Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Persoonlijke aansprakelijkheid bestuurder vennootschap voor niet aan pensioenfonds afgedragen premies. Invordering ambtshalve opgelegde nota’s.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team haven en handel

zaaknummer / rolnummer: C/10/500312 / HA ZA 16-416

Vonnis van 12 april 2017

in de zaak van

de stichting

STICHTING BEDRIJFSTAKPENSIOENFONDS VOOR HET BEROEPSVERVOER OVER DE WEG,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat mr. E. Bakhuis te Amsterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. B. van Nieuwaal te Rotterdam.

Partijen zullen hierna het Pensioenfonds en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding d.d. 21 april 2016 en de door het Pensioenfonds overgelegde producties;

de conclusie van antwoord, met producties;

de brief van 12 oktober 2016, waarbij een comparitie van partijen is bepaald;

de brief van mr. Bakhuis d.d. 7 februari 2017, met bijlagen (producties 10 t/m 12);

het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 22 februari 2017;

de brief van mr. Bakhuis d.d. 3 maart 2017;

de brief van mr. Nieuwaal d.d. 10 maart 2017;

de brief van mr. Bakhuis d.d. 14 maart 2017;

de brief van mr. Nieuwaal d.d. 16 maart 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Het Pensioenfonds is een bedrijfstakpensioenfonds in de zin van artikel 1 van de Pensioenwet en artikel 1 van de Wet verplichte deelneming in een Bedrijfstakpensioenfonds (Wet Bpf 2000). Het Pensioenfonds voert een verplicht gestelde pensioenregeling uit voor zowel de sector beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen alsook voor de sector personenvervoer.

2.2.

[gedaagde] was van 14 februari 2006 tot 28 mei 2015 enig bestuurder en vanaf medio 2006 tevens enig aandeelhouder van Nesselande Logistics & Speciaal Transport B.V (hierna: Nesselande Logistics).

2.3.

Nesselande Logistics was op grond van de Wet Bpf 2000 gehouden deel te nemen in het Pensioenfonds.

2.4.

[gedaagde] heeft de aandelen van Nesselande Logistics op 28 mei 2015 overgedragen aan de Stichting Beheer en Logistiek (hierna: SBL). In de onderliggende overeenkomst, gedateerd 1 april 2015, is onder meer bepaald dat SBL garant staat voor alle verplichtingen van Nesselande Logistics.

2.5.

Op 5 november 2015 is de inschrijving van Nesselande Logistics in de registers van het Handelsregister ambtshalve doorgehaald wegens “opheffing van de vestiging”.

2.6.

Op 23 november 2015 heeft het Pensioenfonds aan Nesselande Logistics een premienota gezonden met een ambtshalve aanslag Basispensioenregeling over de periode van 1 november 2014 tot en met 31 mei 2015 voor een bedrag van € 103.200,=, met vervaldatum 8 december 2015.

2.7.

Op 25 maart 2016 heeft het Pensioenfonds aan Nesselande Logistics een premienota gezonden met een ambtshalve aanslag Basispensioenregeling over de periode van 1 januari 2010 tot en met 31 december 2012 voor een bedrag van € 299.200,=, met vervaldatum 8 april 2016.

2.8.

Nesselande Logistics heeft de hiervoor vermelde premienota’s van het Pensioenfonds onbetaald gelaten.

2.9.

Het Pensioenfonds heeft terzake Nesselande Logistics geen mededeling ontvangen van betalingsonmacht als bedoeld in artikel 23 lid 2 Wet Bpf 2000 .

2.10.

Het Pensioenfonds heeft [gedaagde] bij brieven van 9 februari 2016 en 12 april 2016 aansprakelijk gesteld voor de betaling van de bij meergemelde nota’s in rekening gebrachte pensioenpremies.

3 Het geschil

3.1.

De vordering van het Pensioenfonds luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan het Pensioenfonds van € 103.200 plus € 299.200, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf de vervaldata van de betreffende nota, althans vanaf de dag der dagvaarding en te vermeerderen met de door het Pensioenfonds gemaakte buitengerechtelijke kosten ten bedrage van € 6.145,38 inclusief 21% omzetbelasting, en

2. [gedaagde] te veroordelen in de kosten van dit geding, die van de gelegde beslagen daaronder begrepen.

3.2.

Het verweer van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering, althans de vordering, onder afwijzing van de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad, te matigen en het Pensioenfonds te veroordelen tot betaling van de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening, alsmede het Pensioenfonds te veroordelen in de nakosten, en – voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het Pensioenfonds grondt zijn vordering op het navolgende.

Nesselande Logistics is op grond van artikel 4.1 lid 1 van het toepasselijke Uitvoeringsreglement als werkgever verplicht om de loon- en premiegegevens van haar werknemers te verstrekken aan het Pensioenfonds. Ingevolge artikel 4.2 van het Uitvoeringsreglement is, indien de werkgever deze gegevens niet tijdig, juist en volledig verstrekt, het Pensioenfonds bevoegd de nodige gegevens naar beste weten vast te stellen en te hanteren bij het vaststellen van aanvullende nota’s. De werkgever is aan deze vaststelling gebonden.

4.2.

Artikel 23 lid 2 Wet Bpf 2000 bepaalt dat de rechtspersoon onverwijld nadat gebleken is, dat het niet tot betaling in staat is, daarvan mededeling doet aan het bedrijfstakpensioenfonds en, indien het bedrijfstakpensioenfonds dit verlangt, nadere inlichtingen verstrekt en stukken overlegt.

4.3.

Ingevolge artikel 23 lid 4 Wet Bpf 2000 is, indien een rechtspersoon niet of niet op de juiste wijze aan haar in het tweede lid bedoelde verplichting heeft voldaan, een bestuurder op de voet van het derde lid aansprakelijk met dien verstande dat vermoed wordt dat de niet-betaling aan hem is te wijten en dat de periode van drie jaar geacht wordt in te gaan op het tijdstip waarop de rechtspersoon in gebreke is.

4.4.

Het Pensioenfonds stelt zich op het standpunt dat Nesselande Logistics niet aan haar opgaveverplichtingen heeft voldaan en het Pensioenfonds daarvoor de in de hiervoor genoemde nota’s vermelde premie heeft opgelegd.

4.5.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat het Pensioenfonds geen inzicht heeft verschaft op welke wijze de premienota’s tot stand zijn gekomen. De rechtbank verwerpt dit verweer. Nu de premienota’s betrekking hebben op de periode dat [gedaagde] bestuurder was van Nesselande Logistics, moet hij geacht worden te weten welke werknemers aldaar werkzaam waren. Het Pensioenfonds heeft bovendien ook ter zitting aangegeven volgens welke formule (aantal werknemers x aantal maanden x € 400) het premiebedrag wordt vastgesteld, zodat het voor [gedaagde] eenvoudig is na te rekenen of dit premiebedrag reëel is. [gedaagde] kon naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden niet volstaan met een algemene en niet onderbouwde betwisting van de door het Pensioenfonds berekende premie.

4.6.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat in 2016 een aantal malen getracht is om via het werkgeversportaal de premienota’s te doen corrigeren op basis van de juiste gegevens, hetgeen niet is gelukt. Daarom ontbreekt een deugdelijke grondslag voor de premienota’s. De rechtbank verwerpt ook dit verweer. De rechtbank acht op grond van de verklaringen van partijen over en weer aannemelijk dat [gedaagde] een inlognaam en wachtwoord van het werkgeversportaal gekregen, zodat het Pensioenfonds in ieder geval niet verweten kan worden [gedaagde] geen toegang tot het werkgeversportaal te hebben verstrekt. Overigens is ter zitting gebleken dat [gedaagde] in het werkgeversportaal zeven werknemers wenste op te geven waarvan het Pensioenfonds heeft verklaard dat deze werknemers niet in de premienota’s zijn meegenomen. Zelfs als [gedaagde] was geslaagd in zijn pogingen correcties in het werkgeversportaal door te voeren, had dit voor de hoogte van de premienota’s dus niet uitgemaakt.

4.7.

[gedaagde] betwist voorts dat de door het Pensioenfonds als productie 13 overgelegde lijst van namen van werknemers van Nesselande Logistics afkomstig is van het UWV, zoals het Pensioenfonds stelt. Evenmin is duidelijk of de lijst ziet op Nesselande Logistics & Speciaal Transport B.V. In de begeleidende brief spreekt de advocaat van het Pensioenfonds namelijk over Nesselande Logistics. Dit kan ook de eveneens bestaande vennootschap Nesselande Logistics B.V. betreffen.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Niet relevant is in dit verband of de gegevens in de lijst afkomstig zijn van het UWV, maar of de gegevens juist zijn. Van de juistheid van de gegevens gaat de rechtbank uit, nu [gedaagde] die gegevens onvoldoende gemotiveerd betwist heeft. [gedaagde] heeft aangegeven dat verschillende werknemers op deze lijst een pensioenverzekering bij Generali zouden hebben. [gedaagde] heeft deze stelling echter niet onderbouwd met relevante bescheiden.

Onaannemelijk is dat de advocaat van het Pensioenfonds met zijn verwijzing in de begeleidende brief met Nesselande Logistics naar Nesselande Logistics B.V. heeft willen verwijzen. Niet alleen omdat de raadsman in de processtukken van het Pensioenfonds expliciet heeft aangegeven dat met Nesselande Logistics steeds Nesselande Logistics & Speciaal Transport B.V. wordt bedoeld, maar ook omdat Nesselande Logistics B.V. in het onderhavige geschil geen relevante partij is.

4.8.

[gedaagde] betwist de hoogte van de premienota’s voorts bij gebrek aan wetenschap aangezien de administratie van Nesselande Logistics in het kader van de overdracht aan SBL is overgedragen en niet (meer) door [gedaagde] kan worden geraadpleegd.

De rechtbank overweegt dat het op de weg van [gedaagde] lag om dit verweer te motiveren. Niet in geschil is dat de premies zijn opgelegd op basis van informatie die aan het Pensioenfonds is verstrekt over de periode dat [gedaagde] bestuurder van Nesselande Logistics was. Dat [gedaagde] vervolgens de aandelen en de volledige administratie aan een derde heeft overgedragen op zodanige wijze dat hij kennelijk geen toegang meer kan krijgen tot de administratie, komt voor zijn risico. Ook dit verweer wordt verworpen.

4.9.

De rechtbank gaat er gelet op het voorgaande van uit dat de premienota’s terecht zijn opgelegd. Nu vast staat dat deze niet zijn voldaan en Nesselande Logistics noch [gedaagde] de in artikel 23 lid 2 Wet Bpf bedoelde melding van betalingsonmacht heeft gedaan, wordt, als hierboven overwogen vermoed dat de niet-betaling aan [gedaagde] is te wijten en dat het niet betalen van de bijdragen het gevolg is van aan [gedaagde] te wijten kennelijk onbehoorlijk bestuur. [gedaagde] is op grond daarvan in beginsel hoofdelijk aansprakelijk voor de door Nesselande Logistics aan het Pensioenfonds verschuldigde bijdragen.

4.10.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat voor zover de premienota’s al terecht zouden zijn opgelegd er onder de gegeven omstandigheden voor persoonlijke aansprakelijkheid geen plaats is, omdat [gedaagde] alles heeft gedaan wat redelijkerwijze van hem verwacht mocht worden, althans dat hem persoonlijk geen verwijt kan worden gemaakt. [gedaagde] wijst daarbij op de volgende omstandigheden:

a. a) [gedaagde] was niet bekend met de beweerdelijke pensioenverplichtingen;

b) [gedaagde] werd eerst middels een aanmaningsbrief namens het Pensioenfonds van 9 februari 2016 bekend met de premienota van 23 november 2015. Na ontvangst van de dagvaarding werd [gedaagde] vervolgens gekend met de premienota van 25 maart 2016;

c) de marktomstandigheden waardoor financiële middelen ontbraken om de discussie met het Pensioenfonds netjes af te wikkelen;

d) de inspanningen die in het kader van de correctie van de premienota’s door [gedaagde] zijn verricht om de correcties door te voeren en het verzuim van het Pensioenfonds om de correcties door te voeren;

e) het tekortschieten door SBL om haar verplichtingen uit de overeenkomst van 1 april 2015 met [gedaagde] na te komen.

4.11.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

(ad a en b) Zonder nadere informatie op dit punt moet het ervoor gehouden worden dat het Pensioenfonds eerst in 2015 bekend is geworden met de omstandigheid dat Nesselande Logistics niet aan haar pensioenverplichtingen had voldaan. [gedaagde] wist, althans behoorde te weten dat het pensioenfonds op grond van ambtshalve vastgestelde gegevens aanvullende premie’s kon opleggen en in rekening brengen. Indien deze nota’s [gedaagde] niet hebben bereikt omdat hij geen bestuurder meer was en ook zijn aandelen inmiddels had overgedragen, komt dit voor zijn risico. Voor zover het Nesselande Logistics ontbrak aan de middelen om haar pensioenverplichtingen te voldoen had zij daarvan op de voet van artikel 23 lid 2 Wet Bpf 2000 een melding moeten maken bij het Pensioenfonds (omstandigheid c).

Wat betreft omstandigheid d verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.6 is overwogen.

Ook de omstandigheid (onder e) dat de derde aan wie [gedaagde] de aandelen en de administratie heeft overgedragen de verplichting uit de overeenkomst niet is nagekomen, disculpeert [gedaagde] niet. Het is [gedaagde] geweest die ervoor heeft gekozen om met deze derde te contracteren. [gedaagde] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die meebrengen dat hij erop mocht vertrouwen dat deze derde zodanig zou handelen dat Nesselande Logistics al haar verplichtingen jegens het Pensioenfonds alsnog zou nakomen en de gevolgen van de schendingen van de verplichtingen jegens het Pensioenfonds – welke hadden plaatsgevonden onder het (indirect) bestuur van [gedaagde] – feitelijk voor haar rekening zou nemen.

4.12.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt aldus uit de door [gedaagde] aangevoerde omstandigheden niet dat [gedaagde] alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem verwacht mocht worden, althans dat hem persoonlijk geen verwijt kan worden gemaakt en hij derhalve niet persoonlijk aansprakelijk zou zijn.

4.13.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat mocht hem persoonlijk al iets te verwijten zijn en op grond daarvan enige aansprakelijkheid op hem rusten, dat op de redelijkheid en billijkheid op grond van voornoemde omstandigheden onder a t/m e aan toewijzing van de vordering in de weg staat, althans een aanzienlijke matiging (tot nihil) op zijn plaats is.

4.14.

De rechtbank ziet geen aanleiding op grond van de redelijkheid en billijkheid de vordering af te wijzen althans te matigen, nu de gestelde omstandigheden in de risicosfeer van [gedaagde] liggen, zoals hiervoor reeds onder 4.11 is overwogen.

4.15.

De conclusie is dat de vordering in hoofdsom voor toewijzing gereed ligt.

4.16.

De gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu onvoldoende is gesteld en evenmin is gebleken dat het gaat om verrichtingen die meeromvattend zijn dan de verrichtingen waarvoor de in de artikelen 237-240 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten.

4.17.

Onvoldoende is gesteld of gebleken dat er sprake is van een handelsovereenkomst als bedoeld in artikel 6:119a Burgerlijk Wetboek , zodat over de hoofdsom de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 Burgerlijk Wetboek zal worden toegewezen.

4.18.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het Pensioenfonds worden begroot op:

- dagvaarding € 97,73

- griffierecht 3.903,00

- salaris advocaat 5.160,00 (2 punten* × tarief € 2.580,00)

Totaal € 9.160,73

* dagvaarding (1), comparitie (1)

4.19.

[gedaagde] heeft aangevoerd dat de gevorderde beslagkosten dezelfde zijn waarvoor ook al in de procedure die heeft geleid tot het vonnis van deze rechtbank van 8 juni (488376/HA ZA 15-1125) een kostenveroordeling is uitgesproken. Het Pensioenfonds heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank hiervan uitgaat. Deze kosten zullen derhalve worden afgewezen.

4.20.

[gedaagde] heeft bezwaar gemaakt tegen het uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis, aangezien de gelegde bankbeslag geen doel heeft getroffen en van het beslag op de onroerende zaken geen opbrengst valt te verwachten. Executie zal derhalve slechts resulteren in nodeloze kosten. Bovendien wenst [gedaagde] van een (deels) toewijzend vonnis in hoger beroep te gaan.

4.21.

De rechtbank is van oordeel dat deze belangen niet opwegen tegen het belang van het Pensioenfonds om zo spoedig mogelijk over een executoriale titel te beschikken. De rechtbank zal het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan het Pensioenfonds te betalen een bedrag van € 402.400,00 (vierhonderdtweeduizendvierhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het toegewezen bedrag vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen tot de dag van volledige betaling,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van het Pensioenfonds tot op heden begroot op € 9.160,73,

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. van der Hoeven en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Bouwman op 12 april 2017.

2111/39


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature