Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim 4 jaar als feitelijk leidinggevende van een bedrijf stelselmatig schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door daarin valse inkoopfacturen met betrekking tot de aankoop van diesel op te nemen. Vervolgens zijn mede op basis van deze valse administratie opzettelijk onjuiste (suppletie)aangiften omzetbelasting gedaan. Voorts heeft het bedrijf gedurende die periode een grote hoeveelheid diesel voorhanden gehad, waarop geen accijns was geheven. Zij was de feitelijk leidinggevende van die gedragingen. Aannemelijk wordt geacht dat verdachte onder druk heeft gestaan om zo te handelen, maar psychische overmacht-verweer wordt verworpen.

Totaal nadeel: ruim 700.000 euro. Er is sprake van ruime overschrijding van de redelijke termijn. Straf: 180 uur taakstraf en 4 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf.

Uitspraak



RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Strafrecht

Zittingsplaats: Breda

parketnummer: 02/996012-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 mei 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1968 te [geboorteplaats]

wonende te [adres]

raadsvrouw mr. M.A. van Beek, advocaat te Spijkenisse

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 10 april 2017, waarbij de officier van justitie, mr. Van Horen, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Het onderzoek ter zitting is vervolgens gesloten op 1 mei 2017.

2 De tenlastelegging

Verdachte staat terecht, terzake dat:

1.

[bedrijf 1] , verder te noemen ' [bedrijf 1] ', op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode vanaf de maand maart 2007 tot en met de maand

december 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen, althans in

Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, (telkens) opzettelijk (een deel van) de

(bedrijfs-)administratie van [bedrijf 1] , zijnde (dat deel van) die

(bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) (een) (samenstel van)

geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers hebben/heeft [bedrijf 1]

en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) toen daar (telkens) opzettelijk

valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in (dat deel

van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd, opgenomen en/of verwerkt, althans

doen of laten opnemen en/of verwerken:

- 12, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 2] , (telkens) gericht aan [bedrijf 1]

(D-012a) en/of

- 14, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 3] , (telkens) gericht

aan [bedrijf 1] (D-013a) en/of

- 22, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 4] , (telkens) gericht aan [bedrijf 1]

(D-014a en D-132) en/of

- 5, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 5] , (telkens) gericht aan

[bedrijf 1] (D-015),

(telkens) terzake de inkoop door [bedrijf 1] en/of de levering aan [bedrijf 1] van de

op die factu(u)r(en) voornoemd vermelde goederen tegen de op die factu(u)r(en)

vermelde prijzen/prijs, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens)

geen levering(en) aan [bedrijf 1] hebben/heeft plaatsgevonden door de/het op die

factu(ur(en) vermelde bedrijven/bedrdijf en/of tegen de op die factu(u)r(en)

vermelde prijzen/prijs,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat (samenstel van) geschrift(en) als

echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende

zij, verdachte (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare feit(en)

en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

(art. 225 lid 1 jo art. 47 en 51 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 1 Wetboek van Strafrecht

2.

[bedrijf 1] , verder te noemen ' [bedrijf 1] ', op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van de maand maart 2008 tot en met de maand

november 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen, althans in

Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)

(suppletie)aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de jaar/jaren 2007

en/of 2008 en/of 2009 (D-124, D-125, D-126 en AH-055, par. 1.2, 2.2 en 3.2)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers hebben/heeft [bedrijf 1] en/of (een

of meer van) haar medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op de/het bij de

Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde

(suppletie)aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) jaar/jaren

(telkens) een te laag, althans onjuist bedrag aan omzetbelasting opgegeven,

terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting

werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en)

verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven

verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen jo art. 47 en 51 Wetboek

van Strafrecht)

art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

subsidiair, althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling

mocht of zou kunnen leiden:

[bedrijf 1] , verder te noemen ' [bedrijf 1] ', op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van de maand maart 2008 tot en met 3 juni 2012 in

de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen, althans in Nederland, (telkens)

tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen,

* (telkens) opzettelijk gebruik heeft gemaakt van (een) vals(e) of vervalst(e)

(suppletie)aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting over het/de jaar/jaren

2007 en/of 2008 en/of 2009 (D-124, D-125, D-126 en AH-055, par. 1.2, 2.2 en

3.2) - zijnde (telkens) (een) geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot

bewijs van enig feit te dienen - als ware(n) die/dat geschrift(en) (telkens)

echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken (telkens) hierin dat [bedrijf 1]

en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) die/dat

(suppletie)aangiftebiljet(ten) voornoemd (telkens) heeft ingezonden, althans

ingediend bij de (bevoegde inspecteur van) de Belastingdienst en/of

* (telkens) opzettelijk (een) (afschrift(en) van) voornoemd(e) vals(e) of

vervalst(e) (suppletie)aangiftebiljet(ten) voorhanden heeft gehad, terwijl de

B.V. en/of haar medeverdachte(n) (telkens) wist(en) of redelijkerwijs

moest(en) vermoeden dat die/dat geschrift(en) (telkens) bestemd waren/was voor

gebruik, als ware(n) die/dat geschrift(en) (telkens) echt en onvervalst,

bestaande die valsheid of vervalsing (telkens) hierin dat op die/dat

(suppletie)aangiftebiljet(ten) voor de omzetbelasting en/of op die/dat

afschrift(en) van die/dat (suppletie)aangiftebiljet(en) voor de omzetbelasting

over genoemd(e) jaar/jaren (telkens) een te laag, althans onjuist bedrag aan

belasting werd vermeld,

tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte

(telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven verboden

gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

(art. 225 lid 2 jo art. 47 en 51 Wetboek van Strafrecht)

art 225 lid 2 Wetboek van Strafrecht

3.

[bedrijf 1] , verder te noemen ' [bedrijf 1] ', op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode vanaf de maand juni 2007 tot en met de maand juli

2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen en/of Apeldoorn, althans

in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene

aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(onder meer) (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de

aangiftetijdvak(ken) 2e kwartaal 2007 (D-018) en/of 4e kwartaal 2007 (D-020)

en/of mei 2008 (D-023) en/of oktober 2008 (D-028) en/of maart 2009 (D-033)

en/of 3e kwartaal 2009 (D-037) en/of 2e kwartaal 2010 (D-040), onjuist en/of

onvolledig heeft gedaan, immers hebben/heeft [bedrijf 1] en/of (een of meer van)

haar medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op de/het bij de Inspecteur der

belastingen of de Belastingdienst ingeleverde aangifte(n) omzetbelasting over

genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) (telkens) een te laag, althans een onjuist,

bedrag aan omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte

dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e)

bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven,

dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens)

leiding heeft gegeven;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Algemene wet inzake rijksbelastingen bepaalde betekenis is

gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(art. 69 Algemene wet inzake rijksbelastingen jo art. 47 en 51 Wetboek van

Strafrecht)

art 68 lid 1 ahf/ond a Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen

art 51 lid 2 ahf/ond 2° Wetboek van Strafrecht

4.

[bedrijf 1] , verder te noemen ' [bedrijf 1] ', op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 19 januari 2008 tot en met 12 maart 2012 in de

gemeente Roosendaal en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk een

accijnsgoed, te weten (telkens) een of meer hoeveelheden/hoeveelheid diesel

brandstof tot een totaal van ongeveer 635.457,70 liter, in elk geval een of

meer hoeveelheiden/hoeveelheid diesel brandstof (D-145), voorhanden heeft

gehad, die/dat (telkens) niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de

accijns in de heffing waren/was betrokken,

hebbende zij, verdachte,(telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare

feit(en) en/of (telkens) feitelijke leiding gegeven aan die verboden

gedraging(en);

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voorzover

daaraan in de Wet op de accijns betekenis is gegeven, geacht in dezelfde

betekenis te zijn gebezigd;

art 5 lid 1 onder b Wet op de accijns

art 97 Wet op de accijns

art 47 lid 1 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1

De bewijsmiddelen

Indien hoger beroep wordt ingesteld zullen de bewijsmiddelen worden uitgewerkt en opgenomen in een bijlage die aan het vonnis wordt gehecht.

4.2

De bewijsoverwegingen

Feit 1

Op grond van de bewijsmiddelen – in het bijzonder de bevindingen van de Belastingdienst ten aanzien van de onder feit 1 vermelde inkoopfacturen bij een boekenonderzoek bij [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), de verklaringen die zijn afgelegd door personen die werkzaam zijn/waren bij de bedrijven die op deze inkoopfacturen als leverancier zijn vermeld en de verklaring van verdachte (hierna ook te noemen: [verdachte] ) over deze facturen – is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 genoemde inkoopfacturen vals zijn in die zin dat de leveringen die op deze inkoopfacturen zijn vermeld niet hebben plaatsgevonden. Deze inkoopfacturen zijn aangetroffen in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] , waardoor (een deel van) de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] valselijk is opgemaakt.

Feit 2

Op grond van de bewijsmiddelen - in het bijzonder uit de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] - is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 vermelde valse inkoopfacturen (m.u.v. de inkoopfacturen van [bedrijf 4] met een factuurdatum in 2010) zijn verwerkt in de bij de Belastingdienst ingediende suppletieaangiften voor de omzetbelasting van [bedrijf 1] over de jaren 2007, 2008 en 2009. Mede gelet op hetgeen onder feit 1 bewezen is verklaard, zijn daarmee deze suppletieaangiften opzettelijk onjuist gedaan.

Nu door het verwerken van de valse inkoopfacturen in de suppletieaangiften omzetbelasting onterecht omzetbelasting is teruggevraagd - en ook door de Belastingdienst is uitbetaald - is voldaan aan het vereiste dat het indienen van deze suppletieaangiften ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Feit 3

Op grond van de bewijsmiddelen - in het bijzonder de bevindingen van de Belastingdienst / FIOD en de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] – is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 3 vermelde maand- en kwartaalaangiften voor de omzetbelasting van [bedrijf 1] opzettelijk onjuist en/of onvolledig zijn gedaan.

[medeverdachte 1] heeft immers verklaard dat hij de kosten van [bedrijf 1] , waaronder de brandstofkosten, bij gebreke van inkoopfacturen heeft geschat. Hij heeft daarnaast verklaard dat de bedrijfsresultaten van [bedrijf 1] niet goed waren en dat hij daarom de voorbelasting en verschuldigde omzetbelasting aan elkaar gelijk heeft gesteld. Door aldus te handelen heeft medeverdachte [medeverdachte 1] naar het oordeel van de rechtbank bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat naar aanleiding van deze aangiften een te laag bedrag aan omzetbelasting werd geheven, waarmee voldaan is aan het vereiste dat het indienen van deze suppletieaangiften ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. De vraag of er sprake is van strafbare gedragingen van [bedrijf 1] en zo ja, of verdachte aan deze verboden gedragingen feitelijke leiding heeft gegeven, wordt hierna besproken.

Feit 4

Op grond van artikel 80 van de Wet op de accijns in samenhang met artikel 34 van het Uitvoeringsbesluit accijns en artikel 54 van de Uitvoeringsregeling accijns moet aan de hand van bescheiden de herkomst van accijnsgoederen kunnen worden aangetoond, indien deze goederen niet onder een accijnsschorsingsregeling worden vervoerd dan wel voorhanden zijn. Indien degene die de accijnsgoederen voorhanden heeft, de herkomst niet aan de hand van bescheiden kan aantonen, rust op hem de bewijslast; hij zal dan moeten aantonen dat de accijnsgoederen overeenkomstig de bepalingen van de wet in de heffing zijn betrokken (zie Hoge Raad 24 augustus 1999, nr. 34 164, BNB 1999/383). Van voorhanden hebben is op grond van de jurisprudentie sprake indien de betrokkene in kwestie geacht kan worden de feitelijke beschikkingsmacht over de bewuste goederen te hebben en tevens weet of redelijkerwijze moet weten dat de goederen niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing zijn betrokken.

Op grond van de bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat in de administratie van [bedrijf 1] geen bescheiden aanwezig zijn waarmee de herkomst van de door [bedrijf 1] gebruikte dieselbrandstof door [bedrijf 1] kan worden aangetoond. De aangetroffen inkoopfacturen betrekking hebbend op leveranties van diesel zijn, zoals onder feit 1 reeds is overwogen, naar het oordeel van de rechtbank vals en tonen die herkomst dus niet aan. De bij [bedrijf 1] aangetroffen kladaantekeningen en overzichten opgesteld door verdachte, waarvan de gegevens door de FIOD zijn verzameld in document D-145 en dat een totaal van niet verantwoorde liters laat zien van 635.457,70, tonen de herkomst evenmin aan.

Op grond van vorenstaande en op grond van de bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [bedrijf 1] 635.457,70 liter diesel brandstof, zijnde een accijnsgoed, voorhanden heeft gehad, die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing is betrokken.

m.b.t. het feitelijke leiding geven door verdachte bij alle feiten

Door de verdediging is aangevoerd dat verdachte niet opzettelijk heeft gehandeld en niet als feitelijke leiding gever kan worden beschouwd van de strafbare gedragingen van de rechtspersoon onder de feiten 1 tot en met 4.

Volgens de raadsvrouw heeft verdachte door haar verstandelijke beperking geen weet gehad van de strafbare gedragingen van haar toenmalige echtgenoot [medeverdachte 2] . Zij deed slechts wat [medeverdachte 2] van haar vroeg. Zij had ook geen specifieke kennis en ervaring met betrekking tot het opmaken van valse facturen, belastingaangiften en het voeren van administratie. Het (voorwaardelijk) opzet op de strafbare gedragingen kan dan ook niet worden bewezen, aldus de raadsvrouw. Gelet op het feit dat verdachte geen invloed of zeggenschap had op de handelingen van [medeverdachte 2] en ook niet bevoegd was om maatregelen te nemen ter voorkoming van de strafbare gedragingen, kan volgens de raadsvrouw niet bewezen worden dat verdachte feitelijke leiding gevende was.

De rechtbank overweegt als volgt.

Bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leiding geven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan. Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoord, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven. In het begrip feitelijk leiding geven zit het opzet, zoals bedoeld door de raadsvrouw, besloten.

Volgens heersende jurisprudentie van de Hoge Raad (zie overzichtsarrest Hoge Raad

26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733) kan een rechtspersoon aangemerkt worden als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. De vraag wanneer een (verboden) gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is de vraag of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon.

Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn indien zich een of meer van de volgende omstandigheden voordoen:

a. het gaat om handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking, hetzij uit andere hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,

b. de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,

c. de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf, en

d. de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.

Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Maar voor opzet van een rechtspersoon is niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.

Pas nadat is vastgesteld dat een rechtspersoon een bepaald strafbaar feit heeft begaan, komt aan de orde of iemand als feitelijke leiding gever daarvoor strafrechtelijk aansprakelijk is. Bij de beoordeling daarvan moet worden vooropgesteld dat uit de taalkundige betekenis van het begrip feitelijke leiding geven enerzijds voortvloeit dat de enkele omstandigheid dat de verdachte bijvoorbeeld bestuurder van een rechtspersoon is, niet voldoende is om hem aan te merken als feitelijke leiding gever aan een door die rechtspersoon begaan strafbaar feit. Maar anderzijds is een dergelijke juridische positie geen vereiste, terwijl ook iemand die geen dienstverband heeft met de rechtspersoon feitelijke leiding gever kan zijn aan een door de rechtspersoon begaan strafbaar feit.

Aan hetzelfde strafbare feit kan door meer personen – al dan niet gezamenlijk - feitelijke leiding worden gegeven.

Feitelijke leiding geven zal vaak bestaan uit actief en effectief gedrag dat onmiskenbaar binnen de gewone betekenis van het begrip valt. Van feitelijke leiding geven kan voorts sprake zijn indien de verboden gedraging het onvermijdelijke gevolg is van het algemene, door de verdachte (bijvoorbeeld als bestuurder) gevoerde beleid. Ook kan worden gedacht aan het leveren van een zodanige bijdrage aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedraging en het daarbij nemen van een zodanig initiatief dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedraging feitelijke leiding te hebben gegeven. Niet is vereist dat een ander de fysieke uitvoeringshandelingen heeft verricht.

Onder omstandigheden kan ook een meer passieve rol tot het oordeel leiden dat een verboden gedraging daardoor zodanig is bevorderd dat van feitelijke leiding geven kan worden gesproken. Dat kan in het bijzonder het geval zijn bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat.

In feitelijke leiding geven ligt een zelfstandig opzetvereiste op de verboden gedraging besloten. Voor dit opzet van de leidinggever geldt als ondergrens dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedraging zich zal voordoen. Van het bewijs van dergelijke aanvaarding kan – in het bijzonder bij meer structureel begane strafbare feiten – ook sprake zijn indien hetgeen de leiding gever bekend was omtrent het begaan van strafbare feiten door de rechtspersoon rechtstreeks verband hield met de in de tenlastelegging omschreven verboden gedraging.

De rechtbank stelt op grond van de bewijsmiddelen vast dat de hierboven genoemde gedragingen (te weten het verwerken van valse facturen in de bedrijfsadministratie en in de suppletieaangiften voor de omzetbelasting, het onjuist doen van de maand- en kwartaalaangiften voor de omzetbelasting en het voorhanden hebben van onveraccijnsde diesel) zijn verricht in de sfeer van de rechtspersoon [bedrijf 1] , gelet op de hierboven genoemde criteria, en dat deze gedragingen opzettelijk door [bedrijf 1] zijn begaan, waarmee bewezen wordt geacht dat deze rechtspersoon de ten laste gelegde feiten heeft begaan. Tegen deze conclusie is door de verdediging ook geen verweer gevoerd.

Daarbij overweegt de rechtbank dat [medeverdachte 1] als boekhouder werkzaam was voor [bedrijf 1] , [medeverdachte 2] bestuurder was van [bedrijf 1] en verdachte feitelijke werkzaamheden verrichtte voor (vooral) de administratie van [bedrijf 1]

De rechtbank stelt voorts het volgende vast met betrekking tot de rol die verdachte (en eventueel medeverdachten) ten aanzien van de hierboven bewezen verklaarde gedragingen heeft(/hebben) gespeeld.

Verdachte was ten tijde van de verboden gedragingen de echtgenote van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] is sinds 9 november 2006 directeur van [bedrijf 1] . Deze rechtspersoon verricht transportwerkzaamheden voor haar klanten.

Verdachte verrichtte administratieve taken binnen [bedrijf 1] Zij maakte de verkoopfacturen op en hield bij gebreke van een kasboek op overzichten en kladaantekeningen bij wat er werd ingekocht aan diesel. Verder nam zij samen met [medeverdachte 2] contant geld op van de bankrekening van [bedrijf 1] , waarmee allerlei contante betalingen, waaronder betalingen voor diesel en salarissen voor chauffeurs, werden betaald. Verder heeft zij inkoopfacturen waarvan zij wist dat die vals waren, in het bakje van boekhouder [medeverdachte 1] gelegd, wetende dat die facturen verwerkt zouden worden in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1]

Verdachte is ook bij besprekingen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aanwezig geweest, waarbij de aangiften omzetbelasting werden besproken.

Tot slot had verdachte ten tijde van het verblijf van haar echtgenoot [medeverdachte 2] de leiding over het bedrijf en verving zij hem ook op andere momenten als hij niet aanwezig was.

Gelet op hetgeen verdachte zelf heeft verklaard over haar rol binnen het bedrijf en wat anderen over haar bezigheden binnen het bedrijf hebben verklaard, acht de rechtbank niet aannemelijk dat verdachte dusdanig verstandelijk beperkt was dat zij geen weet heeft gehad van de strafbare gedragingen die zich binnen het bedrijf voordeden, zoals zij wil doen geloven. Het verweer dat verdachte geen opzet heeft kunnen hebben en dus ook niet heeft gehad op de verboden gedragingen wordt derhalve verworpen.

Gelet op de bewijsmiddelen, waaronder de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] , zijn de bewezen verklaarde verboden gedragingen onder de feiten 1 tot en met 4 het onvermijdelijke gevolg van de hiervoor geschetste handelingen van verdachte binnen het bedrijf. Ook kan in zijn algemeenheid worden gesteld dat, blijkens de bewijsmiddelen verdachte een zodanige bijdrage heeft geleverd aan een complex van gedragingen dat heeft geleid tot de verboden gedragingen, en daarbij zodanige initiatieven heeft genomen dat de verdachte geacht moet worden aan die verboden gedragingen feitelijke leiding te hebben gegeven.

feitelijke leiding geven m.b.t. feit 4

Ten aanzien van feit 4 overweegt de rechtbank nog dat verdachte heeft verklaard dat zij op verzoek van verdachte overzichten heeft gemaakt van getankte liters diesel en dat zij nooit inkoopfacturen of betalingsbewijzen van deze diesel heeft gezien. Zij deed samen met [medeverdachte 2] contante opnames voor o.a. het betalen van brandstof.

Op grond van de afwezigheid in de administratie van [bedrijf 1] van bescheiden waarmee de herkomst kon worden aangetoond, wisten verdachte en [medeverdachte 2] naar het oordeel van de rechtbank dat de herkomst niet kon worden aangetoond. Verdachte en [medeverdachte 2] waren immers betrokken bij ofwel de aankoop van de diesel zonder bonnen of facturen dan wel bij de opmaak van de administratie, waarin bescheiden die de herkomst konden aantonen, verwerkt hadden moeten worden. In zoverre zijn verdachte en [medeverdachte 2] naar het oordeel van de rechtbank feitelijke leiding gevers van het opzettelijk voorhanden hebben van diesel die niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de accijns in de heffing was betrokken.

feitelijke leiding geven m.b.t. feiten 1 tot en met 3

Ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3 overweegt de rechtbank het volgende.

Dat binnen [bedrijf 1] gebruik is gemaakt van valse facturen en dat verdachte daarvan wist, blijkt uit haar eigen verklaring inhoudende dat zij die facturen van verdachte had gekregen en dat zij wist dat verdachte met iets bezig was dat niet klopte met betrekking tot die facturen. Zij heeft ook verklaard dat zij wist dat die facturen vals waren en dat verdachte deze is gaan zoeken om de administratie “schoon” te houden. Volgens verdachte was zij er bij toen [medeverdachte 2] met [medeverdachte 1] sprak over facturen. De - valse - facturen die onder feit 1 staan beschreven heeft zij in het bakje van [medeverdachte 1] gelegd en [medeverdachte 1] heeft de papieren die zij voor hem klaar legde in de aangiften verwerkt, aldus verdachte. Die facturen hadden te maken met de lijsten van aankopen van brandstof zonder BTW, zoals deze op document D-145 zijn vermeld. Volgens verdachte heeft [medeverdachte 2] die lijsten gebruikt om voor de hoeveelheden die op de lijst stonden voor facturen te zorgen.

[medeverdachte 1] heeft voorts verklaard dat hij de door hem gemaakte aangiften omzetbelasting inhoudelijk heeft besproken met verdachte of [medeverdachte 2] . Verdachte heeft dit bevestigd en heeft verklaard dat de aangiften over de jaren 2007 tot en met 2009 met haar en [medeverdachte 2] zijn besproken. [medeverdachte 1] heeft ook nog expliciet met betrekking tot de suppletieaangiften verklaard dat deze met verdachte en [medeverdachte 2] zijn besproken en dat er toen een discussie ontstond over de grote teruggaaf die op basis van de suppletie zou komen.

Tijdens de detentie van [medeverdachte 2] in 2008 en 2009 heeft verdachte goeddeels de leiding gehad over het bedrijf en nam zij de beslissingen.

Met betrekking tot document D-136 heeft verdachte verklaard dat [medeverdachte 1] dit document met [medeverdachte 2] besproken heeft. De rechtbank stelt vast dat de handgeschreven tekst van [medeverdachte 1] is en dat die tekst (met name het totale factuurbedrag) nagenoeg overeenkomt met het totaalbedrag van de 5 valse inkoopfacturen van [bedrijf 5] hetgeen er naar het oordeel van de rechtbank op duidt dat de valse inkoopfacturen zijn opgemaakt aan de hand van de door [medeverdachte 1] handgeschreven tekst. Daarnaast heeft getuige [getuige] verklaard dat verdachte en [medeverdachte 2] de verantwoordelijke personen waren binnen [bedrijf 1] .

Gelet op de bewijsmiddelen en hetgeen hierboven daarover nog is overwogen omtrent de criteria geldend voor het feitelijke leiding geven, is de rechtbank van oordeel dat verdachte, gelet op haar feitelijke gedragingen, als feitelijke leiding gevende van de onder 1 tot met 3 vermelde verboden gedragingen dient te worden aangemerkt. Hierbij merkt de rechtbank op dat volgens de juridische criteria ook de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als medepleger respectievelijk feitelijke leiding gevende van die gedragingen dienen te worden beschouwd.

4.3

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

[bedrijf 1] , verder te noemen ' [bedrijf 1] ', op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode vanaf de maand maart 2007 tot en met de maand

december 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen, althans in

Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, (telkens) opzettelijk (een deel van) de

(bedrijfs-)administratie van [bedrijf 1] , zijnde (dat deel van) die

(bedrijfs-)administratie voornoemd (telkens) (een) (samenstel van)

geschrift(en) die/dat bestemd waren/was om tot bewijs van enig feit te dienen,

(telkens) valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers hebben/heeft [bedrijf 1]

en/of (een of meer van) haar medeverdachte(n) toen daar (telkens) opzettelijk

valselijk en/of in strijd met de waarheid -zakelijk weergegeven- in (dat deel

van) die (bedrijfs-)administratie voornoemd, opgenomen en/of verwerkt, althans

doen of laten opnemen en/of verwerken:

- 12, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 2] , (telkens) gericht aan [bedrijf 1]

(D-012a) en/of

- 14, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 3] , (telkens) gericht

aan [bedrijf 1] (D-013a) en/of

- 22, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 4] , (telkens) gericht aan [bedrijf 1]

(D-014a en D-132) en/of

- 5, in elk geval een of meer inkoopfactu(u)r(en), volgens factuuropdruk

(telkens) afkomstig van [bedrijf 5] , (telkens) gericht aan

[bedrijf 1] (D-015),

(telkens) terzake de inkoop door [bedrijf 1] en/of de levering aan [bedrijf 1] van de

op die factu(u)r(en) voornoemd vermelde goederen tegen de op die factu(u)r(en)

vermelde prijzen/prijs, zulks terwijl in werkelijkheid (telkens)

geen levering(en) aan [bedrijf 1] hebben/heeft plaatsgevonden door de/het op die

factu(ur(en) vermelde bedrijven/bedrdijf en/of tegen de op die factu(u)r(en)

vermelde prijzen/prijs,

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat (samenstel van) geschrift(en) als

echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, hebbende

zij, verdachte (telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare feit(en)

en/of feitelijke leiding gegeven aan die verboden gedraging(en);

2. primair:

[bedrijf 1] , verder te noemen ' [bedrijf 1] ', op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van de maand maart 2008 tot en met de maand

november 2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen, althans in

Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen,

(telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als

bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een)

(suppletie)aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de jaar/jaren 2007

en/of 2008 en/of 2009 (D-124, D-125, D-126 en AH-055, par. 1.2, 2.2 en 3.2)

onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers hebben/heeft [bedrijf 1] en/of (een

of meer van) haar medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op de/het bij de

Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst ingeleverde

(suppletie)aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) jaar/jaren

(telkens) een te laag, althans onjuist bedrag aan omzetbelasting opgegeven,

terwijl die/dat feit(en) (telkens) ertoe strekte(n) dat te weinig belasting

werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en)

verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovenomschreven

verboden gedraging(en) verdachte (telkens) feitelijke leiding heeft gegeven;

3.

[bedrijf 1] , verder te noemen ' [bedrijf 1] ', op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode vanaf de maand juni 2007 tot en met de maand juli

2010 in de gemeente(n) Roosendaal en/of Steenbergen en/of Apeldoorn, althans

in Nederland, (telkens) tezamen en in vereniging met anderen of een ander,

althans alleen, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene

aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten

(onder meer) (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over het/de

aangiftetijdvak(ken) 2e kwartaal 2007 (D-018) en/of 4e kwartaal 2007 (D-020)

en/of mei 2008 (D-023) en/of oktober 2008 (D-028) en/of maart 2009 (D-033)

en/of 3e kwartaal 2009 (D-037) en/of 2e kwartaal 2010 (D-040), onjuist en/of

onvolledig heeft gedaan, immers hebben/heeft [bedrijf 1] en/of (een of meer van)

haar medeverdachte(n) (telkens) opzettelijk op de/het bij de Inspecteur der

belastingen of de Belastingdienst ingeleverde aangifte(n) omzetbelasting over

genoemd(e) aangiftetijdvak(ken) (telkens) een te laag, althans een onjuist,

bedrag aan omzetbelasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte

dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e)

bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte (telkens) opdracht heeft gegeven,

dan wel aan welke bovenomschreven verboden gedraging(en) verdachte (telkens)

leiding heeft gegeven;

4.

[bedrijf 1] , verder te noemen ' [bedrijf 1] ', op een of meer tijdstip(pen)

in of omstreeks de periode van 19 januari 2008 tot en met 12 maart 2012 in de

gemeente Roosendaal en/of (elders) in Nederland, (telkens) tezamen en in

vereniging met (een) ander(en), althans alleen, (telkens) opzettelijk een

accijnsgoed, te weten (telkens) een of meer hoeveelheden/hoeveelheid diesel

brandstof tot een totaal van ongeveer 635.457,70 liter, in elk geval een of

meer hoeveelheiden/hoeveelheid diesel brandstof (D-145), voorhanden heeft

gehad, die/dat (telkens) niet overeenkomstig de bepalingen van de Wet op de

accijns in de heffing waren/was betrokken,

hebbende zij, verdachte,(telkens) opdracht gegeven tot die/dat strafbare

feit(en) en/of (telkens) feitelijke leiding gegeven aan die verboden

gedraging(en).

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte de werkzaamheden die zij binnen [bedrijf 1] heeft uitgevoerd onder een dusdanige druk en dwang van haar (ex-)man heeft verricht dat in redelijkheid kan worden aangenomen dat de wilsvrijheid van verdachte is aangetast en dat redelijkerwijs niet van haar te vergen was dat zij weerstand kon bieden aan de druk van de omstandigheden. Ter onderbouwing van dit verweer heeft de raadsvrouw verwezen naar de inhoud van het psychologisch rapport van het NIFP. De raadsvrouw concludeert dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ter zake van alle bewezen verklaarde feiten.

De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Van psychische overmacht is sprake bij een van buiten komende drang waaraan de verdachte redelijkerwijze geen weerstand kan en ook niet behoeft te bieden. Het ziet op de gevallen waarvan kan worden gezegd dat de dader heeft gehandeld onder een wezenlijke en buitennormale - met name psychische - druk, waardoor onvoldoende sprake is van een voor strafbaarheid vereiste aanwezigheid van een 'daadwerkelijke' wilsvrijheid ten tijde van de gedraging.

Uit de inhoud van het dossier, waaronder de eigen verklaring van verdachte, leidt de rechtbank niet af dat verdachte onder invloed van een zodanige van buiten komende druk heeft gehandeld, dat van haar niet gevergd kon worden dat zij niet meewerkte aan de strafbare gedragingen zoals bewezen. Ook de inhoud van het psychologisch rapport noopt niet tot die conclusie. De rapporteur beschouwt verdachte vanwege haar posttraumatische stressstoornis en de lichte verstandelijke handicap als verminderd toerekeningsvatbaar. Dit duidt niet op een ontbreken van een daadwerkelijke wilsvrijheid. Weliswaar is aannemelijk dat verdachte onder een zekere druk van [medeverdachte 2] de strafbare handelingen heeft verricht, maar de rechtbank acht die druk niet zodanig dat verdachte onvoldoende wilsvrijheid had om zich te onttrekken aan die strafbare handelingen. De rechtbank betrekt bij dit oordeel ook de omstandigheid dat verdachte ten tijde van de detentie van [medeverdachte 2] in 2008 en 2009 (ruim 14 maanden) gewoon is doorgegaan met het strafbare handelen en dat geenszins is gebleken dat zij in die periode heeft overwogen om alternatieven te zoeken (door bijvoorbeeld haar situatie te bespreken met bijvoorbeeld [medeverdachte 1] of [naam] ).

De rechtbank verwerpt derhalve het verweer.

Er zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie vordert aan verdachte op te leggen een taakstraf van 220 uur met aftrek van voorarrest.

6.2

Het standpunt van de verdediging

Indien de rechtbank tot een strafoplegging zou komen heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Verdachte heeft zich, samen met anderen, gedurende een periode van ruim 4 jaar als feitelijke leiding gevende van het bedrijf [bedrijf 1] stelselmatig schuldig gemaakt aan het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie door daarin valse inkoopfacturen met betrekking tot de aankoop van diesel op te laten nemen. De werkelijk door [bedrijf 1] ingekochte diesel is contant en zonder factuur geleverd zonder daarover accijns en BTW te betalen. Vervolgens zijn mede op basis van deze valse administratie opzettelijk onjuiste (suppletie)aangiften gedaan.

Het bewezenverklaarde onder feit 4 heeft als resultaat gehad dat voor zeer grote bedragen aan accijns is ontdoken, alsmede dat bonafide bedrijven, die wel aan de accijnsrechtelijke verplichtingen voldoen, oneerlijke concurrentie is aangedaan.

Uit de berekeningen die door de Belastingdienst zijn gemaakt komt een totaal belastingnadeel (inclusief accijns) naar voren van ongeveer 700.000 euro.

Verdachte heeft door haar handelen welbewust de Nederlandse Staat en daarmee de maatschappij benadeeld. Bij belastingheffing zijn immers gewichtige gemeenschaps-belangen betrokken nu daarmee wordt beoogd de Staat de geldmiddelen te verschaffen die voor zijn instandhouding en voor de vervulling van zijn taak nodig zijn. Verdachte heeft deze gemeenschapsbelangen geschonden en zich ten koste van de Staat der Nederlanden ongerechtvaardigd verrijkt. Bovendien is het voor het systeem van belastingheffing van essentieel belang dat de Belastingdienst vertrouwen kan stellen in de juistheid van bepaalde geschriften. Verdachte heeft dat vertrouwen beschaamd.

De rol van verdachte bij de strafbare feiten was er vooral een van uitvoerende aard. Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen blijkt dat zij onder andere lijsten opmaakte van ingekochte diesel en er voor zorgde dat die lijsten en de valse inkoopfacturen in het bakje van boekhouder [medeverdachte 1] werden gelegd. In de periode dat [medeverdachte 2] gedetineerd was (ruim 14 maanden), was haar rol meer omvangrijk en prominenter.

Anderzijds is niet aannemelijk geworden dat verdachte de initiator van het frauduleuze handelen is geweest. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte onder druk heeft gestaan om te handelen als zij heeft gedaan, met name in de periode dat [medeverdachte 2] niet gedetineerd was. De rechtbank neemt ten gunste van verdachte in haar overwegingen mee dat verdachte door de psycholoog verminderd toerekeningsvatbaar wordt beschouwd ten aanzien van de gepleegde feiten. De rechtbank heeft geen reden om aan die conclusie te twijfelen en neemt die conclusie dan ook over.

Voorts betrekt de rechtbank in haar overwegingen omtrent de op te leggen straf de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals deze ook ter zitting zijn verwoord door de raadsvrouw, in het bijzonder de zorg voor haar 11-jarige dochter, het schuldsaneringstraject waarin verdachte zit, haar behandeling bij een psychiater, de behandeling en revalidatie in het kader van haar reuma en haar blanco strafblad.

Bij de bepaling van de aan verdachte op te leggen straf heeft de rechtbank voorts acht

geslagen op de rechterlijke oriëntatiepunten van het LOVS ten aanzien van fraude, die voor een zaak als onderhavige waarbij sprake is van een benadelingsbedrag van € 700.000,=, als uitgangspunt een gevangenisstraf aangeven van 18 tot 24 maanden.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen en in aanmerking genomen de ten gunste van verdachte sprekende persoonlijke omstandigheden en haar verminderde toerekeningsvatbaarheid, acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 10 maanden passend en geboden.

In het kader van de strafoplegging heeft de rechtbank onderzocht of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Volgens vaste jurisprudentie begint de redelijke termijn te lopen op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens verdachte een handeling is verricht, waaraan verdachte in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie strafvervolging zal worden ingesteld. Daarbij wordt als uitgangspunt van de redelijke termijn in eerste aanleg een termijn van twee jaar gehanteerd.

Ten aanzien van de ten laste gelegde feiten kan als begin van de redelijke termijn naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak de dag waarop verdachte in het kader van de onderhavige zaken voor het eerst als verdachte is gehoord, genomen worden, te weten 3 juni 2012. Tot aan de dag van de uitspraak geldt derhalve een termijn van bijna 5 jaar. Er is dus sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna 3 jaar. Op grond hiervan zal strafvermindering worden toegepast.

Wegens de forse overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank in plaats van de in beginsel passende gevangenisstraf van 10 maanden een taakstraf van 180 uur (met aftrek van voorarrest van 2 uur per dag) en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar opleggen.

Deze voorwaardelijke straf acht de rechtbank - in afwijking van de eis van de officier van justitie - noodzakelijk om de ernst van de feiten te benadrukken en om verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22 c, 22d, 27, 47, 51, 57, 91 en 225 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 5 en 97 van de Wet op de accijns en de artikelen 69 en 72 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.3 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon,

terwijl zij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging;

feit 2 primair:

medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte

onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 3: medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist en/of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

feit 4: opzettelijk een in artikel 5 van de Wet op de accijns opgenomen verbod overtreden, begaan door een rechtspersoon, terwijl zij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 180 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf naar rato van twee uur per dag;

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden;

- bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd van twee jaren na te melden voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als algemene voorwaarde:

* dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. Kooijman, voorzitter, mr. Veldhuizen en mr. Schotanus, rechters, in tegenwoordigheid van De Roos, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 15 mei 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature