Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Het voormalig hoofd technisch beheer van de Rijksuniversiteit Groningen (RUG) is veroordeeld tot 3 jaar celstraf waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Ook moet hij de universiteit een schadevergoeding betalen van 450.000 euro.

De zoon van de hoofdverdachte moet 2 jaar de gevangenis in, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaar. Daarnaast moet hij 170.000 euro schadevergoeding betalen aan de RUG.

Uitspraak



Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/997037-15

Datum vonnis: 17 mei 2017

Vonnis (promis) op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte 2],

geboren op [geboortedag] 1984 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats], [adres].

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 mei 2016, 24 oktober 2016 14 maart 2017, 23 maart 2017, 28 maart 2017, 30 maart 2017 en 10 mei 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.H.J. Bollen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. A.E. van der Wal, advocaat te Amsterdam, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte ten aanzien van de feiten sub 1 en sub 2 gedurende een periode van acht jaren en vijf jaren samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van opzetheling van diverse geldbedragen, dan wel dat hij in dezelfde periode samen met anderen een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen van diverse geldbedragen.

Ten aanzien van feit 3 komt de verdenking er op neer dat verdachte samen met anderen valsheid in geschrifte heeft gepleegd door een valse werkgeversverklaring en brief te overleggen teneinde een hypotheek te verkrijgen.

Voluit luidt de gewijzigde tenlastelegging aan de verdachte, dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 maart 2008 tot en met 25

januari 2016, te Groningen en/of Harkstede en/of Peize, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) andere(n) - natuurlijke en/of rechtspersonen -, van het plegen van

opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

een of meer goed(eren), te weten (onder meer):

- in 2008 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 18.700 euro en/of;

- in 2009 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 25.774 euro en/of;

- in 2010 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 25.529 euro en/of

- op 18 februari 2010 een geldbedrag ter hoogte van 10.000 euro en/of

- ( op 19 februari 2010) een auto, kenteken [kenteken] en/of

- in 2011 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 25.973 euro en/of;

- in 2012 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 35.535 euro en/of;

- in 2013 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 32.262 euro en/of;

- in 2014 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 37.723 euro en/of;

- in 2015 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 26.293 euro en/of;

- in 2016 een salaris,

verworven en/of voorhanden gehad,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die/dat geldbedrag(en) (telkens) wist(en), dat het (een) door misdrijf verkregen

geldbedrag(en) betrof(fen);

art. 417 Wetboek van Strafrecht

art. 416 Wetboek van Strafrecht

en/of

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 1 maart 2008 tot en met 25

januari 2016, te Groningen en/of Harkstede en/of Peize, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) andere(n) - natuurlijke en/of rechtspersonen -, van het plegen van

witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

een of meerdere voorwerp(en), te weten (onder meer):

- in 2008 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 18.700 euro en/of;

- in 2009 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 25.774 euro en/of;

- in 2010 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 25.529 euro en/of;

- ( op 18 februari 2010) een geldbedrag ter hoogte van 10.000 euro en/of;

- ( op 19 februari 2010) een auto, kenteken [kenteken] en/of;

- in 2011 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 25.973 euro en/of;

- in 2012 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 35.535 euro en/of;

- in 2013 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 32.262 euro en/of;

- in 2014 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 37.723 euro en/of;

- in 2015 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 26.893 euro en/of;

- in 2016 een salaris,

althans enig(e) voorwerp(en) verworven en/of voorhanden gehad en/of omgezet en/of daarvan gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), dat bovenomschreven voorwerp(en)

geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middelljk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf;

art 420ter Wetboek van Strafrecht

art 420bis lid 1 ahf7ond a Wetboek van Strafrecht

2.

Onder meer zaaksdossier 3 [verdachte 3]

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 december 2009 tot en met

1 maart 2014, te Groningen en/of Harkstede en/of Peize, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) andere(n) - natuurlijke en/of rechtspersonen -, van het plegen van

opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededader(s)

een of meer goed(eren), te weten (onder meer):

- in 2009 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 518 euro en/of;

- in 2010 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 21.518 euro en/of;

- in 2011 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 24.073 euro en/of;

- in 2012 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 24.499 euro en/of;

- in 2013 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 19.062 euro en/of;

- in 2014 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 4.661 euro,

verworven en/of voorhanden gehad,

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die/dat geldbedrag(en) (telkens) wist(en), althans redeljkerwijs had(den) moeten

vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen geldbedrag(en) betrof(fen);

(artikelen 47, 417/416 Wetboek van Strafrecht )

3.

Onder meer zaaksdossier 2 [verdachte 2]

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 18 maart 2008 tot en met 3

mei 2008, te Groningen en/of Harkstede en/of Peize, althans in Nederland, tezamen en in

vereniging met (een) andere(n) - natuurlijke en/of rechtspersonen -, althans alleen,

opzettelijk gebruik heeft gemaakt van en/of opzettelijk heeft afgeleverd en/of opzettelijk

voorhanden heeft gehad een vals(e) of vervalst(e) arbeidsovereenkomst en/of,

werkgeversverklaring, en/of een ander schriftelijke bescheiden,

zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, als ware

het echt en onvervalst,

bestaande die valsheid hierin dat in strijd met de waarheid, te weten (onder meer):

- in de arbeidsovereenkomst d.d. 18 maart 2008 vermeld staat dat hij, verdachte, vanaf die

datum voor onbepaalde tijd in loondienst was voor 40 uur per week en/of werkzaam was bij

[bedrijf 14] B.V., en/of

- in de werkgeversverklaring d.d. 18 maart 2008 vermeld staat dat hij, verdachte, een

arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd heeft, en/of

- in een brief d.d. 30 april 2008 vermeld dat de proeftijd wordt geacht te zijn doorlopen en/of

het arbeidscontract per die datum wordt omgezet in een arbeidscontract in onbepaalde tijd;

bestaande dat gebruik maken hierin dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) die

arbeidsovereenkomst en/of die werkgeversverklaring, en/of die brief heeft/hebben verstrekt of

doen toekomen aan De Hypotheekshop teneinde een hypothecaire geldlening te doen/laten

verstrekken door Obvion,

terwijl hij, verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en), althans redelijkerwijs

moest(en) vermoeden dat die arbeidsovereenkomst en/of die werkgeversverklaring enlof die

brief bestemd was/waren tot gebruik als ware dit/deze geschrift(en) echt en onvervalst;

(artikelen 47 en 225 lid 2 van het Wetboek van Strafrecht )

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Algemeen

De vader van verdachte, [verdachte 1], werkte sinds 1976 als ambtenaar in loondienst bij de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: de RuG). Vanaf 2006 bekleedde hij de functie van Hoofd Technisch Beheer. Op zijn afdeling werkten ten tijde van zijn verhoor (25 januari 2016) 22 werknemers, waarvan acht gedetacheerde werknemers. Medeverdachte [verdachte 1] was als leidinggevende voor deze mensen verantwoordelijk.

[verdachte 6] (hierna: [verdachte 6]) was directeur van [bedrijf 13] N.V., [bedrijf 14] B.V., [bedrijf 15] B.V., [bedrijf 16] B.V. en [bedrijf 17] N.V.

[verdachte 1] kent [verdachte 6] via zijn werk en over de bedrijven van [verdachte 6] heeft [verdachte 1] verklaard dat zij vaste bedrijven zijn waarmee de RuG in de ten laste gelegde periode samenwerkte. Zij voerden in die periode regelmatig klussen uit voor de RuG. Zij hebben specifieke kennis over de gebouwen en installaties van de RuG.

[verdachte 7] (hierna: [verdachte 7]) is directeur van [bedrijf 4] B.V. en [bedrijf 8]. Ook deze bedrijven werkten in de ten laste gelegde periode als opdrachtnemer voor de RuG, als klussenbedrijf en technische installateurs. Daarnaast deden zij diverse inspecties en waren er zzp'ers werkzaam via [bedrijf 4]. Over [verdachte 7] heeft [verdachte 1] verklaard dat hij een soortgelijke relatie met hem heeft als met [verdachte 6].

Het dienstverband en loon van verdachte

Verdachte, de zoon van [verdachte 1], stond vanaf 2008 tot en met 25 januari 2016 op de loonlijst van de bedrijven van [verdachte 6] en [verdachte 7].

Aan verdachte zijn blijkens de loonstroken de volgende bruto salarissen uitbetaald:

2008 [bedrijf 14] BV ([verdachte 6]) 28.568

2009 [bedrijf 14] BV ([verdachte 6]) 39.879

2010 [bedrijf 14] BV ([verdachte 6]) 15.394

[bedrijf 15] BV ([verdachte 6]) 24.321

2011 [bedrijf 15] BV ([verdachte 6]) 40.548

2012 [bedrijf 15] BV ([verdachte 6]) 11.175

[bedrijf 4] VOF ([verdachte 7]) 20.502

[bedrijf 4] BV ([verdachte 7]) 23.515

2013 [bedrijf 15] ([verdachte 6]) 3.044

[bedrijf 4] BV ([verdachte 7]) 44.715

2014 [bedrijf 17] ([verdachte 6]) 4.990

[bedrijf 4] BV ([verdachte 7]) 45.704

2015 [bedrijf 4] BV ([verdachte 7]) 29.369

---------

331.724

Aan verdachte zijn blijkens de loonstroken de volgende netto salarissen uitbetaald:

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2008 18.700,12

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2009 25.774,77

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2010 25.529,78

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2011 25.973,17

Ontvangen netto-loon via [bedrijf 4] ([verdachte 7]) in 2012 27.744,50

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2012 6.799,68

Ontvangen netto-loon via [bedrijf 4] ([verdachte 7]) in 2013 30.383,90

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2013 1.878,52

Ontvangen netto-loon via [bedrijf 4] ([verdachte 7]) in 2014 6.544,34

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2014 31.178,97

Ontvangen netto-loon via [bedrijf 4] ([verdachte 7]) in 2015 26.893,65

Verdachte heeft vanaf 1 september 2007 tot en met 2010 een voltijdse opleiding (vastgoed en makelaardij) gevolgd aan de Hanze Hogeschool in Groningen.

In 2010 en 2011 heeft hij stage gelopen bij GGZ Drenthe. Hij heeft daarvoor een netto salaris ontvangen van respectievelijk 579,51 euro en 359,18 euro.

Blijkens loonstroken van Youngcapital Payrol B.V. heeft verdachte in 2015 elders (bij de ING) gewerkt en in verband daarmee een bruto salaris van 12.228 euro ontvangen.

Doorfacturering van de salariskosten binnen de bedrijven van [verdachte 6] en [verdachte 7] vond als volgt plaats. In de periode 2008 t/m 2011 werd gefactureerd van [bedrijf 13] N.V. ([verdachte 6]) naar [bedrijf 16] B.V. ([verdachte 6]) en van daaruit naar [bedrijf 4] B.V. ([verdachte 7]). Vanuit [bedrijf 4] B.V. werd met een verhoging van 10% gedeclareerd bij de RuG. Vanaf 2012 werd rechtstreeks door [bedrijf 4] B.V. gedeclareerd.

[verdachte 1] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Er moesten omstandigheden gecreëerd worden zodat mijn zoon een huis kon kopen. Ik maakte zelf fake-opdrachten aan gericht aan [bedrijf 13] en ondertekende deze. Ik heb urenbriefjes van [bedrijf 13] getekend. [verdachte 6] mocht gewoon factureren tegen uurtarief, dat was de afspraak. Dat is anders gegaan; er is gefactureerd via [verdachte 7].

Toen binnen de RuG geen zaken meer werden gedaan met [bedrijf 13] heb ik [verdachte 7] gevraagd: ”Kan [verdachte 2] bij jou onder dak?” Ik heb toen gezegd dat ik voor werk en opdrachten zou zorgen. Hier zijn ook fake-opdrachten voor gemaakt. [verdachte 7] bracht op mijn verzoek dingen in, op facturen, op basis van de (fake) opdrachten die ik verstrekte. Ik wist dat de uren van [verdachte 2] werden gefactureerd aan de RuG. [verdachte 7] wist dit ook.

Een en ander heeft valse dienstbetrekkingen opgeleverd, waarbij [verdachte 2] geen werk verrichtte, maar wel loon ontving. Daarna werden de loonkosten gefactureerd aan de RuG zonder dat er een tegenprestatie tegenover stond.

[verdachte 7] begreep best dat er dankzij mij opdrachten zijn kant opkwamen. Hij deed dit om mij te vriend te houden. Met [verdachte 7] was de afspraak dat hij er 10% bij op mocht tellen. Hij declareerde dus loonkosten + 10%.

De urenbriefjes gaf mijn zoon aan mij. Hij moest die briefjes invullen. De blanco urenbriefjes werden door iemand van de bedrijven van [verdachte 6] verstrekt. Het was afgesproken met [verdachte 6] dat [verdachte 2] de briefjes invulde. Om het kloppend te maken moest hij dat doen. Toen het met die urenbriefjes niet gedegen liep heb ik gezegd tegen [verdachte 6]. Kom maar met een pro-forma factuur, dan maak ik een fake opdracht aan. Dit heb ik alleen geregeld met [verdachte 6], niet met andere werknemers van de bedrijven van [verdachte 6].

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Ik heb de situatie geaccepteerd. Ik ontving meer geld voor werkzaamheden dan die ik uitvoerde. Ik heb het mijn vader eerlijk verteld. Ik heb nooit met [verdachte 6] over salaris gesproken. Dat heeft mijn vader gedaan. Ik denk dat mijn vader mijn salaris (2.100 euro netto) heeft afgestemd op het benodigde hypotheekbedrag. Ik heb in totaal 3 volle werkweken en 3 à 4 dagen gewerkt. In de periode juni 2010 tot en met april 2013 heb ik amper iets gedaan voor [bedrijf 13]. Het deed mij vermoeden dat er iets aan de achterkant mogelijk anders geregeld was. Ik durfde het mijn vader niet te vragen. Mijn vader wist dat ik niet continu aan het werk was. Ik besprak ook de angst om mijn woning te moeten verkopen met mijn vader.

Bij [verdachte 7] ging het op dezelfde voet verder. Ik hoefde bij [verdachte 7] geen urenbriefjes in te vullen. Ik ontving per maand 2.100 euro netto.

Ik kreeg de blanco urenbriefjes van [naam 1]. Ik vulde die urenbriefjes in. Het urenbriefje zoals u mij dat eerder getoond heeft (DOC-025) was een urenbriefje zoals ik dat had ingevuld. Dit urenbriefje was conform afspraak zo door mij ingevuld, alhoewel ik in deze periode wel werkzaamheden heb verricht, maar het sowieso niet conform de werkelijkheid was, omdat er meer uren staan vermeld dan ik heb gewerkt. Beide handtekeningen onder deze werkbon zijn van mij. Er was ondertekening nodig en ik was niet altijd op tijd en in de gelegenheid om mijn vader te vragen om de urenbriefjes te ondertekenen. In andere gevallen tekende mijn vader de urenbriefjes wel. Ik denk dat ik mijn vader heb gevraagd welke naam ik op de bon moest zetten en dat mijn vader deze naam had doorgegeven.

Onder DOC-024 t/m DOC-38 zijn een veertiental werkbonnen van [bedrijf 13] opgenomen, welke op naam zijn gesteld van verdachte en zijn voorzien van een handtekening “[verdachte 1]”. Op de bonnen is telkens een werkweek van 40 uur ingevuld. Als opdrachtgever is telkens vermeld Rijksuniversiteit Groningen of RuG. Ter uitvoering van de werkbonnen is telkens een factuur van [bedrijf 13] gericht aan [bedrijf 16] B.V. opgemaakt waarop telkens de werkuren en de naam [verdachte 2] zijn vermeld.

De toenmalige vriendin van verdachte, [verdachte 3], heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Van januari 2015 t/m oktober 2015 heeft [verdachte 2] niets voor [verdachte 7] gedaan. Hij werkte bij de ING-bank en kon niet op 2 plaatsen tegelijk zijn. [verdachte 1] heeft geregeld dat er toch geld binnenkwam door [verdachte 2] op de loonlijst te houden. [verdachte 1] had dit zo geregeld voor ons. [verdachte 2] en ik waren niet gelukkig met de situatie. Wij kregen salaris voor een fulltime baan terwijl wij nooit fulltime werkten. [verdachte 2] was in 2009 bezig met zijn studie. In 2010 of 2011 heeft hij stage gelopen bij GGZ Drenthe. In de periode 2011-2014 was hij bezig met een opleiding als inspecteur asbestverwijdering.

[verdachte 6] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Dit is een standaard arbeidsovereenkomst. Volgens mij heeft [naam 2] de arbeidsovereenkomst met [verdachte 2] opgemaakt. Het salaris klopt wel. Er werden loonkosten van [verdachte 2] in rekening gebracht bij [verdachte 7].

[naam 1] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: [verdachte 1] zei dat zijn zoon bij ons ([bedrijf 13]) op de loonlijst moest komen en minimaal 1.700 euro netto per maand moest ontvangen. Ik gaf aan dat [verdachte 6] hier over ging, maar dat hij geen opvreters meer op de loonlijst wilde hebben. [verdachte 1] gaf aan dat er werkbriefjes met 40 uur in de week zouden komen en dat [bedrijf 13] daarvoor 40 euro uur per uur mocht factureren. [verdachte 6] wilde dat eerst niet, hij had geen behoefte aan een nieuwe opvreter bij het bedrijf. Nadat ik hem had uitgelegd dat het bedrijf er wel iets aan zou kunnen overhouden veranderde hij van mening. We konden dan per maand ruwweg 4 x 40 x 40 = 6.400 euro factureren en aan loonkosten zouden we ruim 3.000 euro kwijt zijn.

Op een gegeven moment ging het met 1 x per maand een bon, waarvan ik dan een factuur maakte. Ik gaf de factuur aan [verdachte 6], die ‘m persoonlijk aan [verdachte 1] gaf. Er werd gefactureerd bij de RuG.

[verdachte 7] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: [verdachte 1] zei dat hij wel klusjes had voor mij bij de RuG. Zo kreeg ik werk en het werd steeds uitgebreid. 90 % van onze werkzaamheden bestonden uit werkzaamheden voor de RuG. [verdachte 2] werkte bij [bedrijf 13] en [verdachte 1] vroeg of ik werk had Voor [verdachte 2]. Hij is in 2012 bij ons aan het werk gekomen. Hij heeft 2 à 3 weken gewerkt. Vervolgens heeft hij niet meer gewerkt. De afspraak met [verdachte 1] was dat [verdachte 1] vanuit de RuG een werkbon zou opmaken voor 160 uur per maand. Ik kan de uren dan declareren voor 37,85 euro per uur. [verdachte 1] heeft ook gezegd dat [verdachte 2] 2.100 euro moest gaan verdienen. Ik had er grote moeite mee. [verdachte 1] bepaalde alles en hoe het gebeurde. [verdachte 1] heeft weliswaar nooit gezegd dat als ik niet meer mee wilde werken aan deze constructie, ik geen werk meer bij de RuG zou hebben, maar dat gevoel had ik wel.

Het loon van [verdachte 3]

, de vriendin van [verdachte 2], staat vanaf 2009 tot en met 2014 op de loonlijst van de bedrijven van [verdachte 6]. (1-PV)

Aan [verdachte 3] zijn blijkens de loonstroken de volgende bruto salarissen uitbetaald:

2009 [bedrijf 15] BV ([verdachte 6]) 2.138

2010 [bedrijf 15] BV ([verdachte 6]) 30.968

2011 [bedrijf 15] BV ([verdachte 6]) 37.267

2012 [bedrijf 15] BV ([verdachte 6]) 37.649

2013 [bedrijf 15] ([verdachte 6]) 13.313

[bedrijf 17] N.V. ([verdachte 6]) 8.290

2014 [bedrijf 17] N.V. ([verdachte 6]) 6.632

----------

136.257

Aan [verdachte 3] zijn blijkens de loonstroken de volgende netto salarissen uitbetaald:

Ontvangen netto-loon [verdachte 6] concern in 2009 518,80

Ontvangen netto-loon [verdachte 6] concern in 2010 21.518,82

Ontvangen netto-loon [verdachte 6] concern in 2011 24.073,96

Ontvangen netto-loon [verdachte 6] concern in 2012 24.499,94

Ontvangen netto-loon [verdachte 6] concern in 2013 19.062,11

Ontvangen netto-loon [verdachte 6] concern in 2014 4.661,22

[verdachte 1] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Ik heb [verdachte 6] gevraagd of hij werk voor [verdachte 3] had. Hiervoor geldt dezelfde gang van zaken als voor [verdachte 2]. Omdat ze het geld wel nodig had. Zijn de dienstverbanden vals? Ja met betrekking tot de doorfacturering aan de RuG zijn deze vals. Daarmee bedoel ik dat er geen werkzaamheden door haar t.b.v. de RuG zijn verricht. Alle loonkosten van zowel [verdachte 2] als [verdachte 3] in de jaren 2008 t/m 2015 zijn ten onrechte doorgefactureerd aan de RuG. Ik ben daar verantwoordelijk voor. De afspraak was met [verdachte 6] dat hij zelf de loonkosten van [verdachte 2] en [verdachte 3] zou doorfactureren. Er werd echter gefactureerd via [verdachte 7]. Ik heb blind geaccordeerd. Er zijn geen werkzaamheden door [verdachte 3] ten behoeve de RuG verricht.

[verdachte 3] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: In de arbeidsovereenkomst staat 38 uur, maar ik werkte maar 20 uur. Ik kreeg wel fulltime salaris. Als [verdachte 6] geen projecten voor mij had kreeg ik gewoon volledig salaris overgemaakt. [verdachte 1] heeft een en ander met [verdachte 6] besproken. In 2010 en 2011 heb ik wel een aantal klussen voor [verdachte 6] gedaan, maar dat waren er niet veel. [verdachte 6] had niets voor mij te doen. De werkbonnen die u mij toont zijn door mij ingevuld en ondertekend. De omschrijving heb ik erop gezet. [verdachte 6] vroeg mij dit te doen. De bonnen geven weer dat ik 38 uur per week heb gewerkt. Dit klopt volgens mij niet. Het waren minder uren. Hoeveel weet ik niet. Ik hoefde het nooit te verantwoorden. Ik heb inderdaad werkbonnen ingevuld en daar uren op gezet die ik in werkelijkheid niet had gewerkt. Dat is fout. [verdachte 2] en ik waren niet gelukkig met de situatie. Wij kregen salaris voor een fulltime baan terwijl wij nooit fulltime werkten. [verdachte 2] weet dat ik mij schuldig voelde over het feit dat ik salaris kreeg waarvoor ik niet werkte. Ik weet dat personeel van [verdachte 6] werkzaamheden verricht voor de RuG.

Toen ik voor [verdachte 6] werkte regelde ik bijna alles met [verdachte 1]. Ik dacht dat [verdachte 1] in een positie zat om dat te doen, omdat hij ervoor zorgde dat [bedrijf 13] opdrachten kreeg van de RuG. Ik denk dat [verdachte 1] als tegenprestatie had geregeld dat [verdachte 6] mij salaris betaalde.

Onder DOC-128 t/m DOC-131 zijn een vijftiental werkbonnen van [bedrijf 13] opgenomen, welke op naam zijn gesteld van [verdachte 3] en zijn voorzien van een handtekening “[verdachte 3]”. Op de bonnen is telkens een werkweek van 38 uur ingevuld. Als werkomschrijving is telkens vermeld “Diverse werkzaamheden [verdachte 6]”. Ter uitvoering van de werkbonnen is telkens een factuur van [bedrijf 13] gericht aan [bedrijf 16] B.V. opgemaakt waarop telkens een totaalbedrag van 4.462,50 (inclusief B.T.W.) en de naam [verdachte 3] zijn vermeld.

[verdachte 6] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: [verdachte 3] heeft bij mij gewerkt. Zij is het vriendinnetje van [verdachte 2].

[naam 1] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: [verdachte 1] zei dat zijn zoon bij [bedrijf 13] op de loonlijst moest komen. Voor [verdachte 3] gold feitelijk hetzelfde. Zowel [verdachte 2] als zijn vriendin zijn niet bij ons bedrijf aan het werk geweest.

Ik ga er vanuit dat [verdachte 1] heeft geregeld dat [verdachte 3] in loondienst kwam bij [bedrijf 13]. Dit moet via [verdachte 6] zijn gegaan. Ik kreeg van hem te horen dat ik de RuG voor [verdachte 3] een factuur kon sturen.

[naam 2] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Wij kregen opdrachtbonnen van de RuG van [verdachte 1], waaromtrent het bij hem en bij ons duidelijk was dat de werkzaamheden niet behoefden te worden uitgevoerd. Het gaat om valse opdrachtbonnen, alleen bedoeld om de geldstroom van de RuG naar de bedrijven van [verdachte 6] mogelijk te maken. Dergelijke betalingen van de RuG staan mogelijk tegenover de door onze bedrijven (bedrijven van [verdachte 6]) gemaakte kosten in verband met het op de loonlijst hebben van [verdachte 2] en [verdachte 3]. [verdachte 3] heeft ongeveer 2 maanden bij ons gewerkt. Het was geen succes. Ik zei tegen [verdachte 6]: “Ik weet niet wat ik met dat meisje moet.” Ik moest me er maar mee redden.

We hebben de salarisbetaling aan [verdachte 2] en [verdachte 3] ook wel eens een tijd opgeschort omdat er geen opdrachtbon van de RuG binnenkwam. Dan zei [verdachte 6] tegen mij: “Betaal de salarissen nog maar even niet uit.” Ik wist van deze beide werknemers dus dat het geld eerst van de RuG moest komen

De Renault Megane, kenteken [kenteken] c.q. 10.000 euro

Uit AMB-006, een relaas met betrekking tot bankmutaties komt het volgende naar voren.

Op 18 februari 2010 ontvangt verdachte 10.000 euro op zijn rekening van [bedrijf 18]. Op 16 februari 2010 krijgt hij 9.000 euro van zijn vader. Op 19 februari 2010 vindt een betaling plaats van 20.000 euro aan Renault Terwolde.

Uit DOC-260 komt naar voren dat de RDW tenaamstelling van kenteken [kenteken] (Renault Megane) op naam van verdachte is geregistreerd vanaf 23-02-2010 tot 25-02-2014.

[verdachte 6] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Die 10.000 euro is betaald door het bedrijf [bedrijf 18] en heeft te maken met de afkoop van een bedrijfsauto voor [verdachte 2]. Hij heeft die 10.000 ontvangen.

[verdachte 1] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Ik had [verdachte 6] gevraagd of hij [verdachte 2] kon helpen met een lening voor een auto. [verdachte 6] heeft toegezegd dat hij dit zou regelen. Het is aannemelijk dat hij dat op de gebruikelijke wijze heeft door gefactureerd aan de RuG. Die facturen werden door mij gewoon goedgekeurd.

Verdachte heeft ten overstaan van de FIOD – zakelijk weergegeven – verklaard: [bedrijf 18] is een van de bedrijven van [verdachte 6]. De 10.000 euro is geregeld door mijn vader. Hij zei dat het tijd werd voor een andere auto. Ik heb samen met mijn vader de Renault besteld. Ik had niet genoeg geld. Mijn vader heeft gezorgd dat het benodigde geld op mijn rekening kwam.

Ter terechtzitting heeft verdachte nog – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:

Ik voel me slachtoffer, ik wilde namelijk wel werken. Ik voelde me er ook niet lekker bij. Ik zat in een spagaat, want ik had een woning en een relatie.

Het klopt dat de koopwoning werd geïnitieerd door mijn vader. Mijn toenmalige vriendin en ik hebben dit allemaal maar over ons heen laten gaan en het is nooit besproken in familieverband. Het klopt dat ik ook bij de ING heb gewerkt. Daarnaast klopt het dat ik stage heb gelopen bij de GGZ in Drenthe. Het klopt dat ik heb gestudeerd tot 2011. Ik zat op de Hanze hogeschool in Groningen. Ik was daar fulltime mee bezig.

U vraagt mij wat mijn contacten in de vastgoedwereld waren in 2008. Ik had er geen contacten. Ik had er enkel interesse in. Ik had dus geen ervaring.

De Renault Mégane heb ik besteld met mijn vader en kostte € 20.000,--. Ik heb de auto op naam gekregen. Mijn vader vond dat ik een goede auto nodig had, omdat ik regelmatig naar Polen moest om mijn schoonouders te bezoeken. U houdt mij voor dat de firma [bedrijf 18] € 10.000,-- euro heeft gestort op mijn rekening en dat mij vader ook € 9000,-- heeft gestort. Ik weet dat [bedrijf 18] een firma van [verdachte 6] is.

De oudste rechter vraagt mij waarom ik dingen accepteer, zoals een salaris en een auto terwijl ik er eigenlijk er niets voor heb gedaan. Ik heb daar geen antwoord op.

Nogmaals het zat ons beiden niet lekker. Ik beroep me verder op mijn zwijgrecht.

De voorzitter houdt mij een werkbon voor waarop de naam van de RuG voorkomt als opdrachtgever. Ik heb dat ingevuld en schrik ervan nu u mij dat zo voorhoudt.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wegens feiten 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, met aftrek van de periode die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1

Verdachte dient te worden vrijgesproken, aangezien de onder 1 ten laste gelegde wetenschap en opzet bij hem niet aanwezig waren, ook niet in voorwaardelijke zin. Verdachtes vader vond het geen goed idee dat verdachte een huis zou moeten huren in plaats van kopen, en heeft in zijn netwerk gezocht naar een baan voor zijn zoon. Op initiatief van zijn vader heeft hij een gesprek met [verdachte 6] gevoerd en is hij aangenomen. Hij heeft zich in dezen laten overrulen door zijn vader.

Bij het aangaan van het dienstverband met [bedrijf 13] was het de bedoeling dat hij daadwerkelijk aan de slag zou gaan. Hij heeft meermalen om werk gevraagd vanaf het moment dat hij steeds minder werk kreeg. Dat hij voor 40 uur op de loonlijst stond terwijl hij studeerde, daar zocht verdachte niets achter omdat [verdachte 6] zijn studie vastgoed juist stimuleerde en er mogelijkheden in zag.

De urenbriefjes vulde verdachte in op verzoek van zijn vader; hij dacht dat dat nodig was om zijn contracturen te verantwoorden maar heeft daar verder niets achter gezocht omdat het verzoek van zijn vader kwam.

De ontvangst van salaris terwijl de werknemer daarvoor niet werkt, levert op zichzelf nog geen strafbaar feit op. Dat wordt anders indien een derde opdraait voor dat salaris, terwijl aan die derde wordt voorgespiegeld dat hij daartoe verplicht is. Daarvan had verdachte echter geen wetenschap. Hij had geen weet van de doorberekening die kennelijk heeft plaatsgevonden door [bedrijf 13] en [bedrijf 4]; dit is hem pas duidelijk geworden tijdens de verhoren door de FIOD.

Op basis van deze omstandigheden is er geen sprake van een aanmerkelijke kans op strafbare feiten, dan wel heeft verdachte zich daaraan niet bewust blootgesteld. Het enkel niet stellen van vragen levert nog geen bewust aanvaarding van een aanmerkelijke kans op. Hetzelfde geldt ten aanzien van de € 10.000,-- van [bedrijf 18].

Voorts kan niet worden bewezen dat alle ten laste gelegde bedragen van misdrijf afkomstig zijn. Over de jaren 2008 t/m 2015 zijn er slechts vier facturen, van [verdachte 7] aan de RuG, waarin uren van verdachte worden doorbelast aan de RuG. Evenmin is met betrekking tot de

€ 10.000,-- ontvangen van [bedrijf 18] een bewijsmiddel voorhanden waaruit blijkt dat dit bedrag aan de RuG is gedeclareerd.

Subsidiair geldt dat indien verdachte wél op de hoogte zou zijn geweest van de doorberekening, er sprake zou zijn van een misdrijf dat hij zelf heeft gepleegd (valsheid in geschrift, zo niet oplichting). Een veroordeling is dan uitgesloten, nu verdachte zelf het feit waaruit de verweten goederen afkomstig zijn, heeft (mede)gepleegd; er is dan geen sprake van een gronddelict. De, volgens de officier van justitie valse, fictieve arbeidsovereenkomst was erop gericht een hypotheek te verschaffen aan verdachte; daarmee is geen salaris verkregen.

Meer subsidiair dient de rechtbank precies vast te stellen vanaf wanneer verdachte wetenschap zou hebben gehad van een strafbaar feit, nu die wetenschap moet bestaan ten tijde van het verwerven en/of voorhanden krijgen het geld afkomstig van het betreffende misdrijf. Degene die pas later op de hoogte raakt van de misdadige herkomst heeft die wetenschap op het moment van verkrijgen dus niet.

Ten aanzien van het cumulatief/alternatief ten laste gelegde witwassen geldt zoals hiervoor betoogd eveneens dat opzet en wetenschap niet bewezen kunnen worden verklaard en, subsidiair, dat sprake is van gelden afkomstig uit eigen misdrijf. Nu er echter geen sprake is van verhullingshandelingen kan het feit niet worden gekwalificeerd als witwassen en dient verdachte te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Meer subsidiair zijn de diverse helings- en witwashandelingen aan te merken als begaan in een eendaadse samenloop, nu het verwerven van de salarissen steeds is samengevallen met het voorhanden krijgen en hebben daarvan en telkens ziet op dezelfde bedragen. Uit het oogpunt van tijd, plaats, gedragingen en voorwerpen betreft het een identiek feitencomplex en daarom is er sprake van eendaadse samenloop.

Ten aanzien van feit 2

Met betrekking tot de bestanddelen ‘van misdrijf afkomstig’, wetenschap en het ingeblikte opzet in de helingshandelingen zij de rechtbank verwezen naar hetgeen ten aanzien van feit 1 is aangevoerd, en verzoekt de verdediging de rechtbank verdachte ook van dit feit vrij te spreken.

Subsidiair geldt dat verdachte deze bedragen niet heeft verworven/voorhanden heeft gehad, in ieder geval niet tot de hoogte zoals ten laste gelegd. Verdachte heeft de salarisbedragen die op de bankrekening van [verdachte 3] zijn uitbetaald niet verworven of voorhanden gehad, doch slechts hetgeen zij aan hem overmaakte ten behoeve van de gezamenlijke vaste lasten. Hij was niet gemachtigd op haar bankrekeningen en had dus niet de beschikking over de daarop aanwezige saldi. Het grootste deel van haar salaris gebruikte [verdachte 3] voor privé uitgaven, waaronder aan boodschappen, bij parfumeriezaken en kledingwinkels. In dit verband geldt dat onder ‘een door misdrijf verkregen goed’ in de zin van de helingsbepalingen niet valt dat wat indirect is verkregen. Consumpties die van het door misdrijf verkregen geld zijn gekocht zijn opbrengst van dit geld; het aannemen daarvan is voordeel trekken uit de opbrengst. Dat is strafbaar gesteld in art. 416 lid 2 Sr, doch niet ten laste gesteld.

Ten aanzien van feit 3

Zoals hiervoor betoogd was verdachte bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst in de veronderstelling dat hij in dienst zou treden bij [bedrijf 13] en dat hij daarvoor werkzaamheden zou gaan verrichten. De inhoud van de arbeidsovereenkomst is niet vals. Van (voorwaardelijk) opzet ten aanzien van de bestanddelen ‘als ware deze echt en onvervalst’ en ten aanzien van het gebruik van de arbeidsovereenkomst kan aldus geen sprake zijn, reden waarom verdachte ook van dit feit dient te worden vrijgesproken.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feit 1

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte de onder 1. tenlastegelegde feiten heeft begaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat zij, anders dan de officier van justitie en, in het spoor daarvan, de verdediging, niet uitgaat van een eigen misdrijf van verdachte als gronddelict voor de aan verdachte ten laste gelegde gewoonteheling en het gewoontewitwassen van het door hem ontvangen salaris, maar van de ambtelijke corruptie zoals geïnitieerd door zijn vader, medeverdachte [verdachte 1].

De verdediging heeft zich voorts dienaangaande namens verdachte kort gezegd op het standpunt gesteld dat verdachte niet wist, ook niet in voorwaardelijke vorm, dat zijn salaris van voornoemd gronddelict afkomstig was.

De rechtbank overweegt echter dat niet is vereist dat verdachte wist van de hoed en de rand van constructie tussen [verdachte 1], [bedrijf 13], [bedrijf 4] en de RuG teneinde voorwaardelijk opzet aan te kunnen nemen ten aanzien van de criminele herkomst van het geld.

Hoewel het zich zeer wel laat indenken dat verdachte er bij het aangaan van het dienstverband van uitging dat dit een reëel dienstverband betrof en zich daarmee hooguit een situatie van nepotisme voordeed, is de rechtbank van oordeel dat hij zich tenminste op enig moment kort nadat hij – na slechts een kleine vier weken arbeid te hebben verricht – salaris bleef ontvangen ondanks dat daar geen werkzaamheden tegenover stonden, bewust moet zijn geweest van de aanmerkelijke kans dat het salaris van enig misdrijf afkomstig was. Er was immers sprake van een situatie waarin verdachte een salaris ontving, dat bovendien voor zijn leeftijd en ervaring fors te noemen was, zonder dat hij daarvoor hoefde te presteren, en feitelijk ook niet kón presteren door studieverplichtingen en arbeidsverplichtingen elders, en waarvoor hij werkbonnen/urenbriefjes inleverde bij nota bene een ander dan zijn schijnbare werkgever(s) – te weten zijn vader – waarop hij noteerde werkzaamheden voor de RuG te hebben verricht, wetende dat dat in strijd met de waarheid was.

Niettemin heeft verdachte die aanmerkelijke kans, mede naar de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedragingen, voor lief genomen door de afweging tussen voortzetting van de situatie enerzijds, en mogelijk verlies van woning en ander comfort anderzijds, maar liefst 8 jaren lang ten voordele van zijn bezittingen en gerief te laten gevallen.

Dat verdachte zoals hij zelf bij herhaling heeft verklaard zich schuldig voelde omdat hij wel wílde werken, doet niet af aan deze conclusie dat verdachte zich de door zijn vader opgezette constructie bewust heeft laten welgevallen en zijn ogen heeft gesloten voor de specifieke details van de constructie, waardoor zijn financieel comfortabele levenswijze mogelijk is gemaakt.

Dat hij zich zoals de verdediging stelt heeft laten overrulen door zijn vader kan verdachte evenmin disculperen ten aanzien van het bij hem aanwezige voorwaardelijke opzet, aangezien dit niet afdoet aan zijn eigen verantwoordelijkheid in dezen waarin verdachte het stellen van vragen – en dit is het onderscheid ten aanzien van een onderzoeksplicht in het licht van een culpoos verwijt – in een situatie die schreeuwde om verheldering bewust achterwege heeft gelaten teneinde de status quo te kunnen continueren.

De rechtbank overweegt in reactie op een verweer namens verdachte nog dat, anders dan de verdediging meent, voor de vaststelling dat de door verdachte ontvangen bedragen van misdrijf afkomstig zijn, niet is vereist dat de tegenprestatie voor de (indirecte) begunstiging van [verdachte 1] door [bedrijf 13] dan wel [bedrijf 4] B.V., ook daadwerkelijk werd doorgevoerd ten nadele van de RuG, met andere woorden; dat de ongeoorloofde begunstiging telkens daadwerkelijk bij de RuG in rekening werd gebracht. De tegenprestatie bestond uit het mogelijk maken van een constructie waarbij niet alleen voornoemde begunstiging kon worden doorgefactureerd, maar tevens diende als ingang voor de (minstens) 10% opslag op die facturatie enkel en alleen ten voordele van [bedrijf 13] dan wel [bedrijf 4] B.V., naast de, in het geval van [verdachte 7], verzekerde veronderstelling dat de opdrachtrelatie tussen de RuG en [bedrijf 4] B.V. zou worden gecontinueerd. Reeds het creëren van deze mogelijkheid levert een strafbare kwalificatie op.

Het verweer dat zich in het dossier geen of nauwelijks bewijs bevindt van doorfacturering, kan aldus niet leiden tot enige disculperende conclusie ten aanzien van de bewijsvraag.

Bovenstaande overwegingen gelden mutatis mutandis ook voor de door verdachte ontvangen € 10.000,-- van [bedrijf 18], een bedrijf van [verdachte 6], en liggen eveneens ten grondslag aan de bewezenverklaring van het onder 1. cumulatief ten laste gelegde.

De rechtbank acht de aan verdachte onder feit 1 ten eerste ten laste gelegde gewoonteheling dan ook wettig en overtuigend bewezen, in beginsel zoals door de verdediging bepleit in een eendaadse samenloop met het cumulatief ten laste gelegde gewoontewitwassen, doch in deze zaak conform de door de officier van justitie gestelde meerdaadse samenloop nu verdachte elke maand, iedere keer weer een belangenafweging maakte het fictieve dienstverband met loonbetaling te continueren.

Ten aanzien van feit 2

Met betrekking tot de aan verdachte ten laste gelegde heling van het salaris van toenmalig partner [verdachte 3], overweegt de rechtbank dat weliswaar genoegzaam is gebleken dat verdachte heeft geprofiteerd – voordeel heeft getrokken – van die gelden, maar niet dat hij deze zelfstandig heeft verworven of voorhanden heeft gehad; gedragingen waartoe de tenlastelegging is beperkt. De rechtbank acht dan ook niet bewezen wat aan verdachte onder 2. is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

Ten aanzien van feit 3

Voor wat betreft het gebruik van de arbeidsovereenkomst ten behoeve van het verkrijgen van een hypothecaire lening, overweegt de rechtbank dat uit het dossier, noch uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte ten tijde van overleggen van de arbeidsovereenkomst aan de hypotheekverstrekker wist dat deze arbeidsovereenkomst een fictieve afspraak behelsde met betrekking tot de van hem verlangde arbeidsinzet.

Het proces-verbaal op basis waarvan de rechtbank de overtuiging zou moeten bekomen dat verdachte zich schuldig zou hebben gemaakt aan het ten laste gelegde, betreft slechts het valselijk invullen door verdachte van de urenbriefjes; een feit waartoe de tenlastelegging zich niet uitstrekt. De rechtbank acht dan ook niet bewezen wat aan verdachte onder 3. is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

hij op in de periode vanaf 1 maart 2008 tot en met 25 januari 2016, in Nederland,

van het plegen van opzetheling een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, goederen, te weten:

- in 2008 (een deel van) een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 18.700 euro en;

- in 2009 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 25.774 euro en;

- in 2010 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 25.529 euro en

- op 18 februari 2010 een geldbedrag ter hoogte van 10.000 euro en

- in 2011 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 25.973 euro en

- in 2012 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 35.535 euro en

- in 2013 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 32.262 euro en

- in 2014 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 37.723 euro en

- in 2015 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 26.293 euro en

- in 2016 een salaris,

verworven en voorhanden gehad,

terwijl hij, verdachte, ten tijde van het verwerven of het voorhanden

krijgen van die geldbedragen wist, dat het een door misdrijf verkregen

geldbedrag betrof;

en

hij in de periode vanaf 1 maart 2008 tot en met 25 januari 2016, in Nederland,

van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, een of meerdere voorwerpen, te weten:

- in 2008 (een deel van) een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 18.700 euro en

- in 2009 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 25.774 euro en

- in 2010 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 25.529 euro en

- ( op 18 februari 2010) een geldbedrag ter hoogte van 10.000 euro en

- in 2011 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 25.973 euro en

- in 2012 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 35.535 euro en

- in 2013 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 32.262 euro en

- in 2014 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 37.723 euro en

- in 2015 een salaris ter hoogte van in totaal (ongeveer) 26.893 euro en

- in 2016 een salaris,

verworven en voorhanden gehad en omgezet en daarvan gebruik gemaakt,

terwijl hij, verdachte, wist, dat bovenomschreven voorwerpen geheel afkomstig waren uit enig misdrijf;

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 417 en 420ter Wetboek van strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1

het misdrijf:

Van het plegen van opzetheling een gewoonte maken, meermalen gepleegd;

en

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken, meermalen gepleegd;

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde strafbare feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. Ook neemt de rechtbank de volgende factoren in aanmerking.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gewoonteheling en gewoontewitwassen door gedurende ongeveer acht jaren een salaris voor 40 werkuren te ontvangen van een tweetal bedrijven, terwijl hij daarvoor nauwelijks arbeid – te weten slechts gedurende een kleine vier weken – heeft verricht. Hij vulde werkbonnen in waarop stond aangegeven dat niet zijn werkgever [verdachte 6] de opdrachtgever was, maar de RuG. Dit terwijl hij wist dat zijn eigen vader, die werkzaam was bij de RuG, degene is geweest die hem de voornoemde banen heeft bezorgd waarbij hij wist dat de RuG de grootste opdrachtgever van zijn eigen werkgevers was. In al die jaren heeft hij bewust zijn ogen gesloten voor de details van deze door zijn vader geïnitieerde constructie, en daarmee de voorwaarden voor zijn financieel comfortabele leven in stand gehouden.

Voorts heeft verdachte een geldbedrag van € 10.000,-- om niet van zijn werkgever [verdachte 6] ontvangen waarbij ook zijn vader betrokken is geweest.

Verdachte heeft echter alleen oog gehad voor zijn eigen financiële gewin waardoor hij een huis kon kopen daarvan de hypotheek kon aflossen en zich geen zorgen hoefde te maken omtrent zijn verdere levensonderhoud. Bij dit alles wordt in verzwarende zin meegewogen dat verdachte jarenlang hierin schaamteloos heeft gehandeld, terwijl er ook ruimte voor bezinning bestond.

De rechtbank rekent dit hem zwaar aan.

Een belangrijke factor bij de strafmaat is de omvang van het nadeel dat verdachte door zijn/haar handelen heeft veroorzaakt. Uit het dossier en de bewezenverklaring komt naar voren dat verdachte een aandeel heeft gehad in ambtelijke corruptie waarbij in veel gevallen ten onrechte kosten zijn gedeclareerd bij de RuG en door die instantie ook zijn uitbetaald. Aldus is gemeenschapsgeld voor andere doelen aangewend dan waarvoor deze gelden door de gemeenschap ter beschikking zijn gesteld. Om de contouren van de omvang van dit nadeel vast te stellen heeft de rechtbank aan de hand van de aanknopingspunten ontleend aan dossier bezien in hoeverre het aannemelijk is dat het nadeel dat de FIOD heeft berekend (AMB-045) ook daadwerkelijk is toegebracht aan de RuG. De rechtbank zal zich hierna hierover buigen en haar bevindingen vastleggen.

Op grond van de verklaringen in het dossier van verdachte en medeverdachten omtrent de onderlinge afspraken, de loonstroken, de werkbonnen/werkbriefjes en de daarop betrekkingen hebbende facturen van [bedrijf 13] gericht aan [bedrijf 16] B.V. acht de rechtbank zonder meer aannemelijk dat de kosten van uitbetalen van brutoloon aan verdachte met toepassing van een verhoging zijn doorbelast aan de RuG.

Hoewel AMB-045 melding maakt van een keten van doorfactureringshandelingen binnen de bedrijven van [verdachte 6] en [verdachte 7], is deze doorfacturering niet in zijn geheel navolgbaar aan de hand van de stukken in het dossier. Zo is slechts een deel van de keten zichtbaar, waarin weliswaar in samenhang met de verklaringen omtrent ophoging van het uurloon een patroon valt te herkennen, maar op grond waarvan niet klaarblijkelijk kan worden aangenomen dat maar liefst 823.446 euro bij de RuG is gedeclareerd en uitbetaald, terwijl aan brutoloon blijkens de loonstroken 331.724 euro aan verdachte is uitbetaald. De rechtbank kan derhalve bij de nadeelberekening niet uitgaan van het bedrag van 823.446 euro. De rechtbank acht daarentegen wel voldoende grondslag in het dossier aanwezig om aan te nemen dat in ieder geval de gebruikelijke toeslag van 10% is gehanteerd.

Aannemelijk is dat de RuG is hierdoor in ieder geval voor een bedrag groot 331.724 euro plus 10% = 364.896 euro is benadeeld. Deze benadeling is, als uitgangspunt bij de bepaling van de strafmaat, toe te rekenen aan [verdachte 1], [verdachte 6] en [verdachte 7] als het gevolg van hun gezamenlijk optreden. Nu bij verdachte niet de ambtelijke corruptie maar gewoonteheling en gewoontewitwassen met betrekking tot het door hem genoten netto salaris is bewezenverklaard, dient het bedrag van dat nettosalaris als uitgangspunt te dienen bij het aan hem in het kader van de strafmaat toe te rekenen nadeel. Dit nadeel bedraagt 227.401 euro.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen vrijheidsstraf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

- de oriëntatiepunten voor straftoemeting, zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die, in geval van een benadelingsbedrag dat ligt tussen de

€ 125.000,-- en € 250.000,--, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vermelden van 9 tot 12 maanden;

- de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op:

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie, waaruit blijkt dat de verdachte op dit gebied nooit eerder is veroordeeld;

- een voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van 7 maart 2017.

De rechtbank is van oordeel dat een hogere straf moet worden opgelegd dan uit de oriëntatiepunten voortvloeit. De rechtbank wil enerzijds weliswaar aannemen dat verdachte onder druk heeft gestaan van zijn vader. Anderzijds moet echter in ogenschouw worden genomen dat verdachte gedurende een lange periode grof heeft geprofiteerd van de situatie waarin hij een fors bedrag aan salaris heeft opgestreken en een woning heeft gefinancierd terwijl hij daarvoor nagenoeg niets hoefde te doen. Verdachte is binnen het samenstel van mededaders degene die het meest heeft geprofiteerd van de ambtelijke corruptie. De rechtbank rekent verdachte in dit verband tevens ernstig aan dat hij de verhulling van de corruptie mede mogelijk heeft gemaakt door bewust valse werkbriefjes, die ten name waren gesteld van de RuG, in te vullen en te ondertekenen.

Het vorenstaande rechtvaardigt, mede gelet op de maatschappelijke impact, naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf met name met het oog op generale preventie en vergelding waarbij een deel voorwaardelijk zal worden opgelegd teneinde verdachte te weerhouden soortgelijke feiten te plegen.

7.4

De inbeslaggenomen voorwerpen

De verdediging heeft ter zitting gesteld dat een beslissing dient te volgen over de onder verdachte inbeslaggenomen goederen. De verdediging verzoekt de rechtbank de gelegde beslagen op te heffen en te bepalen dat de goederen aan verdachte worden geretourneerd.

Ter terechtzitting heeft de officier gesteld dat op al deze goederen conservatoir beslag is gelegd en heeft daartoe stukken overhandigd aan de rechtbank en de verdediging waaruit dit blijkt.

De officier van justitie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat daar waar het conservatoir gelegde beslagen betreft, deze beslagen zullen komen te vervallen bij een vrijspraak dan wel dat bij een veroordelend vonnis de verdediging nadien opheffing van de gelegde beslagen kan verzoeken.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat er beslag is gelegd op onder meer:

Een auto merk Volvo V40;

Het banktegoed van € 9.349,94 op de bankrekening [rekeningnummer 1];

Het banktegoed van € 12.349,40 op de bankrekening [rekeningnummer 2]

Een woning gelegen aan de [adres] te Groningen.

Voorts blijkt dat er door de officier van justitie op deze goederen, behoudens de tegoeden op voormelde bankrekeningen, conservatoir beslag heeft gelegd.

De officier van justitie heeft gesteld dat bij een eventuele vrijspraak, de gelegde conservatoire beslagen zullen komen te vervallen en heeft verder geen nader standpunt ten aanzien van eventueel ander gelegde beslagen ingenomen.

De rechtbank zal gelet hierop de teruggave aan verdachte gelasten van het aan toebehorende op de beslaglijst vermelde saldo van het bankrekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] zijnde een bedrag van € 9.349,94 en van € 12.349,40 aangezien deze niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De RuG, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 1.350.967,10. De gevorderde materiële schade bestaat onder meer uit de volgende posten:

Hoffmann Bedrijfsrecherche € 156.387,65;

Deloitte € 30.870,13;

Plas & Bossinade € 2.786,45;

PWC € 19.261,87;

Geleden schade € 1.141.661,--.

De RuG heeft daarbij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering van de RuG ontvankelijk ten aanzien van het schadebedrag. Daarnaast heeft de RuG volgens de officier van justitie ook andere kosten gemaakt, die met uitzondering van de kosten van Plas & Bossinade, in direct verband staan met de corruptie waarvoor verdachte verantwoordelijk is. De officier van justitie heeft het schadebedrag voor verdachte bepaald op € 491.088,-- en heeft dit als volgt berekend:

het brutosalaris van € 336.641,-- dat verdachte zelf heeft ontvangen;

het brutosalaris van € 144.447,-- dat zijn ex-partner [verdachte 3] heeft ontvangen;

een geldbedrag van € 10.000,-- dat verdachte heeft ontvangen.

De officier van justitie heeft gevorderd dat ook de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

Van rechtstreekse schade is geen sprake. De gestelde posten zijn niet het gevolg van de heling en het witwassen maar van de ambtelijke omkoping. Dit laatste is echter niet ten laste gelegd.

Het is voorts onduidelijk wat er nu terecht door Technisch bureau [verdachte 7] in rekening is gebracht en wat niet.

Ook is onduidelijk hoeveel er van het salaris is doorberekend aan de RuG.

Ten aanzien van Hofman is geen sprake van noodzakelijke kosten. De facturen van PWC en Deloitte zijn onvoldoende specifiek. Subsidiair geldt dat de RuG de BTW in vooraftrek kan brengen.

De kosten ten aanzien van Plas & Bossinade ten slotte, zijn wat de verdediging betreft akkoord voor zover conform het Liquidatietarief.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

In het kader van de strafmaat heeft de rechtbank uiteengezet ter hoogte van welk bedrag op basis van de bewijsmiddelen wordt geoordeeld dat verdachte de RuG heeft benadeeld, te weten € 227.401,--. De rechtbank neemt dit bedrag als uitgangspunt. Aangezien echter de exacte omvang van de schade voor de RuG in dit stadium niet vaststaat, ziet de rechtbank aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van het bedrag dat door de RuG ten minste als schade is geleden, naar redelijkheid en billijkheid op dit moment vastgesteld kan worden op

€ 170.000,--.

In reactie op het verweer ter zake overweegt de rechtbank het volgende. Anders dan de verdediging, acht de rechtbank voldoende nauw verband aanwezig tussen het aan verdachte ten laste gelegde feit en de door de RuG geleden schade om deze als rechtstreeks te kunnen beschouwen, aangezien het aan verdachte ten laste gelegde feit naar het oordeel van de rechtbank geldt als het specifieke resultaat zonder welk doel de constructie, die de benadeling van de RuG in zoverre heeft veroorzaakt, niet zou zijn bedacht en uitgevoerd.

Ten aanzien van de kosten van de kosten van Hofmann, Deloitte, Plas & Bossinade en PWC is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende rechtstreeks verband is met de bewezenverklaarde feiten zodat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Ook voor het overige verklaart de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd en gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar vordering alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Voor wat betreft de gevorderde proceskosten, is de rechtbank van oordeel dat deze kosten bij gebreke van vertegenwoordiging ter zitting alsmede van enig blijk van een door een advocaat opgesteld processtuk, niet voor toewijzing in aanmerking komen. De benadeelde partij wordt ook op dit punt niet-ontvankelijk verklaard.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op de hiervoor genoemde wetsartikelen. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 27, 36f en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

- verklaart niet bewezen dat verdachte het sub 2 en sub 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart bewezen dat verdachte het sub 1 tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte sub 1 meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Van het plegen van opzetheling een gewoonte maken, meermalen gepleegd;

en

Van het plegen van witwassen een gewoonte maken, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het onder sub 1 bewezenverklaarde;

straf

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van twee (2) jaren;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van zes (6) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten:

de rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van drie (3) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

bepaalt dat de benadeelde partij: de RuG, voor een deel van € 1.180.967,10 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van € 170.000,--, met dien verstande dat indien en voorzover de mededader betaalt verdachte daarvan zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 170.000,--, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 365 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast dat de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten de saldo van het bankrekeningnummers [rekeningnummer 1] en [rekeningnummer 2] zijnde een bedrag van € 9.349,94 en van € 12.349,40 worden teruggegeven aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. F.C. Berg en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2017.

Mr. F.C. Berg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de FIOD/belastingdienst met nummer 57182. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Proces-verbaal (zaaksdossier I) inzake [verdachte 1] d.d. 23 augustus 2016 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz 52). Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 25 januari 2016 (V-001-01, blz 1186);

Proces-verbaal (zaaksdossier I) inzake [verdachte 1] d.d. 23 augustus 2016 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz 60);

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 25 januari 2016 (V-001-02, blz 1190);

Proces-verbaal (zaaksdossier I) inzake [verdachte 1] d.d. 23 augustus 2016 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz 60);

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 25 januari 2016 (V-001-02, blz 1192);

Proces-verbaal (zaaksdossier I) inzake [verdachte 1] d.d. 23 augustus 2016 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz 60);

Geschriften zijnde de loonstroken [verdachte 2] over de jaren 2008 t/m 2015 (bruto salaris)( DOC-010a t/m DOC 010h blz 1634 e.v.);

Proces verbaal bevindingen voordeel verdachte [verdachte 2] en nadeel RUG

d.d. 12 augustus 2016 op gemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (AMB 045 blz 730 en 731);

Proces verbaal bevindingen vordering DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs d.d. 22 december 2015 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] ( AMB-011 blz 388);

Proces-verbaal bankmutaties van [verdachte 2] opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] d.d. 22 december 2015 (AMB-006 blz 368 en 369);

Geschrift zijnde de loonstroken [verdachte 2] over de jaren 2008 t/m 2015 (bruto salaris)( DOC-010a t/m DOC 010h blz 1634 e.v.) en het proces verbaal bevindingen voordeel verdachte [verdachte 2] en nadeel RUG d.d. 12 augustus 2016 op gemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (AMB 045 blz 730 en 731);

het proces verbaal bevindingen voordeel verdachte [verdachte 2] en nadeel RUG d.d. 12 augustus 2016 op gemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (AMB 045 blz 730 en 731);

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 januari 2016 (V-001-04, blz 1208, 1209 1210);

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 2] d.d. 3 februari 2016

(V-002-10 blz 1298) en Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 2] d.d. 27 januari 2016 (V-002-09 blz 1293);

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 3] d.d. 25 januari 2016

(V-003-03 blz 1327 en 1328) en Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 3] d.d. 4 februari 2016 (V-003-06 blz 1341);

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 6] d.d. 3 maart 20916 (V004-07 blz 1366);

Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 1] d.d. 25 januari 2016 (V-005-02 blz 1381);

(Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 7] d.d. 11 februari 2016

(V-006-07, blz 1424 en 1425);

Geschriften zijnde de loonstroken medeverdachte [verdachte 3] over de jaren 2009 t/m 2014 (bruto salaris)( DOC-009a t/m DOC 009g blz 1607 e.v.);

Proces verbaal bevindingen voordeel medeverdachte [verdachte 3] en nadeel RUG

d.d. 12 augustus 2016 op gemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (AMB 045 blz 732 en 733);

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 januari 2016 (V-001-06, blz 1221);

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 3] d.d. 25 januari 2016

(V-003-02 blz 1323) en het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 3] d.d. 4 februari 2016 (V-003-06 blz 1341);

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 6] d.d. 3 maart 2016 (V004-07 blz 1366);

Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 1] d.d. 26 januari 2016 (V-005-04 blz 1388);

(V08-05): Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 2] d.d. 26 januari 2016 (V-008-05 blz 1455 en 1456);

Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 6] d.d. 3 maart 2016 (V-004-07 blz 1366);

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 17 februari 2016 (V-001-09 blz 1240);

Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 2] d.d. 3 februari 2016 (V-002-11 blz 1304);

Verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 14 maart 2017;


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature