Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Overtreding van artikel 6 WVW1994 met dodelijke afloop. Gepleegd in Helmond, A270 in juli 2015.

Verdachte heeft kortgezegd met zijn vrachtwagencombinatie (een trekker met oplegger van aanzienlijke lengte) een keermanoeuvre uitgevoerd op een locatie waar dat - gezien de middels borden en verkeertekens op de weg aangegeven verplichte rijrichting - niet was toegestaan.

Medeschuld slachtoffer doet niets af aan verwijtbaarheid.

Geen kort moment van tijdelijke onoplettendheid.

Er was sprake van aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend handelen.

Opgelegd wordt een taakstraf van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis en een rijontzegging van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/860043-16

Datum uitspraak: 10 april 2017

Verkort vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1966] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 maart 2017.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 20 februari 2017.

Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting van 27 maart 2017 is gewijzigd is aan verdachte ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 juli 2015 te Helmond en/of Nuenen, gemeente Nuenen Ca, althans in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto/trekker met oplegger), daarmee rijdende over de weg, A270 (Helmondweg), gekomen op of ter hoogte van de kruising/splitsing van die weg en de weg, Neervoortsedreef, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, op of ter hoogte van die kruising/splitsing van wegen te keren, althans een keermanoeuvre in te zetten/te beginnen op het moment dat een hem, verdachte, achteropkomende personenauto zo dicht was genaderd, dat (mede) daardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die personenauto, zulks terwijl verdachte de personenauto in zijn achteruitkijkspiegels had moeten zien naderen én voor zijn, verdachtes, rijrichting op of direct voor die kruising/splitsing van wegen op het wegdek van de door verdachte gevolgde voorsorteerstrook een rechtdoorgaande pijl was aangebracht (welke verplichte rijrichting voor die kruising/splitsing van wegen voor zijn, verdachtes, rijrichting reeds was vooraangeduid door een geplaatst bord L5 en/of L7 van bijlage I bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990), waardoor een ander (te weten de bestuurder van die personenauto, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood;

(artikel 6 Wegenverkeerswet 1994)

Subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 1 juli 2015 te Helmond en/of Nuenen, gemeente Nuenen Ca, althans in Nederland, als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto/trekker met oplegger), daarmee rijdende op de weg, A270 (Helmondweg), gekomen op of ter hoogte van de kruising/splitsing van die weg en de weg, Neervoortsedreef, is gekeerd, althans een keermanoeuvre heeft ingezet/is begonnen op het moment dat een hem, verdachte, achteropkomende personenauto zo dicht was genaderd, dat (mede) daardoor een aanrijding of botsing is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die personenauto, zulks terwijl verdachte de personenauto in zijn achteruitkijkspiegels had moeten zien naderen én voor zijn, verdachtes, rijrichting op of direct voor die kruising/splitsing van wegen op het wegdek van de door verdachte gevolgde voorsorteerstrook een rechtdoorgaande pijl was aangebracht (welke verplichte rijrichting voor die kruising/splitsing van wegen voor zijn, verdachtes, rijrichting reeds was vooraangeduid door een geplaatst bord L5 en/of L7 van bijlage I bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990), door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze telastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover

daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd;

(artikel 5 Wegenverkeerswet 1994)

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in zijn vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

De bewijsoverweging.

Op 1 juli 2015 omstreeks 06:03 uur reed verdachte als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een vrachtauto/trekker met oplegger over de Helmondweg (A270) richting Helmond. De Helmondweg bestaat uit een linker- en een rechterrijbaan, gescheiden door een brede middenberm waarin struiken staan; ter hoogte van het kruisingsvlak was de middenberm voorzien van een bitumen verharding. Verdachte reed op de rechterrijbaan in de richting Helmond. Deze rijbaan bestaat ter hoogte van de kruising met de Neervoortsedreef uit drie rijstroken waarvan twee rijstroken (rijstroken 1 en 2) bestemd zijn voor rechtdoorgaand verkeer en een rijstrook (rijstrook 3) bestemd is verkeer dat rechts wil afslaan op de Neervoortsedreef.Door middel van verkeersborden en door middel van op het wegdek aangebrachte pijlen was aangeduid dat sprake was van een verplichte rijrichting.Ter plaatse van de kruising met de Neervoortsedreef gold een wettelijk toegestane maximumsnelheid van 70 km/h.

Verdachte sloeg, op het moment dat de verkeerslichten voor rechtdoorgaand verkeer op groen stonden, op het kruisingsvlak linksaf om via de verharde middenberm van de Helmondweg te keren, om hierna via de linkerrijbaan terug te rijden in de richting van Eindhoven. Tijdens deze manoeuvre botste de personenauto van het slachtoffer [slachtoffer] , die volgens onderzoek toen minimaal 111 km/h reed, achterop de vrachtwagencombinatie. Na de botsing met de vrachtwagencombinatie botste de personenauto met de voorzijde tegen een verkeersmast en kwam hierna tot stilstand. De bestuurder van de personenauto, [slachtoffer] overleed ter plaatse aan zijn verwondingen ten gevolge van het ongeval.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of verdachte zich zodanig heeft gedragen dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). Bij de beoordeling of schuld aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid komt het, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet valt in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus van schuld ex art. 6 WVW 1994. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

De rechtbank stelt voorop dat verdachte met zijn vrachtwagencombinatie (een trekker met oplegger van aanzienlijke lengte) een keermanoeuvre heeft uitgevoerd op een locatie waar dat - gezien de middels borden en verkeertekens op de weg aangegeven verplichte rijrichting - niet was toegestaan. De rechtbank merkt daarbij op dat zelfs zonder verkeersborden en pijlen het voor verdachte, als professionele en zeer ervaren vrachtwagenchauffeur, duidelijk had moeten zijn dat de middenberm niet groot genoeg was om veilig te kunnen keren met een vrachtwagencombinatie van aanzienlijke lengte. Niet alleen achterop komend verkeer maar ook verkeer op de andere rijbaan, komende uit de richting Helmond zou in gevaar kunnen worden gebracht. De rechtbank heeft aan de hand van openbare bronnen (Google Maps) vastgesteld dat er ook geen noodzaak was voor verdachte om op die plek te keren omdat verdachte 1,7 kilometer verderop een mogelijkheid had gehad om rechtmatig (en veilig) zijn voertuig te keren. Uit de VerkeersOngevallenAnalyse is verder naar voren gekomen dat, ondanks de hoge snelheid waarmee het slachtoffer zijn personenauto bestuurde, er momenten zijn geweest (p. 15 van 29 van de VOA) waarop verdachte de naderende personenauto in zijn achteruitkijkspiegels had kunnen en moeten zien en dus had moeten afzien van zijn keermanoeuvre. Dit heeft verdachte niet gedaan en dat kan hem worden aangerekend.Verdachte heeft verder zijn snelheid verminderd tot ongeveer 15 km/h toen hij de keermanoeuvre inzette en dit is, gegeven de ter plaatse geldende maximumsnelheid en het feit dat het verkeerslicht groen licht uitstraalde, een zodanig lage snelheid dat de overige verkeersdeelnemers daarop niet bedacht hoefden te zijn, mede gelet op de plaats waar het voertuig zich bevond en de ter plaatse geldende (verplichte) rijrichting. Weliswaar zijn in de VerkeersOngevallenAnalyse scenario’s onderzocht omtrent een mogelijke afloop in het geval het slachtoffer niet te hard had gereden en nog had geremd en is in deze zaak mogelijk sprake van medeschuld aan de zijde van het slachtoffer aan het ontstaan van het ongeval en de ernst van de gevolgen, maar deze eigen rol doet aan de verwijtbaarheid van het handelen van verdachte niet af.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte, door aldus te handelen, zich aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend gedragen en is het verkeersongeval met dodelijke afloop aan zijn schuld te wijten.

Van een kort moment van tijdelijke onoplettendheid, zoals door de verdediging is aangevoerd, is naar het oordeel van de rechtbank onder voormelde omstandigheden geen sprake geweest.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden zoals besproken in de hierboven weergegeven bewijsoverweging, gebaseerd op de – in geval van hoger beroep nader uit te werken - bewijsmiddelen komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

op 01 juli 2015 te Helmond, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (vrachtauto/trekker met oplegger), daarmede rijdende over de weg, A270 (Helmondweg), gekomen op of ter hoogte van de kruising/splitsing van die weg en de weg, Neervoortsedreef, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend op of ter hoogte van die kruising/splitsing van wegen een keermanoeuvre in te zetten op het moment dat een hem, verdachte, achteropkomende personenauto zo dicht was genaderd, dat (mede) daardoor een botsing is ontstaan tussen dat door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en die personenauto, zulks terwijl verdachte de personenauto in zijn achteruitkijkspiegels had moeten zien naderen en voor zijn, verdachtes, rijrichting op of direct voor die kruising/splitsing van wegen op het wegdek van de door verdachte gevolgde voorsorteerstrook een rechtdoorgaande pijl was aangebracht (welke verplichte rijrichting voor die kruising/splitsing van wegen voor zijn, verdachtes, rijrichting reeds was vooraangeduid door een geplaatst bord L7 van bijlage I bij het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990), waardoor een ander (te weten de bestuurder van die personenauto, genaamd [slachtoffer] ) werd gedood.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op het in de uitspraak vermelde strafbare feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft met betrekking tot het primaire feit de oplegging gevorderd van een taakstraf voor de duur van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring zou komen wordt verzocht een voorwaardelijke rijontzegging op te leggen opdat verdachte zijn baan als beroepschauffeur kan behouden.

Overigens heeft de raadsvrouwe wat betreft strafoplegging de rechtbank verzocht aansluiting te zoeken bij een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, ECLI:NL:RBZWB:2014:889 waarin de maximale taakstraf en een voorwaardelijke rijontzegging van 12 maanden was opgelegd in het geval waarin een vrachtwagen op een gezinsauto botste waarbij moeder en drie jonge kinderen het leven lieten en één kind zwaar lichamelijk letsel opliep.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van het door verdachte gepleegde strafbare feit betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft als bestuurder van een motorrijtuig een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval veroorzaakt, als gevolg waarvan [slachtoffer] is komen te overlijden. Verdachte heeft een keermanoeuvre ingezet met zijn vrachtwagencombinatie op een plek waar dit niet was toegestaan en is daarbij onvoorzichtig en onoplettend geweest. Hij heeft aldus gehandeld in strijd met artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 . Door verdachtes fout is [slachtoffer] overleden en moeten de nabestaanden verder zonder hem. Uit de ter zitting door de zus van [slachtoffer] afgelegde slachtofferverklaring blijkt hoe zeer dit gemis nog steeds wordt gevoeld.

De rechtbank weegt anderzijds mee dat verdachte al 30 jaren beroepschauffeur is en, blijkens zijn blanco uittreksel uit het justitiële documentatieregister niet eerder ter zake vergelijkbare feiten gekend is door politie en justitie. Ook relevant acht de rechtbank dat verdachte er op authentieke wijze blijk van heeft gegeven dat hij de ernst van het door hem aan de nabestaanden aangedane leed inziet en dat hij oprecht berouw heeft getoond. Het is de rechtbank niet ontgaan dat het noodlottige ongeval verdachte nog altijd erg aangrijpt.

Bij haar beslissing over de strafsoort en de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten. De oriëntatiepunten dienen als vertrekpunt bij het bepalen van de straf. Zij luiden in een zaak als deze: een taakstraf voor de duur van 240 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid van één jaar.

De rechtbank ziet echter aanleiding om van deze punten af te wijken. Zij zal een lichtere taakstraf opleggen dan die door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank heeft daarbij mede acht geslagen op de omstandigheid dat verdachte als internationaal vrachtwagenchauffeur veel van huis is.

Met de officier van justitie en de verdediging acht de rechtbank het passend om als bijkomende straf niet een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen maar deze in voorwaardelijke zin op te leggen. De rechtbank zal gelet op het feit dat sedert het ongeval geruime tijd is verstreken en verdachte in die tijd niet (opnieuw) betrokken is geraakt bij verkeersincidenten de proeftijd bepalen op één jaar.

Toepasselijke wetsartikelen.

De beslissing is gegrond op de artikelen:

Wetboek van Strafrecht art. 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 91

Wegenverkeerswet 1994 art. 6, 176, 178, 179.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straffen:

- een taakstraf voor de duur van 120 uren subsidiair 60 dagen hechtenis.

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen (bromfietsen daaronder begrepen) voor de duur van 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 1 jaar.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. W. Schoorlemmer, voorzitter,

mr. M. Senden en mr. M.M. Klinkenbijl, leden,

in tegenwoordigheid van mr. H.J.G. de Bruijn-van der Sluijs, griffier,

en is uitgesproken op 10 april 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature