Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Een 36-jarige man is door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot een taakstraf van 240 uur. Daarnaast legt de rechtbank een ontzegging van de rijbevoegdheid op van 18 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. De vrachtwagenchauffeur veroorzaakte in 2014 op de A12 bij Harmelen tijdens wegwerkzaamheden een dodelijk verkeersongeval.

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Zittingslocatie Utrecht

Parketnummer: 16/661993-14 (P)

Vonnis van de meervoudige strafkamer van 30 maart 2017

in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1980] ,

zonder vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2017. De verdachte is in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. R.M. Maliepaard, advocaat te Utrecht.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de raadsvrouw naar voren hebben gebracht.

2 Tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair

op 23 oktober 2014 te Harmelen als bestuurder van een vrachtwagen zich op de A12 zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor [slachtoffer 1] werd gedood en waardoor [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel werd toegebracht;

Subsidiair

op 23 oktober 2014 te Harmelen als bestuurder van een vrachtwagen gevaar op de A12 heeft veroorzaakt en verkeer heeft gehinderd.

3 Voorvragen

De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van het ten laste gelegde feit en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

4 Waardering van het bewijs

4.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). De officier van justitie heeft daartoe het volgende aangevoerd. Voor de beoordeling van een verdenking met betrekking tot artikel 6 van de WVW dient naar het geheel van de gedragingen van de verdachte te worden gekeken. Er is in dit geval geen sprake geweest van slechts een kort moment van onoplettendheid. Indien wordt uitgegaan van de reconstructie van de momenten voorafgaande aan het ongeval blijkt dat verdachte meerdere signalen heeft gemist: de signalering van de snelheidsvermindering naar 90 en vervolgens 70 kilometer per uur, het rode kruis boven zijn rijstrook, nogmaals een rood kruis boven de rijstrook met een snelheidsvermindering en de botsabsorber met felle verlichting en daarbij behorende pijl. De officier van justitie is van mening dat deze opeenstapeling van fouten zonder meer een bewezenverklaring van het bestanddeel “zeer onvoorzichtig” opleveren.

Voorts heeft de officier van justitie aangevoerd dat niet aannemelijk is dat er sprake is van verontschuldigbare onmacht. Verdachte had, gelet op de verklaringen van getuige [getuige 1] , de verklaring van zijn ex-vriendin en zijn eigen verklaring, de dagen en nachten voorafgaand aan het ongeval weinig slaap gehad terwijl hij die nacht wel moest rijden. Van hem, als beroepschauffeur, mocht verwacht worden dat hij voldoende rust had genomen voordat hij ’s nachts de weg op ging. Verdachte moet dus vermoeid zijn geweest. Er is geen andere reden aannemelijk geworden waarom de verdachte niet op de eerder genoemde waarschuwingen heeft gereageerd.

De conclusies van de verkeersongevallenanalyse en het NFI-rapport komen er kort gezegd op neer dat een aantal verkeersmaatregelen niet volledig volgens de regels is uitgevoerd. Uit de conclusies volgt echter ook dat als de omstandigheden ter plaatse volledig conform de regelgeving waren geweest, het ongeluk nog steeds zou zijn gebeurd en ook de gevolgen vrijwel zeker hetzelfde zouden zijn geweest.

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er geen sprake is van “roekeloosheid”, omdat bij een bewezenverklaring daarvoor op zijn minst sprake moet zijn van het bewust nemen van een bepaald risico, hetgeen in deze zaak niet aan de orde is. Wel meent de officier van justitie dat kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van “zeer onvoorzichtig/ onoplettend”.

4.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De raadsvrouw heeft in dat kader aangevoerd dat vast staat dat verdachte op 23 oktober 2014 rijdende met een vrachtwagen op de A12 geen gevolg heeft gegeven aan de dwangpijl, het rode kruis en de botsabsorber met pijl. Hij heeft zijn snelheid niet aangepast en is in botsing is gekomen met de vrachtwagen met botsabsorber. Het handelen van verdachte kan daarmee echter niet gekwalificeerd worden als zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend. Uit onderzoek is gebleken dat verdachte in het geheel niet geremd heeft. Dit complete gebrek aan handelen ondersteunt het idee dat verdachte achter het stuur even is “weg geraakt”. Tevens heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er een aantal zaken, dat buiten het bereik van verdachte en zijn handelen lag, is dat had kunnen zorgen dat het ongeluk niet had plaatsgevonden, anders had plaatsgevonden, dan wel andere gevolgen had gehad. Ten eerste de verlichting ter plaatse. Niet meer valt na te gaan of de verlichting aan of uit was. Verdachte denkt zelf dat de verlichting uit was. Als dit het geval was, dan heeft dat invloed gehad op de zichtbaarheid ter plaatse. Uit de conclusie van de verkeersongevallenanalyse blijkt voorts dat niet volledig was voldaan aan de daartoe gestelde veiligheidsregels (neergelegd in de zogenoemde CROW-richtlijnen). Tot slot blijkt uit het onderzoek van het NFI dat de grootste invloed op het ontstaan van het ongeval ligt in de deformatie van het chassis van de Volvo, die ontstond door de aanrijding. Daardoor raakte het parkeerremsysteem van de Volvo defect en raakte de Volvo los van de botsabsorber, waardoor de Volvo als een ‘ongeleid projectiel’ alleen nog maar tot stilstand kon komen door een invloed van buitenaf. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het ongeval weliswaar niet had plaatsgevonden als verdachte alert had gereageerd op de matrixborden, maar dat er in deze zaak te veel andere factoren bepalend zijn geweest voor zowel het ontstaan van het ongeluk als voor de gevolgen van het ongeluk – met andere woorden het dubbele causale verband – om deze gebeurtenis enkel toe te schrijven aan de schuld van verdachte conform artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

Mocht de rechtbank komen tot een veroordeling voor het primair ten laste gelegde, dan heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er slechts sprake is van de lichtste vorm van schuld, te weten aanmerkelijk onvoorzichtig / onoplettend.

De raadsvrouw heeft zich wel op het standpunt gesteld dat er voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is om te komen tot een veroordeling van het subsidiair ten laste gelegde feit.

4.3

Het oordeel van de rechtbank

4.3.1

Feiten en omstandigheden

De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.

Op 23 oktober 2014 omstreeks 02:06 uur kreeg verbalisant [verbalisant 1] de melding om te gaan naar de A12 richting Den Haag ter hoogte van hectometerpaal 42,6. Omstreeks 02:12 uur kwam de verbalisant ter plaatse ter hoogte van hectometerpaal 42,7. Op rijstrook 4 zag hij een vrachtwagen staan met kenteken [kenteken] en aangekoppelde trailer met kenteken [kenteken] . Deze trekker-oplegger combinatie was ingereden op een pijlwagen. Voor deze pijlwagen lag een man op de grond, die later bleek te zijn [slachtoffer 2] . Ongeveer 25 meter verderop zag de verbalisant op rijstrook 2 een andere vrachtwagen staan, welke was voorzien van het kenteken [kenteken] . Ook deze vrachtwagen was ingereden op een pijlwagen met een daarvoor staand voertuig voorzien van het kenteken [kenteken] . Op de dissel van deze pijlwagen lag ook een man. Deze man bleek naderhand genaamd [slachtoffer 1] . De bestuurder van de vrachtwagen voorzien van het kenteken [kenteken] bleek te zijn genaamd [verdachte] .

Uit de verkeersongevallenanalyse, op grond van het onderzoek dat is verricht op 23 oktober 2014, volgt dat verdachte met zijn vrachtauto met oplegger reed op de A12, links ter hoogte van hectometerpaal 42,7 (Woerden), komende uit de richting van Utrecht en gaande in de richting van Den Haag. Op de rijbaan werden op dat moment wegwerkzaamheden uitgevoerd waarvoor verkeersmaatregelen waren getroffen. De vrachtauto met oplegger is in aanrijding gekomen met de Volvo met botsabsorber. Na de aanrijding kwam de Volvo met botsabsorber in aanrijding met de pijlaanhangwagen en de Mercedes.

Door verbalisant [verbalisant 2] werden bij de verkeerscentrale zuid west Nederland van Rijkswaterstaat de matrixgegeven rondom het tijdstip van het ongeval opgevraagd. De standen van de matrixborden ten tijde van het ongeval waren als volgt.

Portaal

Rijstrook 1

(spitsstrook)

Rijstrook 2

Rijstrook 3

Rijstrook 4

Positie ten opzichte van het ongeval

41.235

x

ø

ø

ø

1500 meter voorbij het ongeval

41.820

x

70

x

x

900 meter voorbij het ongeval

42.195

x

70

x

x

500 meter voorbij het ongeval

42.575

x

70

x

x

100 meter voorbij het ongeval

42.712

Plaats ongeval

43.035

x

70

x

300 meter voor het ongeval

43.445

x

90

90

700 meter voor het ongeval

43.895

x

90

90

90

1200 meter voor het ongeval

Uit het onderzoek ter plaatste en het voertuigonderzoek is voort gebleken dat de navolgende signalen dan wel verlichting waren ingeschakeld:

Volvo met botsabsorber:

De verlichte knipperende witte pijl

De achterlichten en alarmlichten op het botskussen

De achterlichten, dimlichten en alarmverlichting op de vrachtwagentrekker

De oranje zwaailampen op het dak van de vrachtwagentrekker

Mercedes

De achterlichten, dimlichten en alarmverlichting

De oranje zwaailampen op het dak

Tijdens het voertuigonderzoek werd door verbalisant [verbalisant 3] de digitale tachograaf veilig gesteld en de data uitgelezen. Uit dit onderzoek bleek dat de chauffeur van de vrachtauto voor het ongeval met een constante snelheid heeft gereden van 88 kilometer per uur.

In het proces-verbaal verkeersongevallenanalyse is als analyse van het onderzoek opgenomen dat de bestuurder van de Daf (vrachtauto) met oplegger met een snelheid van ongeveer 88 kilometer per uur tegen de Volvo met botsabsorber aanreed. De Volvo kwam vervolgens in aanrijding met de daarvoor geplaatste pijlaanhangwagen en Mercedes bedrijfswagen. Op enig moment in de aanrijding raakte de Volvo los van de botsabsorber en raakte zijn handrem beschadigd. De Volvo werd daardoor een ‘ongeleid projectiel’ en reed tegen de pijlaanhangwagen. De pijlaanhangwagen werd vervolgens tegen de Mercedes aan gedrukt. Tussen de pijlaanhangwagen en de Mercedes stond een wegwerker die ten gevolge van de aanrijding overleed. De tweede wegwerker raakte ten gevolge van de aanrijding ernstig gewond.

Uit het onderzoek door het NFI bleek dat de veiligheidsruimte voor de gevolgen van de aanrijding een ondergeschikte rol had ten opzichte van het feit dat de Volvo na de aanrijding een ‘ongeleid projectiel’ werd.

Vooropgesteld kan worden dat indien de bestuurder van de Daf met oplegger alert had gereageerd op de matrixborden het ongeval niet had plaatsgevonden.

Op 23 oktober 2014 om 09:00 uur werd door de lijkschouwer, M. Hilhorst, in het bijzijn van verbalisant [verbalisant 4] een lijkschouwing verricht op [slachtoffer 1] . Op basis van de informatie met betrekking tot het verkeersongeval, alsmede de resultaten van de schouw, werd gesteld dat [slachtoffer 1] niet op natuurlijke wijze is overleden als gevolg van een ongeval (beknelling), waardoor het slachtoffer beide onderbenen verloor en door verbloeding om het leven was gekomen.

[slachtoffer 2] verklaarde bij de politie dat zijn neus, zijn kaak en kin waren gebroken. Tevens waren beide jukbeenderen gebroken en miste hij in totaal 5 tanden.

4.3.2

Bewijsoverweging

Schuld

Vastgesteld kan worden dat een verkeersongeval heeft plaatsgevonden waardoor [slachtoffer 1] is overleden en waardoor [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen. Om tot een veroordeling voor artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te kunnen komen, is vereist dat verdachte schuld heeft aan de aanrijding, hetgeen is tenlastegelegd als het zich roekeloos of zeer, althans aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam gedragen. Gelet op het standaardarrest van de Hoge Raad van 1 juni 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AO5822) zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts kan niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag, dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

Op de A12 ter hoogte van hectometerpaal 42,7 (Woerden) waren op rijstrook 4 twee wegwerkers bezig op de weg. Zij werden daarbij beveiligd door een Volvo vachtwagentrekker met botsabsorber die zorgde voor een veiligheidsruimte van ongeveer 20 meter. Op ongeveer 700 meter voor het ongeval stond een pijl op het matrixbord en op ongeveer 300 meter voor ongeval stond er een rood kruis boven rijstrook 4. Verdachte reed met een snelheid van 88 kilometer per uur met zijn vrachtwagen over rijstrook 4 van de A12. Verdachte reageerde niet op de matrixborden en de botsabsorber. Vervolgens is verdachte met de snelheid van 88 kilometer per uur tegen de Volvo met botsabsorber aangereden. De Volvo kwam vervolgens in aanrijding met de daarvoor geplaatste pijlaanhangwagen en Mercedes. Op enig moment in de aanrijding is de Volvo losgeraakt van de botsabsorber en is het parkeerremsysteem defect geraakt. De Volvo is als ‘ongeleid projectiel’ tegen de pijlaanhangwagen aan gereden. De pijlaanhangwagen is vervolgens tegen de Mercedes aan gedrukt. Slachtoffer [slachtoffer 1] stond tussen de pijlaanhangwagen en de Mercedes en is komen te overlijden. [slachtoffer 2] is door de aanrijding ernstig gewond geraakt.

Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de ernst van de gedragingen van de verdachte en de overige omstandigheden van het geval zodanig zijn, dat op basis daarvan kan worden vastgesteld dat de verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 WVW 1994 . Verdachte kan immers worden verweten dat hij, op het moment dat hij zijn vrachtwagen bestuurde, diverse waarschuwingen – het bord met 90 kilometer per uur (waaruit een wijziging van de verkeerssituatie kon worden afgeleid), vervolgens het bord met 70 kilometer per uur, het rode kruis en de pijlwagen – heeft gemist. Vast is komen te staan dat verdachte met een constante snelheid van 88 kilometer per uur heeft gereden. Op enig moment heeft verdachte dus te hard gereden. Ten gevolge van het missen van de diverse waarschuwingen, was verdachte niet meer in staat om te remmen of anderszins te reageren op het moment dat dit nodig was. Aldus kan verdachte worden verweten dat hij daardoor een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Dit gedrag dient te worden aangemerkt als aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag dat verwijtbaar is.

De rechtbank komt daarmee tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder primair ten laste gelegde feit, in die zin dat de verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor een persoon is gedood en een persoon zwaar lichamelijk letsel heeft bekomen, waarbij de mate van schuld bestaat uit aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend rijgedrag.

Causaliteit

De raadsvrouw heeft betoogd dat in deze zaak te veel andere factoren bepalend zijn geweest voor zowel het ontstaan van het ongeluk als voor de gevolgen van het ongeluk – het dubbele causale verband – om deze gebeurtenis enkel toe te schrijven aan de schuld van verdachte conform artikel 6 van de Wegenverkeerswet.

De rechtbank volgt de raadsvrouw hierin niet. Uit het rapport van het NFI van 1 mei 2015 volgt dat ook bij het hanteren van een veiligheidsruimte van 50 meter – bij het ongeval was er sprake van een veiligheidsruimte van 20 meter – een kans bestaat dat een vergelijkbare aanrijding zou plaatsvinden. Een veiligheidsruimte van ongeveer 50 meter zal een snelheidsafname tussen de eerste en de tweede botsing betekenen van circa 3 kilometer per uur en ten hoogste 8 kilometer per uur. De relatieve tijdswinst die het vergroten van de veiligheidsruimte oplevert is ongeveer 2 seconden. In het vakgebied wordt de reactiesnelheid van bestuurders van voertuigen op een ongevalsdreiging doorgaans op 1 seconde gesteld. In dit geval waren de beide slachtoffers kennelijk bezig met het aankoppelen van de aanhanger aan de Mercedes en (wellicht) niet direct gefocust op het naderende verkeer. Het is daarom niet ondenkbaar dat de reactietijd van de wegwerkers in dit geval boven 1 seconde moet worden ingeschat. De rapporteur kan niet inschatten of de wegwerkers met de extra tijd (wel) in staat zouden zijn om (na de reactietijd) zichzelf in vrijheid te brengen. Uit het rapport volgt ook dat een koerswijziging van de Volvo (de vrachtwagen voor de botsabsorber) in theorie de kans op een aanrijding met de aanhangwagen zal verkleinen, maar het valt niet uit te sluiten dat de Volvo pas een koersverandering onderging na/door de aanrijding met de aanhangwagen. De grootste invloed op het ontstaan van het ongeval ligt in de deformatie van het chassis van de Volvo, die ontstond door de aanrijding. Doordat het chassis knikte, raakte het parkeerremsysteem van de Volvo blijkbaar defect en raakte de Volvo los van de botsabsorber. Vanaf dat moment was de Volvo een ‘ongeleid projectiel’ dat alleen tot stilstand kon komen door een invloed van buitenaf. Als dit wordt betrokken op de veiligheidsruimte heeft in onderhavig ongeval de veiligheidsruimte een zeer geringe invloed.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat, ook indien de veiligheidsmaatregelen wel volledig aan de richtlijnen hadden voldaan – ervan uitgaande dat dit thans niet het geval was – het ongeval weliswaar mogelijk een andere uitkomst zou hebben gehad, maar gezien de conclusie van de verkeersongevallenanalyse en het onderzoek van het NFI laat dit onverlet dat het ongeval en de gevolgen daarvan primair terug te voeren zijn op het handelen van verdachte.

Partiële vrijspraak

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het onderliggende dossier, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte vermoeid was en in slaap gevallen was. Verdachte zal dan ook van dat deel van de tenlastelegging partieel worden vrijgesproken.

5 Bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4.3.1 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte

primair

op 23 oktober 2014 te Harmelen, gemeente Woerden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een vrachtwagen), daarmede rijdende over rijstrook vier van de (voor het openbaar verkeer openstaande) weg, de rijksweg A12 richting Den Haag ter hoogte van hectometerpaal 42,7 aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend,

terwijl hij door middel van meerdere signalen, te weten een dwangpijl en een rood kruis op de matrixborden en een botsabsorber met verlichte en knipperende pijl, werd gewaarschuwd voor het afsluiten van rijstrook vier

- met een snelheid van 88 kilometer per uur, zijnde een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane, op de matrixborden aangegeven, snelheid van 70 kilometer per uur heeft gereden over rijstrook vier van die A12 en

- in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg, de rijksweg A12, heeft gelet en

- ( daarbij) geen gevolg heeft gegeven aan voornoemde signalen en

- is blijven rijden over rijstrook vier en

- daarbij in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en

- vervolgens is gebotst tegen de op rijstrook vier geplaatste vrachtwagen met botsabsorber met verlichte en knipperende pijl

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden

waardoor [slachtoffer 1] werd gedood en waardoor [slachtoffer 2] zwaar

lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten een gebroken neus en een gebroken kaak en een gebroken kin en één of meer gebroken jukbeenderen en afgebroken tanden.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid van het feit

Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.

7 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.

8 Motivering van de straffen en maatregelen

8.1.

De eis van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor het door haar onder primair bewezen geachte feit zal worden veroordeeld tot gevangenisstraf van 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren, een taakstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 2 jaren met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, zonder voorbij te gaan aan de gevolgen die de gebeurtenis heeft gehad voor de slachtoffers en hun naasten, de gebeurtenis voor verdachte eveneens grote gevolgen heeft gehad. De relatie van verdachte is verbroken en daardoor werd hij ook dakloos. Verdachte is zijn baan als zelfstandige kwijtgeraakt, omdat zijn rijbewijs 6 maanden ingevorderd is geweest. Door het gebrek aan werk zijn grote schulden ontstaan. Inmiddels heeft verdachte weer een baan, maar hij wil liever niet meer werken als vrachtwagenchauffeur en rijdt het liefst niet meer ’s nachts. Deze strafzaak hangt al sinds 23 oktober 2014 als het zwaard van Damocles boven zijn hoofd. De raadvrouw vraagt de rechtbank dan ook rekening te houden met de overschrijding van de redelijke termijn. Tot slot heeft de raadsvrouw verzocht rekening te houden met het strafblad van verdachte, waar geen relevante eerdere veroordelingen op staan, en het feit dat het rijbewijs van verdachte reeds 6 maanden ingevorderd is geweest.

Gelet op al deze omstandigheden heeft de raadsvrouw verzocht om over te gaan tot toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Mocht de rechtbank daar anders over denken, dan heeft de raadsvrouw verzocht om over te gaan tot het opleggen van een voorwaardelijke straf zodat de stappen die verdachte inmiddels heeft gezet, zoals het vinden van een woonruimte en een baan, niet teniet worden gedaan.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.

Verdachte heeft als bestuurder van een vrachtauto aanmerkelijk onvoorzichtig gereden, op de manier zoals hiervoor in de bewezenverklaring is omschreven, waardoor hij een verkeersongeval heeft veroorzaakt. Door dit ongeval is de heer [slachtoffer 1] overleden en heeft de heer [slachtoffer 2] ernstig letsel opgelopen. Het overlijden van [slachtoffer 1] moet een enorme impact hebben gehad op het leven van zijn familieleden en vrienden. De impact van dit ongeval op het leven van de heer [slachtoffer 2] , die ernstig letsel heeft opgelopen, is groot geweest. Zijn leven is door het ongeval voorgoed veranderd, zo blijkt ook uit de schriftelijke slachtofferverklaring die ter terechtzitting is voorgelezen.

Om te bevorderen dat landelijk voor dezelfde feiten door rechtbanken ongeveer dezelfde straf wordt opgelegd, zijn landelijke oriëntatiepunten voor strafoplegging ontwikkeld. Deze oriëntatiepunten adviseren in geval van het veroorzaken van een verkeersongeval met de dood als gevolg en waarbij sprake is van aanmerkelijke schuld, een taakstraf op te leggen van 240 uur en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen van twaalf maanden. Deze oriëntatiepunten gaan uit van een blanco strafblad. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van 6 januari 2017 volgt dat verdachte ten tijde van het ongeval niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.

De rechtbank is van oordeel dat, nu zij tot een andere bewezenverklaring komt dan de officier van justitie en gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, er afgezien van de taakstraf, aanleiding bestaat bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.

Anders dan gevorderd door de officier van justitie, zal de rechtbank, gelet ook op de andere bewezenverklaring, geen voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen.

Tot slot houdt de rechtbank bij het bepalen van de duur van de ontzegging om motorrijtuigen te besturen – onder meer – rekening met de overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een strafvervolging op grond van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) tot een berechting moet komen. Verdachte is op 23 oktober 2014 in verzekering gesteld. Daaraan heeft hij in dit geval in redelijkheid de verwachting kunnen ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie een strafvervolging zou worden ingesteld. Gelet op de datum van dit vonnis wordt de redelijke termijn van 2 jaar met bijna 5 maanden overschreden.

In aanmerking genomen deze overschrijding van de redelijke termijn, zal de rechtbank volstaan met het opleggen een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar. Daarmee houdt de rechtbank ook rekening met het feit dat verdachte zijn rijbewijs al 6 maanden kwijt is geweest, daardoor zijn werk is kwijtgeraakt en schulden heeft opgebouwd en nu weer werk heeft waarbij hij ook afhankelijk is van zijn rijbewijs. Ook neemt de rechtbank evenwel in aanmerking dat juist van verdachte gezien zijn beroep extra zorg en oplettendheid mag worden verwacht als deelnemer aan het verkeer.

9 Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

9.1

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Benadeelde [benadeelde partij 1] heeft een vordering benadeelde partij ingediend ter hoogte van € 450,69, bestaande uit materiële schade en € 89,26 proceskosten.

9.1.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij volledig kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.1.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van deze vordering benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

9.1.3

Het oordeel van de rechtbank

De behandeling van de vordering van [benadeelde partij 1] , levert niet een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het is komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het hiervoor bewezen geachte feit rechtstreeks schade heeft geleden. De rechtbank waardeert deze op

€ 450,69 (zegge: vierhonderdvijftig euro en negenenzestig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening. De vordering kan dan ook tot dat bedrag worden toegewezen.

Voorts zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog zal maken.

In het belang van de benadeelde partij voornoemd wordt als extra waarborg voor betaling de schadevergoedingsmaatregel (artikel 36f Sr) aan verdachte opgelegd.

Tot slot wordt toegewezen een vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 89,26 (zegge: negenentachtig euro en zesentwintig eurocent).

9.2

Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Benadeelde [benadeelde partij 2] heeft een vordering benadeelde partij ingediend ter hoogte van € 434,68, bestaande uit materiële schade.

9.2.1

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering benadeelde partij volledig kan worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

9.2.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van deze vordering benadeelde partij de volgende opmerkingen gemaakt en heeft zich voor het overige gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Uit de vordering van de benadeelde partij is het de raadsvrouw niet duidelijk geworden of de benadeelde inderdaad erfgenaam van het slachtoffer [slachtoffer 1] is en dus een vordering had kunnen indienen. Voorts heeft de raadsvrouw de vraag opgeworpen of de benadeelde niet al automatisch recht had op enkele verlofdagen wegens het overlijden van zijn broer waardoor deze kosten niet gemaakt hoefden te worden.

9.2.3

Het oordeel van de rechtbank

De vordering van [benadeelde partij 2] wordt afgewezen omdat de kosten die door de benadeelde in zijn vordering worden genoemd op grond van artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek niet voor vergoeding in aanmerking komen.

10 Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 , zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.

De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

11 Beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.

Het bewezen verklaarde levert op:

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood en waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht.

Strafbaarheid

Verklaart het bewezene strafbaar.

Verklaart verdachte daarvoor strafbaar.

Strafoplegging

Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 240 uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.

Beveelt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in verzekering doorgebrachte dag.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 maanden, met aftrek van de tijd dat het rijbewijs reeds ingevorderd is geweest.

Bepaalt dat een gedeelte, te weten 12 maanden van deze ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten.

De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren niet houdt aan de algemene voorwaarde dat hij zich niet opnieuw schuldig zal maken aan enig strafbaar feit.

Vordering benadeelde partij

Benadeelde [benadeelde partij 1]

Wijst de vordering van [benadeelde partij 1] toe tot € 450,69 (zegge vierhonderdvijftig euro en negenenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [benadeelde partij 1] voornoemd.

Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [benadeelde partij 1] aan de Staat

€ 450,69 (zegge vierhonderdvijftig euro en negenenzestig eurocent), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 23 oktober 2014 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis van 9 dagen. De toepassing van die hechtenis heft de betalingsverplichting niet op.

Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.

Veroordeelt verdachte tot vergoeding van de proceskosten tot een bedrag van € 89,26 (zegge: negenentachtig euro en zesentwintig eurocent).

Benadeelde [benadeelde partij 2]

Wijst de vordering van [benadeelde partij 2] af.

Dit vonnis is gewezen door

mr. K.J. Veenstra, voorzitter,

mrs. E.H.M. Druijf en G. Perrick, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S. Passchier, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 30 maart 2017.

BIJLAGE: De tenlastelegging

Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt tenlastegelegd dat

Primair

hij op of omstreeks 23 oktober 2014 te Harmelen, gemeente Woerden, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (een vrachtwagen), daarmede rijdende over rijstrook vier van de (voor het openbaar verkeer openstaande) weg, de rijksweg A12 richting Den Haag ter hoogte van hectometerpaal 42,7, roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

terwijl hij door middel van één of meerdere signa(a)l(en), te weten een dwangpijl en/of (vervolgens) een rood kruis op de matrixborden en/of een botsabsorber met verlichte en knipperende pijl, werd gewaarschuwd voor het afsluiten van rijstrook vier en/of

terwijl hij (in ernstige mate) vermoeid was

- met een snelheid van 88 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane, op de matrixborden aangegeven, snelheid van 70 kilometer per uur heeft gereden over rijstrook vier van die A12 en/of

- ( daarbij) in slaap is gevallen, in elk geval niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg, de rijksweg A12, en/of het overige verkeer heeft gelet of is blijven letten en/of

- ( daarbij) geen gevolg heeft gegeven aan één of meer voornoemde signa(a)l(en) en/of

- is blijven rijden over rijstrook vier en/of

- daarbij het voertuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of daarbij in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de op rijstrook vier geplaatste vrachtwagen met botsabsorber met verlichte en knipperende pijl

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden

waardoor [slachtoffer 1] werd gedood en/of waardoor [slachtoffer 2] zwaar

lichamelijk letsel werd toegebracht, te weten

een gebroken neus en/of een gebroken kaak en/of een gebroken kin en/of één of meer gebroken jukbeen(deren) en/of één of meer afgebroken en/of ontwrichte en/of losgeraakte tand(en);

en/of [slachtoffer 2] zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

art 6 Wegenverkeerswet 1994

Subsidiair

hij, op of omstreeks 23 oktober 2014, te Harmelen, gemeente Woerden, als bestuurder van een motorrijtuig (een vrachtwagen), daarmee rijdende op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, (rijstrook 4 van) de Rijksweg A12 richting Den Haag ter hoogte van hectometerpaal 42,7,

terwijl hij door middel van één of meerdere signa(a)l(en), te weten een dwangpijl en/of (vervolgens) een rood kruis op de matrixborden en/of een botsabsorber met verlichte en knipperende pijl, werd gewaarschuwd voor het afsluiten van rijstrook vier en/of

terwijl hij (in ernstige mate) vermoeid was

- met een snelheid van 88 kilometer per uur, althans met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane, op de matrixborden aangegeven, snelheid van 70 kilometer per uur heeft gereden over rijstrook vier van die A12 en/of

- ( daarbij) in slaap is gevallen, in elk geval niet, althans in onvoldoende mate op het voor hem gelegen gedeelte van die weg, de rijksweg A12, en/of het overige verkeer heeft gelet of is blijven letten en/of

- ( daarbij) geen gevolg heeft gegeven aan één of meer voornoemde signa(a)l(en) en/of

- is blijven rijden over rijstrook vier en/of

- daarbij het voertuig niet voortdurend onder controle heeft gehad en/of daarbij in strijd met artikel 19 van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 zijn snelheid niet zodanig heeft geregeld dat hij in staat was zijn motorrijtuig tot stilstand te brengen binnen de afstand waarover hij de weg kon overzien en waarover deze vrij was en/of

- ( vervolgens) is gebotst tegen, althans in aanrijding is gekomen met de oprijstrook vier geplaatste vrachtwagen met botsabsorber met verlichte en knipperende pijl,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd,

althans kon worden gehinderd;

art 5 Wegenverkeerswet 1994

Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich in het aan deze zaak ten grondslag liggende dossier (PL0900-2014301508) bevinden, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren.

Voor zover het gaat om geschriften als bedoeld in artikel 344 eerste lid aanhef en onder 5° Wetboek van Strafvordering, worden deze alleen gebruikt in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen.

Het proces-verbaal van bevindingen verbalisant [verbalisant 1] van 23 oktober 2014, p. 70.

Verkeersongevallenanalyse verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 5] van 3 juli 2015, p. 240.

Verkeersongevallenanalyse verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 5] van 3 juli 2015, p. 278.

Verkeersongevallenanalyse verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 5] van 3 juli 2015, p. 281.

Verkeersongevallenanalyse verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 5] van 3 juli 2015, p. 287.

Verkeersongevallenanalyse p. 299

Het proces-verbaal overlijdensonderzoek en lijkschouw verbalisant [verbalisant 4] van 28 oktober 2014, p. 227.

Het proces-verbaal verhoor getuige [slachtoffer 2] van 13 november 2014, p. 157.

NFI rapport van 1 mei 2015, opgesteld door ING. K.M. Hagendoorn, pagina 404 tot en met 417.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature