Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

vordering tot afgifte patiëntendossier na weigering op grond van 7:456 BW en 5.3.2 lid 4 Wmo 2015.

Vordering toegewezen met opdracht om gegevens die identiteit melder of melders duidelijk maken te maskeren

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Afdeling privaatrecht

Zittingsplaats Haarlem

zaaknummer / rolnummer: C/15/256292 / KG ZA 17-194

Vonnis in kort geding van 12 april 2017

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. E.M. Hoorenman te Zwaag,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GGD ZAANSTREEK-WATERLAND,

zetelend te Zaandam,

gedaagde,

advocaat mr. M.P.W. Steuten te ‘s-Hertogenbosch.

Partijen zullen hierna [eiser] en GGD genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding

de mondelinge behandeling d.d. 29 maart 2017

de pleitnota van [eiser]

de pleitnota van GGD.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Op 15 januari 2016 heeft de burgemeester van de gemeente Purmerend de inbewaringstelling (IBS) gelast van [eiser] in het kader van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (Wet Bopz).

[eiser] is geplaatst in een instelling in Den Haag. De rechtbank Den Haag heeft in zijn beschikking van 21 januari 2016 de verlenging van de IBS afgewezen.

Daarbij heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

(…)

De rechtbank is van oordeel dat het ernstige vermoeden bestaat dat bij de betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens als bedoeld in de Wet Bopz. Er is sprake van een bipolaire stoornis, waarbij de betrokkene zich thans nog in de manische periode bevindt. Echter betrokkene heeft ziekte-inzicht. Hij neemt zijn medicijnen en heeft inmiddels een psychiater gezocht in zijn woonomgeving.

Hier is het gevaar omschreven als maatschappelijke teloorgang, deels op grond van de omstandigheid dat de betrokkene onlangs een zeer dure auto (€ 350.000,-) en naar eigen zeggen zelfs twee dure auto’s heeft gekocht. Voldoende aannemelijk is echter dat de betrokkene zeer veel financiële ruimte heeft om dit soort uitgaven te doen, waarbij tevens van belang is dat de betrokkene inmiddels enkele financiële adviseurs om zich heen heeft verzameld, die impulsaankopen als hiervoor omschreven, kunnen verhinderen.

Uit de inhoud van de overgelegde stukken en verklaringen van de gehoorde personen is niet gebleken dat betrokkene gevaar veroorzaakt, zodanig onmiddellijk dreigend, dat dit een machtiging als verzocht rechtvaardigt.

2.2.

Op 18 april 2016 heeft de kantonrechter in deze rechtbank, locatie Zaanstad, in een tussenbeschikking [A.] benoemd als provisioneel bewindvoerder over alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [eiser], zowel privé als zakelijk. Aan [A.] zijn alle bevoegdheden toegekend die een curator krachtens de wet heeft.

Tevens is in deze beschikking een deskundige benoemd om een onderzoek te verrichten naar de gezondheidstoestand van [eiser]. Bij beschikking van 29 december 2016 heeft de kantonrechter een nieuwe deskundige benoemd. In die zaak is nog geen eindbeslissing gegeven.

2.3.

Op 3 november 2016 heeft [B.], psychic therapist, voor [eiser] een evaluatieverslag opgesteld. Dit houdt onder meer in:

(…)

De heer (…) [eiser] is mijn patiënt sinds 2008.

(…)

Besproken is de mening die door derden is geuit dat de heer [eiser] kenmerken vertoont van een bipolaire stoornis. Deze zeer ernstige misvatting kan echter uitsluitend het resultaat zijn van amateuristisch en ondeskundig diagnosticeren. Tijdens de historie van inmiddels acht jaren met regelmatige therapiebehandelingen, heb ik nimmer het gehele scala, dan wel een representatief deel van de typerende kenmerken van deze stoornis bij [eiser] ([eiser], vzr)waargenomen. Wanneer een persoon boosheid toont of wisselende stemmingen heeft, wordt dit uit onkunde door de omgeving soms makkelijk vertaald naar een stoornis.

Wanneer iemand werkelijk een bipolaire stoornis in zich lijkt te dragen, vraagt dit om een zeer zorgvuldige en deskundige benadering. De praktijk leert dat slechts gemiddeld drie procent van een bevolking wellicht leidt aan deze stoornis.

Een werkelijke bipolaire stoornis is voorkomend lastig vast te stellen, daar de echte kenmerken hiervan soms latent aanwezig zijn.(…)

2.4.

Op 16 november 2016 heeft opnieuw een IBS beoordeling plaatsgevonden ten aanzien van [eiser]. Hiervan is een acuut dienstverslag opgemaakt dat het volgende inhoudt:

(…)

Patiënt is sinds kort in beeld bij GGD. Patiënt is bekend met een bipolaire stoornis, was daarvoor onder behandeling van een vrijgevestigde psychiater, [C.], maar hij heeft hem ontslagen. Hij neemt geen medicatie en is aan het ontremmen; heeft een vermogen van 17 miljoen, heeft een curator. Doet hij allerlei grote aankopen, koopt bedrijven op, wat dan teruggedraaid door de curator. Wil af van de curator af en heeft daarvoor een rechtszaak lopen. Stuurt Facebook- en SMS-berichten met bizarre teksten, onder andere teksten over overleden mensen, met foto’s erbij. Hij zou ook bedreigingen hebben geuit aan familie. Hij zou onder meer hebben gezegd hun huis in de fik te steken, ook doodsbedreigingen zoals “Ik laat jullie liquideren door Russen”.

(…)

Hetero anamnese

Vriendin is halverwege het gesprek op advies van advocaat aangeschoven; zij benadrukt zij maar hij nog veel meer doorlopend wordt lastiggevallen door zijn familie dat hij voor gek wordt uitgemaakt - maar dat er ook handgemeen plaatsvindt waarbij hij door een zoon bij de keel werd gegrepen – en zij voor een golddigger. Ze heeft sinds een half jaar een relatie met pt en vindt het knap dat hij er zo rustig onder blijft. Ze beschrijft hem als een vriendelijk opgewekte man, ze ziet geen aanwijzingen voor enige psychische stoornis.

Anamnese

Pt zelf vertelt dat het prima met hem gaat, hij slaapt goed, eet goed, is kortgeleden nagekeken door zijn huisarts ([D.]) en een eigen psychiater. Zijn familie zit achter de aanstelling van zijn curator; hij heeft op het moment een budget van 5.000/maand; er loopt een rechtszaak waarin hij zijn financiële vrijheid weer opeist zodat hij weer zaken kan gaan doen. Hij heeft inderdaad twee auto’s van 5 ton ieder gekocht en een boot van 6 miljoen en villa, maar deze transacties zijn door de curator teruggedraaid. Hij is daar in meegegaan om de verstandigste te zijn in het conflict; binnenkort heeft hij immers zijn financiële autonomie weer terug. Volgens speelt de curator onder één hoedje met zijn familie. Hij heeft één zoon uit een eerste huwelijk van 36 j.o. en een zoon van 24 en dochter van 18 uit zijn tweede huwelijk; hij ligt op het moment in scheiding en zijn familie zou bang zijn dat ze niet genoeg geld zouden krijgen. Hij heeft sinds zes maanden een nieuwe vriendin. Vooral de oudste zoon zou het hele gezin tegen hem opstoken hij voorziet ze allemaal van veel geld en daardoor zijn ze nooit zelf wat gaan ondernemen. De jongste zoon zit langdurig in de ziektewet. Hij had zijn vrouw een alimentatie van 6000/maand aangeboden en een huis maar zij wil 20.000 hebben.

Hij heeft zijn fortuin gemaakt in Rusland. Er is geen sprake van dat hij agressief zou zijn richting zijn kinderen; hij zou ze nooit wat aandoen.

Pt benadrukt regelmatig dat hij niet achterlijk is, gebruikt daarvoor de uitdrukking ‘ik ben geen banaan’.

(…)

Conclusie

Verzoek tot IBS beoordeling bij een 58 jarige succesvolle zakenman, bekend met een bipolaire stoornis die in scheiding en in een conflict is gewikkeld met zijn familie, rond het conflict spelen grote financiële belangen van alle betrokkenen. Volgen de familie zou hij doodsbedreigingen doen. Getoonde Whats-App berichten wekken de indruk van een verward persoon, maar bij beoordeling zijn er geen aanwijzingen voor een acuut psychiatrisch toestandsbeeld, wel lijkt er sprake van narcistische persoonlijkheidstrekken. Pt doen geen bedreigende uitspraken richting zijn familie; we zien geen toestandsbeeld, nog gevaarscriteria.

Het verzoek om IBS is afgewezen.

2.5.

Op 28 november 2016 heeft de GGD de huisarts van [eiser], mevrouw [D.], verzocht om een verwijzing voor [eiser] naar de crisisdienst voor een RM-beoordeling. De huisarts heeft die verwijzing gegeven, maar heeft op 29 november 2016 schriftelijk laten weten die verwijzing weer in te trekken. Op 29 november 2016 heeft een medewerkster van de GGD, [E.], de crisisdienst over de intrekking van de verwijzing geïnformeerd maar daarbij meegedeeld dat zij de RM-aanvraag wenste door te zetten.

2.6.

Op 13 januari 2017 heeft op verzoek van Nationale Nederlanden psychiater

[F.] [eiser] onderzocht.

(…)

Anamnese

De echtgenote van de heer [eiser] zou de echtscheiding hebben aangevraagd in het voorjaar van 2016, moet nog geformaliseerd worden. Als echtgenoot voelt hij zich door zijn gezin en zijn 2e vrouw met wij hij over 2 jaar als hij 60 is, 25 jaar samen geweest zou zijn, onderuit gehaald. Hij ervaart veel tegenwerking door zijn 2e zoon van 25 jaar en 20-jarige dochter. Al geruime tijd bestaat er geen contact meer met hen.

(…) Hij woont nu sinds 1 week in [woonplaats].

(…)

Na zijn opname van 25-09-2013 tot 07-11-2013 in de PAAZ van het Waterland Ziekenhuis, heeft poli begeleiding plaatsgevonden door dr. [G.] psychiater 1x per maand. In juni 2014 werd dat beëindigd.

(…)

Psychiatrische beoordelingen tendeerden naar hypomane ontremming, atypische bipolaire stemmings schommeling. Hij werd ingesteld op medicatie ter verbetering van zijn depressie en psychoseachtige tendensen, waar sprake van zou zijn geweest.

In verslagen van anderen die mij zijn toegestuurd spreekt menigeen zijn zorgen over hem uit.

(…)

Psychiatrisch onderzoek

(…)

Het idee dat hij hypomaan zou kunnen zijn laat ik varen als ik van zijn vriend hoor dat dit altijd al in zijn structuur aanwezig is geweest. Die gedrevenheid, dat groots denken en zich daarop ook voorstaan, dat hoort gewoon bij hem.

(…)

Over werk:

Zijn gezin zou getracht hebben hem Onder Bewind te laten plaatsen. Sinds april 2016 kampt hij met een gerechtelijk uitgesproken Provisionele Bewindvoering en zegt geen transacties te mogen aangaan van meer dan € 1.500 per keer. Een kantoor dat hij heeft gehuurd voor meer dan € 50.000 per jaar, kan hij nu niet bemannen. Zegt van een ‘kruimeltje’ te moeten leven.

(…)

Beantwoorden van de gestelde vragen:

(…)\

6. Hij heeft bewezen zijn belangen prima te kunnen bewaken, op zijn grootse manier. Die is geheel eigen en specifiek. Hij is geen gevaar voor zichzelf of voor anderen. Hij heeft wel onvoldoende af weten te stemmen op zijn gezinsleden, die hij tegen zichzelf heeft weten te keren.

Het eigen aandeel daar in, de introspectie, is nog onvoldoende ontwikkeld. Hij neigt sterkt tot externaliseren. Daarin hebben zijn toch wel wat narcistische trekken hem parten gespeeld en heeft hij onnodig weerstand hier en daar opgeroepen. (…)

7. Een aantal systeemgesprekken/gezin therapeutische sessies zijn aan te bevelen om de scherpe kanten van ieders positie eraf te halen. Meer begrip creëren voor ieders ontstane gevoelens, waar boosheid en woede om wat anders onwenselijk gelopen is, door een ieder gezegd kan worden. Daarna kunnen destructieve gedachten plaatsmaken voor constructie. Met meer respect voor ieders verschil kan dan gekeken worden hoe alle betrokkenen hun toekomst meer veilig gesteld zouden willen zien.

(…)

2.7.

Bij brief van 1 februari 2017 heeft [E.] [eiser] laten weten dat op 3 februari 2017 een huisbezoek zou plaatsvinden voor een RM-beoordeling.

2.8.

[eiser] heeft op 13 februari 2017 via zijn advocaat een klacht ingediend bij de GGD op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz). Deze klacht houdt samengevat het volgende in:

(…)

De aangewezen weg van de GGD Zaanstreek-Waterland, daarvan het Meldpunt Overlast en Bemoeizorg (MOB) en mevrouw [E.] in het bijzonder, zou zijn geweest om zich eerst eens op de hoogte te stellen van de situatie en omstandigheden van mijn cliënt, in plaats van hem maar direct een RM-beoordeling aan te zeggen. Dat zou ook in overeenstemming zijn met de werkwijze van het MOB zoals valt te lezen op uw website onder Meldpunt Overlast en Bemoeizorg onder het kopje: Wat doet het MOB? Cliënt kan zich niet onttrekken aan de indruk dat het MOB, daarvan mevrouw [E.], een persoonlijk belang van welke aard dan ook heeft om cliënt op deze wijze te bejegenen, en op deze wijze zijn psychisch evenwicht te luxeren. Uiteraard zal mevrouw [E.] deze indruk als een bevestiging zien van een psychiatrische stoornis, maar cliënt verzoekt u toch om zijn indruk te onderzoeken temeer omdat zijn gemachtigde de indruk van cliënt deelt.

Samengevat formuleert cliënt zijn klachten als volgt:

De GGD Zaanstad-Waterland, daarvan mevrouw [E.] heeft ten onrechte en zonder deugdelijke motivering de aanvraag voor een IBS doorgezet;

De GGD Zaanstad-Waterland heeft hem ten onrechte een IBS bezorgd waardoor hij een aantal dagen van zijn vrijheid is beroofd totdat de rechter het verzoek voor een machtiging tot voortzetting van de IBS had afgewezen;

De GGD Zaanstad-Waterland, althans mevrouw [E.] heeft cliënt in haar brief d.d. 1 februari 2017 ten onrechte een RM-beoordeling aangezegd en bovendien op een onredelijk korte termijn;

De GGD Zaanstad-Waterland, althans mevrouw [E.] heeft niet gehandeld conform de beschrijving van de GGD Zaanstad-Waterland: Wat doet de MOB?;

De GGD Zaanstad-Waterland, althans mevrouw [E.] heeft zich niet op de hoogte gesteld van de verblijfplaats en de formele woonplaats van cliënt.

In diezelfde brief heeft [eiser] de GGD verzocht om een afschrift van zijn dossier.

2.9.

In een brief van 28 februari 2017 heeft de GGD [eiser] in reactie op zijn verzoek het volgende bericht:

(…)

Hierbij laat ik u weten dat de GGD bij Veilig Thuis via de politie Zaanstreek-Waterland een mutatie en een aangifte heeft ontvangen waarin de naam van uw cliënt is genoemd. In verband hiermee zijn veiligheidsadviezen verstrekt aan de betrokkenen. Ik heb besloten een afschrift van het dossier van Veilig Thuis niet aan uw cliënt te verstrekken op grond van artikel 5.3.2, vierde lid Wet maatschappelijke ondersteuning . Bij het wel verstrekken van een afschrift wordt de persoonlijke levenssfeer van anderen dan uw cliënt geschaad. (…)

Voorts is door de GGD bij de afdeling Meldpunt overlast en bemoeizorg een dossier opgesteld met betrekking tot uw cliënt. Met betrekking tot dit dossier gaat de GGD evenmin over tot verstrekking van een afschrift van een dossier op grond van artikel 35 Wet bescherming persoonsgegevens in combinatie met artikel 43e Wet bescherming persoonsgegevens. Ook in dat geval acht de GGD de bescherming van het belang van de betrokkenen groter dan het belang van uw cliënt bij verstrekking van een afschrift van het dossier. (…)

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat – dat de GGD wordt veroordeeld een afschrift van zijn volledige dossier aan hem te sturen op het adres van zijn advocaat, op straffe van een dwangsom en met veroordeling van GGD in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten.

3.2.

GGD voert verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Door de GGD is als primair verweer aangevoerd dat [eiser] bezwaar maakt tegen haar afwijzing van zijn verzoek om afgifte van zijn patiëntendossier in de brief van 28 februari 2017. De GGD heeft aangevoerd dat haar afwijzing is gebaseerd op de Wmo 2015, dat tegen die afwijzing bezwaar openstond en dat er bij afwijzing van een dergelijk bezwaar een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang bij de bestuursrechter openstond, van welke rechtsgang [eiser] geen gebruik gemaakt heeft. De GGD stelt zich op het standpunt dat om die reden [eiser] in zijn vordering in dit kort geding bij de civiele rechter niet kan worden ontvangen.

4.2.

Door [eiser] is aangevoerd dat zijn vordering beoordeeld moet worden op grond van artikel 7:456 BW en niet op basis van de Wmo 2015. Daarbij heeft hij benadrukt dat een rechtsgang via de bestuursrechter veel te lang zou duren.

4.3.

De voorzieningenrechter overweegt dat met het oog op het vorenstaande, allereerst de vraag dient te worden beantwoord of de bemoeienissen van de GGD ten aanzien van [eiser] vallen onder de Wet Geneeskundige Behandelingsovereenkomst (WGBO) die is opgenomen in titel 7 van boek 7 BW. Alleen in het geval die vraag bevestigend beantwoord kan worden, is art 7:456 BW van toepassing. Genoemd artikel luidt voor zover van belang:

De hulpverlener verstrekt aan de patiënt desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van de bescheiden, bedoeld in artikel 454. De verstrekking blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander.

4.4.

Tussen partijen is niet in geschil dat de GGD hulpverlener is als bedoeld in voornoemd artikel. Voorts is niet in geschil is dat de betrokkenheid van de GGD in de onderhavige zaak moet worden opgevat als zogenoemde “bemoeizorg”, dat wil zeggen verrichtingen naar aanleiding van meldingen die zijn binnengekomen via een in de Wmo geregeld meldpunt. Voor zover in dit geding van belang, heeft de bemoeizorg de vorm gekregen van de vorming van een (medische) opvatting over de (mogelijke) noodzaak voor de toepassing van een dwangmaatregel (IBS dan wel het vragen van een RM) op grond van de Wet Bopz. In dat kader zijn gegevens bestudeerd die zijn ontvangen van derden, hetgeen klaarblijkelijk heeft geleid tot de vorming van (voorlopige) bevindingen.

Indien dergelijke bemoeienissen leiden tot een maatregel, is daarop de Wet Bopz van toepassing. In het algemeen vult de WGBO het regime van de Wet Bopz aan, indien het gaat om onderwerpen waarover de Wet Bopz zwijgt, zoals de informatieverstrekking over de behandeling of de eventuele psychiatrische behandelingen van de betrokkene die niet gericht zijn op opheffing van het gevaar dat de aanleiding voor de opneming was en op alle somatische behandelingen van de betrokkene. Gezien het fundamentele karakter van het in de WGBO geregelde informatierecht van de patiënt, zou het tegen deze achtergrond niet in de rede liggen - en maatschappelijk onaanvaardbaar zijn - dat het aanvullende karakter van de WGBO zich niet zou uitstrekken tot het “voorportaal” van de door de Wet Bopz bestreken dwangmatige bemoeienissen met de betrokkene. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de WGBO op de in dit geval aan de orde zijnde verrichtingen van toepassing is en dat het in dat kader gevormde dossier een dossier is in de zin van art. 7:454 BW. Dat betekent dat de onderhavige vordering op grond van art. 7:456 BW moet worden beoordeeld en dat [eiser] in zijn vordering kan worden ontvangen.

4.5.

Gegeven het karakter van de betrokken verrichtingen (bemoeizorg) is echter ook artikel 5.3.2, lid 4 van de Wmo 2015 van toepassing, welk artikel luid t:

Inlichtingen over, inzage in of afschrift van de bescheiden kan worden geweigerd, voor zover de persoonlijke levenssfeer van een ander dan betrokkene daardoor zou worden geschaad dan wel dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid, of om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te be ëindigen dan wel een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken.

4.6.

In artikel 4.1.8 lid 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is verder het volgende bepaald:

Het AMHK verstrekt geen inlichtingen over de herkomst van persoonsgegevens die het naar aanleiding van een melding heeft verkregen indien:

(…)

b. het andere personen betreft dan die bedoeld onder a, behoudens voor zover zij daarvoor toestemming hebben gegeven.

4.7.

In de toelichting bij voornoemd artikel van het Uitvoeringsbesluit is onder meer het volgende vermeld:

Artikel 4.1. 8, derde lid

Op grond van de artikelen 34 en 35 van de Wbp dient het AMHK in principe inlichtingen te verstrekken over de herkomst van de melding. Artikel 5.3.1, derde lid van de Wmo 2015 maakt enkele belangrijke uitzonderingen op dat uitgangspunt. Het AMHK dient bij uitvoering van zijn taken namelijk rekening te houden met de wens van melders en andere betrokkene om anoniem te blijven ten opzichte van degene op wie de melding betrekking heeft. (…) Wanneer een melder niet anoniem kan blijven ten opzichte van genoemde personen zou dit een belemmering kunnen vormen voor de meldingsbereidheid of de bereidheid om informatie aan het AMHK te verstrekken. Daarnaast kan het bekend worden van de identiteit van de melder leiden tot blokkering van het onderzoek naar de melding of tot represailles richting de melder of het slachtoffer.

Op grond van artikel 5.3.1, vierde lid, van de Wmo 2015 kunnen bij amvb regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin het bekendmaken van de identiteit van de melder of van de persoon van wie informatie in het kader van het onderzoek is verkregen, achterwege kan blijven. Daarvan is in deze bepaling gebruik gemaakt teneinde een zorgvuldige en inzichtelijke afhandeling van meldingen op dit punt te waarborgen, alsmede een uniforme toepassing van de Wbp te bewerkstelligen.

(…)

Onderdeel b regelt dat andere personen zoals familie, buren en kennissen die een melding doen, niet door het AMHK bekendgemaakt mogen worden, behalve met hun instemming.

4.8.

Vergelijking van de beide regimes van de WGBO en de Wmo 2015 laat zien dat de maatstaf voor het onthouden van inzage in art 7:456 BW veel strikter is dan in art 4.1.8. van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Dat roept de vraag op welke van de beide regimes prevaleert indien, zoals hier, door derden in het kader van een melding op grond van de WMO verstrekte gegevens, door verrichtingen van de bij de verwerking van die gegevens betrokken hulpverleners, zijn gaan behoren tot het in het kader van die verrichtingen aangelegde dossier.

Niet voor betwisting vatbaar is dat het recht dat [eiser] met zijn vordering geldend probeert te maken een fundamenteel karakter heeft. Dat volgt onder meer uit par. 63 van de préambule van EU Verordening 2016/679, waarin het volgende is overwogen.

“Een betrokkene moet het recht hebben om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld, in te zien, en om dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen uit te oefenen, zodat hij zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. Dit houdt ook in dat betrokkenen het recht dienen te hebben op inzage in hun persoonsgegevens betreffende hun gezondheid, zoals de gegevens in hun medisch dossier, dat informatie bevat over bijvoorbeeld diagnosen, onderzoeksresultaten, beoordelingen door behandelende artsen en verrichte behandelingen of ingrepen. (…) Dat recht mag geen afbreuk doen aan de rechten of vrijheden van anderen, met inbegrip van het zakengeheim of de intellectuele eigendom en met name aan het auteursrecht dat de software beschermt.

Die overwegingen mogen echter niet ertoe leiden dat de betrokkene alle informatie wordt onthouden. (…)”

De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit fundamentele karakter van het inzagerecht meebrengt dat ook in gevallen waarin de gegevens via een WMO-melding tot een onder de WGBO vallend medisch dossier zijn gaan behoren, de afweging naar aanleiding van een verzoek om inzage moet plaatsvinden aan de hand van de in art 7:456 BW opgenomen maatstaf.

4.9.

Dat betekent dat relevant wordt welke van die gegevens na melding gaan behoren tot het dossier. Voor de beantwoording van die vraag sluit de voorzieningenrechter aan bij de KNMG richtlijn “Omgaan met medische gegevens”, versie september 2016, p. 108, ‘Gegevens ontvangen van derden’. Hierin is bepaald dat een behandelend arts gegevens die hij van een derde krijgt over zijn patiënt, bewaart in het medisch dossier van de patiënt, voor zover die gegevens noodzakelijk zijn voor een goede hulpverlening aan de patiënt.

Verder is daarin aangevoerd dat de arts en de verstrekker van de gegevens zich daarbij moeten realiseren dat de patiënt recht heeft op inzage in het medisch dossier en op die wijze kennis kan nemen van de informatie. Deze omschrijving komt nagenoeg overeen met het bepaalde in artikel 7:454 eerste lid BW : De hulpverlener richt een dossier in met betrekking tot de behandeling van de patiënt. Hij houdt in het dossier aantekening van de gegevens omtrent de gezondheid van de patiënt en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen en neemt andere stukken, bevattende zodanige gegevens, daarin op, een en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening aan hem noodzakelijk is.

Hieruit volgt dat alle gegevens die betrekking hebben op, of hebben geleid tot, het vormen van een voorlopig medisch oordeel over [eiser] en het aansturen op verdere bemoeienis met hem, behoren tot het door de GGD over [eiser] aangehouden dossier.

4.10.

De GGD heeft aangevoerd dat er twee meldingen over [eiser] zijn binnengekomen bij Veilig Thuis, te weten een mutatie en een aangifte bij de politie Noord-Holland, district Zaanstreek-Waterland, waarin de naam van [eiser] werd genoemd. Parallel aan het Veilig Thuis dossier was bij de GGD, afdeling Meldpunt Overlast en Bemoeizorg, een dossier opgesteld met betrekking tot [eiser]. Dit heeft allemaal plaats gevonden op en rond 2 november 2016. In die periode is meermalen informatie van de melder(s) binnengekomen bij de afdeling MOB. Deze informatie bestaat voor een groot deel uit e-mails, facebook- berichten, whats-app berichten en sms-berichten, die veelal door [eiser] aan derden zijn verstuurd en die door de melder(s) ingebracht zijn bij de GGD.

Gelet op de inhoud van die berichten acht de GGD, met inachtneming van de artikel 35 en 43e van de Wet Bescherming Persoonsgegevens (Wbp), het belang van andere betrokkenen dan [eiser] bij de bescherming van hun persoonlijke levenssfeer groter dan het belang van [eiser] bij verstrekking van de afgifte van het dossier. De GGD heeft benadrukt dat zij het daarbij cruciaal vindt dat het proces is opgestart met een melding op basis van hoofdstuk 4 Wmo dat voorziet in de organisatie van een advies- en meldpunt huiselijk geweld (AMHK) en dat het in de toelichting bij artikel 4.1.8 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 bedoelde belang bij anonimiteit van de melder, te weten om ervoor te zorgen dat het bekend worden van de identiteit van de melder niet zal leiden tot blokkering van het onderzoek naar de melding of tot represailles jegens de melder, hier duidelijk aan de orde is. Verder heeft de GGD aangevoerd dat de melder enkele dagen voor de mondelinge behandeling in kort geding nog heeft aangegeven dat hij er belang bij heeft dat zijn identiteit niet bekend gemaakt wordt, zodat de uitzondering van artikel 4.18 lid 3 onder b Wmo zich niet voordoet.

De GGD heeft verklaard dat de verstrekking van het geheel of onderdelen van de informatie zoals melder die heeft verstrekt onvermijdelijk duidelijk maakt wie de melder is en van wie berichten afkomstig zijn omdat alles samenvalt in het dossier. Tot slot heeft de GGD benadrukt dat zij geen enkele bemoeienis heeft gehad bij de IBS in januari 2016 en dat zij om die reden daarover ook geen informatie in haar dossier heeft en dergelijke informatie dus ook niet kan verstrekken.

4.11.

[eiser] heeft in reactie hierop aangevoerd dat hij een ernstig vermoeden heeft dat de melder of melders gezocht moeten worden in zijn familiekring en dat het waarschijnlijk gaat om zijn zoon(s) met wie hij inmiddels circa anderhalf jaar geen contact meer heeft. Hij heeft verklaard dat hij wil weten welke informatie over hem is verstrekt op basis waarvan de IBS in januari 2016 heeft plaatsgevonden en op basis van welke informatie de meerdere onderzoeken vanaf november 2016 voor een eventuele nieuwe IBS hebben plaatsgevonden.

Hij heeft benadrukt dat anderen (melder(s) en medewerkers van de GGD) willens en wetens de mogelijkheid hebben aanvaard dat hij een afschrift van zijn dossier zou opvragen en kennis zou nemen van de beweegredenen van die anderen om hem een maatregel in het kader van de Wet Bopz te bezorgen. Hij heeft aangevoerd dat het niet zo kan zijn dat een ieder maar van alles over hem kan roepen als gevolg waarvan hij opgenomen wordt.

Verder heeft hij er op gewezen dat als het veelal gaat om berichten die hijzelf aan derden heeft gestuurd, zoals de GGD heeft aangevoerd, de inhoud van die berichten voor hem toch al geen geheime informatie meer is, zodat dit niet aan afgifte in de weg hoeft te staan. In reactie op het betoog van de GGD dat zij geen informatie heeft over de IBS in januari 2016 heeft hij aangevoerd dat het volgens hem niet anders kan dan dat de GGD daarbij wel bemoeienis heeft gehad en dat het eventueel ontbreken van die bemoeienis dan wel zal blijken uit zijn dossier.

4.12.

De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Ter zitting is duidelijk geworden dat in het kader van de melding een groot aantal e-mails, whats-app-berichten en afdrukken van facebook pagina’s van [eiser] aan derden, aan het AMHK ter hand zijn gesteld, en dat deze informatie tot het dossier is gaan behoren. Klaarblijkelijk is (met name) de wijze waarop [eiser] zich in deze berichten heeft geuit de basis geweest waarop de GGD tot de slotsom is gekomen dat er aanleiding bestond om verder onderzoek te doen naar de eventuele noodzaak om de in de Wet Bopz geregelde bevoegdheden te activeren.

In principe is de inhoud van deze informatie, als van [eiser] afkomstig, bij hem bekend. Wat echter niet bij [eiser] bekend is, is welke informatie het is die mogelijk de basis heeft gevormd voor medische gevolgtrekkingen van de GGD. [eiser] heeft er recht op dat te weten, ook wanneer die informatie via de weg van een Wmo-melding in dit dossier is terechtgekomen.

Het belang dat de identiteit van de melder wordt beschermd wordt voldoende geborgd door (voor zover van toepassing) in de betrokken informatie te maskeren:

aan wie de uitlatingen zijn gericht;

welke derden in de uitlatingen zijn genoemd;

andere identiteitsgegevens die tot de melder(s) zijn te herleiden.

4.13.

Voor zover de gegevens bestaan uit de reacties van [eiser] die voorkomen op facebookpagina’s van anderen dan [eiser], kan in dit geding onvoldoende worden overzien in hoeverre verstrekking daarvan de persoonlijke levenssfeer van derden zou schaden. Om die reden wordt geoordeeld dat deze niet hoeven te worden verstrekt.

Wel dient afschrift te worden verstrekt van alle gegevens die door de GGD in het kader van haar verwerking van de hiervoor bedoelde gegevens in het dossier zijn vastgelegd, waarbij tot derden herleidbare gegevens kunnen worden gemaskeerd op de wijze als hiervoor omschreven.

4.14.

De vorderingen van [eiser] kunnen op de primaire grondslag worden toegewezen op de hierna te vermelden wijze, waarbij de hierna te vermelden termijn voor nakoming redelijk geacht wordt. De gevorderde dwangsom zal worden toegewezen, zij het dat deze zal worden gematigd en gemaximeerd.

4.15.

De GGD zal als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4.16.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

beveelt de GGD om binnen een week na betekening van dit vonnis een afschrift van alle zich in het dossier van [eiser] bevindende stukken voor zover bevattend

uitlatingen van [eiser] aan derden, met uitzondering van de eventueel zich in het dossier bevindende reacties van [eiser] op facebookpagina’s van derden,

gegevens die door de GGD in het kader van haar verwerking van de hiervoor bedoelde gegevens in het dossier zijn vastgelegd,

aan [eiser] te sturen op het kantooradres van zijn advocaat, met dien verstande dat in de betrokken documenten de volgende informatie mag worden gemaskeerd:

gegevens betreffende de identiteit van de personen aan wie de uitlatingen zijn gericht,

gegevens betreffende de identiteit van de derden die in de uitlatingen zijn genoemd

andere identiteitsgegevens die tot de melder(s) zijn te herleiden,

op straffe van een dwangsom van € 250,-- per dag dat de GGD na ommekomst van genoemde termijn in gebreke zal blijven aan voornoemd bevel te voldoen, met een maximum aan de te verbeuren dwangsommen van € 5.000,--;

5.2.

veroordeelt de GGD in de kosten van dit geding, tot op heden aan de zijde van [eiser] begroot op € 384,30 (€ 97,30 kosten dagvaarding en € 287,-- vastrecht) aan verschotten en op € 816,-- aan salaris advocaat;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

veroordeelt de GGD in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:

- € 131,-- aan salaris advocaat,

- te vermeerderen met een bedrag van € 68,-- aan salaris advocaat, indien betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden en de veroordeelde niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan;

5.5.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H. Schotman en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier C. Vis-van Zanden op 12 april 2017.

Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (…) van 27 april 2016. De verordening is nog niet in werking getreden maar de voorzieningenrechter beschouwt in de préambule neergelegde uitgangspunten als een weergave van de huidige stand van het denken over het karakter en het gewicht van de betrokken rechten.

type: 1155

coll:


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature