Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank Overijssel veroordeelt een 66-jarige man tot een gevangenisstraf van 3 jaar, waarvan 6 maanden voorwaardelijk. Ook moet hij een schadevergoeding betalen van 450.000 euro aan benadeelde partijen.

De rechtbank Overijssel oordeelt dat de 66-jarige Groninger de spil was in een ambtelijke corruptiezaak bij de universiteit. De man gunde opdrachten voor onderhoudswerkzaamheden op de RUG aan bevriende bouwbedrijven. In ruil daarvoor betaalden de bedrijven de man en zijn familie smeergeld en regelden zij auto’s. Via valse facturen die door de man zelf werden goedgekeurd betaalde de universiteit uiteindelijk de rekening.

Uitspraak



Rechtbank Overijssel

Afdeling Strafrecht

Zittingsplaats Almelo

Parketnummer (P): 08/997038-15

Datum vonnis: 17 mei 2017

Vonnis op tegenspraak in de zaak van de officier van justitie tegen:

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedatum] 1951 in [geboorteplaats] ,

wonende in [adres 1]

1 Het onderzoek op de terechtzitting

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzittingen van 30 mei 2016, 24 oktober 2016, 20 maart 2017, 23 maart 2017, 27 maart 2017, 30 maart 2017 en 10 mei 2017. De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. C.H.J. Bollen en van hetgeen door de verdachte en diens raadsman mr. A.C. de Kruijff, advocaat te Delfzijl, naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat aan verdachte gedurende negen jaren giften, beloften en/of diensten zijn gedaan/verleend of dat verdachte daarom heeft gevraagd, teneinde hem als ambtenaar te bewegen om (indien voor 1 januari 2015: in strijd met zijn plicht) in zijn bediening iets te doen of na te laten, dan wel dat de giften, beloften en diensten zijn gedaan ten gevolge van dergelijk handelen of nalaten.

Voluit luidt de gewijzigde tenlastelegging aan de verdachte, dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode vanaf 1 augustus 2007 tot en met 25 januari 2016, te Groningen en/of Harkstede en/of Peize en/of Thesinge, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met (een) ander(en) - natuurlijke en/of rechtspersonen -, althans alleen,

als ambtenaar, (telkens) een gift en/of dienst en/of belofte heeft aangenomen en/of gevraagd;

welke gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) onder meer heeft/hebben bestaan uit:

a. a) het ter beschikking stellen van een auto, kenteken [kenteken 1] en/of;

b) het (doen of laten) regelen van een dienstverband voor [verdachte 2] en/of;

c) het (doen of laten) betalen van loon aan [verdachte 2] en/of;

d) het (het doen of laten) regelen van een dienstverband voor [verdachte 3] en/of;

e) het (doen of laten) betalen van loon aan [verdachte 3] en/of;

f) het (doen of laten) inkopen en betalen van materialen voor [verdachte 4] en/of;

g) de helft, dan wel een gedeelte van de verkoopopbrengst van materialen door [verdachte 4] , en/of;

h) een auto, kenteken [kenteken 2] en/of;

i. i) het gebruikmaken van een tankpas en/of;

j) het (doen of laten) betalen van een geldbedrag ter hoogte van 10.000 euro aan [verdachte 2] en/of;

k) het een- of meermalen (doen of laten) betalen van de kosten voor de jaarlijkse visdag,

l) (woning [naam 1] )

het (doen of laten) betalen van de factuur/facturen:

- d.d. 6 mei 2013 van [bedrijf 1] . aan [bedrijf 2] , DOC-222 (p. 2204) en/of;

- d.d. 4 december 2012 van [bedrijf 3] aan [bedrijf 4] , DOC-223 (p. 2206) en/of;

- d.d. 23 maart 2013 van [bedrijf 5] aan [bedrijf 4] ., DOC-224 (p. 2207) en/of;

- d.d. 15 januari 2013 van [bedrijf 5] aan [bedrijf 4] ., DOC-224 (p. 2208) en/of;

- d.d. 18 januari 2013 van [bedrijf 5] aan [bedrijf 4] ., DOC-224 (p.2210) en/of;

- d.d. 29 december 2012 van [bedrijf 5] aan [bedrijf 4] ., DOC-224 (p. 2213) en/of;

- d.d. 13 december 2012 van [bedrijf 5] aan [bedrijf 4] ., DOC-224 (p. 2218) en/of;

- d.d. 18 januari 2013 van [bedrijf 6] aan [bedrijf 4] , DOC-225 (p. 2221) en/of;

- d.d. 18 december 2012 van [bedrijf 6] aan [bedrijf 4] , DOC-225 (p. 2224) en/of;

- d.d. 10 december 2012 van [bedrijf 6] aan [bedrijf 4] , DOC-225 (p. 2225) en/of;

- d.d. 21 december 2012 van [bedrijf 7] aan [bedrijf 8] , DOC-226 (p. 2228) en/of;

- d.d. 28 december 2012 van [bedrijf 9] aan [bedrijf 4] , DOC-227 (p. 2229) en/of;

- d.d. 31 december 2012 van [bedrijf 10] aan [bedrijf 8] , DOC-228 (p. 2230) en/of;

- d.d. 11 februari 2013 van [bedrijf 10] aan [bedrijf 8] , DOC-229 (p. 2231) en/of;

- d.d. 7 januari 2013 van [bedrijf 11] aan [bedrijf 8] , DOC-230 (p. 2232) en/of;

m) het een- of meermalen (doen of laten) betalen van een vakantiepremie,

n) het (doen of laten) betalen van een geldbedrag van 7.500 euro aan [verdachte 5] en/of;

o) (woning [verdachte 5] )

het (doen of laten) betalen van de factuur d.d. 15 september 2014 van [bedrijf 12] aan [bedrijf 4] ., DOC-236 (p. 2243) en/of zonnepanelen;

p) (woning [verdachte 1] )

het (doen of laten) betalen van de factuur:

- d.d. 13 mei 2015 van [bedrijf 1] . aan [bedrijf 2] , DOC-239 (p. 2247) en/of;

- d.d. 1 juni 2015 van [bedrijf 1] . aan [bedrijf 2] , DOC-240 (p. 2248),

terwijl hij die gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) telkens heeft

- aangenomen, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze hem werd(en) gedaan en/of verleend en/of aangeboden:

1° teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten en/of;

2° ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten en/of;

- gevraagd:

3° teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten en/of;

4° ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem, in strijd met zijn plicht, in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten;

art. 363 Wetboek van Strafrecht zoals geldig tot 1 januari 2015

en/of

terwijl hij die gift(en) en/of belofte(n) en/of dienst(en) telkens heeft

- aangenomen, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze hem werd(en) gedaan en/of verleend en/of aangeboden:

1° teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen en/of na te laten en/of;

2° ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten en/of;

- gevraagd:

3° teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen en/of na te laten en/of;

4° ten gevolge en/of naar aanleiding van hetgeen door hem in zijn huidige en/of vroegere bediening is gedaan en/of nagelaten;

art. 363 Wetboek van Strafrecht zoals geldig vanaf 1 januari 2015

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van deze zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding

Verdachte [verdachte 1] werkt sinds 1976 als ambtenaar in loondienst bij de Rijksuniversiteit Groningen (hierna: de RuG). Vanaf 2006 bekleedt hij de functie van Hoofd Technisch Beheer. Op zijn afdeling werken ten tijde van zijn verhoor (25 januari 2016)

22 werknemers, waarvan acht gedetacheerde werknemers. Verdachte is als leidinggevende voor deze mensen verantwoordelijk.

[verdachte 6] (hierna: [verdachte 6] ) is directeur van [bedrijf 13] ., [bedrijf 14] ., [bedrijf 15] ., [bedrijf 16] . en [bedrijf 17] .

Verdachte kent [verdachte 6] via zijn werk en over de bedrijven van [verdachte 6] heeft hij verklaard dat zij vaste bedrijven zijn waarmee de RuG in de ten laste gelegde periode samenwerkte. Zij voerden in die periode regelmatig klussen uit voor de RuG. Zij hebben specifieke kennis over de gebouwen en installaties van de RuG.

[verdachte 7] (hierna: [verdachte 7] ) is directeur van [bedrijf 4] . en [bedrijf 8] . Ook deze bedrijven werkten in de ten laste gelegde periode als opdrachtnemer voor de RuG, als klussenbedrijf en technische installateurs. Daarnaast doen zij diverse inspecties en zijn er zzp'ers werkzaam via [bedrijf 4] . Over [verdachte 7] heeft verdachte verklaard dat hij een soortgelijke relatie met hem heeft als met [verdachte 6] .

a. Het ter beschikking stellen van een auto, kenteken [kenteken 1] (VW Caddy)

De auto met kenteken [kenteken 1] stond op naam van [bedrijf 4] . en is nieuw aangeschaft in 2007. Deze auto is in gebruik geweest bij de zoon van verdachte, [verdachte 2] tot 2010.

Verdachte heeft verklaard dat hij met [verdachte 7] heeft geregeld dat hij, [verdachte 7] , deze auto ter beschikking stelde aan verdachte’s zoon.

[verdachte 2] heeft verklaard dat deze auto op naam stond van het bedrijf van [verdachte 7] en dat hij de auto in gebruik kreeg. Zijn vader heeft geregeld dat hij de auto kon gebruiken.

[verdachte 7] heeft verklaard dat [verdachte 2] die auto in gebruik heeft gehad omdat verdachte hem heeft gevraagd die auto aan te schaffen voor zijn zoon [verdachte 2] . Het was een splinternieuwe auto en heeft ongeveer 13.000 euro gekost. De auto is vanuit de zaak van [verdachte 7] betaald.

b en c. Het dienstverband en loon van [verdachte 2]

, de zoon van verdachte, stond vanaf 2008 tot en met 25 januari 2016 op de loonlijst van de bedrijven van [verdachte 6] en [verdachte 7] .

Aan [verdachte 2] zijn blijkens de loonstroken de volgende bruto salarissen uitbetaald:

2008 [bedrijf 14] ( [verdachte 6] ) 28.568

2009 [bedrijf 14] ( [verdachte 6] ) 39.879

2010 [bedrijf 14] ( [verdachte 6] ) 15.394

[bedrijf 15] ( [verdachte 6] ) 24.321

2011 [bedrijf 15] ( [verdachte 6] ) 40.548

2012 [bedrijf 15] ( [verdachte 6] ) 11.175

[bedrijf 4] ) 20.502

[bedrijf 4] 23.515

2013 [bedrijf 15] ( [verdachte 6] ) 3.044

[bedrijf 4] 44.715

2014 [bedrijf 17] ( [verdachte 6] ) 4.990

[bedrijf 4] ) 45.704

2015 [bedrijf 4] ) 29.369

---------

331.724

Aan [verdachte 2] zijn blijkens de loonstroken de volgende netto salarissen uitbetaald:

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2008 18.700,12

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2009 25.774,77

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2010 25.529,78

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2011 25.973,17

Ontvangen netto-loon via [bedrijf 4] in 2012 27.744,50

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2012 6.799,68

Ontvangen netto-loon via [bedrijf 4] in 2013 30.383,90

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2013 1.878,52

Ontvangen netto-loon via [bedrijf 4] in 2014 6.544,34

Ontvangen netto-loon via [verdachte 6] concern in 2014 31.178,97

Ontvangen netto-loon via [bedrijf 4] in 2015 26.893,65

[verdachte 2] heeft vanaf 1 september 2007 tot en met 2010 een voltijdse opleiding (vastgoed en makelaardij) gevolgd aan de Hanze Hogeschool in Groningen.

In 2010 en 2011 heeft [verdachte 2] stage gelopen bij GGZ Drenthe. Hij heeft daarvoor een netto salaris ontvangen van respectievelijk 579,51 euro en 359,18 euro.

Blijkens loonstroken van Youngcapital Payrol B.V. heeft [verdachte 2] in 2015 elders (bij de ING) gewerkt en in verband daarmee een bruto salaris van 12.228 euro ontvangen.

Doorfacturering van de salariskosten binnen de bedrijven van [verdachte 6] en [verdachte 7] vond als volgt plaats. In de periode 2008 t/m 2011 werd gefactureerd van [bedrijf 13] . ( [verdachte 6] ) naar [bedrijf 16] ( [verdachte 6] ) en van daaruit naar [bedrijf 4] . [verdachte 7] ). Vanuit [bedrijf 4] . werd met een verhoging van 10% gedeclareerd bij de RuG. Vanaf 2012 werd rechtstreeks door [bedrijf 4] . gedeclareerd.

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Er moesten omstandigheden gecreëerd worden zodat mijn zoon een huis kon kopen. Ik maakte zelf fake-opdrachten aan gericht aan [bedrijf 13] en ondertekende deze. Ik heb urenbriefjes van [bedrijf 13] getekend. [verdachte 6] mocht gewoon factureren tegen uurtarief, dat was de afspraak. Dat is anders gegaan; er is gefactureerd via [verdachte 7] .

Toen binnen de RuG geen zaken meer werden gedaan met [bedrijf 13] heb ik [verdachte 7] gevraagd: ”Kan [verdachte 2] bij jou onder dak?” Ik heb toen gezegd dat ik voor werk en opdrachten zou zorgen. Hier zijn ook fake-opdrachten voor gemaakt. [verdachte 7] bracht op mijn verzoek dingen in, op facturen, op basis van de (fake) opdrachten die ik verstrekte. Ik wist dat de uren van [verdachte 2] werden gefactureerd aan de RuG. [verdachte 7] wist dit ook.

Een en ander heeft valse dienstbetrekkingen opgeleverd, waarbij [verdachte 2] geen werk verrichtte maar wel loon ontving. Daarna werden de loonkosten gefactureerd aan de RUG zonder dat er een tegenprestatie tegenover stond.

[verdachte 7] begreep best dat er dankzij mij opdrachten zijn kant opkwamen. Hij deed dit om mij te vriend te houden. Met [verdachte 7] was de afspraak dat hij er 10% bij op mocht tellen. Hij declareerde dus loonkosten + 10%.

De urenbriefjes gaf mijn zoon aan mij. Hij moest die briefjes invullen. De blanco urenbriefjes werden door iemand van de bedrijven van [verdachte 6] verstrekt. Het was afgesproken met [verdachte 6] dat [verdachte 2] de briefjes invulde. Om het kloppend te maken moest hij dat doen. Toen het met die urenbriefjes niet gedegen liep heb ik gezegd tegen [verdachte 6] . Kom maar met een pro-forma factuur, dan maak ik een fake opdracht aan. Dit heb ik alleen geregeld met [verdachte 6] , niet met andere werknemers van de bedrijven van [verdachte 6] .

[verdachte 2] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Ik heb de situatie geaccepteerd. Ik ontving meer geld voor werkzaamheden dan die ik uitvoerde. Ik heb het mijn vader eerlijk verteld. Ik heb nooit met [verdachte 6] over salaris gesproken. Dat heeft mijn vader gedaan. Ik denk dat mijn vader mijn salaris (2.100 euro netto) heeft afgestemd op het benodigde hypotheekbedrag. Ik heb in totaal 3 volle werkweken en 3 à 4 dagen gewerkt. In de periode juni 2010 tot en met april 2013 heb ik amper iets gedaan voor [bedrijf 13] . Het deed mij vermoeden dat er iets aan de achterkant mogelijk anders geregeld was. Ik durfde het mijn vader niet te vragen. Mijn vader wist dat ik niet continu aan het werk was. Ik besprak ook de angst om mijn woning te moeten verkopen met mijn vader.

Bij [verdachte 7] ging het op dezelfde voet verder. Ik hoefde bij [verdachte 7] geen urenbriefjes in te vullen. Ik ontving per maand 2.100 euro netto.

Ik kreeg de blanco urenbriefjes van [naam 2] . Ik vulde die urenbriefjes in. Het urenbriefje zoals u mij dat eerder getoond heeft (DOC-025) was een urenbriefje zoals ik dat had ingevuld. Dit urenbriefje was conform afspraak zo door mij ingevuld, alhoewel ik in deze periode wel werkzaamheden heb verricht, maar het sowieso niet conform de werkelijkheid was, omdat er meer uren staan vermeld dan ik heb gewerkt. Beide handtekeningen onder deze werkbon zijn van mij. Er was ondertekening nodig en ik was niet altijd op tijd en in de gelegenheid om mijn vader te vragen om de urenbriefjes te ondertekenen. In andere gevallen tekende mijn vader de urenbriefjes wel. Ik denk dat ik mijn vader heb gevraagd welke naam ik op de bon moest zetten en dat mijn vader deze naam had doorgegeven.

Onder DOC-024 t/m DOC-38 zijn een veertiental werkbonnen van [bedrijf 13] opgenomen, welke op naam zijn gesteld van [verdachte 2] en zijn voorzien van een handtekening “ [verdachte 2] ”. Op de bonnen is telkens een werkweek van 40 uur ingevuld. Als opdrachtgever is telkens vermeld Rijksuniversiteit Groningen of RuG. Ter uitvoering van de werkbonnen is telkens een factuur van [bedrijf 13] gericht aan [bedrijf 16] . opgemaakt waarop telkens de werkuren en de naam [verdachte 2] zijn vermeld.

De toenmalige vriendin van [verdachte 2] , [verdachte 3] , heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Van januari 2015 t/m oktober 2015 heeft [verdachte 2] niets voor [verdachte 7] gedaan. Hij werkte bij de ING-bank en kon niet op 2 plaatsen tegelijk zijn. [verdachte 1] heeft geregeld dat er toch geld binnenkwam door [verdachte 2] op de loonlijst te houden. [verdachte 1] had dit zo geregeld voor ons. [verdachte 2] en ik waren niet gelukkig met de situatie. Wij kregen salaris voor een fulltime baan terwijl wij nooit fulltime werkten. [verdachte 2] was in 2009 bezig met zijn studie. In 2010 of 2011 heeft hij stage gelopen bij GGZ Drenthe. In de periode 2011-2014 was hij bezig met een opleiding als inspecteur asbestverwijdering.

[verdachte 6] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Dit is een standaard arbeidsovereenkomst. Volgens mij heeft [naam 3] de arbeidsovereenkomst met [verdachte 2] opgemaakt. Het salaris klopt wel. Er werden loonkosten van [verdachte 2] in rekening gebracht bij [verdachte 7] .

[naam 2] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: [verdachte 1] zei dat zijn zoon bij ons ( [bedrijf 13] ) op de loonlijst moest komen en minimaal 1.700 euro netto per maand moest ontvangen. Ik gaf aan dat [verdachte 6] hier over ging, maar dat hij geen opvreters meer op de loonlijst wilde hebben. [verdachte 1] gaf aan dat er werkbriefjes met 40 uur in de week zouden komen en dat [bedrijf 13] daarvoor 40 euro uur per uur mocht factureren. [verdachte 6] wilde dat eerst niet, hij had geen behoefte aan een nieuwe opvreter bij het bedrijf. Nadat ik hem had uitgelegd dat het bedrijf er wel iets aan zou kunnen overhouden veranderde hij van mening. We konden dan per maand ruwweg 4 x 40 x 40 = 6.400 euro factureren en aan loonkosten zouden we ruim 3.000 euro kwijt zijn.

Op een gegeven moment ging het met 1 x per maand een bon, waarvan ik dan een factuur maakte. Ik gaf de factuur aan [verdachte 6] , die ‘m persoonlijk aan [verdachte 1] gaf. Er werd gefactureerd bij de RuG.

[verdachte 7] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: [verdachte 1] zei dat hij wel klusjes had voor mij bij de RuG. Zo kreeg ik werk en het werd steeds uitgebreid. 90 % van onze werkzaamheden bestonden uit werkzaamheden voor de RuG. [verdachte 2] werkte bij [bedrijf 13] en [verdachte 1] vroeg of ik werk had Voor [verdachte 2] . Hij is in 2012 bij ons aan het werk gekomen. Hij heeft 2 à 3 weken gewerkt. Vervolgens heeft hij niet meer gewerkt. De afspraak met [verdachte 1] was dat [verdachte 1] vanuit de RuG een werkbon zou opmaken voor 160 uur per maand. Ik kan de uren dan declareren voor 37,85 euro per uur. [verdachte 1] heeft ook gezegd dat [verdachte 2] 2.100 euro moest gaan verdienen. Ik had er grote moeite mee. [verdachte 1] bepaalde alles en hoe het gebeurde. [verdachte 1] heeft weliswaar nooit gezegd dat als ik niet meer mee wilde werken aan deze constructie, ik geen werk meer bij de RuG zou hebben, maar dat gevoel had ik wel.

d en e. Het dienstverband en loon van [verdachte 3]

, de vriendin van de zoon van verdachte, staat vanaf 2009 tot en met 2014 op de loonlijst van de bedrijven van [verdachte 6] . (1-PV)

Aan [verdachte 3] zijn blijkens de loonstroken de volgende bruto salarissen uitbetaald:

2009 [bedrijf 15] ( [verdachte 6] ) 2.138

2010 [bedrijf 15] ( [verdachte 6] ) 30.968

2011 [bedrijf 15] ( [verdachte 6] ) 37.267

2012 [bedrijf 15] ( [verdachte 6] ) 37.649

2013 [bedrijf 15] ( [verdachte 6] ) 13.313

8.290

[bedrijf 17] ( [verdachte 6] ) 8.290

2014 [bedrijf 17] . ( [verdachte 6] ) 6.632

----------

136.257

Aan [verdachte 3] zijn blijkens de loonstroken de volgende netto salarissen uitbetaald:

Ontvangen netto-loon [verdachte 6] concern in 2009 518,80

Ontvangen netto-loon [verdachte 6] concern in 2010 21.518,82

Ontvangen netto-loon [verdachte 6] concern in 2011 24.073,96

Ontvangen netto-loon [verdachte 6] concern in 2012 24.499,94

Ontvangen netto-loon [verdachte 6] concern in 2013 19.062,11

Ontvangen netto-loon [verdachte 6] concern in 2014 4.661,22

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Ik heb [verdachte 6] gevraagd of hij werk voor [verdachte 3] had. Hiervoor geldt dezelfde gang van zaken als voor [verdachte 2] . Omdat ze het geld wel nodig had. Zijn de dienstverbanden vals? Ja met betrekking tot de doorfacturering aan de RuG zijn deze vals. Daarmee bedoel ik dat er geen werkzaamheden door haar t.b.v. de RuG zijn verricht. Alle loonkosten van zowel [verdachte 2] als [verdachte 3] in de jaren 2008 t/m 2015 zijn ten onrechte doorgefactureerd aan de RuG. Ik ben daar verantwoordelijk voor. De afspraak was met [verdachte 6] dat hij zelf de loonkosten van [verdachte 2] en [verdachte 3] zou doorfactureren. Er werd echter gefactureerd via [verdachte 7] . Ik heb blind geaccordeerd. Er zijn geen werkzaamheden door [verdachte 3] ten behoeve de RuG verricht.

[verdachte 3] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: In de arbeidsovereenkomst staat 38 uur, maar ik werkte maar 20 uur. Ik kreeg wel fulltime salaris. Als [verdachte 6] geen projecten voor mij had kreeg ik gewoon volledig salaris overgemaakt. [verdachte 1] heeft een en ander met [verdachte 6] besproken. In 2010 en 2011 heb ik wel een aantal klussen voor [verdachte 6] gedaan, maar dat waren er niet veel. [verdachte 6] had niets voor mij te doen. De werkbonnen die u mij toont zijn door mij ingevuld en ondertekend. De omschrijving heb ik erop gezet. [verdachte 6] vroeg mij dit te doen. De bonnen geven weer dat ik 38 uur per week heb gewerkt. Dit klopt volgens mij niet. Het waren minder uren. Hoeveel weet ik niet. Ik hoefde het nooit te verantwoorden. Ik heb inderdaad werkbonnen ingevuld en daar uren op gezet die ik in werkelijkheid niet had gewerkt. Dat is fout. [verdachte 2] en ik waren niet gelukkig met de situatie. Wij kregen salaris voor een fulltime baan terwijl wij nooit fulltime werkten. [verdachte 2] weet dat ik mij schuldig voelde over het feit dat ik salaris kreeg waarvoor ik niet werkte. Ik weet dat personeel van [verdachte 6] werkzaamheden verricht voor de RuG.

Toen ik voor [verdachte 6] werkte regelde ik bijna alles met [verdachte 1] . Ik dacht dat [verdachte 1] in een positie zat om dat te doen, omdat hij ervoor zorgde dat [bedrijf 13] opdrachten kreeg van de RuG. Ik denk dat [verdachte 1] als tegenprestatie had geregeld dat [verdachte 6] mij salaris betaalde.

Onder DOC-128 t/m DOC-131 zijn een vijftiental werkbonnen van [bedrijf 13] opgenomen, welke op naam zijn gesteld van [verdachte 3] en zijn voorzien van een handtekening “ [verdachte 3] ”. Op de bonnen is telkens een werkweek van 38 uur ingevuld. Als werkomschrijving is telkens vermeld “Diverse werkzaamheden [verdachte 6] ”. Ter uitvoering van de werkbonnen is telkens een factuur van [bedrijf 13] gericht aan [bedrijf 16] . opgemaakt waarop telkens een totaalbedrag van 4.462,50 (inclusief B.T.W.) en de naam [verdachte 3] zijn vermeld.

[verdachte 6] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: [verdachte 3] heeft bij mij gewerkt. Zij is het vriendinnetje van [verdachte 2] .

[naam 2] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: [verdachte 1] zei dat zijn zoon bij [bedrijf 13] op de loonlijst moest komen. Voor [verdachte 3] gold feitelijk hetzelfde. Zowel [verdachte 2] als zijn vriendin zijn niet bij ons bedrijf aan het werk geweest.

Ik ga er vanuit dat [verdachte 1] heeft geregeld dat [verdachte 3] in loondienst kwam bij [bedrijf 13] . Dit moet via [verdachte 6] zijn gegaan. Ik kreeg van hem te horen dat ik de RuG voor [verdachte 3] een factuur kon sturen.

[naam 3] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Wij kregen opdrachtbonnen van de RuG van [verdachte 1] , waaromtrent het bij hem en bij ons duidelijk was dat de werkzaamheden niet behoefden te worden uitgevoerd. Het gaat om valse opdrachtbonnen, alleen bedoeld om de geldstroom van de RuG naar de bedrijven van [verdachte 6] mogelijk te maken. Dergelijke betalingen van de RuG staan mogelijk tegenover de door onze bedrijven (bedrijven van [verdachte 6] ) gemaakte kosten in verband met het op de loonlijst hebben van [verdachte 2] en [verdachte 3] . [verdachte 3] heeft ongeveer 2 maanden bij ons gewerkt. Het was geen succes. Ik zei tegen [verdachte 6] : “Ik weet niet wat ik met dat meisje moet.” Ik moest me er maar mee redden.

We hebben de salarisbetaling aan [verdachte 2] en [verdachte 3] ook wel eens een tijd opgeschort omdat er geen opdrachtbon van de RuG binnenkwam. Dan zei [verdachte 6] tegen mij: “Betaal de salarissen nog maar even niet uit.” Ik wist van deze beide werknemers dus dat het geld eerst van de RuG moest komen

f en g. Inkoop, betaling en verkoopopbrengst van materiaal voor [verdachte 4]

Door [verdachte 4] werden materialen ingekocht in verband met zwart werken. Deze werden gefactureerd aan [verdachte 7] . In opdracht van verdachte worden deze materialen in rekening gebracht bij de RuG. Deze materialen zijn vervolgens verkocht/geplaatst bij derden door [verdachte 4] . De opbrengst werd gedeeld door verdachte en [verdachte 4] . Het voordeel voor [verdachte 7] was 10%.

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: [verdachte 4] is een zzp-er. Hij verricht installatiewerk. Hij wordt wel ingehuurd door de RuG. De facturen gaan naar [bedrijf 4] en [bedrijf 4] factureert aan de RuG. [verdachte 7] ontving de inkoopkosten van de materialen. Die werden door [bedrijf 4] aan de RuG gefactureerd + een marge van 10%. De materialen zijn feitelijk niet geleverd aan de RuG. Die zijn verkocht. Ik kreeg de helft van de opbrengst 50%. [verdachte 4] de andere helft. Ik kreeg gemiddeld 600 à 1000 euro per maand hieruit. Dit was vanaf het faillissement van [verdachte 6] .

U toont mij facturen (Doc 186, 187 en 188). Dit zijn overzichten van door [verdachte 4] ingekocht materiaal. Hij is oud-werknemer van [bedrijf 13] . Die facturen gaan naar [bedrijf 4] en [bedrijf 4] factureert dit aan de RuG. [verdachte 7] ontving een marge van 10%.

Dit gebeurde onder [verdachte 6] ook, maar op kleinere schaal. [verdachte 4] was bij [verdachte 6] in dienst. [verdachte 6] wist er van. Het bedrijf van [verdachte 6] had toen de rol van [bedrijf 4] . Later heeft [bedrijf 4] de rol van [verdachte 6] overgenomen.(V01-05)

In de tijd dat [verdachte 6] nog niet failliet was kocht [verdachte 4] materialen in voor zijn werkzaamheden. Dit betrof installatiewerk dat hij buiten het bedrijf van [verdachte 6] om deed. Hij regelde dit dan met [verdachte 6] .

Postma heeft verklaard dat verhaal van [verdachte 1] klopt en dat dit een opzetje van hem, [verdachte 1] , was.

[verdachte 4] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: [verdachte 1] kwam met het voorstel om er samen beter van te worden. Het materiaal werd bij de RuG in rekening gebracht. De RuG maakte daarvan een bon op. Ik heb dit samen met [verdachte 1] afgesproken. Volgens mij loopt de constructie vanaf 2011 of 2012. Als ik het zelf uitreken kom ik op een bedrag van € 50.000,-- voor het materiaal en mijn "zwarte" loon samen.

Ik heb de mogelijk gehad om naast mijn werk bij te klussen. Bij de RuG is dat ongeveer vanaf 2011 of 2012 ontstaan. Die mogelijkheid werd mij geboden om materialen op deze wijze in te kopen. [verdachte 1] gaf mij die mogelijkheid. [verdachte 1] wist dat ik bijkluste en dat ik "zwart" geld had, daar had hij lucht van gekregen. Hij kwam met een voorstel om er samen beter van te worden. lnkopen van materiaal dat door [bedrijf 13] zou worden betaald en dat de opbrengst bij de verkoop van het materiaal door mij en [verdachte 1] werd gedeeld. Zolang ik bij [bedrijf 13] werkte wist Jan [verdachte 6] dat ik bijkluste. Jan [verdachte 6] vond dit bijklussen prima. Ik mocht het materiaal onder zijn naam inkopen. Dit materiaal werd toen al bij de RuG in rekening gebracht.

h. Een auto, [kenteken 2] (Mini Cooper)

Uit DOC-231 komt naar voren dat een auto, Mini Cooper met kenteken [kenteken 2] op naam van verdachte is gesteld van 2 december 2013 tot en met 30 januari 2014.

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Ik heb door middel van een valse factuur aan de RUG via het bedrijf van [verdachte 6] , de Mini in mijn bezit gekregen. Ik heb de auto verkocht voor 8.500 euro.

[naam 3] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: De auto was aanvankelijk geleased door [bedrijf 13] . Dat leasecontract is door [bedrijf 13] afgekocht. Die afkoop is gefinancierd door middel van een valse opdrachtbon van [verdachte 1] senior. Door ons is een factuur opgemaakt, met die valse opdrachtbon als basis. Door de RuG is die factuur aan ons betaald.

i. Het gebruik maken van een tankpas

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Ik gebruikte een tankpas van [bedrijf 13] . Ik had met [verdachte 6] afgesproken dat die kosten aan de RuG gefactureerd konden worden. Ik had die tankpas vanaf ongeveer twee jaar voor het faillissement van [verdachte 6] .

[naam 3] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: De met de tankpas gemaakte kosten werden doorberekend aan de RuG.

De bedrijven van [verdachte 6] zijn eind 2014 failliet gegaan.

j. Het betalen van 10.000 euro aan [verdachte 2]

Uit AMB-006, een relaas met betrekking tot bankmutaties komt het volgende naar voren.

Op 18 februari 2010 ontvangt [verdachte 2] 10.000 euro op zijn rekening van [bedrijf 18] . Op 16 februari 2010 krijgt hij 9.000 euro van zijn vader. Op 19 februari 2010 vindt een betaling plaats van 20.000 euro aan Renault Terwolde.

Uit DOC-260 komt naar voren dat de RDW tenaamstelling van kenteken [kenteken 3] (Renault Megane) op naam van [verdachte 2] is geregistreerd vanaf 23-02-2010 tot 25-02-2014.

[verdachte 6] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Die 10.000 euro is betaald door het bedrijf [bedrijf 18] en heeft te maken met de afkoop van een bedrijfsauto voor [verdachte 2] . Hij heeft die 10.000 ontvangen.

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Ik had [verdachte 6] gevraagd of hij [verdachte 2] kon helpen met een lening voor een auto. [verdachte 6] heeft toegezegd dat hij dit zou regelen. Het is aannemelijk dat hij dat op de gebruikelijke wijze heeft door gefactureerd aan de RuG. Die facturen werden door mij gewoon goedgekeurd.

[verdachte 2] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: [bedrijf 18] is een van de bedrijven van [verdachte 6] . De 10.000 euro is geregeld door mijn vader. Hij zei dat het tijd werd voor een andere auto. Ik heb samen met mijn vader de Renault besteld. Ik had niet genoeg geld. Mijn vader heeft gezorgd dat het benodigde geld op mijn rekening kwam.

n. Het doen/laten betalen van 7.500 euro aan [verdachte 5]

Uit het relaas van de verbalisanten komt naar voren dat [verdachte 1] samen met [verdachte 7] ervoor gezorgd heeft dat zijn ondergeschikte, tevens medeverdachte, [verdachte 5] een bedrag van 7.500 euro op haar bankrekening heeft gekregen.

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: De 7.500 euro op de rekening van [verdachte 5] is op mijn verzoek aan [verdachte 7] gebeurd. Zij zat in een slechte financiële situatie. Ik heb ervoor gezorgd dat zij dit geld kreeg. Ik heb [verdachte 7] gevraagd om daar “aankoop boot” op te laten zetten. Volgens mij heeft ze daar toen een VW polo voor gekocht. [verdachte 7] begreep best dat er dankzij mij een heleboel opdrachten zijn kant op kwamen. Hij deed dit om mij te vriend te houden.

[verdachte 7] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Ik heb geen boot van [verdachte 5] gekocht. lk heb deze € 7.500 aan [verdachte 5] overgemaakt. lk denk dat ik op verzoek van [verdachte 1] dit heb gedaan. Dat kan niet anders. lk weet echter niet meer waarvoor. Uit mijn privérekening blijkt dat ik die € 7.500 aan [verdachte 5] heb betaald, maar dan heb ik dat bij de RuG weer gedeclareerd plus 10% opslag, want ik ben Sinterklaas niet.

[verdachte 5] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: De boot is er niet geweest en die heb ik niet verkocht aan [verdachte 7] . Het was een afspraak tussen [verdachte 1] en [verdachte 7] dat ik 7.500 euro zou krijgen. Ik moest zeggen van meneer [verdachte 1] dat ik een boot had verkocht. Dat was de verklaring die ik moest geven. Hij gunde mij dit als persoonlijke beloning. Ik kon geen neen zeggen.

Uit AMB-008, relaas met betrekking tot bankmutaties volgt dat op 22-06-2012 onder de omschrijving [verdachte 5] aankoop boot” een bedrag van 7.500,00 euro is overgemaakt.

o. Betaling van een factuur van [bedrijf 12] aan [bedrijf 4]

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Ik had het idee om zonnepanelen te laten plaatsen bij de RuG. Ik kon door het groot inkopen ervoor zorgen dat anderen mee konden liften. Ik weet dat bij [verdachte 7] , [verdachte 5] en mijn buurman zonnepanelen zijn geplaatst. Ik denk dat de betaling is geregeld door [verdachte 7] .

[verdachte 5] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: Facility Managers van de RuG wilden graag zonnepanelen op daken van de RuG. [verdachte 1] is hiervoor gevraagd. Hij heeft toen aan mij gevraagd of ze bij mij op het dak mochten komen. Ik heb ze zelf geplaatst samen met mijn vader. Voor het aansluiten van de omvormer is een elektricien langs gekomen. Er zijn bij mij 8 panelen geplaatst. Ik heb ze niet betaald. Postma is langs geweest om het dak bij mij te bekijken. Via [verdachte 1] heb ik hierover contact gehad met [verdachte 7] .

Uit AMB-50, relaas met betrekking tot offertes en facturen met betrekking tot de levering van zonnepanelen komt het volgende naar voren:

-1- Offerte en factuur van 15 oktober 2014 gericht aan [bedrijf 4] betreffende 18

zonnepanelen met toebehoren voor locatie Peizermade (DOC -254)

-2- Offerte en factuur van 15 september 2014 gericht aan [bedrijf 4] betreffende 8

zonnepanelen met toebehoren voor locatie [adres 2] in [plaats] (DOC -255) 1.794,46 euro

-3- Offerte en factuur van 19 mei 2015 gericht aan [bedrijf 4] betreffende 21

zonnepanelen met toebehoren voor locatie [adres 3] in [woonplaats] (DOC -256)

Ad. 1 Dit betreft het adres van verdachte [verdachte 7] . Uit onderzoek van de administratie van

[bedrijf 4] naar voren dat de factuur van [bedrijf 12] is geboekt en betaald. Er is geen factuur aangetroffen van [bedrijf 4] aan verdachte [verdachte 7] . Ook is er geen betaling van verdachte [verdachte 7] voor de zonnepanelen aangetroffen in de administratie van [bedrijf 4] .

Ad. 2 Dit betreft het adres van verdachte [verdachte 5] . Uit onderzoek van de administratie van [bedrijf 4] komt naar voren dat de factuur van [bedrijf 12] is geboekt en betaald. Er is geen factuur aangetroffen van [bedrijf 4] aan verdachte [verdachte 5] . Er geen betaling van verdachte [verdachte 5] voor de zonnepanelen aangetroffen.

p. Betalen van facturen ten behoeve van de woning van verdachte

Het bedrijf [bedrijf 19] heeft grondwerkzaamheden verricht rond de woning van verdachte. De kosten van deze werkzaamheden zijn bij [verdachte 7] in rekening gebracht. Door [verdachte 1] zijn deze kosten niet betaald.

Verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard: De werkzaamheden op de facturen zijn niet door mij betaald. Ik was met het werk begonnen maar kreeg het niet voor elkaar. Er moest een kraan komen en dat heeft [verdachte 7] toen geregeld. De afwikkeling van de facturen is door hem geregeld. Ik weet niet of hij het heeft gedeclareerd bij de RuG.

DOC-239 betreft een factuur van 13 mei 2015 van [bedrijf 19] aan [bedrijf 2] , met betrekking tot werkzaamheden [adres 3] [woonplaats] ad 11.217,33 euro.

DOC-240 betreft een factuur van 1 juni 2015 van [bedrijf 19] aan [bedrijf 2] , met betrekking tot werkzaamheden [adres 3] [woonplaats] ad 1.291,09 euro.

[adres 3] te [woonplaats] is het adres van [verdachte 1] .

Ter terechtzitting heeft verdachte – zakelijk weergegeven – onder meer het volgende verklaard:

U zegt dat [verdachte 7] de auto gefactureerd heeft via de RuG, dat kan. Ik kan dat niet zeggen omdat ik alle facturen afvinkte in het geautomatiseerde betalingssysteem van de RuG. De laatste jaren sloot ik vaker mijn ogen bij die facturen dan in de beginjaren.

Het klopt dat mijn zoon op een gegeven moment zei dat er geen werk meer was voor hem bij [verdachte 7] . Ik heb [verdachte 7] daarop aangesproken. De betaling die mijn zoon bij de ING ontving was dusdanig laag dat hij daar nooit zijn hypotheek van kon betalen en hij was bezig met het saneren van zijn eigen werkplek zodat er geen toekomst in zat. Ik heb hem toen gezegd dat hij de andere betrekking bij [verdachte 7] ook aan moest houden. Dat was een bewuste keuze van mij. U zegt mij dat mijn zoon ook bij [bedrijf 13] niet gewerkt heeft. Dat klopt en ik had daar eerder moeten ingrijpen, maar ik heb het laten lopen.

Ik ben wel geschrokken van het totaalbedrag dat de RuG zou hebben betaald aan loonkosten voor mij zoon. Mijn advocaat vraagt of ik wel wist wat er gefactureerd werd aan de RuG. Ik kan daarop zeggen dat ik dat niet wist. Ik heb mijn ogen gesloten zoals ik al eerder verklaard heb.

Wat betreft mevrouw [verdachte 3] is het eigenlijk precies hetzelfde verhaal. Zij heeft ook geen werkzaamheden verricht voor de RuG.

De structuur binnen de RuG was zo georganiseerd dat men aanbestedingsprocedures op startte. Men moest dus inschrijven. Ik wilde bijvoorbeeld voor de klussen van boven de 5000 euro meerdere inschrijvingen hebben. [verdachte 7] werd ook vaak benaderd door verschillende clustermanagers. [verdachte 5] handelde dan de facturen af, zeker die van [verdachte 7] . [naam 4] was voor 99% verantwoordelijk voor [bedrijf 13] . Deze personen werden geacht de facturen ook te controleren of ze klopten. Als ze dit hadden gedaan kreeg ik via het geautomatiseerde systeem “Planon” een seintje en dan hoefde ik ze alleen maar af te vinken en dan werden de facturen uitbetaald. Ik zag echter nooit de werkelijke factuur met de kosten die er aan hingen.

De 7500 euro van mevrouw [verdachte 5] klopt. Ik vond dat ze recht op promotie had en dat werd keer op keer afgewezen en ik heb het toen zo gedaan dat het via [verdachte 7] is gegaan. Hij heeft de kosten weer in rekening gebracht bij de RuG dat klopt.

De RuG had een project lopen met zonnepanelen. Doordat de RuG een grote partij kon afnemen konden wij als particulieren daarvan meeprofiteren omdat de aanschaf van de panelen dat een stuk goedkoper werden. Ik heb toen onder andere tegen mevrouw [verdachte 5] gezegd dat zo’n kans niet gauw weer voorbij zou komen. Ze heeft het toen gedaan. Ik weet niet of de RuG de panelen heeft betaald. Ik heb haar wel gezegd dat ze de standen en dergelijke moest gaan bijhouden als een soort project voor de RuG.

Ik heb nooit de omvang van de facturering met [verdachte 7] besproken. Hij kan zelf bepalen wat hij factureert aan de RuG, daar kan ik toch niet intreden.

Ik ben wel van mening dat [verdachte 7] voor de continuering van zijn werkzaamheden bij RuG wel wat over mocht hebben. Ik heb nu pas ontdekt wat er is gebeurd, maar ik kan op basis van dit dossier geen inschatting maken wat er fout of goed is gefactureerd.

Wat betreft de inkoop van goederen klopt het verhaal helemaal. Ik heb wel mijn twijfel over omvang van het nadeel, maar de werkwijze die door de heer [verdachte 4] wordt beschreven klopt.

Ook de het gebruik van de tankpas klopt, maar daar had ik een reden voor. Ik heb nooit dubbeltje gedeclareerd bij de RuG.

De Renault Mégane is inderdaad gekocht door mijn zoon met geld dat afkomstig was van [verdachte 7] . Hij kreeg in ruil daarvoor ook werk van de RuG en het bedrag dat hij heeft gegeven heeft [verdachte 7] weer gedeclareerd bij de RuG.

Ik heb inderdaad toen ik mijn woning ging verbeteren gebruik gemaakt van een graafmachine. Ik was met [verdachte 7] bezig bij mijn woning toen ik opeens hartritmestoornissen kreeg. Hij stelde toen voor om de machine te laten komen via een bevriend iemand. Die is dan ook gekomen en [verdachte 7] heeft toen tegen mij gezegd: “Hij is er nu eenmaal; maak er gebruik van.” En dat heb ik gedaan. Ik heb de kosten van deze machine niet zelf betaald en ik ken de factuur bij de RuG niet.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot 4 jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf, met aftrek van de periode die hij in voorarrest heeft doorgebracht, nu het ten laste gelegde, met uitzondering van onderdeel (m), blijkens het dossier en het onderzoek ter terechtzitting wettig en overtuigend kan worden bewezen.

4.3

Het standpunt van de verdediging

Volkswagen Caddy (a)

Het ter beschikking stellen van de Volkswagen Caddy aan [verdachte 2] kan niet worden geduid als een omkopingsmiddel dat aan verdachte is gedaan/verstrekt/gegeven, en kan ook niet worden beschouwd als ‘iets van waarde’ voor verdachte, als bedoeld in HR 25 april 1916, NJ 1916, p. 551. Voorts is niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een handelen in strijd met de ambtsplicht. De opdrachten aan [verdachte 7] zouden er sowieso zijn gekomen op grond van zakelijke en objectieve redenen die reeds golden voordat verdachte in 2006 in functie trad. Ook om deze reden dient verdachte te worden vrijgesproken van het onder a ten laste gelegde (Volkswagen Caddy).

Dienstverbanden en salarissen (b, c, d en e)

Ook voor dit deel van de tenlastelegging dient vrijspraak te volgen nu geldt dat de delictsomschrijving van art. 363 Sr niet de situatie bestrijkt waarin sprake zou zijn van een gift, dienst of belofte die aan een ander dan aan de ambtenaar zelf zou zijn gedaan.

Voorts is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs geleverd voor de stelling dat verdachte uit hoofde van zijn functie gehouden zou zijn geweest facturen van [bedrijf 13] en/of [verdachte 7] te controleren en dat hij door dit achterwege te laten, op zichzelf beschouwd in strijd met zijn ambtsplicht heeft gehandeld. Evenmin is voldoende wettig en overtuigend bewijs geleverd voor de stelling dat verdachte door het eventueel verstrekken van opdrachten aan bedrijven van [bedrijf 13] en/of [verdachte 7] op zichzelf beschouwd in strijd met zijn ambtsplicht heeft gehandeld. Verdachte was in beginsel bevoegd om zulke opdrachten te verstrekken net als de projectleiders en clustermanagers. Als er sprake zou zijn van het verstrekken van nieuwe opdrachten aan [bedrijf 13] en/of [verdachte 7] door verdachte, dan was dat niets anders dan wat zijn voorgangers op die positie daarvoor ook altijd al deden en deed hij ook niets anders dan wat afdelingsbreed werd ondersteund.

Het doen of laten inkopen en betalen van materialen voor [verdachte 4] (f), en de helft dan wel een gedeelte van de verkoopopbrengst van materialen door [verdachte 4] (g)

Voor wat betreft de bewijsvraag wordt gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met de opmerking dat (f) en (g) dienen te worden beschouwd als een voortgezette handeling in de zin van 56 Sr.

Bij gebrek aan wetenschap ontkent de verdediging de omvang van het genoemde nadeel voor de RuG ten bedrage van € 68.224,--; de becijfering van dit bedrag is onvoldoende onderbouwd met bewijsstukken en verifieerbare gegevens.

Mini Cooper (h) & Tankpas (i)

Met betrekking tot de Mini Cooper (h) en het gebruik van een tankpas (i) refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank voor wat betreft de bewijsvraag, doch met de opmerking dat het nadeel ad € 2000,-- als gevolg van de handeling bedoeld onder (h) niet is onderbouwd. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat voornoemd bedrag is doorgefactureerd aan de RuG.

Het doen of laten betalen van een geldbedrag van €10.000 aan [verdachte 2] (j)

Verdachte moet voor dit feit worden vrijgesproken omdat geen sprake is van gebruikmaking van één van de in art. 363 Sr genoemde omkopingsmiddelen en nepotisme buiten het bereik van deze delictsomschrijving valt, en voorts onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is geleverd voor de stelling dat er sprake is geweest van handelen in strijd met de ambtsplicht.

Voor wat betreft het nadeel geldt dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is geleverd dat dit bedrag van €10.000,-- daadwerkelijk is doorgefactureerd aan de RuG.

Het doen of laten betalen van de kosten voor de jaarlijkse visdag (k)

De dagvaarding op dit onderdeel is nietig; het is een obscuur libel. Aan wie zou die gift zijn gedaan en had die gift iets van waarde voor verdachte?

Het doen of laten betalen van facturen van derden aan [verdachte 7] betreffende de woning van [naam 1] (l)

De verdediging refereert zich wat dit onderdeel betreft aan het oordeel van de rechtbank.

Het doen of laten betalen van een vakantiepremie (m)

Evenals het Openbaar Ministerie is de verdediging van mening dat er onvoldoende wettige bewijsmiddelen voorhanden zijn om tot een bewezenverklaring van dit ten laste gelegde te komen.

Het doen of laten betalen van en geldbedrag van € 7.500,-- aan [verdachte 5] (n) en/of het doen of laten betalen van de factuur van [bedrijf 12] [bedrijf 4] BV en/of zonnepanelen (o)

De door de Officier van Justitie beschreven, veronderstelde samenwerking tussen verdachte en mevrouw Boer in het kader van dit ten laste gelegde onderdeel klopt niet en wordt door zowel verdachte als mevrouw Boer betwist. Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor het tezamen en in vereniging plegen van het ten laste gelegde feit door verdachte en mevrouw [verdachte 5]

Voorts moet verdachte voor dit feit worden vrijgesproken omdat geen sprake is van gebruikmaking van één van de in art. 363 Sr genoemde omkopingsmiddelen en nepotisme buiten het bereik van deze delictsomschrijving valt, en voorts onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is geleverd voor de stelling dat er sprake is geweest van handelen in strijd met de ambtsplicht.

Het doen of laten betalen van twee facturen van [bedrijf 19] BV aan [verdachte 7] (p)

Verdachte heeft de nota’s van [bedrijf 19] nimmer onder ogen gehad. [verdachte 7] heeft verdachte uit eigen initiatief geholpen bij verdachtes werkzaamheden aan zijn oprit en verdachte heeft hiervoor zelf geen betaling gericht. Er is aldus onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om – via schakelbewijs – tot een bewezenverklaring van dit onderdeel te komen.

4.4

Het oordeel van de rechtbank

Hoewel verdachte ter terechtzitting op onderdelen is teruggekomen op zijn bekennende verklaringen bij de FIOD, onder meer door aan te geven dat niet van aanvang af sprake zou zijn geweest van fictieve dienstverbanden en daarmee corresponderende opdrachten aan [bedrijf 13] en later [bedrijf 4] , ziet de rechtbank mede in het licht van het overige belastende bewijs in het dossier geen aanleiding verdachte in zijn ter terechtzitting aangepaste verklaringen te volgen.

Ook daar waar verdachte heeft verklaard dat de constructie met betrekking tot de dienstverbanden en het loon voor zijn zoon en voormalig schoondochter ten aanzien van [verdachte 7] niet is opgezet met het oog op eventuele tegenprestaties van verdachte in de sfeer van (continuering van) werkverschaffing vanuit de RuG, overweegt de rechtbank dat – nog afgezien van de jegens verdachte belastende verklaring van [verdachte 7] zelf in dit specifieke verband – de begunstiging door [verdachte 7] de uiterlijke strekking en het kennelijke doel had om een voorkeurspositie ten opzichte van de RuG als opdrachtgever te behouden, met daarin verdachte als spil. Daarbij komt dat de doorfacturering van de loonkosten aan de RuG reeds op zichzelf winstgevend was voor zowel [verdachte 7] als [verdachte 6] , nu zij met wetenschap van verdachte een opslagpercentage van 10% hanteerden ten opzichte van enkel de loonkosten. Reeds het feit dat verdachte deze constructie mogelijk maakte, levert een tegenprestatie op.

De rechtbank acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat verdachte – niettegenstaande zijn hoop dat zijn zoon en voormalig schoondochter ook daadwerkelijk werkervaring zouden kunnen opdoen – zich bij het initiëren van de betreffende dienstbetrekkingen bewust was van het feit dat de dienstbetrekkingen bij zowel [bedrijf 13] als [bedrijf 4] , afhankelijk waren van de mogelijkheid tot doorfacturering van de loonkosten aan de RuG met een opslagpercentage. Verdachte gaf aan zijn ogen te hebben gesloten voor deze doorfacturering. Dat hij allicht liever had gezien dat de dienstverbanden reëel waren en de doorfacturering niet nodig zou zijn geweest, doet geenszins af aan het feit dat het een bewuste keuze van hem is geweest deze constructie mogelijk te maken.

De begunstiging van verdachte door [verdachte 6] dan wel [verdachte 7] zoals ten laste gelegd onder f, h, i, j, n, o en p, ziet de rechtbank in hetzelfde licht; ook deze vormen van begunstiging hebben steeds de uiterlijke strekking en het kennelijke doel – ingeval van Postma – een voorkeurspositie ten opzichte van de RuG als opdrachtgever te behouden en – ingeval van zowel [verdachte 7] als [verdachte 6] – de mogelijkheid van doorfacturering van kosten aan de RuG, met opslagpercentage, te behouden.

In reactie op de namens verdachte gevoerde verweren overweegt de rechtbank nog het volgende, waarbij zij haar weerlegging dan wel honorering waar aangewezen geclusterd zal motiveren teneinde herhaling te voorkomen.

Volkswagen Caddy (a), Dienstverbanden en salarissen (b, c, d en e), het doen of laten betalen van een geldbedrag van €10.000 aan [verdachte 2] (j) en het doen of laten betalen van een geldbedrag van €7.500,-- aan [verdachte 5] (n) en/of het doen of laten betalen van de factuur van [bedrijf 12] [bedrijf 4] BV en/of zonnepanelen (o)

Anders dan de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat een begunstiging – of dit nu een belofte, gift of dienst betreft – evenzeer betrekking kan hebben op iets dat aan een derde ten goede komt, zoals aan een verwant van de ambtenaar. Het accepteren door de ambtenaar van een materieel voordeel ten behoeve van een derde kan aldus eveneens als een gift aan de ambtenaar worden beschouwd. Zou men de woorden van art. 363 Sr beperkt uitleggen door daaronder slechts te begrijpen de gift die aan de ambtenaar zelf wordt gedaan en slechts aan de ambtenaar ten goede komt, dan zou de bestrijding van omkoping wel zeer gemakkelijk kunnen worden omzeild, hetgeen indruist tegen de geest van de anti-corruptiewetgeving, zoals laatstelijk gewijzigd bij de Wet verruiming mogelijkheden bestrijding financieel-economische criminaliteit van 19 november 2014, Stb. 2014, 445.

Voor wat betreft de vraag of verdachte al dan niet in strijd met zijn ambtsplicht heeft gehandeld, miskent de verdediging, met onder meer een beroep op de reeds lang bestaande opdrachtrelatie tussen [verdachte 7] en de RuG, het feit dat begunstiging van een ambtenaar teneinde de continuering van een bestaande zakelijke relatie zeker te stellen eveneens wordt bestreken door de strafbaarstelling van art. 363 Sr oud. Naar het oordeel van de rechtbank moet het bestanddeel ‘in strijd met zijn plicht’ zodanig ruim worden uitgelegd, dat dit mede de situatie omvat dat een ambtenaar zich naar de uiterlijke strekking door een begunstiging zou kunnen laten beïnvloeden in zijn oordeelsvorming met betrekking tot het al of niet continueren van een zakelijke relatie. Daarnaast is het onmiskenbaar in strijd met zijn ambtelijke plicht geweest bewust zijn ogen te sluiten voor valse facturen.

Voor wat betreft deze al of geen verplichting en/of noodzaak tot controle door verdachte van enige facturenstroom, gaat de verdediging er aan voorbij dat verdachte in de eerste plaats geen valse facturering mogelijk had moeten maken. Het gaat niet aan het handelen van degene die bewust een constructie bedenkt waardoor controle nu juist wordt bemoeilijkt dan wel onmogelijk gemaakt, slechts te beoordelen naar maatstaven van algemeen goed werknemer-/ambtenaarschap. Dit verweer zal dan ook worden gepasseerd.

Dit geldt eveneens in relatie tot onderdeel (j), nu de rechtbank uit de bewijsmiddelen afleidt dat doorfacturering aan de RuG van kosten die niet ten behoeve van deze universiteit zijn gemaakt, ook in de verhouding tussen verdachte en medeverdachte [verdachte 6] bedrijven, i.c. [bedrijf 18] , gebruik was.

Het doen of laten inkopen en betalen van materialen voor [verdachte 4] (f), en de helft dan wel een gedeelte van de verkoopopbrengst van materialen door [verdachte 4] (g)

Tot toepassing van art. 56 Sr in dit verband zoals voorgesteld door de verdediging, is geen ruimte nu met de onderdelen f en g geen sprake is van twee afzonderlijk ten laste gelegde feiten, doch van een tweeledige feitelijke invulling van het aan verdachte ten laste gelegde enkele feit van passieve omkoping.

Voor wat betreft de omvang van het nadeel, verwijst de rechtbank naar haar overwegingen onder 7.

Het doen of laten betalen van twee facturen van [bedrijf 19] BV aan [verdachte 7] (p)

De rechtbank vermag niet in te zien hoe het feit dat [verdachte 7] verdachte uit eigen initiatief zou hebben geholpen bij verdachtes werkzaamheden aan diens oprit en verdachte hiervoor zelf geen betaling heeft verricht, moet worden bezien als contra-indicatie voor de aan verdachte ten laste gelegde ongeoorloofde begunstiging.

Alles overziende komt de rechtbank aldus tot een bewezenverklaring van de tenlastelegging voor zover deze ziet op onderdelen a tot en met j en n tot en met p, met de kanttekening dat de rechtbank evenals de verdediging onvoldoende wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte de verschillende vormen van begunstiging tezamen en in vereniging met een ander heeft aangenomen en gevraagd, en acht dus ook niet bewezen dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met medeverdachte ambtenaar [verdachte 5] heeft gehandeld.

Met betrekking tot onderdeel (k), het doen of laten betalen van de kosten voor de jaarlijkse visdag, overweegt de rechtbank het volgende.

Hoewel de rechtbank de constateringen van de verdediging ten aanzien van dit onderdeel onderkent, ziet zij daarin geen reden om de dagvaarding als zodanig onduidelijk te bestempelen dat zij op dit onderdeel nietig moet worden verklaard, doch ziet zij veeleer aanleiding de feitelijke omschrijving van het handelen te beschouwen als een – niet-strafbare – vorm van sponsoring van de RuG als opdrachtgever. Bij gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs dat sprake zou zijn geweest van enige strafrechtelijk relevante vorm van begunstiging van verdachte, zal de rechtbank verdachte daarom van dit onderdeel vrijspreken.

Ten aanzien van onderdeel (l), het doen of laten betalen van facturen van derden aan [verdachte 7] betreffende de woning van [naam 1] , komt de rechtbank eveneens tot een vrijspraak van verdachte, nu niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat enige vorm van strafrechtelijk relevante begunstiging van verdachte heeft plaatsgevonden.

Met betrekking onderdeel (m) ten slotte, het doen of laten betalen van een vakantiepremie, is de rechtbank in navolging van het Openbaar Ministerie en de verdediging ook van mening dat er onvoldoende wettige bewijsmiddelen voorhanden zijn om tot een bewezenverklaring van dit ten laste gelegde te komen.

De rechtbank acht aldus niet bewezen wat aan verdachte onder onderdelen k, l en m is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in de bijlage genoemde bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat:

hij in of omstreeks de periode vanaf 1 augustus 2007 tot en met 25 januari 2016, in Nederland,

als ambtenaar, telkens een gift heeft aangenomen en gevraagd;

welke giften onder meer hebben bestaan uit:

a. a) het ter beschikking stellen van een auto, kenteken [kenteken 1] en

b) het laten regelen van een dienstverband voor [verdachte 2] en

c) het laten betalen van loon aan [verdachte 2] en

d) het laten regelen van een dienstverband voor [verdachte 3] en

e) het laten betalen van loon aan [verdachte 3] en

f) het laten inkopen en betalen van materialen voor [verdachte 4] en

g) de helft, van de verkoopopbrengst van materialen door [verdachte 4] , en

h) een auto, kenteken [kenteken 2] en

i. i) het gebruikmaken van een tankpas en

j) het laten betalen van een geldbedrag ter hoogte van 10.000 euro aan [verdachte 2] en

n) het laten betalen van een geldbedrag van 7.500 euro aan [verdachte 5] en

o) het laten betalen van de factuur d.d. 15 september 2014 van [bedrijf 12] aan [bedrijf 4] . en

p) het laten betalen van de factuur:

- d.d. 13 mei 2015 van [bedrijf 1] . aan [bedrijf 2] , en;

- d.d. 1 juni 2015 van [bedrijf 1] . aan [bedrijf 2] ,

terwijl hij die giften telkens heeft

- aangenomen, terwijl hij wist dat deze hem werden gedaan en/of verleend en/of aangeboden:

1° teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten en;

- gevraagd:

3° teneinde hem te bewegen om, in strijd met zijn plicht, in zijn bediening iets te doen en/of na te laten en;

en

terwijl hij die giften telkens heeft

- aangenomen, terwijl hij wist dat deze hem werd(en) gedaan en/of verleend en/of aangeboden:

1° teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen en/of na te laten en;

- gevraagd:

3° teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen en/of na te laten.

De rechtbank heeft de in de tenlastelegging voorkomende schrijffouten verbeterd in de bewezenverklaring. Verdachte wordt hierdoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd, zodat zij hem daarvan zal vrijspreken.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is strafbaar gesteld in de artikelen 363 Wetboek van strafrecht (Sr). Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert op:

Als ambtenaar een gift aannemen wetende, dat deze hem, gedaan, verleend, aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd;

en

Als ambtenaar een gift aannemen wetende, dat deze hem, gedaan, verleend, aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd;

6 De strafbaarheid van verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De rechtbank oordeelt daarom dat verdachte strafbaar is voor de bewezenverklaarde feiten.

7 De op te leggen straf of maatregel

7.1

De gronden voor een straf of maatregel

Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de aard en de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van verdachte zoals die uit het dossier en tijdens de behandeling ter terechtzitting naar voren zijn gekomen. De rechtbank acht daarbij het volgende van belang.

Verdachte was ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten hoofd technisch beheer bij de RuG en had een arbeidsverleden van ongeveer 40 jaar bij deze universiteit.

De handelwijze van verdachte is temeer laakbaar nu hij fungeerde als leidinggevende van een afdeling die belast was met het beheer en onderhoud van de gebouwen van de RuG waarbij hij veelvuldig contacten had met particuliere bedrijven. Hij vervulde aldus een maatschappelijke voorbeeldfunctie en zijn gedrag in die hoedanigheid had daarom bij uitstek onberispelijk moeten zijn. Hij heeft door zijn vergaand grensoverschrijdend gedrag niet alleen het vertrouwen van de RuG geschaad, maar ook het vertrouwen van de maatschappij in de integriteit van ambtenaren.

Het aannemen van giften, diensten en beloftes corrumpeert het ambtelijk apparaat. Verdachte heeft hiermee het adequaat functioneren van de overheid in gevaar gebracht. Daarbij is niet alleen de RuG door zijn handelen financieel benadeeld, ook heeft het handelen van verdachte ertoe geleid dat andere bedrijven de kans is ontnomen overheidsopdrachten te verwerven. De verdachte heeft strikt uit eigenbelang gehandeld om zo zichzelf en zijn familieleden financieel te bevoordelen. Dit gedurende langere tijd waarin ook ruimte voor bezinning bestond.

Met het begaan van ambtelijke corruptie wordt de integriteit van de overheid in haar diepste wezen geraakt. De strafbedreiging van dit delict is aanzienlijk, vier jaren gevangenisstraf en sinds de wet wijziging op 1 januari 2015 opgehoogd naar zes jaren.

Een belangrijke factor bij de strafmaat is de omvang van het nadeel dat verdachte door zijn/haar handelen heeft veroorzaakt. Uit het dossier en de bewezenverklaring komt naar voren dat verdachte een aandeel heeft gehad in ambtelijke corruptie waarbij in veel gevallen ten onrechte kosten zijn gedeclareerd bij de RuG en door die instantie ook zijn uitbetaald. Aldus is gemeenschapsgeld voor andere doelen aangewend dan waarvoor deze gelden door de gemeenschap ter beschikking zijn gesteld. Om de contouren van de omvang van dit nadeel vast te stellen heeft de rechtbank aan de hand van de aanknopingspunten ontleend aan dossier bezien in hoeverre het aannemelijk is dat het nadeel dat de FIOD heeft berekend (AMB-045) ook daadwerkelijk is toegebracht aan de RuG. De rechtbank zal zich hierna per gedachtestreepje van de dagvaarding en bewezenverklaring hierover buigen en haar bevindingen vastleggen.

a. Het ter beschikking stellen van een auto, kenteken [kenteken 1] (VW Caddy)

Dat het ter beschikking stellen van de auto met kenteken [kenteken 1] door [bedrijf 4] . aan [verdachte 2] is doorbelast aan de RuG volgt, hoewel het gelet op de verklaringen van de (mede)verdachten wel voor de hand lijkt te liggen, niet uit het dossier. In AMB-045 is ten aanzien van deze verhandeling dan ook geen nadeel opgenomen. De rechtbank sluit zich daarbij aan.

b en c. Het dienstverband en loon van [verdachte 2]

Op grond van de verklaringen in het dossier van verdachte en medeverdachten omtrent de onderlinge afspraken, de loonstroken, de werkbonnen/werkbriefjes en de daarop betrekkingen hebbende facturen van [bedrijf 13] gericht aan [bedrijf 16] . acht de rechtbank zonder meer aannemelijk dat de kosten van uitbetalen van brutoloon aan [verdachte 2] met toepassing van een verhoging zijn doorbelast aan de RuG.

Hoewel AMB-045 melding maakt van een keten van doorfactureringshandelingen binnen de bedrijven van [verdachte 6] en [verdachte 7] is deze doorfacturering niet in zijn geheel navolgbaar aan de hand van de stukken in het dossier. Zo is slechts een deel van de keten zichtbaar, waarin weliswaar in samenhang met de verklaringen omtrent ophoging van het uurloon een patroon valt te herkennen, maar op grond waarvan niet klaarblijkelijk kan worden aangenomen dat maar liefst 823.446 euro bij de RuG is gedeclareerd en uitbetaald, terwijl aan brutoloon blijkens de loonstroken 331.724 euro aan [verdachte 2] is uitbetaald. De rechtbank kan derhalve bij de nadeelberekening niet uitgaan van het bedrag van 823.446 euro. De rechtbank acht daarentegen wel voldoende grondslag in het dossier aanwezig om aan te nemen dat in ieder geval de gebruikelijke toeslag van 10% is gehanteerd.

Aannemelijk is dat de RuG is hierdoor in ieder geval voor een bedrag groot 331.724 euro plus 10% = 364.896 euro is benadeeld. Deze benadeling is voor wat betreft het uitgangspunt bij de bepaling van de strafmaat toe te rekenen aan verdachte, [verdachte 6] en [verdachte 7] als het gevolg van hun gezamenlijk optreden.

d en e. Het dienstverband en loon van [verdachte 3]

Op grond van de verklaringen in het dossier van verdachte en medeverdachten omtrent de onderlinge afspraken, de loonstroken, de werkbonnen/werkbriefjes en de daarop betrekkingen hebbende facturen, acht de rechtbank zonder meer aannemelijk dat de kosten van uitbetalen van brutoloon aan [verdachte 3] met toepassing van de gebruikelijke verhoging van 10% zijn doorbelast aan de RuG. Deze benadeling is voor wat betreft het uitgangspunt bij de bepaling van de strafmaat toe te rekenen aan verdachte en [verdachte 6] als gevolg van hun gezamenlijk optreden. Dit nadeel bedraagt 136.257 euro plus 10% is 149.883 euro.

f en g. Inkoop, betaling en verkoopopbrengst van materiaal voor [verdachte 4]

Op grond van de verklaringen in het dossier van verdachte en medeverdachten omtrent de onderlinge afspraken acht de rechtbank de kosten van de materialen met toepassing van de gebruikelijke verhoging van 10% te zijn doorbelast aan de RuG.

De FIOD heeft het totale nadeel in dit verband berekend op 68.224 euro. Hoewel uit de stukken uit het dossier niet navolgbaar blijkt dat dit het exacte doorberekende bedrag is geweest dat, sluit de rechtbank zich hier wel bij aan, nu er voldoende ondersteuning in de verklaringen is te vinden dat dit ongeveer het bedrag moet zijn geweest dat is doorberekend. Zo verklaart [verdachte 4] dat hij inclusief zijn zwarte loon ongeveer 50.000 euro heeft verdiend. Verdachte heeft verklaard dat hij 600 à 1000 euro per maand, dus 800 euro gemiddeld, heeft verdiend. Afgezet over een periode van vier jaren komt zijn aandeel neer op 4 maal 12 maal 800 is 38.400 euro. Aangezien dit aandeel 50 % is van het totaal gedeclareerde bedrag komt dit dus neer op 76.800 plus 10% is 84.480. Aldus vindt de rechtbank voldoende steun in deze verklaringen om als uitgangspunt bij de strafmaat een nadeel, zoals berekend door de FIOD, van om en nabij de 68.000 euro te hanteren. Dit bedrag is in zijn geheel aan verdachte en aan [verdachte 4] toe te rekenen. Voor wat betreft [verdachte 6] dient op grond van de verklaringen uit te worden gegaan van een periode van ongeveer twee jaren en voor wat betreft Postma een periode van vier jaren, hetgeen resulteert in een bedrag van ongeveer 22.000 euro, toe te rekenen aan [verdachte 6] en een bedrag van 46.000 toe te rekenen aan [verdachte 7] .

h. Een auto, [kenteken 2] (Mini Cooper)

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte door middel van een valse factuur aan de RuG via het bedrijf van [verdachte 6] , de Mini in bezit heeft gekregen en de auto vervolgens heeft verkocht voor 8.500 euro. Wat het bedrag van exacte aankoopprijs en doorberekening aan de RuG is geweest volgt niet uit het dossier, maar de rechtbank is van oordeel dat voor wat betreft het nadeel moet worden uitgegaan van een bedrag van minimaal 8.500 euro. Dit nadeel valt toe te rekenen aan handelingen van verdachte en [verdachte 6] en zal als zodanig in de strafmaat worden meegewogen.

i. Het gebruik maken van een tankpas

Hoewel op grond van de verklaringen in het dossier aannemelijk is dat de kosten van de door verdachte gebruikte een tankpas van [bedrijf 13] aan de RuG zijn doorgefactureerd, zijn er onvoldoende aanknopingspunten om van een nadeel van 2.000 euro, zoals door de FIOD geschat, uit te gaan. De rechtbank zal dit nadeel dan ook niet meewegen in de strafmaat.

j. Het betalen van 10.000 euro aan [verdachte 2]

Uit AMB-006, relaas met betrekking tot bankmutaties komt naar voren dat [verdachte 2] een bedrag van 10.000 euro heeft ontvangen van [verdachte 6] . Voorts is op grond van de verklaringen uit het dossier aannemelijk dat dit bedrag plus 10%, is 11.000 euro, op de gebruikelijke wijze is doorgefactureerd aan de RuG. Dit bedrag is voor wat betreft het in het kader van de strafmaat mee te wegen nadeel toe te rekenen aan verdachte, [verdachte 2] en [verdachte 6] .

n. Het doen/laten betalen van 7.500 euro aan [verdachte 5]

Uit het relaas van de verbalisanten komt naar voren dat verdachte samen met [verdachte 7] ervoor gezorgd heeft dat [verdachte 5] een bedrag van 7.500 euro op haar bankrekening heeft gekregen. Voorts komt uit de verklaringen uit het dossier naar voren dat dit bedrag plus 10%, is 8.250 euro, op de gebruikelijke wijze is doorgefactureerd aan de RuG. Dit bedrag is voor wat betreft het in het kader van de strafmaat mee te wegen nadeel toe te rekenen aan verdachte en [verdachte 7] .

o. Betaling van een factuur van [bedrijf 12] aan [bedrijf 4] BV

Uit het dossier komt naar voren dat verdachte zonnepanelen heeft laten plaatsen bij [verdachte 5] en dat de betaling is geregeld door [verdachte 7] . Voorts blijkt uit de offertes en facturen dat de kosten hiervan, te weten 1794 euro, via [bedrijf 4] zijn gelopen. Voorts is op grond van de verklaringen uit het dossier aannemelijk dat dit bedrag plus 10%, is 1.924 euro, euro op de gebruikelijke wijze is doorgefactureerd aan de RuG. Dit nadeelbedrag is in het kader van de strafmaat toe de rekenen aan verdachte en [verdachte 7] .

p. Betalen van facturen ten behoeve van de woning van verdachte

Het bedrijf [bedrijf 19] heeft grondwerkzaamheden verricht rond de woning van verdachte. De kosten van deze werkzaamheden zijn bij [verdachte 7] in rekening gebracht. Hoewel de kosten hiervan niet door verdachte zijn betaald en het vermoeden bestaat dat deze kosten door [verdachte 7] zijn doorberekend aan de RuG, bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten om dit aan te nemen. Deze kosten worden derhalve niet in de nadeelberekening betrokken.

Het totale nadeel dat in het kader van de strafmaat wordt meegewogen komt aldus neer op een bedrag van 612.453 euro.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen vrijheidsstraf heeft de rechtbank in dit verband rekening gehouden met:

- de oriëntatiepunten voor straftoemeting, zoals vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), die, in geval van een benadelingsbedrag dat ligt tussen de

€ 500.000,-- en € 1.000.000,-- , een onvoorwaardelijke gevangenisstraf vermelden van 18 tot 24 maanden;

- de ernst van de bewezen verklaarde feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;

- de duur van de gedraging;

- de rol van verdachte ten opzichte van mededaders;

- de inhoud van een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie waaruit blijkt dat de verdachte op dit gebied nooit eerder is veroordeeld;

- het voorlichtingsrapport betreffende de verdachte van 23 maart 2017.

Voor zover verdachte zich nog heeft willen disculperen met een beroep op zijn motief vooral goed te willen zorgen voor de mensen om hem heen, benadrukt de rechtbank de stuitende brutaliteit die uitgaat van zijn materialenhandel tezamen met medeverdachte [verdachte 4] , volledig op kosten van de RuG, puur voor zijn eigen gewin. Ook voor wat betreft zijn rol in het bevoordelen van zijn ondergeschikte, medeverdachte [verdachte 5] , ziet de rechtbank verdachtes motief veeleer gelegen in het feit dat hij er belang bij had [verdachte 5] , als collega met controleverantwoordelijkheden ten aanzien van de facturenstroom, te vriend te houden.

Uit een en ander komt naar voren dat verdachte, die bekend stond geen tegenstand te dulden, in alle bewezenverklaarde gevallen degene was die het initiatief nam om een stroom van corruptie op gang te brengen, waarbij hij in wezen anderen onder druk zette om hem om te kopen met voordelen voor zichzelf, voor zijn verwanten en voor de corrupte derden zelf, alles ten nadele van de RUG.

Ten aanzien van de media-aandacht waar door de verdediging op is gewezen, acht de rechtbank aannemelijk dat alle media-aandacht rondom de persoon van de verdachte en de daarin reeds verwerkte oordelen, een zware wissel hebben getrokken op verdachte en zijn privéleven. Tegelijkertijd ziet de rechtbank de media-aandacht voor deze zaak evenwel als een kennelijk onvermijdelijk en bovendien van een eigen dynamiek voorzien fenomeen dat zich bij uitstek in zaken met een zekere impact voordoet. In het geval van de verdachte is het niet onbegrijpelijk dat de verantwoordelijke maatschappelijke positie die hij ten tijde van de door hem gepleegde feiten bekleedde en de bekendheid van de instelling waarvoor hij werkzaam was, aandachttrekkende aspecten zijn. Dat bij ontdekking met name in Groningen ruime media-aandacht zou ontstaan mocht verdachte naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de omvang en de lange duur van zijn gedragingen dan ook verwachten. Dit vormde kennelijk voor verdachte geen aanleiding om zijn gedragingen eerder te staken. Overigens dient te worden opgemerkt dat van de zijde van het Openbaar Ministerie met grote terughoudendheid met die mediabelangstelling is omgegaan. De rechtbank zal derhalve de media-aandacht voor de zaak tegen verdachte niet in strafmatigende zin meewegen.

Verdachte is ten gevolge van deze zaak ontslagen. Bij een dergelijke functie is ontslag onvermijdelijk indien iemand zich schuldig maakt aan misdrijven als de onderhavige. Verdachte had zich dat kunnen realiseren. De rechtbank ziet in het ontslag ook geen reden voor matiging van de op te leggen straf.

De rechtbank is van oordeel dat een hogere straf moet worden opgelegd dan uit de oriëntatiepunten voortvloeit. De rechtbank betrekt hierin dat de richtlijn niet specifiek op de corrupte ambtenaar ziet en houdt rekening met de lange duur, het gegeven dat de initiatieven van verdachte uitgingen, de marktverstoring, de geraffineerdheid en doortraptheid waarmee de onderhavige stelselmatige ambtelijke corruptie gepaard is gegaan en de administratieve constructies waarmee een en ander is verhuld.

De rechtbank is gelet op vorenoverwogene van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die vrijheidsbeneming voor een aanmerkelijke duur met zich brengt.

7.2

De inbeslaggenomen voorwerpen

De verdediging heeft ter zitting gesteld dat een beslissing dient te volgen over de onder verdachte inbeslaggenomen goederen. De verdediging verzoekt de rechtbank de gelegde beslagen op te heffen en te bepalen dat de goederen aan verdachte worden geretourneerd.

Ter terechtzitting heeft de officier gesteld dat op al deze goederen conservatoir beslag is gelegd en heeft daartoe stukken overhandigd aan de rechtbank en verdediging waaruit dit blijkt.

De officier van justitie heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat daar waar het conservatoir gelegde beslagen betreft, deze beslagen zullen komen te vervallen bij een vrijspraak dan wel dat bij een veroordelend vonnis de verdediging nadien opheffing van de gelegde beslagen kan verzoeken.

De rechtbank overweegt dat uit het dossier blijkt dat er beslag is gelegd op onder meer:

Een auto merk Honda Civic, grijs met het kenteken [kenteken 4] en

Een auto merk Honda MPV, bruin met het kenteken [kenteken 5] en

Een Azurro sloep, donkerblauw en

Een boottrailer dubbelas [kenteken 6] en

Een geldbedrag van € 11.000,-- en

Een één-assige middenas aanhangwagen Saris B1000 en

Een woonhuis te Harkstede aan de [adres 3] en

Het saldo (€ 7154,11) van het bankrekeningnummer [rekeningnummer] .

Voorts blijkt dat er door de officier van justitie op deze goederen, behoudens het tegoed op voormelde bankrekening, conservatoir beslag heeft gelegd.

De officier van justitie heeft gesteld dat bij een eventuele vrijspraak gelegde conservatoire beslagen zullen komen te vervallen en heeft verder geen nader standpunt ten aanzien van eventueel ander gelegde beslagen ingenomen.

De rechtbank zal gelet hierop de teruggave aan verdachte gelasten van het aan toebehorende op de beslaglijst vermelde saldo van het bankrekeningnummer [rekeningnummer] zijnde een bedrag van € 7154,11, aangezien dit niet vatbaar is voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en het belang van strafvordering zich niet tegen teruggave verzet.

8 De schade van benadeelden

8.1

De vordering van de benadeelde partij

De RuG, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in dit strafproces. De benadeelde partij vordert verdachte te veroordelen om schadevergoeding te betalen tot een totaalbedrag van

€ 1.350.967,10. De gevorderde materiële schade bestaat onder meer uit de volgende posten:

Hoffmann Bedrijfsrecherche € 156.387,65;

Deloitte € 30.870,13;

Plas & Bossinade € 2.786,45;

PWC € 19.261,87;

Geleden schade € 1.141.661,--.

De RuG heeft daarbij gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

8.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht de vordering van de RuG ontvankelijk ten aanzien van het schadebedrag met uitzondering van een bedrag van € 5.500,-- nu dit bedrag niet bij de RuG is gedeclareerd en een bedrag van € 1.000,-- zijnde een vakantiepremie nu dit feit niet kan worden bewezen. Daarnaast heeft de RuG volgens de officier van justitie ook andere kosten gemaakt, die met uitzondering van de kosten van Plas & Bossinade, in direct verband staan met de corruptie waarvoor verdachte verantwoordelijk is. De officier van justitie heeft het aan verdachte toe te rekenen schadebedrag bepaald op € 1.141.661,--.

De officier van justitie heeft gevorderd dat ook de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd.

8.3

Het standpunt van de verdediging

Salarissen

Er is onvoldoende causaal verband tussen het aan verdachte ten laste gelegde en de gestelde schade. Daarnaast zijn de posten onvoldoende onderbouwd c.q. van bewijsstukken voorzien. Er bevinden zich in het dossier slechts enkele facturen aan de RuG; dit kan niet geëxtrapoleerd worden naar alle jaren van salaris voor [verdachte 2] en [verdachte 3] .

Materialenhandel [verdachte 4]

Deze post is onvoldoende onderbouwd met bewijsstukken.

Tankpas

Ten aanzien van deze post is geen enkele specificatie overgelegd.

Renault Megane & Woning verdachte

De verdediging bepleit afwijzing van deze posten gelet op de conclusie tot vrijspraak ten aanzien van de corresponderende feiten.

Hofman

Er was geen noodzaak tot bedrijfsrecherche en daarmee is er geen sprake van redelijke kosten ter vaststelling van de omvang van de schade en aansprakelijkheid. De verdediging wijst er in dit verband op dat Hofman zelf aangeeft geen financieel-administratief onderzoek te hebben uitgevoerd. Nog afgezien van dit gebrek aan het vereiste rechtstreekse causaal verband, bevinden zich in het dossier geen betalingsbewijzen.

PWC

Deze post houdt onvoldoende rechtstreeks verband met het ten laste gelegde.

Deloitte

Deze post is onvoldoende gespecificeerd en wordt ook overigens niet ondersteund door betalingsbewijzen, hetgeen maakt dat het vereiste causale verband onduidelijk is.

Plas & Bossinade

Voor het geval deze post nog gehandhaafd wordt, is de verdediging van mening dat indien aan verdachte de schadevergoedingsmaatregel wordt opgelegd, de kosten conform het Liquidatietarief toewijsbaar zijn.

Woning van [naam 1] & Mini Cooper

Ten aanzien van deze posten refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank.

8.4

Het oordeel van de rechtbank

In het kader van de strafmaat heeft de rechtbank uiteengezet ter hoogte van welk bedrag op basis van de bewijsmiddelen wordt geoordeeld dat verdachte de RuG heeft benadeeld, te weten € 612.453,--. De rechtbank neemt dit bedrag als uitgangspunt. Aangezien echter de exacte omvang van de schade voor de RuG in dit stadium mede door verhullingshandelingen van verdachte en zijn mededaders niet vaststaat , ziet de rechtbank aanleiding gebruik te maken van haar bevoegdheid om de omvang van de schade te schatten. De rechtbank is van oordeel dat de omvang van het bedrag dat door de RuG ten minste als schade is geleden, naar redelijkheid en billijkheid op dit moment vastgesteld kan worden op

€ 450.000,--.

Ten aanzien van de kosten van de kosten van Hofmann, Deloitte, Plas & Bossinade en PWC is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende rechtstreeks verband is met de bewezenverklaarde feiten zodat de benadeelde partij niet ontvankelijk moet worden verklaard.

Ook voor het overige verklaart de rechtbank de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk, omdat de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd en gemotiveerd is betwist. Het in de gelegenheid stellen van de benadeelde partij om haar vordering alsnog nader te onderbouwen leidt tot een onevenredige belasting van de strafrechtelijke procedure, zodat de rechtbank de benadeelde partij die gelegenheid niet zal bieden. De benadeelde partij kan de vordering in zoverre slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Voor wat betreft de gevorderde proceskosten, is de rechtbank van oordeel dat deze kosten bij gebreke van vertegenwoordiging ter zitting alsmede van enig blijk van een door een advocaat opgesteld processtuk, niet voor toewijzing in aanmerking komen. De benadeelde partij wordt ook op dit punt niet-ontvankelijk verklaard.

8.5

De schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij heeft verzocht en de officier van justitie heeft gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank zal de maatregel als bedoeld in artikel 36f Sr opleggen, aangezien verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de feiten is toegebracht.

9 De toegepaste wettelijke voorschriften

De hierna te nemen beslissing berust op het hiervoor genoemde wetsartikel. Daarnaast berust deze beslissing op de artikelen 14a, 14 b, 14c, 27, en 57 Sr.

10 De beslissing

De rechtbank:

bewezenverklaring

verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, zoals hierboven omschreven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

strafbaarheid feit

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar;

verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Als ambtenaar een gift aannemen wetende, dat deze hem, gedaan, verleend, aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om in strijd met zijn plicht in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd;

en

Als ambtenaar een gift aannemen wetende, dat deze hem, gedaan, verleend, aangeboden wordt teneinde hem te bewegen om in zijn bediening iets te doen, meermalen gepleegd;

strafbaarheid verdachte

- verklaart verdachte strafbaar voor het bewezenverklaarde;

straf

veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) jaren;

bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte van 6 (zes) maanden niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten:

de rechter kan de tenuitvoerlegging gelasten indien verdachte voor het einde van de proeftijd van drie (3) jaren de navolgende voorwaarde niet is nagekomen:

stelt als algemene voorwaarde dat verdachte:

- zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

schadevergoeding

bepaalt dat de benadeelde partij: Rijksuniversiteit Groningen, voor een deel van € 900.976,10 niet-ontvankelijk is in de vordering, en dat de benadeelde partij de vordering voor dat deel slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Rijksuniversiteit Groningen van een bedrag van € 450.000,--, met dien verstande dat indien en voorzover de mededader betaalt verdachte daarvan zal zijn bevrijd;

veroordeelt verdachte daarnaast in de kosten van betekening van dit vonnis, de in verband met de tenuitvoerlegging van dit vonnis nog te maken kosten en de kosten vallende op de invordering;

legt de maatregel op dat verdachte verplicht is ter zake van de bewezenverklaarde feiten tot betaling aan de Staat der Nederlanden van een bedrag van € 450.000,--, ten behoeve van de benadeelde, met bevel, voor het geval dat volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt, dat vervangende hechtenis voor de duur van 365 dagen zal worden toegepast. Tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis laat de betalingsverplichting onverlet;

bepaalt dat als verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van bedoeld bedrag daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij het bedrag te betalen, komt te vervallen, en andersom, als verdachte aan de benadeelde partij het verschuldigde bedrag heeft betaald, dat daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat der Nederlanden van dat bedrag komt te vervallen;

de inbeslaggenomen voorwerpen

- gelast de teruggave van het saldo van het bankrekeningnummer [rekeningnummer] zijnde € 7.154,11 aan verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Wentink, voorzitter, mr. F.C. Berg en mr. M. Aksu, rechters, in tegenwoordigheid van H.J. Veldhuis, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2017.

Mr. F.C. Berg is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.

Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de FIOD/belastingdienst met nummer 57182. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

Proces-verbaal (zaaksdossier I) inzake [verdachte 1] d.d. 23 augustus 2016 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz 52). Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 25 januari 2016 (V-001-01, blz 1186);

Proces-verbaal (zaaksdossier I) inzake [verdachte 1] d.d. 23 augustus 2016 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz 60);

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 25 januari 2016 (V-001-02, blz 1190);

Proces-verbaal (zaaksdossier I) inzake [verdachte 1] d.d. 23 augustus 2016 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz 60);

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 25 januari 2016 (V-001-02, blz 1192);

Proces-verbaal (zaaksdossier I) inzake [verdachte 1] d.d. 23 augustus 2016 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz 84);

Proces-verbaal van verhoor van verdachte afgelegd d.d. 17 februari 2016

(V-001-09, blz 1239);

Proces-verbaal van verhoor medeverdachte [medeverdachte 1] d.d. 3 februari 2016 (V-002-11 blz 1305);

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 7] d.d. 11 februari 2016

(V-006-07, blz 1424);

Proces-verbaal (zaaksdossier I) inzake J [verdachte 1] d.d. 23 augustus 2016 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz 60);

Geschriften zijnde de loonstroken [medeverdachte 1] over de jaren 2008 t/m 2015 (bruto salaris)( DOC-010a t/m DOC 010h blz 1634 e.v.);

Proces verbaal bevindingen voordeel verdachte [verdachte 2] en nadeel RUG

d.d. 12 augustus 2016 op gemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (AMB 045 blz 730 en 731);

Proces verbaal bevindingen vordering DUO (Dienst Uitvoering Onderwijs d.d. 22 december 2015 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] ( AMB-011 blz 388);

Proces-verbaal bankmutaties van [verdachte 2] opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] d.d. 22 december 2015 (AMB-006 blz 368 en 369);

Geschrift zijnde de loonstroken [medeverdachte 1] over de jaren 2008 t/m 2015 (bruto salaris)( DOC-010a t/m DOC 010h blz 1634 e.v.) en het proces verbaal bevindingen voordeel verdachte [verdachte 2] en nadeel RUG d.d. 12 augustus 2016 op gemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (AMB 045 blz 730 en 731);

het proces verbaal bevindingen voordeel verdachte [verdachte 2] en nadeel RUG d.d. 12 augustus 2016 op gemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (AMB 045 blz 730 en 731);

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 januari 2016 (V-001-04, blz 1208, 1209 1210);

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 2] d.d. 3 februari 2016

(V-002-10 blz 1298) en Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 2] d.d. 27 januari 2016 (V-002-09 blz 1293);

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 3] d.d. 25 januari 2016

(V-003-03 blz 1327 en 1328) en Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 3] d.d. 4 februari 2016 (V-003-06 blz 1341);

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 6] d.d. 3 maart 20916 (V004-07 blz 1366);

Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 2] d.d. 25 januari 2016 (V-005-02 blz 1381);

(Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [medeverdachte 2] d.d. 11 februari 2016

(V-006-07, blz 1424 en 1425);

Geschriften zijnde de loonstroken medeverdachte [verdachte 3] over de jaren 2009 t/m 2014 (bruto salaris)( DOC-009a t/m DOC 009g blz 1607 e.v.);

Proces verbaal bevindingen voordeel medeverdachte [verdachte 3] en nadeel RUG

d.d. 12 augustus 2016 op gemaakt door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 2] (AMB 045 blz 732 en 733);

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 27 januari 2016 (V-001-06, blz 1221);

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 3] d.d. 25 januari 2016

(V-003-02 blz 1323) en het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 3] d.d. 4 februari 2016 (V-003-06 blz 1341);

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 6] d.d. 3 maart 2016 (V004-07 blz 1366);

Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 2] d.d. 26 januari 2016 (V-005-04 blz 1388);

(V08-05): Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 3] d.d. 26 januari 2016 (V-008-05 blz 1455 en 1456);

Proces-verbaal (zaaksdossier I) inzake [verdachte 1] d.d. 23 augustus 2016 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz 73);

Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 5 februari 2016 (V001-008 blz 1233 en 1234)

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 7] d.d. 3 februari 2016 (V006-05 blz 1418)

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 4] d.d. 5 februari 2016 (V-011-04 blz 1509);

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 5 februari 2016 (V-001-08 blz 1235);

Proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 3] d.d. 27 januari 2016 (V-008-06 blz 1459 en 1460);

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 5 februari 2016 (V-001-08 blz 1236);

Het proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam 3] d.d. 27 januari 2016 (V008-06 blz 1460);

Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 6] d.d. 3 maart 2016 (V-004-07 blz 1366);

Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 17 februari 2016 (V-001-09 blz 1240);

Het proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 2] d.d. 3 februari 2016 (V-002-11 blz 1304);

Proces-verbaal (zaaksdossier I) inzake [verdachte 1] d.d. 23 augustus 2016 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz 56);

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 4 februari 2016 (V-001-06 blz 1224):

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 7] d.d. 3 februari 2016 (V-006-05 blz 1416);

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 5] d.d. 29 januari 2016 (V-010-04 blz 1490);

Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 mei 2016 (V-001-12 blz 1255);

Proces-verbaal van verhoor van de medeverdachte [verdachte 5] d.d. 2 juni 2016 (V-010-06 blz 1496);

Proces-verbaal (zaaksdossier I) inzake [verdachte 1] d.d. 23 augustus 2016 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz 88);

Proces-verbaal van verhoor van de verdachte d.d. 23 mei 2016 (V-001-12 blz 1256)

(Proces-verbaal (zaaksdossier I) inzake [verdachte 1] d.d. 23 augustus 2016 opgemaakt door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (blz 52);


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature