Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Artikel 6 WVW 1994 , aanmerkelijk onvoorzichtig.

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830308-15

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 17 maart 2016 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 3 maart 2016.

De verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.R.M. Schaap, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie werd ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. E.R. Jepkema.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 27 februari 2015 in de gemeente Groningen

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg(en), de [straatnaam 1] en/of de [straatnaam 2] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

op die weg(en) te rijden met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan de ter

plaatse toegestane maximum snelheid van 50 km per uur, in elk geval met een -

gelet op de omstandigheden en/of de (verkeers)situatie ter plaatse - te hoge

snelheid, en/of gekomen bij en/of in, gezien verdachte rijrichting, (flauwe)

bocht naar links gevolgd door een (flauwe) bocht naar rechts, geen of

onvoldoende snelheid te verminderen en/of met genoemde snelheid of

onverminderde snelheid die bocht(en) in en/of door en/of uit te rijden en/of

dat door verdachte bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle te

houden en/of de macht over het stuur te verliezen en/of met dat motorrijtuig

in een (dwars)slip naar links en/of (vervolgens) naar rechts te geraken

en/of (gedeeltelijk) terecht te komen of te geraken op de weghelft bestemd

voor het tegemoetkomend verkeer,

ten gevolge waarvan een botsing of een aanrijding tussen dat door verdachte

bestuurde motorrijtuig en een verdachte tegemoetkomend ander motorrijtuig is

ontstaan, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel, te

weten een sleutelbeenfractuur, een borstbeenfractuur, twee ribfracturen, een

(lende)wervelfractuur en/of een polsfractuur, of zodanig lichamelijk letsel

werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de

uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 27 februari 2015 in de gemeente Groningen als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg(en), de [straatnaam 1] en/of de [straatnaam 2] , met dat rijtuig met een (aanmerkelijk) hogere snelheid dan de ter plaatse

toegestane maximum snelheid van 50 km per uur, in elk geval met een - gelet

op de omstandigheden en/of de (verkeers)situatie ter plaatse - te hoge

snelheid, heeft gereden en/of gekomen bij en/of in, gezien verdachte

rijrichting, (flauwe) bocht naar links gevolgd door een (flauwe) bocht naar

rechts, geen of onvoldoende snelheid heeft verminderd en/of met genoemde

snelheid of onverminderde snelheid die bocht(en) is in- en/of door- en/of

uitgereden en/of dat door verdachte bestuurde motorrijtuig niet voortdurend

onder controle heeft gehouden en/of de macht over het stuur heeft verloren

en/of met dat motorrijtuig in een (dwars)slip naar links en/of (vervolgens)

naar rechts is geraakt en/of (gedeeltelijk) is terechtgekomen of geraakt op de

weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer,

ten gevolge waarvan een botsing of een aanrijding tussen dat door verdachte

bestuurde motorrijtuig en een verdachte tegemoetkomend ander motorrijtuig is

ontstaan, door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt,

althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het primair ten laste gelegde kan worden bewezen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit het politieonderzoek naar voren is gekomen dat de botssnelheid van verdachtes auto 73 kilometer per uur bedroeg, waarbij de vertragingen door de slip niet zijn meegenomen. Volgens [getuige 1] , die zelf 80 kilometer per uur reed, had de auto van verdachte een beduidend hogere snelheid dan die van hem en hij schat deze op 100 kilometer per uur. Dat verdachte heeft verklaard dat hij maximaal 70 kilometer per uur heeft gereden acht de officier van justitie niet geloofwaardig. Voorts heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte door de aanzienlijk hoge snelheid de controle over het stuur is verloren, waardoor hij op de verkeerde weghelft is terechtgekomen en een frontale botsing heeft veroorzaakt met een auto die hem tegemoet kwam, waarbij het slachtoffer in die auto zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte heeft gelet op het geheel van zijn verkeersgedragingen aanmerkelijk onvoorzichtig gehandeld.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat aan de hand van de omstandigheden van het geval moet worden bekeken of sprake is van een overtreding in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 . Uit het politieonderzoek is gebleken dat de botssnelheid 73 kilometer per uur bedroeg, maar op grond van de verklaringen van de getuigen [getuige 2] en [getuige 1] kan niet worden vastgesteld dat de snelheid 100 kilometer per uur bedroeg. Uit de verklaring van het [slachtoffer] komt naar voren dat het voertuig van verdachte slingerend over de weg ging en een stoeprand raakte. De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte wèl te hard heeft gereden en de stoeprand heeft geraakt, waardoor hij in botsing is geraakt, maar meer is er niet. Er is onvoldoende bekend over de concrete omstandigheden van het geval om het handelen van verdachte aanmerkelijk onvoorzichtig te noemen, zodat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is –ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 3 maart 2016 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik vaker de route over de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] rijd. Ik reed op de bewuste avond omstreeks 21.30 uur in een Mazda MX5. Ik weet dat de weg slecht verlicht is. Het klopt dat ik harder reed dan vijftig kilometer per uur. Ik heb de fout gemaakt om daar te hard te rijden en ben de macht over het stuur verloren. Toen gebeurde er een ongeluk.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 11 augustus 2015, van het dossier met nummer PL0100-2015058973 d.d. 11 juni 2015 (ingekomen bij het openbaar ministerie op 27 augustus 2015), inhoudende als verklaring van [slachtoffer] :

Op vrijdag 27 februari 2015, omstreeks 21:20 uur, ben ik slachtoffer en tevens getuige van een aanrijding geweest op de [straatnaam 2] te [pleegplaats] . Ik zat als bijrijder in een voertuig van het merk Opel, type Astra, welke is voorzien van het kenteken [kenteken] . Mijn dochter genaamd [getuige 3] was de bestuurder van het voertuig. Beiden droegen wij veiligheidsgordels. Wij reden vanaf de [straatnaam 3] over de [straatnaam 2] te [pleegplaats] . Uit tegengestelde richting kwam een voertuig aanrijden. Het voertuig ging slingerend over de weg met hoge snelheid. Ik zag dat het voertuig de stoeprand raakte waarna het voertuig op de voor hem linker weghelft raakte. De voor hem linker weghelft is de weghelft waar wij op reden. Ik hoorde mijn dochter [getuige 3] nog zeggen: 'Wat moet ik nu?' Voordat ik kon antwoorden raakte het voertuig ons frontaal.

3. Een geneeskundige verklaring, op 24 juni 2015 opgemaakt en ondertekend door [deskundige] , voor zover van belang inhoudende als zijn verklaring:

Bij [slachtoffer] heb ik op 27 februari 2015 het volgende letsel (dan wel afwijkingen) geconstateerd:

- 1. letsel halsslagader zonder bloeding (dissectie)

- 2. sleutelbeenbreuk rechts

- 3. borstbeenbreuk met bloeduitstorting

- 4. ribfracturen 10 en 11 links

- 5. miltletsel

- 6. fractuur eerste lendenwervel

- 7. polsfractuur rechts.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van Politie Noord-Nederland d.d. 27 februari 2015 van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Ik reed op de [straatnaam 4] richting de [straatnaam 2] te [pleegplaats] . Er reed een Mazda MX5 achter mij, die constant aan het bumperkleven was. Op den duur haalde dat voertuig mij in. Bij de kruising [ziekenhuis] ( [straatnaam 1] ) remde het voertuig iets af, vervolgens heeft hij zijn weg over de [straatnaam 2] vervolgd. Ik reed ongeveer 80 kilometer per uur. De Mazda MX5 reed ver op mij uit. Ik schat zo'n 100 kilometer per uur. In de bocht naar rechts richting de kruising met de [straatnaam 3] zag ik dat de Mazda MX5 zo genoemd uit de bocht brak. Vervolgens raakte hij weer op zijn eigen weghelft. Kort hierna raakte de Mazda op de andere weghelft waar op dat moment een voertuig uit tegengestelde richting aankwam.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal Verkeersongevallenanalyse van Politie Noord-Nederland, nummer 27.02.2015.2135.0214, d.d. 12 mei 2015, inhoudende als relatering van verbalisanten:

Met behulp van het computerprogramma PC-Crash werd door mij een passende simulatie

vervaardigd. Uit mijn onderzoek bleek de volgende indicatieve botssnelheid: Mazda MX5 ongeveer 73 km/h (snelheid tijdens de botsing).

Oorzaak

De bestuurder van het voertuig 1 (Mazda MX5) reed met een beduidend hogere snelheid dan de ter plaatse geldende maximum snelheid van 50 km/h over de [straatnaam 1] in de richting van de in het verlengde van de [straatnaam 1] gelegen [straatnaam 2] . Met deze hoge snelheid reed hij achtereenvolgens een flauwe bocht naar links, gevolgd door een flauwe bocht naar rechts. Door zijn hoge rijsnelheid, mogelijk in combinatie met het liften van het gas, dan wel door extra gas bij te geven, brak de achterzijde van zijn voertuig uit en geraakte zijn voertuig eerst in een dwarsslip naar links. De bestuurder heeft hierop gecorrigeerd door naar links te sturen waarop zijn voertuig in een dwarsslip naar rechts geraakte. Bij deze laatste voertuigbeweging kwam het door hem bestuurder voertuig wederom op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terecht. De bestuurster van het vanuit tegenovergestelde richting naderende voertuig 2 (Opel Astra) heeft hierop een noodremming ingezet. Voertuig 1 botste vervolgens vrijwel frontaal tegen het naderende voertuig 2.

Ten gevolge van deze aanrijding werd voertuig 2 achteruit weggezet waarbij voertuig 2 tevens geparkeerd staande voertuigen raakte. Ten gevolge van deze aanrijding geraakten zowel de beide bestuurders van respectievelijk voertuig 1 als 2 alsmede de passagier van voertuig 2 zwaar gewond.

Op grond van proefnemingen, een computersimulatie waarbij een botssnelheid van 73 km/h wordt verondersteld waarbij nog geen rekening is gehouden met de vertraging tijdens de slipbewegingen voorafgaand aan de botsing, vergelijkbare botsproeven en een getuigenverklaring, achten wij het waarschijnlijk dat de bestuurder van voertuig 1 de maximum snelheid met meer dan 30 km/u heeft overschreden.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende. Bij de beoordeling of de schuld aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid komt het blijkens vaste rechtspraak aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet valt in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding in deze zaak voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onvoorzichtigheid en/of onoplettendheid en dus van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 . Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Uit de voornoemde bewijsmiddelen is naar voren gekomen dat verdachte met een hogere snelheid dan ter plaatse is toegestaan reed vanaf de [straatnaam 4] naar de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] . Daar is hij uit de bocht naar links geraakt. Hij corrigeerde zijn voertuig naar zijn eigen weghelft, waarna hij uit de bocht naar rechts is geraakt en wederom op de verkeerde weghelft is terechtgekomen. Hij is vervolgens frontaal op een tegemoet komend voertuig gebotst. Ten gevolge van dat ongeval heeft de bijrijder in dat voertuig, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Uit de Verkeersongevallenanalyse van de politie is gebleken dat verdachte met zodanig hoge snelheid heeft gereden dat op het botsmoment zijn snelheid nog 73 kilometer per uur bedroeg, zodat de rechtbank vaststelt dat verdachte in elk geval met een aanmerkelijk hogere snelheid reed dan de ter plaatse toegestane 50 kilometer per uur. Dit komt eveneens naar voren uit de getuigenverklaring van [getuige 1] . Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij te hard heeft gereden en dat hij de controle over het stuur verloor. Uit alle genoemde omstandigheden, te weten dat verdachte binnen de bebouwde kom reed met een snelheid die ruimschoots boven het toegestane maximum lag (in ieder geval 73 km/uur in plaats van de toegestane 50 km/uur) op een tijdstip waarop het al donker was, rond 21.30 uur 's avonds, en dat verdachte bovendien wist dat de weg slecht verlicht was en voorts dat hij zich, terwijl hij de macht over het stuur verloor, op de linker weghelft heeft begeven terwijl daarop de auto, waarin zich het latere slachtoffer bevond, reed, waarna een botsing plaats vond, is de rechtbank van oordeel dat verdachtes handelen, zoals hiervoor beschreven, aanmerkelijk onvoorzichtig is geweest, zodat aan zijn schuld te wijten is dat het ongeval heeft plaatsgevonden. Ten gevolge van dit ongeval heeft het slachtoffer het hiervoor genoemde zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het voorgaande, het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het primair ten laste gelegde bewezen, met dien verstande dat:

hij op 27 februari 2015 in de gemeente Groningen als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de wegen, de [straatnaam 1] en de [straatnaam 2] , zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door aanmerkelijk onvoorzichtig op die wegen te rijden met een aanmerkelijk hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid van 50 km per uur, en gekomen bij, gezien verdachtes rijrichting, een flauwe bocht naar links gevolgd door een flauwe bocht naar rechts, geen of onvoldoende snelheid te verminderen en met genoemde snelheid of onverminderde snelheid die bochten in en door en uit te rijden en dat door verdachte bestuurde motorrijtuig niet voortdurend onder controle te houden en de macht over het stuur te verliezen en met dat motorrijtuig in een dwarsslip naar links en vervolgens naar rechts te geraken en gedeeltelijk terecht te komen of te geraken op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomend verkeer, ten gevolge waarvan een botsing tussen dat door verdachte bestuurde motorrijtuig en een verdachte tegemoetkomend ander motorrijtuig is ontstaan, waardoor een ander, genaamd [slachtoffer] , zwaar lichamelijk letsel, te weten een sleutelbeenfractuur, een borstbeenfractuur, twee ribfracturen, een lendewervelfractuur en een polsfractuur, is ontstaan.

De verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

In de tenlastelegging voorkomende schrijffouten of kennelijke misslagen worden verbeterd gelezen. De verdachte is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Primair Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 .

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het primair ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand met een proeftijd van 3 jaren, alsmede een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een geldboete op te leggen, alsmede een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid. Gezien het tijdsverloop en haar pleidooi voor een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit acht zij een gevangenisstraf niet aan de orde.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting, het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het veroorzaken van een verkeersongeval door met een hoge snelheid binnen de bebouwde kom te rijden, de controle over het stuur te verliezen en op de verkeerde weghelft te belanden. Uiteindelijk is hij frontaal op een tegenligger gebotst. Als gevolg hiervan heeft een vrouwelijke passagier van de tegenligger zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De rechtbank neemt dergelijk verkeersgedrag verdachte zeer kwalijk. Als uitgangspunt voor een dergelijk strafbaar feit volgens de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS wordt een taakstraf van 160 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van een jaar genomen. De rechtbank merkt op dat uit de justitiële documentatie blijkt dat verdachte eerder, in 2013, een geldboete heeft gehad voor een forse snelheidsovertreding, begaan binnen de bebouwde kom. Voorts heeft verdachte in 2012 zijn rijbewijs B gehaald, zodat hij een beginnend bestuurder is. De rechtbank is van oordeel dat gezien de ernst van het feit naast een taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Ook moet worden voorkomen dat verdachte opnieuw dergelijk risicovol rijgedrag zal vertonen, zodat zij eveneens een ontzegging van de rijbevoegdheid, waarvan een deel voorwaardelijk zal opleggen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 , zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

DE UITSPRAAK VAN DE RECHTBANK LUIDT:

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van een maand.

Bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Een taakstraf, bestaande uit het verrichten van 180 uren onbetaalde arbeid.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 90 dagen zal worden toegepast.

Legt aan de veroordeelde op de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 18 maanden.

Bepaalt, dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot 6 maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, welke hierbij wordt vastgesteld op 2 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Smeets, voorzitter, mr. L.M.E. Kiezebrink en mr. L.W. Janssen, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 17 maart 2016.

Mr. P.H.M. Smeets is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature