Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Curator niet persoonlijk aansprakelijk voor gestelde schade door verkoop activa en incassering debiteuren na vernietiging faillissementsvonnis door Hof maar voor arrest Hoge Raad in daartegen ingesteld cassatieberoep.

Uitspraak



RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer: C/08/187018 / HA ZA 16-229

Vonnis van 10 mei 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd en kantoorhoudende te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen [eiseres] ,

2. [eiser],

wonende te [woonplaats 1] ,

hierna te noemen [eiser] ,

eisende partij,

advocaat: mr. J.P.M. Borsboom te Rotterdam,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats 2] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen de curator,

advocaat: mr. E.A.L. van Emden te 's-Gravenhage.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit de navolgende processtukken:

• de dagvaarding met producties van 20 mei 2016;

• de conclusie van antwoord met producties;

• de conclusie van repliek met producties;

• de conclusie van dupliek met producties;

• de akte uitlaten producties van de zijde van eisers.

Het vonnis wordt per heden uitgesproken.

2 De feiten

2.1

Op 7 mei 2014 werd in staat van faillissement verklaard [A] . De onderneming Foprico heeft van de curator gekocht een deel van de inventaris en de goodwill en heeft bovendien personeel overgenomen. Onder de naam [eiseres] (met de letter R) heeft zij derhalve in zoverre een doorstart gemaakt. De doorstartende binderij zette haar werkzaamheden voort als huurder in het pand van [X] (gelieerd aan de eigenaar van de gefailleerde onderneming, die het pand na enige tijd verkocht aan een derde, in de persoon van [B] , althans een vennootschap van laatstgenoemde).

2.2

[eiser] is middellijk bestuurder van [eiseres] .

2.3

Op 20 augustus 2014 is het doorstartende [eiseres] door deze rechtbank in staat van faillissement verklaard, met benoeming van [gedaagde] tot curator. Het faillissement werd aangevraagd door [Y] , eigenaar van de oorspronkelijk gefailleerde onderneming, en [C] , werkneemster van die onderneming. In het door [eiseres] ingestelde hoger beroep heeft vervolgens het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden bij beslissing van 9 oktober 2014 het faillissementsvonnis vernietigd met veroordeling van de oorspronkelijke aanvragers in de faillissementskosten. Laatstgenoemden hebben tegen het arrest van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 6 maart 2015 heeft uiteindelijk de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen, waarna definitief kwam vast te staan dat [eiseres] niet (langer) in staat van faillissement verkeerde. Op 13 oktober 2015 heeft het gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, op verzoek van de curator, geoordeeld over zijn definitieve salarisbepaling. Daarvoor, op 7 juli 2015, had het Hof reeds geoordeeld over de vraag of [eiseres] gehouden was om verkoop en levering van activa door de curator, die had plaatsgevonden na de vernietiging van het faillissementsvonnis op 9 oktober 2014, te eerbiedigen. [eiseres] had afgifte van de betreffende goederen gevorderd. Ook tegen dat arrest is cassatieberoep ingesteld, hetgeen heeft geleid tot een arrest van de Hoge Raad van 11 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2577).

2.4

Het staat vast dat de curator, na vernietiging van het faillissementsvonnis op 9 oktober 2014 en voor het arrest in cassatie van 6 maart 2015, nog op actieve wijze invulling aan zijn curatorschap heeft gegeven. Zo heeft hij activa van [eiseres] verkocht, heeft hij debiteuren geïncasseerd en heeft hij de rechter-commissaris in het faillissement voorgesteld om [eiser] voor een faillissementsverhoor op te roepen. Dit actieve handelen van de curator is de bron van het onderhavige geschil.

3 Het geschil en de standpunten van partijen

3.1

In zijn algemeenheid stelt [eiseres] dat de curator zich na het arrest van het Hof van 9 oktober 2014 niet terughoudend genoeg heeft opgesteld en zonder noodzaak is overgegaan tot uitwinning van activa. Eisers concretiseren dit in vier aanwijsbare verwijten, te omschrijven als volgt:

a. de curator heeft zonder noodzaak debiteuren van [eiseres] geïnd,

b. de curator heeft zonder noodzaak [eiser] doen oproepen voor een faillissementsverhoor,

c. de curator heeft de administratie van [eiseres] niet veilig gesteld,

d. de curator heeft zonder noodzaak activa verkocht en dat bovendien te goedkoop.

3.2

[eiseres] wijst op de hierna nog te noemen jurisprudentie, waaruit volgt dat een curator, met name in de periode waarin onduidelijk is of het faillissement al dan niet stand zal houden, terughoudend gebruik moet maken van zijn bevoegdheden. Dit geldt zeker in het geval waarin het vonnis tot faillietverklaring is vernietigd, maar die vernietiging nog niet onherroepelijk is geworden. De curator had, naar de woorden van [eiseres] , in feite op zijn handen moeten zitten. Hij heeft onvoldoende rekening gehouden met de belangen van de schuldeisers en van [eiseres] . Het gevolg daarvan is dat [eiseres] wordt geconfronteerd met een aanmerkelijke schade. Mede doordat de curator geen deugdelijke administratie aan de directie van [eiseres] heeft kunnen (terug –)geven, bestaat onvoldoende inzicht in nog openstaande debiteuren en nog te incasseren sommen. Waarom de curator activa heeft verkocht, is niet goed te begrijpen en leidt tot een schadepost, mede doordat er te goedkoop is verkocht. De oproep voor verhoor door de rechter-commissaris, die in het betreffende stadium van het faillissement overbodig was, heeft tot kosten geleid.

3.3

De curator heeft niet gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator, die zijn taak met nauwgezetheid en inzicht verricht. Door het schenden van die norm, is de curator in persoon verantwoordelijk en aansprakelijk. De vordering is dan ook tegen de curator pro se ingesteld. [eiseres] stelt dat door de handelwijze van de curator een pas beginnende onderneming met aanzienlijk groeipotentieel, waarvoor nog maar net een aanzienlijk bedrag was betaald, is verworden tot een lege huls. In concreto vordert [eiseres] een verklaring voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld en daarom aansprakelijk is voor de door [eiseres] geleden schade, met veroordeling tot betaling van schadevergoeding, zoals nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Daarenboven wordt gevorderd de veroordeling tot afgifte van de digitale en papieren administratie op straffe van een dwangsom, de betaling van € 750,--, te vermeerderen met rente, als gevolg van het faillissementsverhoor en dit alles met veroordeling van de curator in de kosten van het geding.

3.4

De curator heeft inhoudelijk en gemotiveerd verweer gevoerd. Hij betwist niet dat zijn positie als curator, nadat het faillissementsvonnis door het Hof was vernietigd, terughoudendheid vereiste. Dat hij niettemin heeft gehandeld zoals hem door [eiseres] wordt verweten is, naar hij stelt, juist ingegeven door de noodzaak om het belang van de boedel en van de schuldeisers te beschermen, waarmee tevens het belang van [eiseres] als schuldenaar werd gediend. Immers oordeelde hij als curator kort na het arrest van het Hof van 9 oktober 2014 dat [eiser] , zonder de curator te informeren, diverse rechtshandelingen ten laste van het vermogen van [eiseres] verrichtte. Zo zouden activa van [eiseres] zijn verkocht aan een vennootschap van [D 1] (bestuurder van de vennootschap), onder verrekening van de koopsom met een vordering op een vennootschap van [eiser] . Daarnaast zouden vorderingen van [eiseres] op derden zijn verpand of gecedeerd aan Beckenbein B.V. (een aan [eiser] gelieerde vennootschap) terwijl [eiser] een bedrag van ruim € 40.000,-- van de bankrekening van [eiseres] liet overmaken naar bankrekeningen van andere vennootschappen, waaronder een bedrag van ruim € 37.000,-- naar Nocee Holding, zijnde een holding van [eiser] . Ook zouden domeinnamen van [eiseres] zijn overgezet op naam van een andere vennootschap. De curator oordeelde dan ook dat hij de belangen van de boedel, de schuldeisers en de schuldenaar moest beschermen door in te grijpen. Omdat [eiser] , naar hij stelt, naliet om desgevraagd opening van zaken te geven, heeft hij aan de rechter-commissaris voorgesteld om [eiser] formeel te horen.

3.5

Waar het gaat om de administratie, heeft de curator in goed overleg met [eiser] er voor gekozen om een back-up daarvan te laten maken door het bedrijf TNR Support, welke back-up uiteindelijk door de curator aan [eiseres] beschikbaar is gesteld. Het is te betreuren dat kennelijk die back-up niet uitleesbaar is door een fout, die aan de zijde van TNR is gemaakt. Nu [gedaagde] de opdracht in zijn hoedanigheid van curator aan TNR heeft verstrekt en de boedel daarvoor heeft betaald, terwijl het curatorschap van [gedaagde] inmiddels is beëindigd, is het primair aan [eiser] om TNR alsnog aan te spreken en afgifte van een leesbaar exemplaar te verlangen.

3.6

[gedaagde] oordeelt derhalve dat hij nu juist wel heeft gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator, die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. Van een persoonlijke aansprakelijkheid, zoals door [eiseres] en [eiser] in deze procedure wordt gesteld, is dan ook geen sprake.

4. De beoordeling

4.1

Uit hetgeen door partijen over en weer is gesteld, leidt de rechtbank af dat aanvankelijk, kort na de vernietiging van het faillissementsvonnis door het Hof per 9 oktober 2014, enige verwarring heeft bestaan over de vraag wat vanaf dat moment de rol van de curator nog was. De rechtbank oordeelt dat echter niet ter discussie kan staan dat de curator het beheer over de boedel onmiddellijk, vanaf de datum waarop oorspronkelijk het faillissement werd uitgesproken, verkreeg (artikel 23 Fw . ) en dat dit voortduurde tot het moment waarop de uitspraak, waarbij het vonnis van faillietverklaring werd vernietigd, in kracht van gewijsde is gegaan. (Zie reeds het door veel schrijvers nog steeds aangehaalde en derhalve kennelijk ijzersterke arrest HR 22 oktober 1940,NJ 1941/431). De curator behoudt derhalve tot aan laatst bedoeld moment zijn bij de functie behorende bevoegdheden, hetgeen onder meer tot gevolg heeft dat handelingen die door de curator zijn verricht tijdens de faillissementstoestand, als rechtsgeldig moeten worden aangemerkt ook als op enig moment daarna blijkt dat er de facto geen faillissement was (zie met name artikel 13 Fw . ) Kortom, in beginsel was de curator bevoegd om in de periode tussen het arrest van het Hof van 9 oktober 2014 en het arrest van de Hoge Raad van 6 maart 2015 met betrekking tot boedelbestanddelen te handelen, zoals hij in casu heeft gedaan.

4.2

Dat neemt niet weg dat de positie van de curator (net zoals die van de schuldenaar), zolang de uitspraak waarbij het faillissement is vernietigd nog niet in kracht van gewijsde is gegaan, diffuus is. Afhankelijk van de vraag of uiteindelijk het faillissement al dan niet in stand blijft, loopt de curator het risico dat hij ofwel door de per saldo niet gefailleerde schuldenaar wordt aangesproken, als hij al te handelend ten behoeve van schuldeisers heeft opgetreden, ofwel door de schuldeisers als hij onvoldoende heeft gedaan om de boedel te bewaken. Richting aan zijn positie is gegeven in de arresten Maclou en Gips (HR 19 april 1996, JOR 1996/48 en HR 16 december 2011, NJ 2012/515). In eerstgenoemd arrest is vastgelegd dat de bijzondere kenmerken van de taak van de curator met zich meebrengen dat zijn eventuele persoonlijke aansprakelijkheid dient te worden getoetst aan een zorgvuldigheidsnorm, die daarop is afgestemd. Die norm komt hierop neer dat een curator behoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator, die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht. In het als tweede genoemde Gips-arrest heeft verdere uitwerking van de Maclou-norm plaatsgevonden. Nadat de Hoge Raad heeft vastgelegd dat een faillissementscurator wegens een onzorgvuldige uitoefening van zijn wettelijke taak tot beheer en vereffening van de boedel persoonlijk aansprakelijk kan zijn jegens schuldeisers, jegens derden en jegens de gefailleerde, wordt vastgesteld dat aan de curator in beginsel een ruime mate van vrijheid toekomt bij de uitoefening van zijn taak, voor zover hij niet gebonden is aan regels. De curator dient zich te richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend. De norm van het Maclou–arrest ziet op de persoonlijke aansprakelijkheid van de curator wegens een onjuiste taakuitoefening in het geval aan hem de bedoelde vrijheid toekwam. Bij toepassing van die norm heeft de rechter de vraag te beantwoorden of, uitgaande van bedoelde vrijheid, een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator, die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot de desbetreffende gedragslijn zou hebben kunnen komen. Daarbij past een terughoudende toetsing omdat voor persoonlijke aansprakelijkheid immers vereist is dat de curator ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt, waarvoor is vereist dat hij gehandeld heeft terwijl hij het onjuiste van zijn handelen in zag dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien. (Zie ook Hof Den Haag 7 mei 2013, ECLI:NL:GHDHA:2013:5338)

4.3

De rechtbank overweegt dat zij het handelen van de curator dan ook zal toetsen aan de normstelling, zoals die is vastgelegd in bovengenoemde rechtspraak. De rechtbank heeft daarbij mede kennisgenomen van met name het arrest HR 11 november 2016, JOR 2017/52, ECLI:NL:HR:2016:2577. Dit arrest is het (kennelijke) slotstuk van de procedure waarin [eiseres] (tevergeefs) afgifte heeft gevorderd van de goederen die door de curator waren verkocht. De Hoge Raad heeft in dit arrest nog eens overwogen dat van een curator mag worden verwacht dat hij terughoudend gebruik maakt van zijn bevoegdheden, in een situatie als de onderhavige, waarin het vonnis tot faillietverklaring is vernietigd, maar deze vernietiging nog niet onherroepelijk is geworden. Uitoefening van een bevoegdheid met onomkeerbare gevolgen dient in beginsel te worden beperkt tot gevallen waarin deze in het belang is van de boedel en uitstel in de gegeven omstandigheden, gelet op alle betrokken belangen, niet kan worden geduld, zoals wanneer deze uitoefening noodzakelijk is voor de voortzetting van de onderneming van de schuldenaar.

4.4

Vooreerst overweegt de rechtbank dat de curator in dit geval niet gebonden was aan specifieke voorschriften, zodat aan hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toekwam bij de uitoefening van zijn taak. Beoordeeld moet dan ook onder meer worden of de curator, binnen die hem toekomende vrijheid, in redelijkheid tot zijn handelen heeft kunnen komen dan wel of hij redelijkerwijs had moeten inzien dat zijn handelen onjuist zou zijn waarbij van belang is of het belang van de boedel zijn concrete handelen verlangde en uitstel niet geduld kon worden. De curator heeft (ook) in deze procedure gedetailleerd uiteengezet waarom hij tot handelen moest overgaan. Gecomprimeerd is dat door hem samengevat onder 3.7 van de conclusie van dupliek waar valt te lezen:

“Anders gezegd; in november 2014 had [eiseres] geen bedrijfsruimte en geen drukpersen meer tot haar beschikking, werden haar liquide middelen uitgekeerd aan derden, was haar intellectuele eigendom op naam van een ander gezet en werden haar debiteuren door anderen geïnd. Onderwijl had [eiser] zelf de inventaris en goodwill verkocht aan oud– bestuurder [D 1] zonder daadwerkelijk af te rekenen en was het bestuur gestopt met het ontplooien van activiteiten en waren de arbeidscontracten geëindigd.”

4.5

De rechtbank stelt vast dat [eiseres] weliswaar betwist dat de curator na de uitspraak van het Hof van 9 oktober 2014 nog de bevoegdheid had om actief te handelen, maar dat de constateringen van de curator, die hem naar zijn oordeel tot handelen noopten, niet of niet overtuigend worden betwist. Niet is gebleken dat [eiseres] / [eiser] de curator nog bij hun handelen hebben betrokken na de uitspraak van het hof, zodat de stelling van de curator dat [eiseres] / [eiser] hem verder onkundig van hun acties hebben gelaten, aannemelijk lijkt. De stelling van de curator dat hij constateerde dat belangrijke activa van [eiseres] werden verkocht aan een vennootschap van [D 1] , waarbij de koopsom werd verrekend met een vordering op een vennootschap van [eiser] , is als zodanig niet betwist. Ook de stelling dat ten laste van de bankrekening van [eiseres] een bedrag van € 40.000,-- werd overgeboekt naar derden, waarvan het grootste deel naar de holding van [eiser] , is niet betwist. Daarnaast heeft de curator genoegzaam onderbouwd (zie met name productie J bij conclusie van dupliek) dat na de uitspraak van het Hof van 9 oktober 2014 debiteuren van [eiseres] tot betaling zijn aangeschreven door Beckenbein B.V. te Barendrecht en ook daadwerkelijk debiteuren van [eiseres] aan die vennootschap hebben betaald. De betwisting door [eiseres] onder punt 13 van haar conclusie van repliek, dat zij na de uitspraak van het Hof vorderingen heeft verpand of gecedeerd aan Beckenbein B.V. en/of haar stelling dat vorderingen al verpand waren op 24 juni 2014 (zie punt 30 conclusie van repliek), is in het licht van het hiervoor gestelde niet te verklaren, terwijl [eiseres] haar betwisting ook in het geheel niet van onderbouwing heeft voorzien, hetgeen verwacht had mogen worden nadat de curator inzichtelijk had gemaakt dat wel degelijk Beckenbein B.V. heeft geïncasseerd. Van de door [eiseres] beweerde verpanding op 24 juni 2014 is geen enkele onderbouwing gegeven en is bijvoorbeeld geen enkel onderbouwend stuk in het geding gebracht.

4.6

Ook de constatering van de curator dat ernstige problemen aanwezig waren in de relatie tussen [eiseres] en de eigenaar van het bedrijfspand en dat die eigenaar dagelijks oplopende kosten claimde, wegens in het bedrijfspand aanwezige zaken, terwijl die eigenaar daarenboven een retentierecht claimde op die zaken, staat in feite tussen partijen niet ter discussie. [eiseres] beroept zich op afspraken met betrekking tot het gebruik van het pand en is van oordeel dat haar huurrechten gewoon doorliepen, maar ook dat standpunt is onvoldoende onderbouwd. Als productie G bij conclusie van antwoord heeft de curator in het geding gebracht een mail van ABN AMRO Bank van 14 oktober 2014, waarin namens de bank wordt verklaard dat zij in de persoon van de heer [D 2] (afdeling Bijzonder Beheer Recovery) aanwezig is geweest bij een afspraak met de heer [eiser] . Die afspraak, aldus de bank, zag er uitsluitend op toe dat de heer [eiser] danwel Foprico, gedurende drie maanden het pand en de machines exclusief mochten gebruiken tot uiterlijk 18 augustus 2014, ter voorbereiding op een bieding op de machines en het pand. Als productie N bij conclusie van dupliek heeft de curator in het geding gebracht een brief van de advocaat van de pandeigenaar aan Foprico en de heren [eiser] en [D 1] van 19 september 2014, waarin wordt vastgelegd dat er vanaf 18 augustus 2014 geen enkele vergoeding voor het pand is betaald en dat er ontruimd moet worden.

4.7

Bezien in het licht van het hiervoor gestelde moet thans worden beantwoord de vraag of de curator onder die omstandigheden heeft gehandeld zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator, die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht en of hij daarbij in het belang van de boedel heeft gehandeld, terwijl verder uitstel niet verantwoord zou zijn geweest. De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Genoegzaam staat vast dat de curator, terwijl het faillissement formeel nog bestond en hij als curator nog steeds in functie was, werd geconfronteerd met aanwijsbare handelingen die zonder zijn instemming plaatsvonden en die ogenschijnlijk ten nadele waren van de boedel en van de onderneming [eiseres] . Zou de curator niet hebben ingegrepen, dan zou hem later het verwijt hebben kunnen treffen dat hij lijdzaam het uithollen van de onderneming had toegestaan. De wijze waarop de curator is tussengekomen, acht de rechtbank niet onredelijk of onverklaarbaar. De activa die zich in het pand bevonden, waarin [eiseres] niet langer welkom was en waarop een retentierecht werd uitgeoefend, heeft hij ter voorkoming van verdere schade kunnen verkopen, waarbij aan de rechtbank niet is gebleken dat daarbij een te lage of onzorgvuldig tot stand gekomen verkoopprijs is gehanteerd. De poging van de curator om ten behoeve van de boedel debiteuren te incasseren, is eveneens verklaarbaar, waarbij overigens moet worden vastgesteld dat dit slechts tot incasseren van enkele duizenden euro’s heeft geleid. Van belang daarbij is dat de curator vanzelfsprekend slechts in het belang van de boedel heeft gehandeld en uiteindelijk door hem ten gelde gemaakte of geïncasseerde sommen dan ook na beëindiging van de faillissementssituatie aan (de eigenaren van) [eiseres] heeft overhandigd.

4.8

De vordering van [eiser] , die is gebaseerd op zijn stelling dat hij ten onrechte door de curator of de rechter-commissaris in het faillissement is opgeroepen voor een faillissementsverhoor, snijdt geen hout. [eiser] was, als middellijk bestuurder van [eiseres] , uit hoofde van het bepaalde in artikel 105 Fw . verplicht om voor de rechter-commissaris of de curator te verschijnen en alle inlichtingen te verschaffen, zo dikwijls hij daartoe werd opgeroepen. Uiteindelijk heeft oproeping door de rechter-commissaris plaatsgevonden, omdat [eiser] liet weten dat hij slechts naar Almelo wilde afreizen als sprake was van een verhoor ex artikel 105 Fw . Er is geen grond voor [eiser] om te dezer zake een verwijt aan de curator te maken, laat staan aan de curator pro se.

4.9

De gang van zaken met betrekking tot de administratie is, naar de rechtbank vaststelt, ongelukkig. Partijen zijn het erover eens dat zij samen hebben afgesproken dat het veilig stellen van de administratie (artikel 92 Fw . ) op genoegzame wijze zou plaatsvinden, door het doen vervaardigen van een digitale kopie. De curator heeft vervolgens aan het bedrijf TRN Support opdracht gegeven om dat werk uit te voeren. De nota van TRN Support is dan ook door de boedel voldaan. De curator heeft de digitale kopie uiteindelijk aan [eiser] overhandigd. Kennelijk doet zich thans voor dat de digitale kopie niet goed leesbaar is. Nu [eiseres] de curator voor deze gang van zaken persoonlijk aansprakelijk stelt, moet ook hier worden getoetst of de curator de Maclou-norm en de verdere uitwerking daarvan heeft geschonden. De rechtbank oordeelt dat daarvan geen sprake is. Het maken van een digitale versie is in overleg met [eiser] geschied en geeft ook geen blijk van een onjuiste taakuitoefening door de curator, in die mate dat de curator moest inzien dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien dat hij zijn taak op deze wijze onjuist zou invullen. De rechtbank merkt dienaangaande nog op dat [eiseres] of [eiser] niet inzichtelijk hebben gemaakt hoe of waar zij thans nog schade zouden lijden of kunnen lijden, doordat de kopie niet goed leesbaar is. In het midden is gebleven of [eiseres] / [eiser] zelf al contact hebben opgenomen met TRN Support, waarbij de rechtbank zich zou kunnen voorstellen dat ook de curator nog contact met TRN Support opneemt. Tot een toewijsbare vordering tegen de curator in privé, kan dit alles echter niet leiden.

4.10

De rechtbank oordeelt derhalve dat de vorderingen van [eiseres] en [eiser] niet voor toewijzing vatbaar zijn. Die vorderingen worden dan ook afgewezen, waarbij de eisers de kosten van deze procedure op na te melden wijze zullen moeten dragen.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1

Wijst af de vorderingen van eisers.

5.2

Veroordeelt eisers hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, tot betaling aan gedaagde van na te noemen kosten van deze procedure. De kosten worden aan de zijde van gedaagde begroot op € 885,-- aan voorschotten (griffierrecht) en euro 904,-- aan advocaatkosten (tarief II, 2 punten).

5.3

Verklaart dit vonnis met betrekking tot de veroordeling onder 5.2 uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen te Almelo op 10 mei 2017 door mr. G.G. Vermeulen en op die datum in het openbaar uitgesproken.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature