Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

De rechtbank veroordeelt verdachte voor: overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet , opzettelijk begaan door een rechtspersoon, en voor aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon, tot een geldboete van veertigduizend euro.

De rechtbank bepaalt dat verdachte de nabestaande een schadevergoeding van drieduizend tweehonderd euro moet betalen.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK OOST-BRABANT

Strafrecht

Parketnummer: 01/995037-16

Datum uitspraak: 22 maart 2017

Vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, meervoudige economische kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:

[bedrijf 1] ,

gevestigd te [vestigingsgegevens] .

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 8 maart 2017. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van hetgeen van de zijde van verdachte naar voren is gebracht.

De tenlastelegging.

De zaak is aanhangig gemaakt bij dagvaarding van 23 januari 2017. Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. zij op of omstreeks 18 februari 2015 te Gilze, gemeente Gilze en Rijen,, als werkgever, al dan niet opzettelijk handelingen heeft verricht en/of nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en/of de daarop rustende bepalingen, immers heeft zij al dan niet opzettelijk - in strijd met artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vastgelegd welke risico's de arbeid voor de werknemers met zich meebracht, tevens inhoudende een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen, en/of - in strijd met artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit , bij het verrichten van arbeid op een (hellend) dak van een stal aan de [adresgegevens] , waarbij gevaar bestond om 2.5 meter of meer te vallen en/of sprake was van valgevaar bij aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden, te weten de aanwezigheid van niet mandragende dakplaten/lichtplaten, geen veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere dergelijke voorzieningen, althans, terwijl bovengenoemde voorzieningen niet of slechts ten dele konden worden aangebracht of terwijl het aanbrengen of wegnemen daarvan grotere gevaren meebrengt dan de arbeid ter beveiliging waarvan zij zouden moeten dienen, niet zijn ter voorkoming van het gevaar voldoende sterke en voldoende grote vangnetten op doelmatige plaatsen en wijze aangebracht of doelmatige veiligheidsgordels met vanglijnen van voldoende sterkte gebruikt of andere technische middelen toegepast, die ten minste een zelfde mate van beveiliging van die arbeid gaven, terwijl daardoor, naar zij wist of redelijkerwijs moest weten, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers, te weten [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was;

2. zij op of omstreeks 18 februari 2015 te Gilze, gemeente Gilze en Rijen, grovelijk, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en/of nalatig door één of meer werknemers arbeid heeft laten verrichten op een dak van een stal aan de [adresgegevens] , waarbij gevaar bestond om 2,5 meter of meer te vallen en/of sprake was van valgevaar bij aanwezigheid van risicoverhogende omstandigheden, te weten de aanwezigheid van niet mandragende dakplaten, terwijl zij de risico's die die arbeid voor die werknemer(s) met zich meebracht niet, althans onvoldoende heeft geïnventariseerd en geen, in elk geval onvoldoende maatregelen heeft getroffen om dat valgevaar tegen te gaan, waardoor het aan haar schuld te wijten is dat de werknemer [slachtoffer] bij een val zodanig letsel heeft bekomen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

De formele voorvragen.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de dagvaarding geldig is. De rechtbank is bevoegd van het ten laste gelegde kennis te nemen en de officier van justitie kan in haar vervolging worden ontvangen. Voorts zijn er geen gronden gebleken voor schorsing van de vervolging.

Het bewijs.

Het standpunt van de officier van justitie.

De officier van justitie acht de onder 1. en onder 2. ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft, op basis van de in de pleitnotitie nader omschreven feiten en omstandigheden, vrijspraak bepleit voor hetgeen onder 1. en onder 2. ten laste is gelegd. Kort samengevat komt het verweer erop neer dat verdachte - gelet op de voorzorgsmaatregelen die zij heeft getroffen, de instructies die zij heeft gegeven en het toezicht dat zij heeft uitgeoefend - niet kon weten noch redelijkerwijs behoorde te weten dat door het (deels) in strijd handelen met artikel 5 Arbeidsomstandighedenwet en artikel 3.16 Arbeidsomstandighedenbesluit levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een of meer werknemers zou ontstaan of te verwachten was. In dat verband heeft de raadsman onder meer aangevoerd dat er geen causaal verband is tussen het door verdachte (deels) niet naleven van deze regelgeving en het ongeval. Op grond van voornoemde omstandigheden kan verdachte evenmin schuld aan de dood van haar werknemer worden verweten, aldus de raadsman.

Het oordeel van de rechtbank.

De bewijsmiddelen t.a.v. feit 1 en feit 2

[vertegenwoordiger] , vertegenwoordiger van verdachte, verklaarde ter terechtzitting van 8 maart 2017 - zakelijk weergegeven - onder meer het volgende:

Ik ben bestuurder en enig aandeelhouder van de [bedrijf 2] , welke enig aandeelhouder is van het bedrijf [bedrijf 1]

Ik ben degene die binnen het bedrijf [bedrijf 1] de werknemers aanstuurt. Het slachtoffer [slachtoffer] was ten tijde van het ongeval in loondienst bij mijn bedrijf. Op 18 februari 2015 heeft [slachtoffer] samen met twee ingehuurde arbeidskrachten in opdracht van mijn bedrijf werkzaamheden verricht aan de [adresgegevens] te Gilze. Deze werkzaamheden bestonden uit het plaatsen van zonnepanelen op het hellend dak van een koeienstal. Het klopt dat er voorafgaand aan deze werkzaamheden geen schriftelijke risico-inventarisatie en -evaluatie is opgemaakt. Voorafgaand aan de werkzaamheden heb ik met de betreffende opdrachtgever besproken dat de lichtdoorlatende platen op de koeienstal niet-mandragend waren. Ik vond dat ook de golfplaten op het dak niet volledig te vertrouwen waren. Ik beschouwde het gehele dak als niet-mandragend. Het is mij bekend dat de Arbeidsomstandighedenwet verlangt dat de maatregelen ter vermindering van de risico’s in een bepaalde volgorde worden genomen. Ik weet dat collectieve maatregelen de voorkeur verdienen boven individuele maatregelen. Op de locatie waar het ongeval heeft plaatsgevonden is gekozen voor individuele beveiliging in de vorm van het aan de werknemers ter beschikking stellen van valstopapparaten, welke beschermen tegen vallen van het dak en vallen door het dak.

[arbeidsinspecteur] , arbeidsinspecteur van de Inspectie SZW en tevens buitengewoon opsporingsambtenaar, relateerde op 6 januari 2016 - zakelijk weergegeven - onder meer als volgt:

Op 18 februari 2015 bevond ik mij aan de [adresgegevens] te Gilze in verband met een melding dat daar een ongeval had plaatsgevonden. De heer [verbalisant] van de politie eenheid Zeeland-West-Brabant nam mij mee naar de plaats waar het ongeval was gebeurd. Aan de zijkant van de koeienstal zag ik een aluminium ladder tegen het schuine dak opgesteld staan. Ik zag dat er zich in het dak, dat bestond uit golfplaten, ook lichtdoorlatende platen bevonden. Ik zag dat er zich in het dak een lichtdoorlatende plaat bevond die kapot was. De heer [verbalisant] vertelde mij dat het slachtoffer door deze plaat was getrapt om vervolgens in de daaronder gelegen koeienstal terecht te komen. Ik zag de plek waar het slachtoffer was terechtgekomen. Ik zag dat er zich daar beugels bevonden die aan de muur van de stal waren gemonteerd. Ik zag ook dat op de stalvloer een valstopapparaat lag. Ik zag dat er op diverse plaatsen op de stalvloer scherven lagen van de lichtdoorlatende plaat waar het slachtoffer doorheen was gevallen. Uit onderzoek en uit verklaringen is mij het volgende gebleken:

De werkzaamheden bestonden uit het aanbrengen van zonnepanelen op een licht hellend dak van een bestaande koeienstal.

De nokhoogte van de stal was 7,00 meter en de hoogte van de zijkant van de stal was 3,00 meter;

Het dak bestond uit golfplaten. Tussen deze golfplaten was een aantal lichtdoorlatende polyester golfplaten aangebracht;

De montagewerkzaamheden werden verricht op een hoogte van meer dan tweeënhalve meter boven het maaiveld. Hierdoor was sprake van valgevaar vanaf het dak bij de goot en bij de kopgevel. Tevens was er gevaar om door de niet-draagkrachtige lichtdoorlatende polyester platen te vallen die waren aangebracht op een hoogte van circa vier en zes meter;

Om de risico’s van valgevaar tegen te gaan heeft de werkgever aan zijn werknemers een valstopappraat met vanglijn ter beschikking gesteld;

De werkzaamheden vonden plaats over de gehele lengte van het dak;

De werknemers betraden aan de zijkant van de stal het dakvlak via de aluminium ladder;

Hier konden zij zich met het valstopapparaat vastmaken;

Over de gehele lengte van het dak werd eerst een aluminium draagconstructie aangebracht;

Op de aluminium draagconstructie moesten de zonnepanelen worden gemonteerd;

Hiervoor moesten de werknemers over het dak lopen langs de niet draagkrachtige lichtdoorlatende platen.

Uit het ingestelde onderzoek is mij gebleken dat de oorzaken bij dit arbeidsongeval door de volgende elementen werden gevormd:

1. Geen inventarisatie van risico’s door middel van een toegespitste RI&E,

2. Door het ontbreken van het bovenstaande ook geen adequate voorlichting en/of onderricht,

3. […]

4. Onjuiste voorzieningen om het valgevaar te kunnen voorkomen.

In de situatie waarin het ongeval heeft plaatsgevonden, is direct gekozen voor maatregelen gericht op individuele bescherming. Hierdoor is het valgevaar niet tegengegaan door doelmatige voorzieningen die collectieve bescherming boden. Niet-draagkrachtige daken mogen alleen worden betreden met gebruikmaking van loopplanken. In plaats hiervan kan ook worden gekozen voor het spannen van voldoende sterk vangnet op de dakconstructie. Of met behulp van een verreiker met daarop gemonteerd een werkbak van waaruit de werknemers hun werkzaamheden op het dak kunnen verrichten zonder daarbij het niet-draagkrachtige dak te hoeven betreden.

Het Verslag betreffende een niet-natuurlijke doodvermeldt - zakelijk weergegeven - onder meer:

[slachtoffer] is overleden op 18 februari 2015. [lijkschouwer] , lijkschouwer van de gemeente Tilburg, heeft het lijk geschouwd en verklaart er niet van overtuigd te zijn dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden. Betrokkene is door een dak gezakt en in een stal op beugels van de ligboxen terechtgekomen en overleden. De lijkschouwer concludeert dat sprake is van een inwendige verbloeding thoracaal, waarschijnlijk door een ruptuur in een groot bloedvat.

Bewijsoverwegingen van de rechtbank

Verdachte is onderworpen aan de veiligheidsregels zoals die onder meer voortvloeien uit de Arbeidsomstandighedenwet (hierna: Arbowet) en het Arbeidsomstandighedenbesluit (hierna: Arbobesluit). De rechtbank stelt vast dat op de plaats van het ongeval sprake was van een arbeidsplaats als bedoeld in artikel 1, derde lid onder g van de Arbowet en voorts dat tussen verdachte en het slachtoffer een arbeidsovereenkomst bestond, zodat sprake was van een werkgever en een werknemer in de zin van artikel 1, eerste lid, onder a en b, van de Arbowet . In de Arbowet is verankerd dat werknemers recht hebben op een veilige en gezonde werkplek. De verantwoordelijkheid voor een zodanige werkplek ligt primair bij de werkgever. Daartoe rust op de werkgever de verplichting om een goed arbobeleid, gericht op de bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers, te voeren.

Verdachte was als werkgever verplicht om met betrekking tot de werkzaamheden op [adresgegevens] een schriftelijke risico-inventarisatie en -evaluatie (hierna: RI&E) op te maken. Verdachte heeft dit echter nagelaten en daarmee heeft zij in strijd gehandeld met de op haar rustende zorgplicht.

Daarnaast rustte, op grond artikel 3.16 van het Arbo-besluit, op verdachte als werkgever de verplichting om (kort gezegd) de juiste voorzieningen te treffen teneinde haar werknemers te beveiligen tegen het ter plaatse aanwezige gevaar om van of door het dak te vallen. In voormelde bepaling is uitdrukkelijk opgenomen dat collectieve beveiligingsmaatregelen voorrang verdienen boven individuele valbeveiliging. Dit uitgangspunt is tevens terug te vinden in de diverse brochures en informatiebladen van brancheverenigingen waarin artikel 3.16 van het Arbo-besluit is uitgewerkt, zoals ‘Veilig werken op daken’ van Abomafoon (bijlage 17 in het procesdossier) en ‘A-blad hellende daken’ van Arbouw (bijlage 19 in het procesdossier). Deze informatie is algemeen toegankelijk en verdachte moet geacht worden hiermee bekend te zijn. De vertegenwoordiger van verdachte heeft ter terechtzitting verklaard op de hoogte te zijn van de inhoud van deze brochures en ermee bekend te zijn dat collectieve maatregelen tegen valgevaar voorrang hebben op maatregelen gericht op individuele bescherming.

Op grond van artikel 3.16 van het Arbo-besluit mogen veiligheidsmaatregelen op individueel niveau pas dan worden toegepast, indien voorzieningen op collectief niveau niet mogelijk zijn of redelijkerwijs niet kunnen worden verlangd. Namens verdachte is aangevoerd dat het aanbrengen van collectieve valbeveiliging wel is onderzocht en overwogen, maar in de praktijk niet mogelijk bleek. Daartoe is naar voren gebracht dat het niet mogelijk was om vangnetten onder het dak aan te brengen omdat er in de stal koeien liepen die niet naar buiten verplaatst konden worden. Evenmin konden er loopplanken of draadgaas over het dak worden gelegd, omdat dit niet praktisch zou zijn en het aanbrengen daarvan bovendien onevenredige gevaren met zich zou brengen. Verdachte heeft daarom gekozen om te werken met individuele valbeveiliging in de vorm van het ter beschikking stellen van een valstopapparaat.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte, door aldus te handelen, de verantwoordelijkheid voor de valbeveiliging in wezen geheel bij de betrokken werknemer zelf heeft neergelegd. Waar het immers op neerkomt, is dat de veiligheid tijdens het werken op het hellende en niet-mandragende dak in het onderhavige geval volledig afhankelijk is gemaakt van de oplettendheid en voorzichtigheid van de werknemer. Dit terwijl de praktijk nu juist uitwijst dat werknemers niet altijd even zorgvuldig met de individuele beveiligingsmiddelen om plegen te gaan, bijvoorbeeld omdat het kan gebeuren dat de lijn van een valstopapparaat achter/aan obstakels kan blijven steken/hangen of omdat werknemers zich bij het verplaatsen telkens moeten los- en vastmaken. Het is de zorg (en daarmee de plicht) van de werkgever om werknemers zo veel als onder de gegeven omstandigheden mogelijk te vrijwaren van op de arbeidsplaats aanwezige risico’s, zoals in dit geval het gevaar om van of door het (niet-mandragende) dak te vallen. Die zorgplicht houdt mede in dat dat de werkgever zijn werknemers moet beschermen tegen eigen fouten of onvoorzichtigheden.

Naar het oordeel van de rechtbank stonden verdachte onder de gegeven omstandigheden wel degelijk collectieve beveiligingsmiddelen ter beschikking, zoals het aanbrengen van loopplanken of draadgaas, al dan niet in combinatie met steigers en doelmatige hekwerken of leuningen. Weliswaar zou het aanbrengen van die loopplanken of dat gaas meer tijd en inspanningen hebben gekost, maar dat dit tevens onevenredige gevaren zou hebben opgeleverd, zoals door verdachte is betoogd, vermag de rechtbank niet in te zien. Een andere optie waarvoor verdachte had kunnen kiezen (en waarvoor uiteindelijk ook in overleg met de Arbeidsinspectie is gekozen, teneinde de werkzaamheden na het ongeval voort te kunnen zetten) was het werken vanuit een verreiker, van waaruit de werknemer werkzaamheden op het dak had kunnen verrichten zonder daarbij zelf het niet-mandragende dak te hoeven betreden.

Concluderend is de rechtbank van oordeel dat verdachte, door haar werknemer werkzaamheden te laten verrichten op/aan een hellend en niet-mandragend dak, zijnde een werkplek die veiligheidsrisico’s in zich draagt, en daarbij de valbeveiliging uitsluitend te laten bestaan uit het ter beschikking stellen van een valstopapparaat terwijl de verantwoordelijkheid voor het gebruik daarvan geheel voor risico van die werknemer komt, de voor haar geldende verplichting om zorg te dragen voor een zo veilig mogelijke werkomgeving grovelijk heeft geschonden.

De wettelijke verplichting tot het opstellen van een RI&E geeft invulling aan de algemene onderzoeksplicht die een zorgvuldig werkgever behoort te vervullen. Bij een correcte naleving van de onderzoeksplicht had verdachte redelijkerwijs kunnen en behoren te weten dat het door haar aan de werknemer ter beschikking gestelde beschermingsmiddel in de vorm van het valstopapparaat, in de gegeven situatie en rekening houdend met de omstandigheden waaronder het slachtoffer de werkzaamheden moest verrichten, onvoldoende was om een veilige en gezonde werkplek te waarborgen.

Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat de dood van het [slachtoffer] aan de schuld van verdachte is te wijten. Verdachte was op de hoogte van de gevaren die waren verbonden aan het werken op het betreffende dak en had ter voorkoming hiervan afdoende maatregelen moeten en kunnen treffen. Zij is hierin in ernstige mate tekort geschoten. Door op een dergelijke wijze om te gaan met de veiligheid van de werknemers heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en onzorgvuldig gehandeld.

Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat de ingetreden gevolgen redelijkerwijs aan verdachte kunnen worden toegerekend, nu zij heeft verzuimd datgene te doen wat vanuit haar bijzondere zorgplicht van haar mocht worden verlangd.

Met betrekking tot het onder 1. ten laste gelegde feit overweegt de rechtbank dat verdachte bewust en daarmee opzettelijk heeft nagelaten om een schriftelijke RI&E op te maken en tevens bewust en daarmee opzettelijk in strijd met artikel 3.16 van het Arbo-besluit ontoereikende beveiligingsmaatregelen heeft genomen, terwijl zij redelijkerwijs moest weten dat daardoor levensgevaar ontstond en ernstige schade aan de gezondheid van haar werknemer ontstond of te verwachten was. Daarmee acht de rechtbank het ten laste gelegde in de opzettelijke variant bewezen.

De bewezenverklaring.

Op grond van de feiten en omstandigheden die zijn vervat in de hierboven uitgewerkte bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, komt de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte

t.a.v. feit 1:

op 18 februari 2015 te Gilze, gemeente Gilze en Rijen, als werkgever opzettelijk handelingen heeft nagelaten in strijd met de Arbeidsomstandighedenwet en de daarop rustende bepalingen, immers heeft zij opzettelijk

- in strijd met artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet bij het voeren van het arbeidsomstandighedenbeleid niet in een inventarisatie en evaluatie schriftelijk vastgelegd welke risico's de arbeid voor de werknemers met zich meebracht, tevens inhoudende een beschrijving van de gevaren en de risico-beperkende maatregelen, en - in strijd met artikel 3.16 van het Arbeidsomstandighedenbesluit , bij het verrichten van arbeid op een hellend dak van een stal aan de [adresgegevens] , waarbij gevaar bestond om 2.5 meter of meer te vallen en sprake was van valgevaar bij aanwezigheid van risico-verhogende omstandigheden, te weten de aanwezigheid van niet-mandragende dakplaten/lichtplaten, geen veilige steiger, stelling, bordes of werkvloer aangebracht of het gevaar tegengegaan door het aanbrengen van doelmatige hekwerken, leuningen of andere technische middelen toegepast, die ten minste eenzelfde mate van beveiliging van die arbeid gaven, terwijl daardoor, naar zij wist, levensgevaar of ernstige schade aan de gezondheid van een werknemer, te weten [slachtoffer] , ontstond of te verwachten was;

t.a.v. feit 2:

op 18 februari 2015 te Gilze, gemeente Gilze en Rijen, aanmerkelijk onvoorzichtig, onachtzaam en nalatig door werknemers arbeid heeft laten verrichten op een dak van een stal aan de [adresgegevens] , waarbij gevaar bestond om 2,5 meter of meer te vallen en sprake was van valgevaar bij aanwezigheid van risico-verhogende omstandigheden, te weten de aanwezigheid van niet-mandragende dakplaten, terwijl zij de risico's die die arbeid voor die werknemers met zich meebracht onvoldoende heeft geïnventariseerd en onvoldoende maatregelen heeft getroffen om dat valgevaar tegen te gaan, waardoor het aan haar schuld te wijten is dat de werknemer [slachtoffer] bij een val zodanig letsel heeft bekomen dat hij aan de gevolgen daarvan is overleden.

De bewijsmiddelen worden slechts gebezigd met betrekking tot het feit waarop zij in het bijzonder betrekking hebben.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. Verdachte zal hiervan worden vrijgesproken.

De strafbaarheid van het feit.

Het bewezen verklaarde levert op de in de uitspraak vermelde strafbare feiten. Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

De strafbaarheid van verdachte.

Er zijn geen feiten of omstandigheden gebleken die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. Verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen bewezen is verklaard.

Oplegging van straf en/of maatregel.

De eis van de officier van justitie.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte een geldboete van € 40.000,00 wordt opgelegd. Daarnaast heeft de officier van justitie, ten behoeve van de door de nabestaanden van het slachtoffer geleden materiële en immateriële schade, de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd voor een bedrag van € 10.000,00. Een kopie van de vordering van de officier van justitie is aan dit vonnis gehecht.

Het standpunt van de verdediging.

De raadsman heeft vrijspraak van de ten laste gelegde feiten bepleit. Voor het geval de rechtbank toch tot een veroordeling zou komen, heeft de raadsman verzocht om onder andere rekening te houden met de beperkte omvang van het bedrijf en met de omstandigheid dat het veiligheidsbeleid binnen het bedrijf inmiddels is aangescherpt. De raadsman heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de schadevergoedingsmaatregel dient te worden afgewezen, nu de gestelde schade onvoldoende is onderbouwd.

Het oordeel van de rechtbank.

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte dient te worden opgelegd heeft de rechtbank gelet op de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan. Bij de beoordeling van de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten betrekt de rechtbank het wettelijke strafmaximum en de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt de rechtbank bij de strafbepaling rekening met de bedrijfseconomische omstandigheden van verdachte.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat zij zich niet heeft gehouden aan de in het Arbo-besluit opgenomen bepalingen omtrent de veiligheid van werknemers en dat zij schuld heeft aan het overlijden van haar werknemer [slachtoffer] . Verdachte droeg als werkgever de verantwoordelijkheid voor de veiligheid en het welzijn van haar werknemers op de werkplaats en was uit dien hoofde verplicht om passende en adequate maatregelen te nemen tegen de op de arbeidslocatie aanwezige gevaren. Dat heeft verdachte nagelaten. Zij heeft haar werknemer laten werken op een niet-mandragend dak en heeft daarbij onvoldoende beschermingsmaatregelen getroffen. Onder deze werkomstandigheden is [slachtoffer] door het dak gevallen, waarbij hij zodanig letsel heeft opgelopen dat hij is overleden. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.

Zoals blijkt uit de ter terechtzitting door de weduwe en de dochter van het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaringen heeft dit tragische ongeval voor hen een niet op te vullen emotionele leegte achtergelaten. De rechtbank beseft dat een strafoplegging, in welke vorm of omvang dan ook, dit leed niet ongedaan zal kunnen maken. Niettemin zal zij deze tragische gevolgen bij de strafoplegging betrekken.

De rechtbank slaat bij het bepalen van de hoogte van de straf acht op de straffen die eerder in vergelijkbare zaken zijn opgelegd. Al het voorgaande in ogenschouw nemend acht de rechtbank een onvoorwaardelijke geldboete van € 40.000,00, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en geboden.

De schade in verband waarmee de officier van justitie de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel vordert, ziet blijkens de toelichting ter terechtzitting op (1.) immateriële schadevergoeding vanwege het verdriet om het verlies van een dierbare, (2.) inkomensschade en (3.) schade in verband met de kosten voor lijkbezorging, welke schades de nabestaanden van het slachtoffer als gevolg van het noodlottig bedrijfsongeval hebben geleden.

De rechtbank acht termen aanwezig om, ten behoeve van de nabestaanden van het [slachtoffer] de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen voor de kosten voor lijkbezorging. Dienaangaande heeft de weduwe van het slachtoffer, [benadeelde partij] , ter terechtzitting verklaard dat zij deze kosten voor een bedrag van € 3.200,00 zelf heeft gedragen. Het betreft hier de kosten die niet door de ter zake gesloten verzekering waren gedekt. Dit bedrag komt de rechtbank niet onaannemelijk voor, zodat de rechtbank aanleiding ziet om deze schade vast te stellen op € 3.200,00 en voor dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. Voormeld bedrag dient te worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf [datum] , te weten vier weken na het overlijden van het [slachtoffer] .

Met betrekking tot de immateriële schadevergoeding vanwege het verlies van een dierbare is de rechtbank van oordeel dat de nabestaanden naar burgerlijk recht in beginsel aanspraak kunnen maken op vergoeding van dergelijke schade maar dat voor de beoordeling daarvan aanmerkelijk meer informatie beschikbaar dient te zijn omtrent de daarvoor relevante feiten en omstandigheden zodat de rechtbank te dier zake niet tot een verantwoorde begroting van de omvang kan komen.

Ook met betrekking tot de inkomensschade is de rechtbank van oordeel dat relevante informatie ontbreekt om vast te stellen of en zo ja, in welke mate sprake is van - naar maatstaven van burgerlijk recht - vergoedbare inkomensschade zodat de omvang van deze schade evenmin kan worden vastgesteld.

DE UITSPRAAK

De rechtbank:

Verklaart het onder 1. en 2. ten laste gelegde bewezen zoals hiervoor is omschreven.

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op de misdrijven:

t.a.v. feit 1:Overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 32 van de Arbeidsomstandighedenwet , opzettelijk begaan door een rechtspersoon. t.a.v. feit 2:Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, begaan door een rechtspersoon.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Legt op de volgende straf en maatregel.

t.a.v. feit 1, feit 2:Geldboete van € 40.000,00 (zegge: veertigduizend euro).

t.a.v. feit 2:Maatregel van schadevergoeding van € 3.200,00 (zegge: drieduizend tweehonderd euro);

legt derhalve aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van de [benadeelde partij] van een bedrag van € 3.200,00 (zegge: drieduizend tweehonderd euro), bestaande uit materiële schadevergoeding.

Het totale bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 maart 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J.G. Vos, voorzitter,

mr. W. Schoorlemmer en mr. L.G.J.M. van Ekert, leden,

in tegenwoordigheid van mr. P. Susijn, griffier,

en is uitgesproken op 22 maart 2017.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Waar wordt verwezen naar bijlagen betreffen dit de bijlagen bij het ‘proces-verbaal arbeidsomstandigheden’ van de inspectie SZW, van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, zaaknummer 411500279, afgesloten op 6 januari 2016.

Het (relaas-)proces-verbaal van [arbeidsinspecteur] , pagina’s 3 tot en met 8 en 11.

Een geschift (separaat bijgevoegd) met opschrift ‘Verslag betreffende een niet-natuurlijke dood’, opgesteld en ondertekend door [lijkschouwer] , lijkschouwer van de gemeente Tilburg, d.d. 20 februari 2015.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature