Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Moeder vraagt machtiging ingevolge artikel 1:349 BW om minderjarige zoon tegen zichzelf te laten procederen. Verzoek afgewezen op grond van in strijd met goede zeden en openbare orde.

Uitspraak



RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling Privaatrecht

Sectie Kanton - locatie Alkmaar

Zaaknr/repnr.: 5756952 \ EJ VERZ 17-55

Uitspraakdatum: 30 maart 2017

Beschikking van de kantonrechter ex artikel 1:349 BW

op verzoek van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats]

verzoekende partij [verder ook te noemen: de moeder]

gemachtigde: mr. J.E. de Wijn, advocaat te Rijsenhout

namens de minderjarige

[adoptiefzoon] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [plaats]

[verder ook te noemen: [zoon] ]

1 De procedure

1.1.

Het verzoekschrift is op 22 februari 2017 ter griffie ontvangen.

Bij brief van 2 maart 2017 heeft de kantonrechter om nadere informatie gevraagd.

Op 24 maart 2017 is ter griffie een aanvullend verzoekschrift ontvangen met daarbij de gevraagde informatie.

1.2.

Gelet op de aard van het verzoek is afgezien van een behandeling ter terechtzitting.

2 De Feiten

2.1.

De moeder was in gemeenschap van goederen gehuwd met [de vader] [verder te noemen: de vader]. De moeder en de vader zijn de adoptiefouders van [zoon] .

2.2.

Bij beschikking van 11 mei 2016 is tussen de moeder en de vader de echtscheiding uitgesproken. Hierbij is bepaald dat het echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) dat de moeder en de vader op 20 april 2016 hebben ondertekend deel uitmaakt van de echtscheidingsbeschikking.

2.3.

Artikel 1.4 van het convenant luidt:

“De ouders achten het in het belang van [zoon] dat zij na de echtscheiding gezamenlijk het ouderlijk gezag over hem blijven uitoefenen. Zij vinden het ook belangrijk dat het contact tussen [zoon] en de ouders zo min mogelijk door de echtscheiding wordt beïnvloed. De ouders zullen dan ook bevorderen dat [zoon] zo goed mogelijk contact heeft met ieder van de ouders.”

2.4.

Artikel 3.2 van het convenant luidt:

“De in artikel 3.1. omschreven onroerende zaak (de voormalige echtelijke woning, Ktr) zal worden verkocht. Partijen zullen de woning tussen 1 februari 2017 en uiterlijk 1 april 2017 in de verkoop zetten, derhalve een gezamenlijke opdracht tot verkoop van de woning aan een gezamenlijk aan te wijzen makelaar te Langedijk geven, zodat de woning daadwerkelijk met ingang van 15 april 2017 in de verkoop staat. De vrouw mag nog 2 jaar in de woning blijven wonen, de woning wordt dan op z’n vroegst verkocht per 1 februari 2018. (de man is op 20-11-2015 uitgeschreven uit de woning).”

2.4.

De artikelen 3.4 - 3.9 van het convenant vloeien uit artikel 3.2. voort, en hebben betrekking op de (financiële) consequenties voor de voormalige echtelieden van het gezamenlijke woningbezit.

3 Het verzoek en de beoordeling daarvan

3.1.

De kantonrechter begrijpt het verzoek van de moeder aldus dat het ertoe strekt de moeder te machtigen namens [zoon] te procederen tegen het door haarzelf en de vader gesloten convenant. Zij betoogt in haar verzoekschrift dat artikel 3.2. van het convenant gewijzigd moet worden.

3.2.

De kantonrechter heeft de moeder nader bevraagd naar de door [zoon] te formuleren vorderingen en de grondslag(en) hiervoor. Redengevend hiervoor was dat het de kantonrechter zonder nadere toelichting niet meteen duidelijk was waarom juist de kinderen zouden willen procederen tegen de duidelijke afspraken die hun ouders hebben gemaakt (onder meer) met de belangen van [zoon] voor ogen. Daarbij komt dat bij het maken van dit 38 pagina’s tellende convenant beide ouders zijn bijgestaan door hun eigen advocaten, zodat onkunde over de implicaties van de afspraken zich niet snel laat indenken, althans niet voor risico van de andere ouder komen.

3.3.

De moeder heeft bij brief van 22 maart 2017 gereageerd, onder toezending van het convenant. Daarbij vordert zij thans ook wijziging van artikelen 1.4 en 3.4 - 3.9 van het convenant. Wat betreft aanpassing van artikel 1.4 voert de moeder bij monde van haar advocaat het volgende aan:

“De eis zal zijn:

1. de aanpassing van het echtscheidingsconvenant

- art. 1.4 het ouderlijk gezag / beschermingsbewind, de aanpassing van het convenant

Ouders hebben nu, tot 22 juli 2018, nog het gezamenlijke ouderlijk gezag. In de afgelopen 4-5 jaar heeft [zoon] , voor wat betreft zijn lichamelijke- en geestelijke beperking een achterstand opgelopen in de kennis over – en de stabilisering van zijn meervoudige complexe handicaps. Met de bestaande achterstand zoals genoemd is er bij [zoon] de diagnose Post Traumatische Stress Syndroom (PTSS) geconstateerd naar aanleiding van het seksueel misbruik van een hulpverlener. De echtscheiding betekent voor [zoon] dat de vader, voor [zoon] onverwacht, reeds jaren volledige voor hem afwezig is, de afspraken van het ouderschapsplan (bijlage 1 echtscheidingsconvenant) worden niet door de vader nagekomen. De hulpverlening herkennen in het gedrag van [zoon] de afwezigheid van de vader als extra trauma.

In het belang van [zoon] is dat de ouders een standpunt innemen over het beschermingsbewind van [zoon] na zijn 18e jaar, deze dient te zijn aangepast aan de lichamelijke- en geestelijke noden en de samenwerking met medische-, hulpverlenende instanties. In het belang van [zoon] dienen de ouders een standpunt in te nemen wie, in geval van een vroegtijdig overlijden van de moeder, voor de zorg over [zoon] gaat zorgdragen.”

3.4.

De kantonrechter herkent in het voorgaande geen door [zoon] in te stellen vordering, zodat reeds daarom een machtiging tot procederen op de voet van artikel 1:349 BW niet kan worden gegeven. Uit de hierboven weergegeven passage is wel de wens van de moeder af te leiden dat de vader en zij een gezamenlijk standpunt blijven innemen over de opvoeding en verzorging van [zoon] . De rol van het gestelde seksueel misbruik binnen de geciteerde passage ontgaat de kantonrechter daarbij. Ten overvloede voorts: voor zover de moeder van oordeel is dat de vader onvoldoende uitvoering geeft aan het convenant, hoeft een daartoe strekkende vordering niet door of namens [zoon] te worden ingesteld. Zij is immers contractspartij.

3.5.

De moeder stelt dat de door [zoon] gewenste wijziging van art. 3.2 inhoudt:

“dat de woning niet eerder verkocht kan worden dan 2028/2030 in geval van door de diagnostische hulpverlenende instanties wordt aangegeven. (…) In het belang van [zoon] kan de woning niet eerder in de verkoop gaan dan dat er voor hem een woon- verblijfplaats is waar hij, vanuit een stabiele lichamelijke- en geestelijke ontwikkeling, zonder de bedreiging van zijn kansen op een zo kwalitatief en gelukkig mogelijk leven, een persoonlijke ontwikkeling kan afmaken.”

Ter toelichting hierop voert de moeder aan dat ‘institutionele plaatsing’ [zoon] iedere kans op levensgeluk ontneemt. Verder stelt de moeder ter onderbouwing dat iedere verandering in het leven van [zoon] zonder de zorg en aanwezigheid van de moeder en/of de bekende persoonlijke begeleiding, aanleiding zal zijn voor achteruitgang en een terugval waarbij geen draagkracht is voor herstel.

3.6.

De moeder stelt - kort gezegd - dat de door haar met de vader gemaakte afspraken in strijd zijn met de belangen van [zoon] . Zij voert echter niet aan dat zij het convenant heeft gesloten onder invloed van een geestelijke stoornis, misbruik van omstandigheden of dwaling. Noch doet zij een beroep op onvoorziene omstandigheden of de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. Zij speelt de zaak via de band van de belangen van [zoon] bij wijziging van het echtscheidingsconvenant. In de woorden van de advocaat van moeder: “Het echtscheidingsconvenant van 20 april 2016 heeft geen rekenschap gegeven van het feit dat beide ouders hun aandeel hebben in de zorg voor hun gehandicapte zoon en ieder een eigen bijdrage moeten leveren aan een zo’n kansrijke toekomst die, met de adoptie van [zoon] , tot diens persoonlijk recht is verworden. Reden waarom het convenant in het belang van [zoon] dient te worden aangepast en gewijzigd.”

3.7.

De gevraagde machtiging zal niet worden gegeven. [zoon] zal in de door de moeder gewenste procedure tegen beide ouders moeten procederen – zij zijn immers beiden contractspartij. De door [zoon] te starten procedure zou dan wellicht (de toelichting van de moeder is op dit punt mistig) zijn grondslag vinden in onrechtmatige daad of schending van de zorgplicht als bedoeld in artikel 1:247 BW . De moeder – die kennelijk spijt heeft van haar ondertekening van het convenant – vraagt dus machtiging om in naam van [zoon] tegen zichzelf te procederen. Dat kan niet, en is in strijd met de goede zeden en de openbare orde. In een dergelijk geval moet worden aangenomen dat, zolang het kind minderjarig is, voor het kind in rechte tegen de betrokken ouder(s) kan worden opgetreden hetzij door de Raad voor de Kinderbescherming, hetzij door een (bijzondere) wettelijke vertegenwoordiger – in dit geval de bijzonder curator als bedoeld in artikel 1:250 BW; niet door een van de ouders te voorzien van een machtiging als bedoeld in artikel 1:349 BW . Het feit dat [zoon] ernstig gehandicapt is maakt dit alles niet anders.

4 De beslissing

De kantonrechter:

Wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. Reid, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.

De griffier De kantonrechter


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature