reikwijdte van de door [appellanten] bedoelde erfdienstbaarheid valt, zodat een eventuele belemmering reeds daarom geen evident karakter heeft. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Redelijke eisen van welstand

10.    [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de serre in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Volgens hen heeft het college ten onrechte overwogen dat een bouwplan dat niet voldoet aan de zogenoemde 'kleine plannen criteria' in welk geval het plan aan de welstandscommissie kan worden voorgelegd om te worden getoetst aan de object- en/of gebiedsgerichte criteria. Dit is alleen mogelijk indien daarvoor zwaarwegende argumenten zijn en daarvan is niet gebleken, aldus [appellanten]. Zij betogen voorts dat de welstandsadviezen ten onrechte zijn gebaseerd op de bouwtekening van 27 november 2014, dat de adviseur is beïnvloed door ambtenaren van de gemeente, dat de stukken onvolledig waren en dat de voorzitter van de welstandscommissie vooringenomen was.

10.1.    In de Welstandsnota Zeist 2010 is in paragraaf 3.1 opgenomen: "(…) Bij de zogenaamde kleine bouw kunnen de grenzen van wat niet in strijd met redelijke eisen wordt geacht redelijk scherp worden getrokken; een advies aan de Welstandscommissie zal daarom nog maar zelden worden gevraagd. Naarmate de complexiteit en de omvang van de bouwopgave toenemen, zullen de criteria minder letterlijk worden en wordt inschakeling van de commissie noodzakelijker. (…) Voor het beoordelen van bouwplannen geldt een getrapte benadering: eerst zal worden nagegaan of ze voldoen aan de voorwaarden om vergunningvrij gebouwd te kunnen worden. Vervolgens wordt bekeken of ze binnen de termen van de kleine plannen criteria kunnen worden afgehandeld. Voldoen ze daar niet aan dan worden ze aan de Welstandscommissie voorgelegd."

    In paragraaf 5.2.2. zijn de "Criteria kleine plannen" voor aan- of uitbouwen aan de achterkant opgenomen. In deze paragraaf staat: "Deze criteria komen aan de orde als het bouwplan niet vergunningvrij is. (…) Bij de beoordeling of het uiterlijk en de plaatsing van de aan- of uitbouw waarop de aanvraag om vergunning betrekking heeft, al dan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand worden de volgende criteria toegepast: (…) Indien niet aan de bovenstaande criteria wordt voldaan, dient het bouwplan aangepast te worden of te worden afgekeurd. Alleen bij zwaarwegende argumenten kan in afwijking van de kleine plannen criteria een bouwplan aan de welstandscommissie voorgelegd worden. In dat geval zullen de object- en/of gebiedsgerichte criteria worden geraadpleegd."

    De object- en/of gebiedsgerichte criteria voor ruime villawijken zijn opgenomen in paragraaf 7.4.

10.2.    Ter zitting heeft het college toegelicht dat de in paragraaf 5.2.2 van de welstandsnota opgenomen voorwaarde dat een bouwplan dat niet voldoet aan de Criteria kleine plannen alleen in geval van zwaarwegende argumenten kan worden voorgelegd aan de welstandscommissie om te worden getoetst aan de object- en/of gebiedsgerichte criteria dateert van voor de invoering van de Wabo en abusievelijk niet uit de welstandsnota is verwijderd. Het heeft voorts toegelicht dat de bestendige gedragslijn thans is dat alle omgevingsvergunningplichtige bouwplannen worden voorgelegd aan de welstandscommissie die ze vervolgens toetst aan de objectcriteria. Wanneer er, zoals in dit geval, geen objectcriteria gelden wordt getoetst aan de gebiedsgerichte criteria uit de Welstandsnota.

10.3.    Niet in geschil is dat het bouwplan niet voldoet aan de Criteria kleine plannen. Wat er zij van de vraag of er, gelet op de ter zitting door het college gegeven toelichting over de thans gevoerde bestendige gedragslijn, zwaarwegende redenen zijn vereist alvorens advies kan worden gevraagd aan de welstandscommissie, geldt dat de aanvraag om omgevingsvergunning voorzag in een bouwplan dat niet in overeenstemming was met het bestemmingsplan en dat het college voornemens was deze planologische afwijking te vergunnen. Gelet hierop was het raadzaam en in ieder geval niet onjuist het bouwplan voor te leggen aan de welstandscommissie.

10.4.    [appellanten] voeren tevergeefs aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de adviezen van de welstandscommissie inhoudelijk niet voldoen aan de daaraan te stellen eisen. De welstandscommissie heeft op 23 september 2014, 1 december 2014 en 31 maart 2015 geadviseerd over het bouwplan en heeft steeds geconcludeerd dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. De stelling van [appellanten] dat de adviezen van 1 december 2014 en 31 maart 2015 ten onrechte zijn gebaseerd op de bouwtekening van 27 november 2014 kan niet worden gevolgd. Zoals hiervoor onder 3.1 is overwogen, mocht deze bouwtekening aan de omgevingsvergunning ten grondslag worden gelegd. De stelling van [appellanten] dat de welstandscommissie bij de advisering over het bouwplan zou zijn beïnvloed door gemeentelijke ambtenaren kan evenmin worden gevolgd. Dat in het welstandsadvies van 31 maart 2015 is vermeld dat "de gemeente heeft aangegeven planologisch medewerking aan het bouwvoornemen te verlenen", geeft geen aanleiding voor het oordeel dat ontoelaatbare beïnvloeding van de welstandscommissie heeft plaatsgevonden, nu dit slechts een feitelijke mededeling betreft. Dat in een e-mailbericht van een gemeenteambtenaar aan de voorzitter van de welstandscommissie ten onrechte is vermeld dat de serre niet zichtbaar is vanaf de openbare weg, leidt evenmin tot dat oordeel. Daarbij is van belang dat in de welstandsadviezen van 1 december 2014 en 31 maart 2015 gemotiveerd is aangegeven waarom het bouwplan past binnen de redelijke eisen van welstand. Uit geen van de welstandsadviezen blijkt dat het al dan niet zichtbaar zijn van de serre vanaf de openbare weg bij de welstandstoetsing van belang is geacht. [appellanten] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de welstandsadviezen zijn gebaseerd op de onjuiste mededeling van de gemeenteambtenaar en hebben evenmin aannemelijk gemaakt dat de adviezen anders zouden luiden, indien deze mededeling niet was gedaan.       

    De stelling van [appellanten] dat de welstandscommissie, bij monde van haar [voorzitter] een reactie op het door hen overgelegde deskundigenadvies van Maas architecten van 31 maart 2015 heeft gegeven, leidt niet tot het oordeel dat is gehandeld in strijd met artikel 2:4 van de Awb . Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat de welstandscommissie bij monde van haar voorzitter reageert op een overgelegd deskundigenadvies. De door [appellanten] in dit verband aangehaalde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 31 juli 2015 in zaak nr. UTR 13/5915, geeft geen aanleiding daarover anders te oordelen. Daargelaten of uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat het bespreken van een deskundigenadvies door de welstandscommissie leidt tot het oordeel van vooringenomenheid, geldt dat de Afdeling in de uitspraak van 17 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2238) op het hoger beroep tegen deze uitspraak heeft overwogen dat rechtbank ten onrechte had geconcludeerd dat sprake was van vooringenomenheid.

    Het betoog faalt.

Bouwbesluit

11.    [appellanten] voeren voorts aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de serre in strijd is met het Bouwbesluit. Volgens hen heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de artikelen 3.16 tot en met 3.17a niet van toepassing zijn, omdat deze artikelen alleen betrekking hebben op aan elkaar grenzende bouwwerken. Nu de serre één geheel vormt met de woning van [vergunninghouder A] en de woning van [vergunninghouder A] grenst aan de woning van [appellanten] moet de serre als een aangrenzend bouwwerk worden aangemerkt en zijn de genoemde artikelen wel van toepassing, aldus [appellanten].

11.1.    Artikel 3.16 van het Bouwbesluit luidt:

1. Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander perceel is niet kleiner dan 52 dB.

2. Het volgens NEN 5077 bepaalde karakteristieke lucht-geluidniveauverschil voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op een ander perceel is niet kleiner dan 47 dB.

3. Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een verblijfsgebied van een aangrenzende gebruiksfunctie op een ander perceel is niet groter dan de in tabel 3.15 aangegeven waarde.

4. Het volgens NEN 5077 bepaalde gewogen contact-geluidniveau voor de geluidsoverdracht van een besloten ruimte naar een niet in een verblijfsgebied gelegen besloten ruimte van een aangrenzende woonfunctie op een ander perceel is niet groter dan de in tabel 3.15 aangegeven waarde.

11.2.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat artikel 3.16 van het Bouwbesluit niet van toepassing is op de onderhavige situatie. Wat er zij van de stelling van [appellanten] dat de serre één geheel vormt met de woning van [vergunninghouder A] die aan hun woning grenst, geldt dat het genoemde artikel ziet op de geluidoverdracht via luchtgeluid en via contactgeluid van een besloten ruimte naar andere ruimten. De vergunde serre is geen besloten ruimte, zodat artikel 3.16 reeds om die reden niet van toepassing is. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen. Dat de serre volgens [appellanten] tezamen met de woning van [vergunninghouder A] wel een besloten ruimte vormt, geeft, wat daar van zij, geen aanleiding voor een ander oordeel, omdat de omgevingsvergunning geen betrekking heeft op het geheel van de serre inclusief de bestaande woning, maar alleen op de serre.     

    Het betoog faalt.

12.    [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de artikelen 2.59 en 3.51 van het Bouwbesluit kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

12.1.    Artikel 2.59 van het Bouwbesluit luidt:

1. Een afvoervoorziening voor rookgas is brandveilig, bepaald volgens NEN 6062.

2. De horizontale afstand tussen de uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas van een op vaste brandstof gestookt toestel en een brandgevaarlijk dak als bedoeld in NEN 6063, van een ander bouwwerk is ten minste 15 m.

    Artikel 3.51 luidt:

1. Bij toevoer van verbrandingslucht via een verblijfsgebied, heeft de volgens NEN 1087 bepaalde verdunningsfactor van de uitstoot van een afvoervoorziening voor luchtverversing en van een afvoervoorziening voor rookgas, ter plaatse van een in de uitwendige scheidingsconstructie gelegen instroomopening voor verbrandingslucht, ten hoogste de in tabel 3.33 aangegeven waarde. Bij de bepaling van de verdunningsfactor blijven afvoervoorzieningen en belemmeringen die op een ander perceel liggen, buiten beschouwing.

2. Een instroomopening van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht en een uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas, liggen op een afstand van ten minste 2 m van de perceelsgrens, gemeten loodrecht op de uitwendige scheidingsconstructie van de gebruiksfunctie. Dit geldt niet voor een in een dak gelegen instroomopening of uitmonding. Indien het perceel waarop de gebruiksfunctie ligt, grenst aan een openbare weg, openbaar water of openbaar groen, wordt die afstand aangehouden tot het hart van de weg, dat water of dat groen.

3. Een uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas ligt, gemeten langszij aan een uitwendige scheidingsconstructie van een gebruiksfunctie, niet zijnde het dak, op een afstand van ten minste 1 m van de perceelsgrens.

4. Een instroomopening van een toevoervoorziening voor verbrandingslucht en een uitmonding van een afvoervoorziening voor rookgas, gelegen boven een constructieonderdeel of het aansluitende terrein, liggen, ter voorkoming van gehele of gedeeltelijke afsluiting van de opening door ophoping van vuil of sneeuw, ten minste 0,3 m boven de bovenzijde van dat constructieonderdeel of dat terrein.

12.2.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

12.3.    In de toelichting op artikel 3.51 is opgenomen: "(…) Oogmerk van deze bepaling is, het waarborgen dat belendingen het functioneren van de voorziening niet belemmeren. Of die belending last heeft van de uitstoot uit een in dit artikel bedoelde uitstroomopening is een andere zaak. In sommige gevallen zal het burenrecht er toe leiden dat er toch beperkingen kunnen worden gesteld aan het daadwerkelijk gebruik van een afvoer die wel aan dit artikel voldoe t. " Gelet op deze toelichting heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 3.51 is bedoeld om een gezonde binnenlucht in het te verbouwen pand te garanderen en kennelijk niet het belang van [appellanten] beoogt te beschermen.

12.4.    Artikel 2.59 van het Bouwbesluit bepaalt volgens de toelichting op dat artikel dat een afvoervoorziening van rookgas niet de oorzaak mag zijn van het ontstaan van brand. [appellanten] hebben als bewoners van de aan de woning van [vergunninghouder A] gebouwde woning belang bij het voorkomen van brand. Zij voeren dan ook terecht aan dat artikel 2.59, anders dan de rechtbank heeft overwogen, ook strekt tot bescherming van hun belangen. Dit leidt echter niet tot het daarmee door hen beoogde doel. Daarbij is van belang dat in het besluit van 9 oktober 2014 is geconstateerd dat het bouwplan in overeenstemming is met het Bouwbesluit. [appellanten] hebben met de enkele stelling dat de informatie over de rookgasafvoer ontbreekt, niet aannemelijk gemaakt dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.59. Voor zover [appellanten] betogen dat zij niet beschikken over de kennis om na te gaan of de omgevingsvergunning voldoet aan alle eisen van het Bouwbesluit en zij de Afdeling verzoeken om een deskundige in te schakelen om de juistheid van het door het college ingenomen standpunt te onderzoeken, overweegt de Afdeling dat het aan [appellanten] zelf is om, zo nodig met inschakeling van een deskundige, te motiveren met welke eisen uit het Bouwbesluit het bouwplan in strijd zou zijn. Reeds om die reden bestaat geen aanleiding om het verzoek van [appellanten] toe te wijzen.

    Het betoog faalt.

Vertrouwensbeginsel

13.    [appellanten] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hen een concrete en ondubbelzinnige toezegging is gedaan door het college dat niet zal worden afgeweken van het bestemmingsplan. Zij wijzen daartoe op de Nota van zienswijzen waarin in reactie op de door [appellanten] op het ontwerpbestemmingsplan ingediende zienswijzen is geantwoord: "Bepalend voor de bouwmogelijkheden is namelijk de regel dat het bouwperceel voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd. Daarvan kan niet worden afgeweken. Dus ook voor de afwijkingsmogelijkheden in artikel 19.4 geldt dat het maximum bebouwingspercentage van 50 % daardoor niet mag worden overschreden. Daarbij komt dat afwijking een bevoegdheid is van B&W waarbij er ook getoetst wordt aan de welstandsnota. B&W kunnen afwijken, maar als dat ten koste gaat van de beeldkwaliteit in het Lyceumkwartier zullen zij het verzoek om afwijking afwijzen." Volgens [appellanten] heeft de rechtbank niet onderkend dat de Nota van zienswijzen is opgesteld door het college en samen met het ontwerpbestemmingsplan door het college aan de gemeenteraad is aangeboden, zodat de door hen bedoelde toezegging afkomstig is van het orgaan dat bevoegd is de omgevingsvergunning te verlenen.

13.1.    Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is nodig dat aan het college toe te rekenen concrete, ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegde derde, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat van een dergelijke toezegging niet is gebleken. In de inleiding van de Nota van zienswijzen is opgenomen: "Het ontwerpbestemmingsplan ‘Zeist Centrum e.o.’ heeft op grond van artikel 3.8 lid 1 van de Wet ruimtelijke ordening met ingang 9 juni tot en met 21 juli 2011 (6 weken) ter visie gelegen. Gedurende deze termijn kon een ieder zienswijzen naar voren brengen bij de gemeenteraad. (…) Deze Nota van Zienswijzen is op 19 april 2012 (Ronde Tafel) en 8 mei 202 (Debat) in de gemeenteraad behandeld." Wat er zij van de stelling van [appellanten] dat het college de tekst van de Nota van zienswijzen heeft opgesteld, geldt dat de gemeenteraad de Nota van zienswijzen heeft vastgesteld. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht overwogen dat de door [appellanten] bedoelde mededeling, daargelaten of daaruit kan worden afgeleid dat het college niet zou meewerken aan de verlening van de omgevingsvergunning voor het bouwplan, niet afkomstig is van het college als zijnde bevoegd gezag, maar van de gemeenteraad. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

    Het betoog faalt.

Gelijkheidsbeginsel

14.    [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met de verlening van de omgevingsvergunning aan [vergunninghouder A] is gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Daartoe wijzen zij ook op de adressen Homeruslaan 34 en Verlengde Slotlaan 88 te Zeist waar het college omgevingsvergunningen voor volgens hen met de serre vergelijkbare bouwwerken heeft geweigerd.

14.1.    Daargelaten dat de weigering van het college om voor een uitbreiding van een woning een omgevingsvergunning te verlenen, niet betekent dat in andere gevallen evenmin een omgevingsvergunning kan worden verleend, geldt dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de door [appellanten] genoemde adressen geen gelijke gevallen betreffen. De in deze zaak aan de orde zijnde serre heeft een hoogte van 3,5 m en voldoet voor het overige aan planregels. Het adres Homeruslaan 34 te Zeist is daarmee niet vergelijkbaar, reeds omdat in het in dat geval aan de orde zijnde bouwwerk een hoogte van 4,5 m heeft en daarmee aanzienlijk hoger is dan de serre en voorts te dicht bij de perceelsgrens was gelegen. Ten aanzien van het perceel Verlengde Slotlaan 88 geldt dat in dat geval een omgevingsvergunning is verleend voor een bouwhoogte van 4,95 m. Dat het college volgens [appellanten] in beide gevallen niet bereid was de in artikel 30, aanhef en onder d, van de planregels opgenomen bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan voor een overschrijding van de in de regels voorgeschreven maten, afmetingen, en percentages, tot maximaal 10% van die maten, afmetingen en percentages toe te passen, leidt niet tot een ander oordeel. Daarbij is van belang dat het college in deze zaak de omgevingsvergunning heeft verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo gelezen in verbinding met artikel 4, eerste lid, aanhef en onder a, van bijlage II van het Bor en niet op basis van artikel 30, aanhef en onder d, van de planregels.

Vooringenomenheid

15.    [appellanten] hebben uitvoerig betoogd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat is gehandeld is strijd met het verbod van vooringenomenheid. Zij voeren daartoe - samengevat weergegeven - aan dat F. Verheul die als ambtenaar vanaf het begin bij de zaak is betrokken, vooringenomen is, zodat wordt gehandeld in strijd met artikel 2:4 van de Awb .

15.1.    In deze zaak ligt de rechtmatigheid van het besluit van 7 juli 2015 ter beoordeling voor. Dit besluit is gebaseerd op een integrale toetsing van het besluit van 9 oktober 2014 door de bezwaarschriftencommissie die heeft geconcludeerd dat de omgevingsvergunning kan worden verleend. Voor zover [appellanten] hebben aangevoerd dat sprake is geweest van vooringenomenheid, omdat hen niet is toegestaan de gronden van hun bezwaarschrift aan te vullen met hetgeen hen is gebleken uit middels een procedure op grond van de Wet openbaarheid van bestuur verkregen documenten, wordt overwogen dat zij hun standpunten in beroep en hoger beroep uitvoerig hebben kunnen toelichten, hetgeen zij ook hebben gedaan. Uit hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd, blijkt niet dat Verheul het college verkeerd heeft voorgelicht of de besluitvorming anderszins op oneigenlijke wijze heeft beïnvloed als gevolg waarvan het college een ander besluit heeft genomen dan het zou hebben gedaan als Verheul niet bij de zaak was betrokken. Daargelaten dat van een persoonlijk belang van Verheul als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, van de Awb niet is gebleken, leidt de omstandigheid dat Verheul van mening is dat de gevraagde omgevingsvergunning kan worden verleend en zich daarvoor heeft ingezet, niet tot het oordeel dat is gehandeld in strijd met artikel 2:4, tweede lid.

    Het betoog faalt.

Conclusie

16.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

17.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Duifhuizen, griffier.

w.g. Slump    w.g. Duifhuizen

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2017

724.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature