Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

aansprakelijkheid brandschade 6:74 BW, 6:162 BW

Omschrijving: Gedaagde is op grond van artikel 6:74 BW en 6:162 BW aansprakelijk voor brandschade, omdat zij niet voor aanvang van de onderhavige laswerkzaamheden heeft geverifieerd of de lassers wel wisten dat op de mest in de kelder schuim met methaangas aanwezig kon zijn en dat zoiets een zeer brandgevaarlijke situatie kon opleveren. Gedaagde kende dat risico zelf wel, maar heeft niet gesteld dat hij voor de aanvang van het laswerk heeft vastgesteld dat dit ook gold voor de lassers.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

Vonnis in hoofdzaak en vrijwaring van 19 april 2017

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/08/177538 / HA ZA 15-547 van

de onderlinge waarborgmaatschappij

ONDERLINGE VERZEKERING MAATSCHAPPIJ TWENTE U.A.,

gevestigd te Wierden ,

eiseres,

advocaat mr. M.L.W.J.S. Knook te Doetinchem,

tegen

1. de vennootschap onder firma

[A] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. [B],

3. [C],

beiden wonende te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat mr. M.A. Schuring te Almelo,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/08/184744 / HA ZA 16-147 van

1. de vennootschap onder firma

[A] V.O.F.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,

2. [B],

3. [C],

beiden wonende te [woonplaats] ,

eisers in vrijwaring,

advocaat mr. M.A. Schuring te Almelo,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde in vrijwaring,

advocaat mr. B.M. Stroetinga te Eindhoven.

Partijen zullen hierna OVM, [A] en Achmea genoemd worden.

In de hoofdzaak:

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

het vonnis in het vrijwaringsincident van 24 februari 2016,

de conclusie van antwoord,

de conclusie van repliek,

de conclusie van dupliek,- een akte uitlating producties zijdens OVM en- een akte uitlating producties zijdens [A] .

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

De rechtbank gaat in de hoofdzaak uit van de volgende onbetwiste en voor de beoordeling van de vordering relevante feiten.

2.2.

Maatschap [D] heeft een gemengd agrarisch bedrijf in [vestigingsplaats 2] . Op het erf bevindt zich een kalverstal. [A] heeft als hoofdaannemer in opdracht en voor rekening van [D] renovatiewerkzaamheden aan die stal uitgevoerd dan wel laten uitvoeren, overeenkomstig een door [A] op 3 juli 2013 aan [D] uitgebrachte offerte betreffende aanpassingen aan de stal ten behoeve van mechanische ventilatie en het geschikt maken van de stal voor automatisch voeren. Het bedrag van de offerte was € 151.249,97 exclusief BTW.

2.3.

[A] heeft Staalbouw [E] ingeschakeld voor het leveren van de stalen hekken voor de kalverboxen in die stal. Staalbouw [E] werd daarbij ondersteund door handelsonderneming [F] .

2.4.

Begin december 2013 heeft [A] aan [E] gevraagd of deze twee werknemers beschikbaar had om voor [A] werkzaamheden te verrichten. Staalbouw [E] had dat niet, en nam contact op met [F] , die vervolgens aan een technisch uitzendbureau, Jobtechniek Personeelsvoorzieningen B.V., om twee medewerkers vroeg. Jobtechniek stelde twee arbeidskrachten ter beschikking van [F] , namelijk [G] en [H] .

2.5.

Jobtechniek heeft het beschikbaar stellen van [G] en [H] gefactureerd aan [F] . [F] heeft dit vervolgens doorberekend aan Staalbouw [E] , die deze arbeidskrachten vervolgens aan [A] in rekening bracht.

2.6.

In de te renoveren kalverstal van [D] hebben [G] en [H] op 4 december 2013 laswerkzaamheden uitgevoerd, bestaande uit het vastlassen van een opvulblok onder de stalen pilaren van de draagconstructie. Onder de stal bevond zich een mestkelder, waarin zich mest bevond. In de betonvloer boven de mestkelder zaten roosters.

2.7.

Op 4 december 2013 was de renovatie van de stal bijna voltooid. Op die datum is de stal afgebrand. De stal was tegen brandschade verzekerd bij OVM. Over de oorzaak en de toedracht van de brand is op 3 maart 2014 gerapporteerd door Gorissen & Van der Zande Schadeonderzoek B.V.

2.8.

De conclusies van dat rapport kunnen worden samengevat als volgt. In de kalverstal werden op 4 december 2013 werkzaamheden verricht met elektrisch lassen. Bij zulke werkzaamheden komen gloeiende metaaldeeltjes (lasspetters) vrij. Deze metaaldeeltjes kunnen ook op grote afstand van de plaats, waar ze zijn ontstaan, nog zo warm zijn dat daarmee in contact komende organische stoffen tot ontbranding komen.

2.9.

Op mest in een agrarische mestopslag kan schuim ontstaan. In dat schuim kan uit de mest afkomstig methaangas opgesloten raken. Methaangas is gemakkelijk brandbaar. De brand kan alleen maar zijn ontstaan ten gevolge van vonken en/of lasspetters, die bij het lassen door het rooster boven de mestopslag zijn gevallen en daarbij terecht zijn gekomen op een schuimlaag op de mest, in welke schuimlaag methaangas was opgesloten. Door de hete vonken en/of lasspetters is dat gas gaan branden. De brand heeft zich vervolgens door de stal uitgebreid via de tegen het dak van de stal aangebrachte isolatielaag van brandbaar PUR-schuim.

2.10.

Blijkens deze gang van zaken bestond wegens de aanwezigheid van methaangas in het schuim op de mest een brandgevaarlijke situatie. Er waren echter onvoldoende voorzorgsmaatregelen getroffen. Gezien het brandgevaar hebben de lassers een ongeschikt middel gebruikt om te voorkomen dat er lasspetters e.d. door de mestroosters in de mestkelder zouden vallen. De lassers hebben alleen een stuk karton op een rooster gelegd. Een las- of branddeken was niet aanwezig. Er waren geen brandblussers aanwezig binnen handbereik van de lassers.

2.11.

De omvang van de schade is onderzocht en begroot door Lengkeek Expertises B.V. in twee rapporten van respectievelijk 12 december 2013 en 8 juli 2014. Overeenkomstig die rapportage heeft OVM aan haar verzekerde [D] € 276.699,62 uitgekeerd.

2.12.

Bij brief van haar advocaat d.d. 14 april 2014 heeft OVM [A] aansprakelijk gesteld voor de door OVM aan [D] vergoede brandschade, op grond dat OVM is gesubrogeerd in de rechten van haar verzekeringnemer [D] jegens [A] .3. De vordering3.1. OVM heeft in aanvulling op de als vaststaand aangenomen feiten het volgende gesteld.

3.2.

Tussen partijen bestond een overeenkomst van aanneming van werk. Op grond van artikel 7:751 BW mocht [A] het werk onder haar leiding doen uitvoeren door anderen, en mocht hij ten aanzien van onderdelen de leiding ook aan anderen overlaten, onverminderd zijn aansprakelijkheid voor deugdelijke nakoming van de overeenkomst. Op grond van artikel 6:76 BW is [A] aansprakelijk voor gedragingen van de door hem ingezette hulppersonen op gelijke wijze als voor eigen gedragingen.

3.3.

[A] heeft het overeengekomen werk niet opgeleverd. De stal is zo ernstig beschadigd dat deze zo goed als verloren is gegaan. Op grond van artikel 6:74 lid 1 BW dient [A] de daardoor voor [D] ontstane schade te vergoeden. [A] is zonder ingebrekestelling in verzuim geraakt.

3.4.

[G] en [H] hebben onrechtmatig jegens [D] gehandeld in de zin van artikel 6:162 BW , omdat zij bij de uitvoering van hun werkzaamheden onzorgvuldig hebben gehandeld, doordat zij geen of onvoldoende voorzorgsmaatregelen hebben genomen ter voorkoming van brand. Immers, [G] wist dat er mest onder de roosters boven de mestkelder zat. Een lasdeken was niet aanwezig. [G] en [H] hebben verzuimd om te controleren of er brandblussers binnen handbereik waren.

3.5.

[A] is als professioneel bouwkundig aannemer schuldaansprakelijk voor de schade op grond van artikel 6:162 BW , omdat zij onzorgvuldig heeft gehandeld. Zij heeft verzuimd om adequate voorzorgsmaatregelen te treffen om brandschade als gevolg van lasspetters te voorkomen. [A] heeft er niet op toegezien dat conform algemeen geldende veiligheidsvoorschriften werd gewerkt. Zij heeft er ten onrechte op vertrouwd dat de lassers ( [G] en [H] ) dat wel zouden doen. [A] wist dat bij het lassen geen leidinggevende aanwezig was. Zij heeft niet gezorgd voor de aanwezigheid van een lasdeken en brandblussers binnen handbereik van de lassers.

3.6.

Er is causaal verband tussen voormeld onrechtmatig handelen en de ontstane schade. Door haar onzorgvuldig handelen heeft [A] de kans op het ontstaan van brand vergroot.

3.7.

[G] en [H] hebben te gelden als ondergeschikten van [A] . Naast haar eigen aansprakelijkheid op grond van artikel 6:162 BW draagt [A] op grond van artikel 6:170 BW ook risicoaansprakelijkheid voor de schade, die het gevolg is van de gedragingen van de lassers.

3.8.

Voor aansprakelijkheid op grond van artikel 6:170 BW moet voldoende verband bestaan tussen de fout (en) van de ondergeschikte(n) en de hem/hun opgedragen taak. Hieraan is in beginsel voldaan als de kans op de gemaakte fout is vergroot door de opdracht tot het verrichten van de onderhavige taak, en de werkgever zeggenschap had over de gedragingen, waarin de fout was gelegen. Aan deze voorwaarden is voldaan. De lassers zijn aan te merken als ondergeschikten van [A] in de zin van artikel 6:170 BW . De vereiste (mate van) ondergeschiktheid moet ruim worden opgevat. Met name is daarvan niet uitsluitend sprake ingeval van een dienstbetrekking.

3.9.

Op grond van het voorgaande vordert OVM veroordeling van [A] tot betaling van € 276.699,62, te vermeerderen met rente en kosten, waaronder € 3.158,00 voor buitengerechtelijke incassokosten.

4 Het verweer 4.1. [A] heeft de vordering gemotiveerd betwist op de volgende gronden. Zij ontkent onrechtmatig of onzorgvuldig te hebben gehandeld. [A] heeft aan haar onderaannemer Staalbouw [E] opdracht gegeven om staalconstructies te plaatsen. [A] heeft daarbij geen opdracht gegeven om lassers in te huren. Staalbouw [E] heeft via [F] de lassers [G] en [H] ingeleend bij een uitzendbureau. [A] mocht er van uitgaan dat dit capabele krachten waren, met een ruime ervaring met lassen, en dat zij zelfstandig konden werken. Zij beschikten over de nodige materialen en brandblusmiddelen. [F] heeft hun een lasapparaat, lasdeken en brandblusser verstrekt. [A] heeft [G] toen uitdrukkelijk gewezen op de te nemen voorzorgsmaatregelen.

4.2.

Staalbouw [E] en [F] hebben hoogst onzorgvuldig gehandeld door de lassers, die zij hadden ingeleend en waarover zij feitelijk de zeggenschap hadden, zonder enige instructie naar de bouwplaats te sturen. Zij hadden zich ervan moeten vergewissen welke werkzaamheden dienden te worden verricht en welke instructies ze de inleenkrachten hadden moeten meegeven. Dat zij dat hebben nagelaten, kan niet worden toegerekend aan [A] .

4.3.

[A] beroept zich in dit verband op zijn kort na de brand opgenomen verklaring als volgt:“Toen bekend werd dat er gelast moest worden heb ik nog aan [G] gezegd dat hij alles goed moest afdekken. Mijn werknemer [I] stond daar bij. Ik heb nog aangegeven dat hij het vloerkleed, dat daar lag kon gebruiken. Dit was een stuk vloerbedekking dat door [J] de medewerker van de opdrachtgever de dag voor de brand ook had gebruikt. [J] was toen namelijk ook in de stal aan het lassen en gebruikte voor het afdekken die natte vloerbedekking. (…) Ik heb niet gezien dat [G] en [H] (..) begonnen zijn met het lassen en vastzetten van de blokjes onder de kolommen. Ik heb [G] gewezen op het feit dat hij boven een kelder aan het lassen is en dat er brandgevaar kon zijn. Ik heb hem toen gezegd gebruik dat wat [J] ook gebruikt heeft om het goed af te dekken. Ik heb wel gesproken over brandgevaar maar ik denk niet dat ik ook expliciet heb gesproken over gassen die bij een mestkelder gevormd kunnen worden. Boven een kelder lassen of slijpen weet iedereen kan tot brandgevaar leiden. [G] heeft ook zelf gezien hoe [J] aan het lassen was.

4.4.

Onder deze omstandigheden viel niet van [A] te verwachten dat hij bij het lassen aanwezig bleef om dat werk te controleren. Gezien de oorzaak van de brand waren het de lassers, die jegens [D] (de eigenaar en opdrachtgever tot de renovatie van de stal) onrechtmatig hebben gehandeld doordat zij zich niet hebben gehouden aan de veiligheidsvoorschriften en hebben zij de nodige voorzorgsmaatregelen niet in acht genomen.

4.5.

Indien en voor zover [G] en [H] kunnen worden gezien als hulppersonen van [A] , was er geen sprake van ondergeschiktheid van deze lassers aan [A] in de zin van artikel 6:170 BW, zodat [A] voor de fout van de lassers geen risicoaansprakelijkheid draagt. Een risicoaansprakelijkheid voor niet-ondergeschikte hulppersonen in de zin van artikel 6:171 BW heeft OVM niet aan haar eis ten grondslag gelegd.

4.6.

Subsidiair voert [A] aan dat het gevorderde schadebedrag te hoog is. Hij heeft daartoe gesteld dat twee facturen van [K] Sloopwerken Asbestsanering zijn overgelegd voor het leegruimen en schoonmaken van de mestkelders en het afvoeren van de mest in juni 2014. In die kelders was, behalve mest, ook afval terechtgekomen, maar dat was al in maart 2014 weggehaald door [L] Sloopwerken. Ook diens factuur maakt deel uit van de schadevordering. Omdat zich ten tijde van de brand al mest in de kelders bevond, is de verwijdering van die mest niet aan te merken als door de brand veroorzaakte schade.

4.7.

Door de brand is de stal niet volledig verloren gegaan. Dat gold wel voor de dakisolatie, gordijnisolatie, goten en hemelwaterafvoer, maar de staalconstructie en de prefab wanden met isolatieschil zijn volledig intact gebleven. Het beton van de prefab betonwanden bleek na de brand niet te zijn aangetast, en de daarin aangebrachte isolatieschil ook niet. OVM wilde echter dat deze toch werden vervangen, hetgeen is gebeurd, maar de kosten daarvan waren overbodig en behoren daarom niet ten laste van [A] te komen.

4.8.

De gevorderde schadevergoeding moet reeds hierom worden verminderd met € 74.585,92. Daarnaast zijn enkele andere schadeposten onvoldoende onderbouwd of blijkt geen verband te bestaan tussen de brand en de opgevoerde schade. Ook is niet of onvoldoende rekening gehouden met ‘nieuw voor oud’.

4.9.

Enkele opgevoerde schadeposten moeten worden afgewezen, omdat niet blijkt van causaal verband met de brand:- een factuur voor het aanbrengen van een aangebrachte elektra- en waterinstallatie, nu deze installatie niet vergelijkbaar is met de installatie van vóór de brand, en er sprake is van ‘nieuw voor oud’, - een factuur voor het opruimen van stormschade, omdat niet blijkt van enig verband tussen zulke schade en de brand,- de als schadepost opgevoerde gederfde winst (bedrijfsschade) is niet onderbouwd,- rekeningen van de advocaat van OVM, waaruit blijkt van een aantal dubbeltellingen, terwijl deze facturen voor het merendeel betrekking hebben op de onderhavige procedure

en op buitengerechtelijke kosten betreffende die procedure, welke kosten geacht moeten worden te zijn gemaakt in verband met het onderhavige proces, zodat zij dienen te worden verwerkt in een eventuele vordering tot veroordeling in de proceskosten,- kosten van de rapportage door Lengkeek betreffende de hoogte van de schade behoort niet voor rekening van [A] te komen, omdat niet blijkt dat die rapportage enige toegevoegde waarde heeft of heeft gehad. Immers, Lengkeek heeft slechts facturen van verschillende partijen doorgestuurd naar OVM met een verzoek om betaling,- de factuur van Gorissen & Van der Zande, omdat niet blijkt dat dit rapport voor de onderhavige zaak relevant is geweest.

4.10.

[A] heeft daar aan toegevoegd dat de laatste drie posten in bovenstaande opsomming niet voldoen aan de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 BW .

5 De beoordeling

5.1.

Het primaire verweer van [A] betreft de betwisting van haar aansprakelijkheid voor door de brand veroorzaakte, door [D] geleden en door OVM vergoede schade. [A] ontkent onrechtmatig of onzorgvuldig te hebben gehandeld. Zij voert aan dat zij er van mocht uitgaan dat de ingeleende lassers [G] en [H] capabele krachten waren, met een ruime ervaring met lassen, en dat zij zelfstandig konden werken, en dat zij beschikten over de nodige materialen en brandblusmiddelen.

5.2.

[A] stelt dat zij [G] uitdrukkelijk heeft gewezen op de te nemen voorzorgsmaatregelen en neemt het standpunt in dat onder deze omstandigheden niet aan haar te verwijten viel dat zij niet bij het lassen aanwezig bleef om dat werk te controleren. Het waren de lassers, aldus [A] , die jegens [D] (de eigenaar en opdrachtgever tot de renovatie van de stal) onrechtmatig hebben gehandeld, doordat zij zich niet hebben gehouden aan de veiligheidsvoorschriften en zij de nodige voorzorgsmaatregelen niet in acht hebben genomen.

5.3.

De rechtbank volgt deze redenering niet. Uit de feiten blijkt dat [A] niet vóór de aanvang van de onderhavige laswerkzaamheden heeft geverifieerd of de lassers wel wisten dat op de mest in de kelder schuim met methaangas aanwezig kon zijn en dat zoiets een zeer brandgevaarlijke situatie kon opleveren. [A] kende dat risico zelf wel, maar heeft niet gesteld dat hij vóór de aanvang van het laswerk heeft vastgesteld dat dit ook gold voor deze [G] en [H] .

5.4.

Aan te nemen valt, dat deze lassers van dat specifieke brandgevaar niet op de hoogte waren. Zij zijn gaan lassen na een stuk karton op een rooster boven de mestkelder te hebben gelegd om comfortabeler te kunnen werken, zonder gebruik te maken van de door [A] aangeboden mogelijkheid om het rooster af te dekken met een in of bij de stal al aanwezig nat stuk vloerbedekking, en zonder een brandblusser en een lasdeken onder handbereik te hebben.

5.5.

Niet valt aan te nemen dat de lassers op deze manier zouden zijn gaan werken als zij hadden geweten van de mogelijke directe nabijheid van licht ontbrandbaar methaangas onder het rooster. Zij meenden kennelijk dat zij slechts te maken hadden met staal, beton en mest. De rechtbank neemt aan dat, als [A] bij hun laswerk aanwezig was gebleven en had gezien hoe zij dat deden, zij de lassers op het risico van methaangas zou hebben aangesproken.

5.6.

[A] is aldus jegens [D] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar uit de aannemingsovereenkomst voortvloeiende contractuele verplichtingen in de zin van artikel 6:74 BW , en deze onzorgvuldige nalatigheid was onder de gegeven omstandigheden ook onrechtmatig jegens [D] in de zin van artikel 6:162 BW . [A] is daarom aansprakelijk voor de daardoor veroorzaakte schade op grond van zowel artikel 6:74 BW als artikel 6:162 BW .

5.7.

Omdat haar aansprakelijkheid berust op een eigen fout van [A] , kan een risicoaansprakelijkheid van [A] voor een fout van de lassers uit hoofde van artikel 6:170 BW , zoals OVM heeft gesteld, verder onbesproken blijven.

5.8.

Het subsidiaire verweer betreft de hoogte van de gevorderde schadevergoeding. OVM heeft dit verweer in alle onderdelen gemotiveerd bestreden. De rechtbank zal de desbetreffende acht schadeposten, zoals hiervoor weergegeven in r.o. 4.6 tot en met 4.10, achtereenvolgens behandelen.

5.9.

De door [A] betwiste facturen van [K] Sloopwerken Asbestsanering voor het leegruimen en schoonmaken van de mestkelders en het afvoeren van de mest in juni 2014, heeft OVM bij repliek nader toegelicht als volgt. Er waren resten bouwmateriaal door de roosters van de mestkelder gevallen. Aanvankelijk is bij de opruimwerkzaamheden na de brand een grote hoeveelheid mest uit de mestkelder afgevoerd. Er bleef echter een restant mest met bouwresten in de kelder achter.

5.10.

Om die restanten weg te halen moest een rooster worden verwijderd, waaroverheen bij de renovatie een nieuwe betonvloer was gelegd. Die vloer moest eerst worden verwijderd, waarna ook de roosters konden worden weggehaald. Daarna kon met machines in de kelder worden gewerkt. Er ontstonden toen problemen met het naar één kant schuiven van de mest en de bouwresten. Met veel mankracht en inzet van meerdere rupsvoertuigen slaagde men er uiteindelijk in om de kelder vrij te krijgen van de laatste mest- en bouwresten. De aan deze werkzaamheden verbonden kosten heeft Lengkeek begroot op € 49.532,06 exclusief BTW.

5.11.

[A] heeft deze feiten vervolgens niet ontkend. De rechtbank acht de gegeven toelichting verhelderend en oordeelt dat de in verband daarmee de opgevoerde kosten weliswaar hoog zijn, maar (mede gelet op de specifieke expertise van Lengkeek) niet onnodig zijn gemaakt en, gezien de aangegeven omstandigheden, nog niet onredelijk hoog waren. Het verweer tegen deze schadepost moet daarom worden verworpen.

5.12.

[A] maakt voorts bezwaar tegen de gevorderde schadevergoeding in verband met de vervanging van de staalconstructie van de stal en de prefab wanden met isolatieschil. Die vervanging was volgens [A] overbodig, omdat deze onderdelen van het gebouw volledig intact waren gebleven. OVM wilde echter dat deze toch werden vervangen, hetgeen ook is gebeurd. De gevorderde schadevergoeding moet daarom worden verminderd met € 74.585,92.

5.13.

OVM heeft dit verweer bestreden als volgt. Uit een onderzoek van het bouwkundig adviesbureau Alverink Van Schieveen is gebleken, dat weliswaar zowel de beton- als de staalconstructie door de brand geen constructieve schade had opgelopen en dat de isolatiewaarde van de wanden niet was verminderd, maar dat daardoor wel de duurzaamheid van zowel de staalconstructie als van de betonwanden was verminderd. Dit zou weliswaar kunnen worden hersteld door het aanbrengen van een bepaalde coating, maar de kosten daarvan zouden € 197.300,00 bedragen, en dat zou veel duurder zijn dan vervanging van de constructie en de wanden. [A] heeft vervolgens de juistheid van die conclusie niet onderbouwd betwist, zodat de rechtbank het verweer verwerpt.

5.14.

[A] heeft bezwaar gemaakt tegen (vergoeding van) een factuur voor het aanbrengen van een aangebrachte elektra- en waterinstallatie. Volgens [A] is deze nieuwe installatie niet vergelijkbaar met de installatie van vóór de brand, en is bij de vergoeding ten onrechte geen rekening gehouden met, dan wel geen correctie toegepast wegens ‘nieuw voor oud’.

5.15.

Bij repliek heeft OVM dit verweer bestreden als volgt. Vlak voor de brand was de renovatie en daarmee ook het installatiewerk zo goed als klaar. Door de brand is het nieuwe installatiewerk verloren gegaan en moest het weer opnieuw worden aangelegd. Voor een correctie ‘nieuw voor oud’ is dan geen plaats. Ook overigens is deze schadepost voldoende onderbouwd: het gaat om een bedrag van € 17.583,00. [A] heeft destijds zelf de desbetreffende offerte van [M] Installatietechniek toegestuurd aan Lengkeek, en zij heeft ditzelfde bedrag ook opgenomen in haar offerte voor herstelwerkzaamheden. Daarom is onbegrijpelijk dat, en waarom, [A] de juistheid van dat bedrag nu in twijfel trekt.

5.16.

[A] heeft vervolgens bij dupliek met betrekking tot deze installatie aangevoerd, dat OVM niet heeft aangetoond wat de staat van de vervangen installaties was, en dat er daarom van moet worden uitgegaan dat deze sterk verouderd was. De rechtbank kan hierin geen adequate weerlegging zien van de stelling van OVM, dat de door brand vernielde installatie in het kader van de bijna voltooide renovatie net was aangelegd, en dus nieuw was. Het verweer wordt daarom verworpen.

5.17.

[A] heeft bezwaar gemaakt tegen een factuur van € 8.427,49 voor het opruimen van stormschade door [L] Sloopwerken, op grond dat niet blijkt van enig verband tussen zulke schade en de brand. OVM heeft daartegen bij repliek het volgende ingebracht. De brand vond plaats op 4 december 2013. In de avond en nacht van 5 op 6 december 2013 stormde het. Daardoor is brandafval en isolatiemateriaal over het land van [D] gewaaid, en raakten allerlei onderdelen van de afgebrande stal los. Het was, aldus OVM, een grote puinzooi, die moest worden opgeruimd. [L] heeft dat gedaan en dit in rekening gebracht.

5.18.

Bij dupliek heeft [A] de storm en het verband tussen de stormschade en de brand niet (meer) ontkend, maar zij heeft haar stelling gehandhaafd dat het niet nodig was om voor het opruimen [L] in te schakelen, omdat [D] dat ook zelf wel had kunnen doen.

5.19.

De rechtbank verwerpt die redenering. In de causaliteitsketen, die leidde tot deze stormschade, is de brand een essentiële factor. Die schade heeft OVM daarom niet ten onrechte op grond van de toepasselijke brandverzekeringspolis aan [D] vergoed, en OVM kan op grond van subrogatie [A] aanspreken tot betaling van dat bedrag. Dat die vergoeding onredelijk hoog zou zijn, is niet concreet onderbouwd.

5.20.

[A] heeft een schadepost van € 25.000,- in verband met bedrijfsschade van [D] betwist op grond, dat deze niet of onvoldoende zijn gespecificeerd en/of onderbouwd. Bij repliek heeft OVM daarop verwezen naar de drie overgelegde rapporten van Lengkeek en de daarin opgenomen passages met betrekking tot deze schadepost. In het eerste rapport, aldus OVM, is al voorzien dat [D] bedrijfsschade zou lijden, maar dat daarover op dat moment nog onvoldoende informatie beschikbaar was.

5.21.

In de tweede rapportage staat onder meer, dat als gevolg van het afbranden van de stal, gedurende acht maanden geen dieren in de stal zullen kunnen worden gehouden, en in het derde rapport heeft Lengkeek die schade berekend op € 25.000,- op basis van een verwachte gederfde omzet van € 227.836,-, bespaarde voerkosten ad € 84.164,- en bespaarde aankoopkosten van kalveren ad € 114.600,- en met aftrek van een bedrag aan ‘overige variabele kosten’ van € 4.072,-.

5.22.

De rechtbank acht deze onderbouwing voldoende, mede gelet op de expertise van de door OVM voor de schadebegroting ingeschakelde deskundige [N] , die volgens OVM als agrarisch deskundige 30 jaar ervaring heeft, veel brandgevallen heeft behandeld en lid is van de Nederlandse Vereniging van Agrarische Experts (NVAE), en als onafhankelijk brandschade-expert, met als specialisatie agrarische risico’s, is aangesloten bij het Nederlands Instituut van Register Experts (NIVRE). [A] heeft deze informatie niet gemotiveerd betwist, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan.

5.23.

[A] heeft voorts bezwaar gemaakt tegen rekeningen van de advocaat van OVM, omdat (1) daaruit blijkt van een aantal dubbeltellingen, en omdat (2) deze facturen voor het merendeel betrekking hebben op de onderhavige procedure en op buitengerechtelijke kosten betreffende die procedure, welke kosten geacht moeten worden te zijn gemaakt in verband met het onderhavige proces, zodat zij dienen te worden verwerkt in een eventuele vordering tot veroordeling in de proceskosten.

5.24.

OVM heeft haar standpunt over de declaraties van haar advocaat bij repliek toegelicht als volgt. Er zijn geen werkzaamheden dubbel verricht. Het merendeel van de werkzaamheden van de advocaten had geen betrekking op het voorbereiden van de onderhavige procedure. Het ging daarbij grotendeels om de kosten van advies ten behoeve van de inschatting van de zaak, alsmede kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte. In de gegeven omstandigheden zijn de betreffende juridische kosten redelijk en waren zij redelijkerwijs noodzakelijk om schadevergoeding te verkrijgen.

5.25.

De rechtbank acht het verweer gegrond. Dat de kosten (deels) betrekking hadden op verkrijging van betaling buiten rechte, blijkt niet uit de overgelegde stukken, afgezien van (misschien) de brief aan [A] van 14 april 2014, waarin OVM aan [A] adviseert om de brief door te geleiden naar haar aansprakelijkheidsverzekeraar.

5.26.

Het desbetreffende bedrag van (blijkens de overgelegde facturen van JPR Advocaten) in totaal € 3.766,51 is niet toewijsbaar als door de verzekerde [D] als gevolg van door hem als gevolg van de brand geleden schade. Dat OVM als professionele verzekeraar behoefte had aan extern juridisch advies over de aanpak van de zaak regardeert [A] niet. Voor wat betreft die declaraties is OVM niet gesubrogeerd in het recht van de verzekerde ( [D] ) tot vergoeding van door [D] als gevolg van de brand geleden schade. Een andere rechtsgrond voor toewijzing van die nota’s is evenmin gesteld of gebleken.

5.27.

Voor zover de declaraties van de advocaten verband houden met de onderhavige door OVM tegen [A] aangespannen procedure geldt de regel, dat zij mogelijk toewijsbaar zijn onder het regime van de buitengerechtelijke incassokosten en de vaststelling van geliquideerde proceskosten.

5.28.

[A] betwist de gevorderde kosten van de rapportage door Lengkeek betreffende de hoogte van de schade. Volgens [A] behoren deze kosten niet voor haar rekening te komen, omdat niet blijkt dat die rapportage enige toegevoegde waarde heeft of heeft gehad. Immers, Lengkeek heeft slechts facturen van verschillende partijen doorgestuurd naar OVM met een verzoek om betaling.

5.29.

De rechtbank verwerpt dat verweer. Zoals ook hiervoor al aan de orde kwam, had OVM de deskundigheid van Lengkeek, die is gespecialiseerd in schade-expertise, en van de door haar ingeschakelde experts zoals [N] , redelijkerwijs nodig om te kunnen komen tot een correcte beoordeling, vaststelling en afwikkeling van de schade. Het gaat hierbij evident om redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 6:96 lid 1 aanhef en sub b BW. De afwikkeling van een complexe brandschade in een agrarisch bedrijf is praktisch ondenkbaar zonder inschakeling van externe gespecialiseerde experts.

5.30.

Hetzelfde geldt voor de rapportage van Gorissen & Van der Zande Schadeonderzoek B.V. [A] betwist deze post op grond dat niet blijkt dat dit rapport voor de onderhavige zaak relevant is geweest, maar die stelling verwerpt de rechtbank alleen al op grond van het onderzoek en de daarop gebaseerde rapportage van dit bureau, waarin ondubbelzinnig wordt geconcludeerd dat de brand alleen maar kan zijn ontstaan ten gevolge van vonken en/of lasspetters, die bij het lassen door het rooster boven de mestopslag zijn gevallen en daarbij terecht zijn gekomen op een schuimlaag op de mest, in welke schuimlaag methaangas was opgesloten.

5.31.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vordering voor toewijzing vatbaar is zoals gevorderd, behalve de in r.o. 5.25 niet-toewijsbaar geoordeelde post van € 3.766,51 voor advocatenkosten. Ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zijn niet toewijsbaar, omdat niet blijkt dat, behoudens een enkele brief, zulke werkzaamheden zijn verricht.

5.32.

Per saldo is in hoofdsom toewijsbaar een bedrag van € 272.933,11. [A] dient daarnaast als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden verwezen in de proceskosten.

5.33.

De rechtbank zal het dictum in de hoofdzaak om praktische redenen aanhouden tot het eindvonnis in de vrijwaringszaak.

In de vrijwaringszaak

6 De procedure

6.1.

Het verloop van de procedure in de vrijwaringszaak blijkt uit:

de dagvaarding,

de conclusie van antwoord,

de conclusie van repliek en

de conclusie van dupliek.

6.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

7 De feiten

7.1.

Over de in de hoofdzaak als vaststaand aangenomen feiten, zoals hiervoor weergegeven, verschillen ook de partijen in de vrijwaringszaak niet van mening. Daarnaast kunnen in de vrijwaringszaak de volgende, enerzijds gestelde en anderzijds niet-betwiste feiten als vaststaand worden aangenomen.

7.2.

[A] heeft voor haar bedrijf bij Achmea een bedrijfsverzekering afgesloten. Deze ‘Bedrijven Compact Polis’ biedt, onder de in de polisvoorwaarden beschreven condities, dekking van verschillende soorten schade, waaronder een CAR-verzekering.

7.3.

De verzekeringsovereenkomst omvat in hoofdstuk 1 van de polisvoorwaarden een rubriek ‘Gebouwen’. Op die rubriek zijn van toepassing paragraaf 10 van dat hoofdstuk over “Het werk (CAR)” en paragraaf 11 over “Aansprakelijkheid”. De CAR-verzekering geldt voor onder meer agrarische bedrijfsgebouwen. De afgebrande kalverstal, die door [A] werd gerenoveerd en gemoderniseerd, valt binnen deze omschrijving.

7.4.

Ingevolge paragraaf 10 van hoofdstuk 1 van de polisvoorwaarden is schade aan het “werk” van de verzekerde tijdens de bouwtermijn gedekt, ongeacht de oorzaak. Het “werk” in de zin van de polis wordt in de voorwaarden gedefinieerd als volgt:a. een object, in aanbouw of gereed;b. de bouwcomponenten, materialen, hulpconstructies en/of hulpwerken die voor rekening en risico van een verzekerde op het bouwterrein of de montageplaats aanwezig zijn om blijvend in het werk ter worden verwerkt.

7.5.

Achmea heeft aan [A] voor schade aan “het werk’ (na aftrek van een eigen risico) een vergoeding uitgekeerd van in totaal € 42.795,86, zoals getaxeerd door de schade-expert.

7.6.

Paragraaf 12 van hoofdstuk 1 van de polisvoorwaarden gaat over “eigendommen opdrachtgever”. Een overgelegde brief d.d. 15 maart 2010 van [P] van de Rabobank (die toen bij het sluiten van de onderhavige bedrijfsverzekering kennelijk als tussenpersoon optrad) aan [A] vermeldt onder meer het volgende: “Inzake ons advies om de rubriek “bestaande eigendommen opdrachtgever” mee te verzekeren op de CAR verzekering kan ik u meedelen dat bij een verzekerde som ad € 113.450,- de extra premie € 800,- per jaar bedraagt. Ook hier verzoek ik u vriendelijk contact met ons op te nemen als u dit risico wenst te verzekeren.” [A] heeft vervolgens deze rubriek niet meeverzekerd.

7.8.

Paragraaf 1 van hoofdstuk 5 van de polisvoorwaarden gaat over bedrijfsaansprakelijkheid. Hierop is van toepassing de clausule “14 Brandgevaarlijk werk exclusief dakdekken”. Die clausule schrijft voor dat brandbare stoffen worden verwijderd tot 15 meter van de werkplek en als dat niet mogelijk is, worden beschermd of afgedekt met lasdekens of gelijkwaardige bescherming. Aan dat voorschrift was ten tijde van de onderhavige brand op 4 december 2013 niet voldaan.

7.9.

[A] heeft op 11 februari 2014 aan [D] een “offerte herbouw car” uitgebracht met een prijs voor het herstellen van het car gedeelte. Deze bij conclusie van repliek in vrijwaring kennelijk slechts gedeeltelijk overgelegde offerte vermeldt geen prijs. Daarnaast heeft [A] op 12 februari 2014 aan [D] een “offerte herbouw opstal” uitgebracht, met een opgave van de prijs van € 198.454,52 inclusief BTW voor het herstellen van de brandschade voor het opstalgedeelte.

8 De vordering8.1. [A] heeft in aanvulling op de in de vrijwaringszaak als vaststaand aangenomen feiten het volgende gesteld. Alle bedragen, tot betaling waarvan zij in de hoofdzaak wordt veroordeeld op vordering van OVM, dient Achmea aan [A] te vergoeden op grond van de door haar voor haar bedrijf bij Achmea afgesloten bedrijfsverzekering, de ‘Bedrijven Compact Polis’.

8.2.

Achmea heeft aan [A] ingevolge paragraaf 10 van hoofdstuk 1 van de polisvoorwaarden voor schade aan “het werk” een vergoeding uitgekeerd van (na aftrek van een eigen risico) in totaal € 42.795,86. Dat bedrag was echter te veel laag, omdat dit is berekend op basis van een te beperkte uitleg van het begrip “het werk”. Aan [A] kan niet worden tegengeworpen dat hij niet aanstonds tegen deze te lage vaststelling van de schade aan “het werk” heeft geprotesteerd, omdat hij toen en tot op heden niet van de daadwerkelijke omvang van der schade op de hoogte was.

8.3.

Volgens Achmea dienen slechts de mechanische ventilatie, de versmalling van de voergangen, de verlenging van hekken en de stalen opvulblokken onder stalen staanders te worden gezien als “het werk” in de zin van de polisvoorwaarden. Dit is volgens [A] onjuist, omdat uit de aan [D] uitgebrachte offerte blijkt dat nagenoeg de hele stal aan verbouwing onderhevig was om de met de renovatie beoogde doelen te realiseren, namelijk “mechanische ventilatie (…) en het geschikt maken voor automatisch voeren in de bestaande stallen.”

8.4.

Om die doelen te bereiken, moest aan bijna alle delen van de stal worden gewerkt. De offerte vermeldt immers de volgende ter bereiking van de gestelde doelen uit te voeren werkzaamheden:- betonwerk onder peil,- vloeren op peil,- metalen draagconstructie,- prefab-wanden,- systeemwanden,- dak,- deuren en ramen,- ventilatie en- stalinrichting.

8.5.

Subsidiair voert [A] aan dat Achmea alsnog dient over te gaan tot vergoeding van schade op grond van paragraaf 11 van hoofdstuk 1 van de polisvoorwaarden. Ten onrechte, aldus [A] , stelt Achmea zich op het standpunt dat uit hoofde van de tussen partijen geldende polis [A] geen recht heeft op vergoeding van schade aan eigendommen van de opdrachtgever, omdat [A] geen verzekering zou hebben afgesloten als bedoeld in paragraaf 12 van hoofdstuk 1 met betrekking tot eigendommen van de opdrachtgever, zoals in dit geval de kalverstal, die eigendom was en is van opdrachtgever [D] .

8.6.

De in paragraaf 12 gebruikte term ‘eigendommen van opdrachtgever’ is in de bij de polisvoorwaarden behorende begrippenlijst gedefinieerd als volgt: “Roerende en onroerende zaken- die vanaf het begin van de bouwtermijn eigendom van de opdrachtgever zijn - of waarvoor hij op grond van de overeenkomst verantwoordelijk is- én die liggen binnen de invloedssfeer van het werk.Uitgezonderd hiervan zijn bouwcomponenten die door de opdrachtgever voor het werk worden gebruikt of beschikbaar zijn gesteld.”

8.7.

[A] beroept zich op de laatste zin van deze begripsomschrijving. De stal moet worden gezien als een door opdrachtgever [D] aan [A] ter beschikking gestelde bouwplaats, waar [A] zijn werkzaamheden moest uitvoeren. Bovendien blijkt uit de offerte van 3 juli 2013 (r.o. 2.2) dat nagenoeg de hele stal aan verbouwing onderhevig was, zodat [D] als opdrachtgever ook de bouwcomponenten van de stal, zoals de vloer, het dak en de wanden e.d. aan [A] beschikbaar heeft gesteld. Daarom is de uitsluiting in de omschrijving van het begrip ‘bestaande eigendommen’ in de polisvoorwaarden niet van toepassing.

8.8.

[A] stelt verder, dat paragraaf 11 van hoofdstuk 1 onder meer bepaalt: “Wij vergoeden de schade die het gevolg is van de aansprakelijkheid van de verzekerde in zijn hoedanigheid waarin hij is verzekerd.” Hierop geldt slechts als beperking dat bedrijfsschade van een toekomstig gebruiker van ‘het werk’ niet voor vergoeding in aanmerking komt. In dit geval is, volgens [A] , geen sprake van een ‘toekomstig gebruiker’. De stal was immers al in gebruik bij [D] . De genoemde beperking is dus niet van toepassing.

8.9.

Als [A] in de hoofdzaak wordt veroordeeld om aan OVM de door haar aan [D] uitgekeerde bedrijfsschade te vergoeden, dan dient Achmea ditzelfde bedrag uit te keren aan [A] . [A] vordert ook vergoeding van aanvullende schade, zoals onderzoekskosten, van de kosten van de advocaat van OVM en buitengerechtelijke incassokosten, tot betaling waarvan zij in de hoofdzaak mocht worden veroordeeld.

8.10.

Op grond van het voorgaande vordert [A] om Achmea te veroordelen tot hetgeen waartoe [A] in de hoofdzaak op vordering van OVM mocht worden veroordeeld, met inbegrip van de proceskostenveroordeling, en met veroordeling van Achmea in de proceskosten in de vrijwaringszaak, alsmede met vergoeding van kosten van juridische bijstand tot een bedrag van € 3.961,78.

9 Het verweer9.1. Achmea heeft de vordering gemotiveerd betwist op de volgende gronden.

9.2.

In de onderhavige CAR-verzekering is de bedrijfsaansprakelijkheid verzekerd. Van toepassing is echter clausule 14 (“Brandgevaarlijk werk exclusief dakdekken”), dat vereist dat aan bepaalde brandveiligheidsvoorschriften is voldaan. De clausule schrijft onder meer voor, dat brandbare stoffen worden verwijderd tot 15 meter van de werkplek en, als dat niet mogelijk is, dat zij worden beschermd of afgedekt met lasdekens of een gelijkwaardige bescherming. Aan dat voorschrift had [A] in dit geval niet voldaan, zodat geen dekking onder de polis aanwezig is.

9.3.

Voorts is in paragraaf 0 van hoofdstuk 5, uitsluiting nr. 5, uitgesloten de aansprakelijkheid voor schade die een verband houdt met de uitvoering van werkzaamheden in het kader van een overeenkomst van aanneming van werk of het verrichten van diensten.

9.4.

Ingevolge paragraaf 10 van hoofdstuk 1 van de polisvoorwaarden is schade aan het “werk” van de verzekerde tijdens de bouwtermijn gedekt, ongeacht de oorzaak. Er wordt dus, gezien de desbetreffende definitie in de begrippenlijst bij de polis, dekking geboden voor schade die het gevolg is van beschadiging van een object, in aanbouw of gereed, of van de bouwcomponenten die bestemd zijn om in het werk te verwerken. Die vergoeding bedraagt maximaal de eindwaarde van het werk. Dat is volgens de begrippenlijst (samengevat) de aanneemsom exclusief BTW, in dit geval dus € 151.249,97.

9.5.

In paragraaf 11 van hoofdstuk 1 is de dekking beschreven voor de aansprakelijkheid van de verzekerde voor schade, die is ontstaan tijdens de verzekerde bouwtermijnen die is veroorzaakt door de uitvoering van het werk. Als uitsluiting geldt daarbij echter, dat niet verzekerd is de schade aan het werk en de schade aan bestaande eigendommen van opdrachtgever.

9.6.

Bovendien is (onder ‘uitsluitingen’ in paragraaf 12 betreffende “eigendommen opdrachtgever”) bepaald dat niet verzekerd is de schade door brand. [A] heeft dus geen verzekering afgesloten als bedoeld in paragraaf 12 (“eigendommen opdrachtgever”), maar ook als hij dat wel zou hebben gedaan, zou geen dekking zijn verleend voor de schade aan de stal, omdat deze is veroorzaakt door brand.

9.7.

De door Achmea uitgekeerde vergoeding voor schade aan “het werk” ad € 42.795,86 is vastgesteld overeenkomstig de rapportage van de schade-experts. [A] heeft tegen die vaststelling geen bezwaar gemaakt.

9.8.

Ten onrechte beschouwt [A] de gehele stal als het “werk”. Het “werk” is een object in aanbouw of gereed. [A] bouwde geen stal, want die was er al. [A] renoveerde deze door de aanleg van mechanische ventilatie en versmalling van de voergang. Niet de stal was dus in aanbouw, maar slechts de ventilatie en de voergangen. Daarnaast vormde de verlenging van hekken onderdeel van het werk en als extra werkzaamheden moesten stalen opvulblokken onder stalen staanders worden aangebracht.

9.9.

De schade aan “het werk” is door schade-expert [Q] onderzocht, beoordeeld en vastgesteld. Tegen de dienovereenkomstig gedane uitbetaling heeft [A] geen bezwaar gemaakt. [A] heeft bijvoorbeeld geen contra-expert ingeschakeld. Als zij dat wel zou hebben gedaan en deze contra-expert het standpunt van [A] zou ondersteunen, dan zou volgens de polisvoorwaarden door de beide experts een derde expert zijn aangewezen, die de omvang van de schade bindend had vastgesteld. Dat is echter niet gebeurd.

10 De beoordeling

10.1

De rechtbank zal in de vrijwaringszaak een comparitie van partijen bevelen om hen de gelegenheid te geven om zich desgewenst uit te laten over de hierna volgende overwegingen. Ter comparitie kan ook een schikkingspoging worden gedaan.

10.2.

[A] heeft van [D] de opdracht aangenomen om voor een prijs van € 151.249,97 exclusief BTW een aantal aanpassingen aan de kalverstal uit te voeren ten behoeve van mechanische ventilatie en het geschikt maken van de stal voor automatisch voeren. Dit werk was op 4 december 2013 bijna voltooid, toen de stal en het werk door brand verloren gingen. Voor het verlies van het werk heeft Achmea aan [A] schade vergoed tot een bedrag van (na aftrek van een eigen risico) in totaal € 42.795,86.

10.3

Het primaire verweer van [A] luidt, dat dit bedrag veel te laag was, omdat het “werk” veel meer omvatte dan alleen de daarvan door Achmea op de voet van de taxatie gegeven beschrijving, aangezien de hele stal werd gerenoveerd. Wanneer wordt uitgegaan van de door Achmea voorgestane, zeer beperkte omschrijving van het “werk” lijkt de overeengekomen aanneemsom inderdaad onwaarschijnlijk hoog.

10.4.

Het aanzienlijke verschil tussen enerzijds de aanneemsom (die misschien kan dienen als indicator van de omvang van de door [A] in het “werk” gedane investering) en anderzijds de uitgekeerde vergoeding wordt verklaard, doordat Achmea de in de polisvoorwaarden onbuigzaam geformuleerde definitie (hiervoor geciteerd in r.o. 7.4.) van “werk” kennelijk strikt wil toepassen, terwijl die bepaling niet optimaal toepasselijk lijkt in een geval, waarin geen nieuw object wordt of is gebouwd, maar een reeds bestaand object wordt gerenoveerd.

10.5.

De subsidiaire grondslag van de eis is de stelling, dat Achmea ten onrechte niet (mede) heeft vergoed de door de brand ontstane schade aan de stal, eigendom van opdrachtgever [D] , voor welke schade [A] niet verzekerd was. [A] beroept zich daartegenover op de uitzonderingsbepaling in de desbetreffende begripsomschrijving in de polisvoorwaarden: “Uitgezonderd hiervan zijn bouwcomponenten die door de opdrachtgever voor het werk worden gebruikt of beschikbaar zijn gesteld.” In haar visie had [D] de gehele stal aan haar voor het uitvoeren van de renovatie beschikbaar gesteld.

10.6.

Achmea bestrijdt ook deze grondslag met een beroep op strikte uitleg van de desbetreffende polisvoorwaarde, zoals hiervoor geciteerd in r.o. 8.6. De rechtbank is het in zoverre met Achmea eens dat de stal niet kan gelden als een “bouwcomponent”.

10.7.

Achmea heeft ook een beroep gedaan op paragraaf 0 van hoofdstuk 5, uitsluiting nr. 5, waarin zij haar aansprakelijkheid heeft uitgesloten voor schade, die (zoals in dit geval) een verband houdt met de uitvoering van werkzaamheden in het kader van een overeenkomst van aanneming van werk of het verrichten van diensten.

10.8.

De rechtbank vraagt zich op grond van de voorgaande overwegingen af wat [A] had kunnen doen om toch dekking te krijgen voor aansprakelijkheid voor brandschade aan eigendommen van opdrachtgevers, en of Achmea [A] ten tijde van het afsluiten van de verzekering adequaat heeft geïnformeerd en geadviseerd. 10.9. Voor [A] heeft deze verzekeringsovereenkomst in ernstige mate gefaald. Het moge zo zijn dat [A] (zoals in de hoofdzaak is vastgesteld) aansprakelijk is voor de brandschade op grond van een door haar zelf gemaakte fout, maar verzekeringen zijn juist ook bestemd ter bescherming tegen schade als gevolg van eigen fouten, vanzelfsprekend behoudens opzet, grove schuld, roekeloosheid of kwade trouw aan de zijde van de verzekerde, maar daarvan is in dit geval niets gesteld of gebleken.

10.10.

Zowel in verband met de primaire als met de subsidiair aangevoerde rechtsgrond kan de vraag worden gesteld of Achmea met haar strikte uitleg en toepassing van haar clausules, uitsluitingen en definities nog voldoende beantwoordt aan de eisen van de redelijkheid en de billijkheid. De rechtbank verwijst ter illustratie naar de beschouwingen van Hendrikse en Rinkes in ‘Knelpunten in het verzekeringsrecht’ (Uitgeverij Paris, 2009, blz. 97 e.v.), en van dezelfde schrijvers, met Van Huizen, in het standaardwerk ‘Verzekeringsrecht’, (Kluwer, 2015, blz. 70 e.v.).

11 De beslissingen

De rechtbank:

in de hoofdzaak:

11.1.

Houdt elke beslissing aan tot het eindvonnis in de vrijwaringszaak.

in de vrijwaringszaak:

11.2.

Beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op 28 juni 2017

om 10.00 uur ter terechtzitting van mr. W.K.F. Hangelbroek in het gerechtsgebouw te Almelo aan de Egbert Gorterstraat 5.

11.3.

Bepaalt dat partijen in persoon aanwezig moeten zijn, dan wel (indien het een rechtspersoon betreft) vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is deze partij te vertegenwoordigen.

11.4.

Wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken.

11.5.

Bepaalt dat partijen eventuele nadere stukken ten behoeve van de comparitie uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting aan de rechtbank en de wederpartij(en) moeten toesturen.

11.6.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mrs. Hangelbroek, Bottenberg - Van Ommeren en Margadant, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2017.

type:

coll:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature