Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Last onder dwangsom vanwege overschrijding aantal vervoersbewegingen. Aantal vervoersbewegingen is gemaximeerd door aanvraag, milieuvergunning en onderliggende stukken. Overschrijding van het aantal vervoersbewegingen terecht aangemerkt als overtreding. Geen zicht op legalisatie. Er is sprake van een onoverzichtelijk vergunningenbestand, zodat een revisievergunning verlangd mocht worden. De aanvraag om een milieuneutrale wijziging van de inrichting is terecht buiten behandeling gesteld.

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Bestuursrecht

locatie Groningen

zaaknummers: LEE 17/701 en 17/702

uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 maart 2017 in de zaken tussen

1.a. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekers], gevestigd te [plaats], verzoekers sub 1.a.;

1.b. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [verzoekster 1] gevestigd te [plaats], verzoekster sub 1.b.,

hierna gezamenlijk te noemen: verzoekers,

(gemachtigde: mr. P.P.A. Bodden),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam, verweerder,

(gemachtigde: mr. W.R. van der Velde).

Procesverloop

Inzake 17/701

Bij primair besluit van 27 januari 2017 (het bestreden besluit I) heeft verweerder verzoekers sub 1.a. een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat verzoekers sub 1.a. de overschrijding van het vergunde aantal vervoersbewegingen per dag dient te beëindigen en in overeenstemming moet brengen met het maximum aantal, zoals gesteld in de aan verzoekers sub 1.a. verleende omgevingsvergunning van 29 oktober 2012. Dit betekent dat het maximum aantal vervoersbewegingen per dag moet worden teruggebracht tot tien (dat zijn maximaal vijf vrachtwagens per dag), bij gebreke waarvan verzoekers sub 1.a. een dwangsom verbeuren van € 10.000,-- voor elke vrachtwagen die het vergunde aantal van vijf vrachtwagens (tien vervoersbewegingen) overschrijdt, met een maximum van € 300.000,--.

Tegen dit besluit hebben verzoekers een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens hebben verzoekers op 15 februari 2017 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Inzake 17/702

Bij primair besluit van 2 januari 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder verzoekers sub 1.a. aanvraag om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het milieuneutraal veranderen van een inrichting’ buiten behandeling gesteld.

Tegen dit besluit hebben verzoekers een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens hebben verzoekers op 15 februari 2017 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De verzoeken zijn gevoegd behandeld op de zitting van 17 maart 2017.

Namens verzoekers is [verzoeker] verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde en P.F. van Benthem.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. G.D. Homan,

M. Pama en H.L. Halsema.

Overwegingen

Feiten en omstandigheden

1. Bij zijn oordeelsvorming betrekt de voorzieningenrechter de navolgende feiten en omstandigheden.

Inzake LEE 17/701

1.1.

Verzoekers drijven een agrarische inrichting (akkerbouwbedrijf) met mestvergisting van dierlijke mest en toevoegingen en een warmtekrachtinstallatie met een maximale capaciteit van minder dan 25.000 mᶾ op het perceel [adres] te [plaats].

1.2.

Verweerder heeft bij besluit van 3 oktober 2005 aan verzoekers een milieuvergunning onder voorschriften ingevolge de Wet milieubeheer (Wm) verleend voor voormelde inrichting.

Aan deze milieuvergunning is onder meer een voorschrift met betrekking tot geluid verbonden.

Het voorschrift 6.1. luidt als volgt:

‘Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr;LT) veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties en door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten in de representatieve bedrijfssituatie, mag ter plaatse van de gevel van een woning van derden nooit meer dan:

- 50 dB(A) op 1,5 m hoogte in de uren gelegen tussen 07.00 en 19.00 uur;

- 45 dB(A) op 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 19.00 en 23.00 uur;

- 40 dB(A) op 5,0 m hoogte in de uren gelegen tussen 23.00 en 07.00 uur.

1.3.

Op 25 november 2005 hebben verzoekers een melding verandering inrichting ingevolge artikel 8.19 van de Wm bij verweerder ingediend. Deze melding heeft betrekking op de uitbreiding van de inrichting met een digestaatbassin voor de opslag van digestaat, afkomstig van de binnen de inrichting te bouwen co-vergistingsinstallatie.

Op 19 april 2006 hebben verzoekers een melding verandering inrichting ingevolge artikel 8.19 van de Wm bij verweerder ingediend. Deze melding heeft betrekking op de vervanging van twee mestbassins in drie betonnen mestsilo’s.

Op 27 juni 2008 hebben verzoekers een melding verandering inrichting ingevolge artikel 8.19 van de Wm bij verweerder ingediend. Deze melding heeft betrekking op een uitbreiding van de biogasinstallatie met een installatie voor de nabehandeling van digestaat.

1.4.

Op 22 september 2010 hebben verzoekers een aanvraag om milieuvergunning voor het veranderen van de inrichting bij verweerder ingediend. Deze aanvraag heeft betrekking op de opslag van glycerine (maximaal 2.500 mᶾ) in een silo en het drogen van ingedikt digestaat in een droger en de opslag ervan.

Verweerder heeft bij besluit van 31 januari 2011 aan verzoekers een milieuvergunning onder voorschriften verleend voor het veranderen van de inrichting in voormelde zin.

1.5.

Op 29 april 2012 hebben verzoekers een aanvraag om omgevingsvergunning ten behoeve van een veranderingsvergunning voor de inrichting bij verweerder ingediend. Deze aanvraag heeft betrekking op het veranderen van een opslagsilo voor co-substraten tot vergistersilo op het perceel Borgercompagnie 63 te Borgercompagnie.

1.6.

Verweerder heeft bij besluit van 29 oktober 2012 aan verzoekers een omgevings-vergunning onder voorschriften verleend voor het veranderen van het akkerbouwbedrijf met vergisters op het perceel [adres] te [plaats].

1.7.

In januari 2014 heeft verweerder een verzoek om handhaving van enkele omwonenden met betrekking tot (onder meer) geluidshinder door de bedrijfsactiviteiten van verzoekers ontvangen. De ervaren geluidshinder is met name gerelateerd aan het aantal vervoersbewegingen.

1.8.

Bij e-mailbericht van 26 november 2015 hebben derde-belanghebbenden verweerder verzocht handhavend op te treden voor wat betreft de overschrijding van het toegestane aantal vrachtwagenbewegingen van verzoekers.

1.9.

In de raadsvergadering van 4 april 2016 heeft de gemeenteraad van Veendam (hierna: de raad) een motie aangenomen van de raadsfracties van de Partij van de Arbeid (PvdA) en de Socialistische Partij (SP), inhoudende dat verweerder opgedragen wordt:

- per direct een besluit te nemen omtrent het verzoek om handhaving;

- het ontstane milieuprobleem zo snel mogelijk uit de wereld te helpen;

- activiteiten te ontwikkelen die erop gericht zijn de samenlevingsproblemen uit de wereld te helpen;

- de raad regelmatig te rapporteren omtrent de voortgang.

1.10.

Verweerder heeft bij brief van 20 april 2016 aan verzoekers medegedeeld voornemens te zijn om een preventieve last onder dwangsom voor wat betreft de vervoersbewegingen op te leggen.

Verder heeft verweerder verzoekers met deze brief in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na dagtekening van deze brief mondeling of schriftelijk een zienswijze in te dienen.

1.11.

Verzoekers hebben bij brief van 3 mei 2016 een zienswijze bij verweerder ingediend.

1.12.

Bij primair besluit van 20 juli 2016 heeft verweerder, onder weerlegging van de zienswijze van verzoekers sub 1.a., een preventieve last onder dwangsom aan verzoekers sub 1.a. opgelegd. De last houdt in dat verzoekers sub 1.a. de overschrijding van het vergunde aantal vervoersbewegingen per dag dient te beëindigen en in overeenstemming moet brengen met het maximum aantal, zoals gesteld in de aan verzoekers verleende omgevingsvergunning van 29 oktober 2012. Dit betekent dat het maximum aantal vervoersbewegingen per dag moet worden teruggebracht tot tien (dat zijn maximaal vijf vrachtwagens per dag), bij gebreke waarvan verzoekers sub 1.a. een dwangsom verbeuren van € 5.000,-- voor elke vrachtwagen die het vergunde maximum aantal van vijf vrachtwagens (tien vervoers-bewegingen) overschrijdt, met een maximum van € 100.000,--.

1.13.

Tegen dit besluit hebben verzoekers sub 1.a een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Tevens hebben verzoekers sub 1.a. op 31 augustus 2016 de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder het procedurenummer LEE 16/3531.

1.14.

Bij uitspraak van 3 oktober 2016 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.

1.15.

Bij het bestreden besluit I van 27 januari 2017 heeft verweerder verzoekers sub 1.a. een last onder dwangsom opgelegd. De last houdt in dat verzoekers sub 1.a. de overschrijding van het vergunde aantal vervoersbewegingen per dag dient te beëindigen en in overeenstemming moet brengen met het maximum aantal, zoals gesteld in de aan verzoekers sub 1.a. verleende omgevingsvergunning van 29 oktober 2012. Dit betekent dat het maximum aantal vervoersbewegingen per dag moet worden teruggebracht tot tien (dat zijn maximaal vijf vrachtwagens per dag), bij gebreke waarvan verzoekers sub 1.a. een dwangsom verbeuren van € 10.000,-- voor elke vrachtwagen die het vergunde aantal van vijf vrachtwagens (tien vervoersbewegingen) overschrijdt, met een maximum van € 300.000,--.

Inzake LEE 17/702

1.16.

Verzoekers sub 1.a. hebben op 11 november 2016 een aanvraag voor het milieuneutraal veranderen van de inrichting bij verweerder ingediend.

1.17.

Bij het bestreden besluit II van 2 januari 2017 heeft verweerder de aanvraag van verzoekers sub 1.a. om een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het milieuneutraal veranderen van een inrichting’ buiten behandeling gesteld.

Toepasselijke regelgeving

2. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan, indien tegen een besluit bij de bestuursrechter voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.1.

Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

1. het oprichten,

2. het veranderen of veranderen van de werking of

3. het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk.

Ingevolge artikel 2.6, eerste lid, van de Wabo kan het bevoegd gezag, voor zover de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op het veranderen van een inrichting of mijnbouwwerk of van de werking daarvan, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, ten tweede of ten derde, met betrekking tot die inrichting of dat mijnbouwwerk al een of meer omgevingsvergunningen zijn verleend, bepalen dat een omgevingsvergunning wordt aangevraagd met betrekking tot die verandering en het in werking hebben van de betrokken inrichting of het betrokken mijnbouwwerk na die verandering.

Ingevolge artikel 2.6, tweede lid, van de Wabo besluit het bevoegd gezag, indien het heeft bepaald dat een zodanige omgevingsvergunning moet worden aangevraagd, aanvragen met betrekking tot de betrokken activiteit die daarop geen betrekking hebben, niet te behandelen.

2.2.

Ingevolge artikel 5:32, tweede lid, van de Awb strekt een last onder dwangsom ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

Ingevolge artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb wordt bij een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

Overwegingen

3. Gesteld voor de vraag of er aanleiding bestaat een voorlopige voorziening te treffen, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

3.1.

Aangezien verzoekers een dwangsom verbeuren, acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang aan de zijde van verzoekers gegeven.

Inzake LEE 17/701

4. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht een last onder dwangsom aan verzoekers heeft opgelegd in verband met het overschrijden van het maximaal toegestane aantal vervoersbewegingen per dag voor vrachtwagens.

4.1.

Aan het bestreden besluit I heeft verweerder ten grondslag gelegd dat uit onderzoek door toezichthouders van de omgevingsdienst naar voren komt dat verzoekers in 2016 structureel het vergunde maximum aantal van vijf vrachtwagens per dag overschrijdt. In de visie van verweerder is deze voortdurende overschrijding een bevestiging van het beeld dat uit eerdere onderzoeken van de omgevingsdienst naar de vervoersbewegingen naar voren zijn gekomen.

4.2.

Verzoekers betwisten dat er sprake is van een overtreding in dit geval. In dit verband wijzen verzoekers erop dat de omgevingsvergunning van 29 oktober 2012 geen maximum stelt aan het aantal vervoersbewegingen. Voor zover verweerder hiermee doelt op het aantal vervoersbewegingen, zoals opgenomen in tabel 6.3 van het akoestisch onderzoek van 5 mei 2009, behorend bij de aanvraag die onderdeel uitmaakt van voormelde omgevings-vergunning, willen verzoekers erop wijzen dat in deze tabel niet een maximum is gesteld aan het aantal vervoersbewegingen. Volgens verzoekers is in deze tabel ‘slechts’ een berekening opgenomen van de geluidsemissies ten gevolge van de activiteiten buiten het terrein van de inrichting. Hierbij is uitgegaan van een representatieve bedrijfssituatie en dus niet van de vergunde bedrijfssituatie. Deze representatieve bedrijfssituatie wordt in een akoestisch onderzoek aangehouden met het doel om de juiste normstelling te definiëren, waarbij vervolgens een profiel wordt vastgesteld. Naar de mening van verzoekers kan het aantal vervoersbewegingen, opgenomen in voormelde tabel, niet worden aangemerkt als de vergunde aantallen vervoersbewegingen. Daarnaast zijn verzoekers van mening dat er geen sprake is van overtreding van enig ander voorschrift.

4.3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat verzoekers zelf (in 2005, 2009 en 2012) hebben gekozen voor een bedrijfsvoering op deze locatie met vijf vrachtwagens per dag, en dat aantal is conform de aanvraag ook vergund. In dit verband wijst verweerder erop dat die vijf vrachtwagens per dag door verzoekers zelf zijn aangevraagd, onderbouwd en gemotiveerd. Naar de mening van verweerder is het dan ook aan verzoekers om de bedrijfsvoering zodanig in te richten, dat zij aan dat aangevraagde en vergunde aantal kunnen voldoen.

4.4.

Uit de door verweerder verleende milieuvergunningen in 2005, 2011 en 2012 en de daarbij behorende onderliggende stukken, waaronder inbegrepen de aanvragen, leidt de voorzieningenrechter af dat in totaal vijf vrachtwagens (tien vrachtwagenbewegingen) zijn vergund in dit geval. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat in de aanvraag die tot de veranderingsvergunning van 29 april 2012 leidde door verzoekers gedetailleerd is aangegeven dat die wijziging één extra vrachtwagen per dag tot gevolg heeft, hetgeen met zich brengt dat er in totaal sprake is van vijf vrachtwagens (tien vrachtwagen-bewegingen). Verder valt uit de door verweerder aan het bestreden besluit I ten grondslag gelegde onderzoeksrapport en de daarin weergegeven waarnemingen af te leiden dat er op meerdere dagen meer dan tien vrachtwagenbewegingen per dag hebben plaatsgevonden, hetgeen tussen partijen niet in geschil is. Uit het voorgaande volgt dat verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt dat er in dit geval sprake is van overtreding van het bepaalde in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, sub 1 en 2, van de Wabo. Aangezien er sprake is van een overtreding van een wettelijk voorschrift, was verweerder bevoegd tot handhavend optreden. Deze grond van verzoekers slaagt niet.

5. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2011:BT8612, volgt dat, gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik zal moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

5.1.

Verzoekers betogen dat zij op 11 november 2016 een ontvankelijke aanvraag om omgevingsvergunning voor het milieuneutraal wijzigen van de inrichting bij verweerder hebben ingediend, zodat er naar hun mening sprake was van concreet zicht op legalisatie. In dit verband wijzen verzoekers erop dat deze aanvraag een herrekend vervoersprofiel bevat, waarin wordt uitgegaan van vrachtwagens in plaats van tractoren. Verder wordt er binnen de inrichting niets gewijzigd. In de visie van verzoekers bestond er dan ook geen aanleiding meer om handhavend op te treden.

5.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit 1 er geen concreet zicht op legalisatie bestond. In dit verband wijst verweerder erop dat er geen ontvankelijke en vergunbare aanvraag om revisievergunning is ingediend. Naar de mening van verweerder is er in dit geval geen sprake van een milieuneutrale verandering. Daarbij neemt verweerder in aanmerking dat een toename van het aantal vrachtwagen-bewegingen in dit concrete geval niet alleen leidt tot meer (of ander) geluid (zowel qua directe als indirecte hinder), maar ook tot meer aanvoer van product, meer laad- en losbewegingen, meer productie en meer geur.

5.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat er in dit geval geen sprake is van concreet zicht op legalisatie. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verweerder zich, gelet op de toename van het aantal verkeersbewegingen, op het standpunt heeft kunnen stellen dat er geen sprake is van milieuneutraliteit, aangezien de toename van het aantal vervoersbewegingen niet alleen leidt tot meer of ander geluid, maar ook tot meer aanvoer van producten, meer laad- en losbewegingen, meer productie en meer geur. Gelet hierop en gezien het feit dat een ontvankelijke aanvraag om revisie-omgevingsvergunning voor de inrichting door verzoekers ten tijde van het nemen van het bestreden besluit I niet bij verweerder was ingediend, is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen sprake van een concreet zicht op legalisatie. Deze grond van verzoekers slaagt niet.

6.1.

Verzoekers betogen dat verweerder in strijd met artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb in het bestreden besluit I geen begunstigingstermijn is opgenomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoekers nader uiteen gezet dat er in dit geval sprake is van bijzondere omstandigheden, die maken dat verweerder wel een begunstigingstermijn had moeten opnemen in het bestreden besluit I. Volgens de gemachtigde van verzoekers zijn de bijzondere omstandigheden gelegen in het feit dat er overleg heeft plaatsgevonden met verweerder over het indienen van een aanvraag om revisie-omgevingsvergunning en dat het voor verzoekers onmogelijk is om de bedrijfsvoering op zo’n korte termijn aan te passen.

6.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb niet volgt dat in alle gevallen een begunstigingstermijn moet worden gesteld. Omdat in dit geval sprake is van een herhaalde overtreding, zou een begunstigingstermijn naar de mening van verweerder neerkomen op ongewenst tussentijds gedogen. Onder verwijzing naar een uitspraak van 27 november 2013 van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS: 2013:2150, is verweerder van mening dat bij herhaalde overtredingen geen begunstigingstermijn hoeft te worden gesteld.

6.3.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de in het bestreden besluit I aan verzoekers opgelegde last onder dwangsom strekt tot het voorkomen van een herhaling van de eerder geconstateerde overtredingen. De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun stelling dat verweerder in dit geval in strijd met artikel 5:32a, tweede lid, van de Awb geen begunstigingstermijn in het bestreden besluit I heeft opgenomen. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat uit de Memorie van Toelichting bij de vierde tranche van de Awb (TK II 2003/2004, 29 702, nr. 3, p. 113) en vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2013:2150, volgt dat bij herhaalde overtredingen geen begunstigingstermijn hoeft te worden gesteld. In hetgeen verzoekers naar voren hebben gebracht, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om van de vaste jurisprudentie van de AbRvS af te wijken. Hierbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de door verzoekers aangehaalde uitspraken van de AbRvS niet onverkort van toepassing zijn in dit geval. Met betrekking tot de door verzoekers gestelde bijzondere omstandigheden overweegt de voorzieningenrechter dat die niet als zodanig bijzonder kunnen worden aangemerkt dat verweerder om die reden gehouden was om in dit geval een begunstigingstermijn in het bestreden besluit I op te nemen. In dit verband acht de voorzieningenrechter van belang dat het van verzoekers in dit geval geen bijzondere handelingen vereist om met de verboden gedraging te stoppen. Ook het feit dat verzoekers in overleg met verweerder zijn om te komen tot het indienen van een aanvraag om revisie-omgevingsvergunning brengt niet met zich dat verweerder om die reden een begunstigingstermijn had dienen op te nemen in het bestreden besluit I. Deze grond van verzoekers slaagt niet.

Conclusie

7. Gelet op de voorgaande overwegingen moet de houdbaarheid van het bestreden besluit I in de bezwaarfase als overwegend positief worden ingeschat. Om die reden bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

Inzake LEE 17/702

8. Tussen partijen is in geschil of verweerder de aanvraag om omgevingsvergunning voor het milieuneutraal wijzigen van de inrichting van verzoekers in dit geval buiten behandeling heeft kunnen stellen.

8.1.

Aan het bestreden besluit II heeft verweerder ten grondslag gelegd dat er in dit geval sprake is van een onoverzichtelijk vergunningenbestand en dat de aard en omvang van de wijzigingen zodanig zijn dat er niet gesproken kan worden van het milieuneutraal wijzigen van de inrichting. Gelet hierop heeft verweerder in dit geval een revisievergunning kunnen verlangen.

8.2.

Verzoekers betogen dat het onzorgvuldig is van verweerder om de aanvraag zonder vooraankondiging bij het bestreden besluit 2 van 2 januari 2017 buiten behandeling te stellen, aangezien de door verweerder gestelde gebreken in de aanvraag verholpen hadden kunnen worden. In de visie van verzoekers had de aanvraag om omgevingsvergunning voor het milieuneutraal wijzigen van de inrichting door verweerder in behandeling kunnen worden genomen als een aanvraag om een revisievergunning na het aanvullen van de gegevens. Naar de mening van verzoekers is de redenering van verweerder dat er geen sprake kan zijn van een milieuneutrale wijziging gebaseerd op een onjuiste interpretatie van de wet, aangezien vervoersbewegingen in het algemeen gezien moeten worden als indirecte hinder, en dus niet als een zelfstandige activiteit.

8.3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de wijziging betrekking heeft op het veranderen van het vervoersprofiel van de inrichting (er worden vrachtwagens ingezet in plaats van tractoren). Het vervoersprofiel bepaalt echter ook de capaciteit van de installatie en de omvang van de activiteiten en heeft daarmee volgens verweerder een onduidelijke invloed op de andere milieucompartimenten. Naar de mening van verweerder is deze duidelijkheid alleen te verkrijgen door een integrale benadering door middel van het volgen van een procedure voor een revisievergunning. Op basis van de omstandigheden van het geval (weerstand vanuit de buurt, politiek bestuurlijke gevoeligheid, inpassing van de inrichting) en de complexiteit van de situatie, zou aanvulling van de aanvraag in de visie van verweerder niet kunnen leiden tot een situatie waarin de aanvraag voor een milieuneutrale wijziging alsnog gehonoreerd zou kunnen worden. In dit verband wijst verweerder erop dat op het moment van de aanvraag het onderzoek naar de geurbelasting nog in volle gang was. De uitkomsten van dit onderzoek waren nog niet bekend, maar zouden volgens verweerder wel van doorslaggevend belang zijn bij een beoordeling van de aangevraagde activiteit. Het aanvullen van de aanvraag om een milieuneutrale wijziging tot het informatieniveau dat nodig is voor de beoordeling van een aanvraag om een revisievergunning heeft verweerder op dat moment niet mogelijk geacht. Daarbij heeft verweerder van belang geacht dat de aard, omvang en de diepgang van de informatie die is aangeleverd bij de aanvraag om de milieuneutrale wijziging van de inrichting van totaal andere orde is dan de gegevens die benodigd zijn voor het beoordelen van de aanvraag om een revisievergunning voor de inrichting. Het gaat in het laatste geval om de gegevens die benodigd zijn voor het opstellen van een alles omvattende vergunning die de activiteiten van de gehele inrichting bestrijkt. Gelet op de situatie ter plaatse en de politiek/bestuurlijke gevoeligheid dient de bij de aanvraag aangeleverde informatie naar de mening van verweerder veel uitgebreider te zijn dan hetgeen is aangeleverd in het kader van de aanvraag om een milieuneutrale wijziging.

8.4.

Uit vaste jurisprudentie van de AbRvS, onder meer kenbaar uit ECLI:NL:RVS:2015: 65, volgt dat bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan artikel 2.6, eerste lid, van de Wabo het bevoegd gezag beleidsvrijheid toekomt. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met name het belang van een overzichtelijk vergunningenbestand reden kan zijn een revisie-vergunning te verlangen (Kamerstukken II, 1988/89, 21 087, nr. 3, blz. 31 en 2006/07, 30 844, nr. 3, blz. 100).

8.5.

De voorzieningenrechter overweegt dat uit artikel 2.6, tweede lid, van de Wabo volgt dat het bevoegd gezag, indien het heeft bepaald dat een revisievergunning moet worden aangevraagd, gehouden is om aanvragen met betrekking tot de betrokken activiteit die daarop geen betrekking hebben, niet te behandelen. Op 3 oktober 2005 is aan verzoekers een milieuvergunning onder voorschriften aan verzoekers verleend voor het drijven van een agrarische inrichting met mestvergisting van dierlijke mest en een warmtekrachtinstallatie. Sindsdien is deze vergunning door meerdere vergunningen gewijzigd en zijn verschillende meldingen gedaan. Gelet hierop heeft verweerder zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter op het standpunt kunnen stellen dat het huidige vergunningenbestand dermate onoverzichtelijk is dat een goede beoordeling van de aanvraag in samenhang met de voorgaande vergunningen en meldingen niet mogelijk is (vgl. AbRvS, 31 december 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4752). Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het niet goed mogelijk is de nadelige gevolgen van de aangevraagde verandering (toename van het aantal vrachtwagenbewegingen) los van de eerder verleende vergunningen te beoordelen (vgl. AbRvS, 27 november 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF1163). Hieruit volgt dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat in dit geval een nieuwe, de gehele inrichting omvattende revisievergunning dient te worden aangevraagd. De enkele stelling van verzoekers dat de aangevraagde verandering van de inrichting milieu-neutraal is, doet aan de bestaande onoverzichtelijkheid niet af en leidt om die reden niet tot een ander oordeel. Deze grond van verzoekers slaagt niet.

Conclusie

9. Gelet op de voorgaande overwegingen moet de houdbaarheid van het bestreden besluit II in de bezwaarfase als overwegend positief worden ingeschat. Om die reden bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.

10. Voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb , bestaat geen aanleiding.

Beslist wordt als volgt.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.L.A. van Kats als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 maart 2017.

De griffier De voorzieningenrechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Afschrift verzonden op:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature