Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Kort geding. Arbeidsovereenkomst.

Uitspraak



RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 3660657 AV EXPL 14-128 HV/1316

Vonnis van 4 februari 2015

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: mr. B.G. Liefferink,

tegen:

de besloten vennootschap

[gedaagde] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij,

vertegenwoordigd door haar directeur [A].

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding met 13 producties

de nagezonden productie 14 van [eiser]

de akte tot wijziging van eis van [eiser]

de mondelinge behandeling, waarvan aantekening is gehouden.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1.

[eiser], geboren op [1963], is op 18 februari 2008 in dienst getreden van [bedrijf] B.V. in de functie van magazijnmedewerker (warehousemedewerker) tegen een salaris van laatstelijk € 2.161,27 bruto per maand te vermeerderen met 8 % vakantiebijslag en voor 40 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor het Beroepsgoederenvervoer over de weg en de verhuur van mobiele kranen van toepassing verklaard.

[bedrijf] verzorgde transporten voor IFO B.V. ( die op haar beurt in opdracht van Océ B.V. werkte). [eiser] verrichtte zijn werkzaamheden in een door [bedrijf] van IFO B.V. ondergehuurd bedrijfspand te Amersfoort, alwaar de opslag en overslag voor transporten plaatsvond.

2.2.

Op 20 mei 2014 is [bedrijf] failliet verklaard. Op 23 mei 2014 heeft de curator de arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf] en [eiser] opgezegd.

2.3.

[eiser] is nadien werkzaamheden blijven verrichten in voornoemd bedrijfspand. Intussen had [gedaagde] de transporten voor IFO B.V. overgenomen. Eerder verhuurde/leasde [gedaagde] vrachtwagens aan [bedrijf].

2.4.

[eiser] heeft van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) geen WW-uitkering ontvangen. Wel heeft hij een uitkering wegens betalingsonmacht van [bedrijf] met betrekking tot het loon tot en met 20 mei 2014 gekregen.

2.5.

Op 8 september 2014 heeft [eiser] op zijn bankrekening een bedrag van € 4.628,-- netto van [gedaagde] ontvangen onder de vermelding ‘schade betaling’.

2.6.

Op 3 oktober 2014 heeft de directeur van [gedaagde], [A], [eiser] een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd aangeboden (van 5 september 2014 tot 6 februari 2015) in de functie van ‘logistiek medewerker’ voor 40 uur per week tegen een salaris van € 1.654,52 bruto te vermeerderen met 8% vakantiebijslag.

2.7.

Op 9 oktober 2014 heeft [gedaagde] aan [eiser] € 1.654,52 bruto (zijnde, verminderd met diverse posten waaronder een wachtdag bij ziekte, € 1.258,55 netto) betaald voor de periode van 8 september 2014 tot en met 5 oktober 2014 (vier weken).

2.8.

Bij brief van 9 oktober 2014 aan [gedaagde] heeft [eiser] bezwaar gemaakt tegen de duur en het salaris genoemd in de hem op 3 oktober 2014 aangeboden arbeidsovereenkomst.

2.9.

Bij brief van 17 oktober 2014 heeft [gedaagde] ([A]) [eiser] laten weten dat zij hem met onmiddellijke ingang niet meer zal opnemen in de administratie en de planning. Maandag 20 oktober 2014 was de laatste werkdag van [eiser] in het genoemde bedrijfspand te Amersfoort.

2.10.

Bij e-mail van zijn gemachtigde van 27 oktober 2014 heeft [eiser] [gedaagde] laten weten alsnog de aangeboden overeenkomst te accepteren en zich beschikbaar te houden voor het verrichten van de bedongen arbeid. Tevens is een salarisspecificatie van het op 8 september 2014 betaalde bedrag verzocht en het loon vanaf 6 oktober (naar de kantonrechter begrijpt) 2014. Een reactie van [gedaagde] is uitgebleven.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert - na wijziging van eis - dat de kantonrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt:

A. tegen bewijs van kwijting:

tot betaling aan [eiser] van het loon van € 1.654,52 bruto per vier weken vanaf 6 oktober 2014 totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging vanaf de vervaldata ingaande 3 november 2014 over het achterstallige loon en met de wettelijke rente tot de voldoening;

- tot betaling aan [eiser] van het loon van € 661,76 bruto over acht (ziekte)dagen (€ 10,34 x 64 uren), te vermeerderen met de wettelijke verhoging vanaf 8 september 2014 en met de wettelijke rente tot de voldoening;

- tot betaling aan [eiser] van de buitengerechtelijke incassokosten;

- tot betaling aan [eiser] vóór 1 juni 2015, of zoveel eerder als de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig eindigt, van 8% vakantiebijslag over € 1.654,52 bruto per vier weken vanaf 21 mei 2014 tot 15 mei 2015, bij gebreke daarvan te vermeerderen met de wettelijke rente tot de voldoening;

B.

- om aan [eiser] een bruto-specificatie te verstrekken van het betaalde bedrag van € 4.628,-- netto, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 100,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] daarmee in gebreke blijft;

- in de proceskosten.

3.2.

Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eiser] - kort gezegd - dat hij op verzoek van [gedaagde] na het faillissement van [bedrijf] is blijven doorwerken in het bedrijfspand van IFO B.V. te Amersfoort. Hij is hetzelfde werk blijven doen, onder dezelfde chef. Er is derhalve tussen [eiser] en [gedaagde] een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd tot stand gekomen. Deze arbeidsovereenkomst is nog niet geëindigd. De beëindiging door [gedaagde] van 17 oktober 2014 is in ieder geval nietig. Daarnaast heeft [gedaagde] ten onrechte acht ziektedagen van [eiser] in de periode van 21 mei 2014 tot 8 september 2014 onbetaald gelaten.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de inhoud van wat partijen verder over en weer hebben aangevoerd wordt hierna - voor zover relevant - nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De spoedeisendheid van de vordering vloeit voort uit de aard daarvan. Het betreft een loonvordering.

4.2.

Vooropgesteld wordt dat voor toewijzing van een voorziening zoals door [eiser] wordt gevorderd, het in hoge mate waarschijnlijk moet zijn dat een gelijkluidende vordering in een te voeren bodemprocedure zal worden toegewezen.

Beoordeeld dient dus te worden of al dan niet aannemelijk is dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat tussen [eiser] en [gedaagde] na 6 oktober 2014, althans 20 oktober 2014, een arbeidsovereenkomst bestaat/heeft bestaan en dat op [gedaagde] de verplichting rust ook na 6 oktober 2014, althans 20 oktober 2014, loon te betalen aan [eiser].

4.3.

[eiser] heeft de hem op 3 oktober 2014 aangeboden arbeidsovereenkomst verworpen. Ingevolge artikel 6:221 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) is dit aanbod daarmee vervallen en kon dit zonder nieuw aanbod van [gedaagde] niet alsnog worden aanvaard. De discussie tussen partijen komt daarmee neer op de vraag of vanaf 21 mei 2014 een arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand is gekomen die ook na 6 oktober 2014, althans 20 oktober 2014, voortduurde of dat [eiser] op een andere grond werkzaamheden in het bedrijfspand van IFO B.V. voor [gedaagde] heeft verricht.

Ingevolge artikel 7:610 BW is de arbeidsovereenkomst de overeenkomst waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Wil sprake zijn van een arbeidsovereenkomst dan moet voldaan zijn aan de in dit artikel genoemd elementen: arbeid, loon, gedurende zekere tijd en gezagsverhouding. Daarnaast volgt uit artikel 7:610a BW het vermoeden van het bestaan van een arbeidsovereenkomst indien ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende ten minste twintig uren per maand arbeid wordt verricht.

4.4.

[eiser] heeft ter zitting verklaard dat zijn chef ([B]) hem daags na het faillissement van [bedrijf] heeft gezegd dat er voor hem niet zoveel zou veranderen. Hij zou zijn werkzaamheden kunnen blijven verrichten en ‘het zou goed komen’. Verder kwam [A] iedere 3 à 4 weken langs in het bedrijfspand.

[gedaagde] heeft verklaard dat zij na het faillissement twee werknemers van [bedrijf], die direct betrokken waren bij de werkzaamheden voor IFO B.V. een arbeidsovereenkomst heeft geboden, te weten [B] (chef van [eiser]) en [C] (collega van [eiser]). Volgens [gedaagde] behoorde [eiser] tot een groep werknemers die op eigen initiatief werkzaamheden in het bedrijfspand bleef verrichten. [gedaagde], althans [A], heeft [eiser] gezegd dat hij zich moest aanmelden bij het UWV. Intussen heeft [gedaagde], althans [A], gezocht naar een oplossing voor deze werknemers, in overleg met IFO B.V., en heeft zij [eiser] daarom in oktober 2014 een tijdelijke arbeidsovereenkomst kunnen bieden. De betaling aan [eiser] op 8 september 2014 was een ‘stage vergoeding’ voor het verrichte werk en op basis van het door [eiser] bij [bedrijf] verdiende loon. Abusievelijk is bij de overschrijving ‘schadevergoeding’ vermeld.

4.5.

Uit deze omstandigheden leidt de kantonrechter voorshands het volgende af.

[eiser] is op de betreffende locatie blijven werken met (in ieder geval stilzwijgende) instemming van [gedaagde] en onder leiding van zijn voormalige chef (gezagsverhouding), die intussen bij [gedaagde] in dienst was getreden. [eiser] verrichtte dezelfde werkzaamheden als voorheen, in ieder geval werkzaamheden met betrekking tot opslag en overslag voor transporten voor IFO B.V.. Deze werkzaamheden heeft [eiser] van 21 mei 2014 tot en met in ieder geval 20 oktober 2014 verricht (arbeid en gedurende zekere tijd). Op 8 september 2014 heeft [eiser] daarvoor van [gedaagde] een bedrag ontvangen van € 4.628,-- netto voor de periode tot 8 september 2014 (beloning). Voorlopig is de kantonrechter dan ook van oordeel dat voldaan is aan de vereisten voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW, althans het vermoeden van artikel 7:610 a BW. Dit vermoeden is door [gedaagde] niet, althans onvoldoende, ontkracht. Over de rechtsverhouding op grond waarvan [eiser] de werkzaamheden vanaf 21 mei 2014 verrichtte is tussen [eiser] en [gedaagde] niet expliciet gesproken en daarover is niets vastgelegd. Daar komt bij dat [gedaagde] [eiser] over de periode van 8 september 2014 tot en met 5 oktober 2014 daadwerkelijk loon heeft betaald, zoals is af te leiden uit de verstrekte loonstrook over die periode (productie 6 bij dagvaarding). De door [gedaagde] aan [eiser] op 3 oktober 2014 aangeboden arbeidsovereenkomst was gedurende die periode (en ook later) niet door [gedaagde] aanvaard.

4.6.

Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter is [gedaagde] dan ook gehouden het door [eiser] gevorderde loon vanaf 6 oktober 2014 te betalen, nu de arbeidsovereenkomst op die datum nog niet geëindigd was en [eiser] tot en met 20 oktober 2014 ook daadwerkelijk werkzaamheden verrichtte. Voor zover de beëindiging van de werkzaamheden van [eiser] door [gedaagde] na 20 oktober 2014 moet worden gezien als opzegging, geldt dat [eiser] in deze procedure tijdig een beroep heeft gedaan op de vernietigbaarheid daarvan. Toestemming van het UWV om de arbeidsovereenkomst op te zeggen ontbreekt. [eiser] heeft zich ook na 20 oktober 2014 beschikbaar gehouden voor het verrichten van arbeid.

Het door [eiser] gevorderde loon van € 1.654,52 bruto per vier weken, zoals laatstelijk door [gedaagde] aan [eiser] betaald, zal worden toegewezen vanaf 6 oktober 2014 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd.

De gevorderde wettelijke verhoging (ingevolge artikel 18 Wet Minimumloon en Minimumvakantiebijslag en artikel 7:625 BW ) wordt voorlopig (bij wege van matiging) gesteld op een percentage van maximaal 25% van het op het moment van wijzen van dit vonnis achterstallige en opeisbare loon. Dit percentage komt de kantonrechter op grond van de omstandigheden van het geval billijk voor. Eveneens zal worden toegewezen de wettelijke rente over laatstgenoemd loon, vanaf de opeisbaarheid van dat loon tot de voldoening.

4.7.

Het door [eiser] gevorderde loon ter zake van acht ziektedagen in de periode van 21 mei 2014 tot 8 september 2014 van € 661,76 bruto zal worden afgewezen. De kantonrechter kan [eiser] niet volgen in de daaraan ten grondslag gelegde berekening. Bruto en netto bedragen lopen doorelkaar heen en de opbouw van het op 8 september 2014 betaalde bedrag is onvoldoende duidelijk. Nader feitelijk onderzoek dienaangaande gaat het bestek van deze procedure te buiten, waarbij tevens relevant is het late moment van indiening van dit deel van de vordering. Wel zal [gedaagde], mede in het licht van hetgeen onder 4.5. en 4.6. is overwogen, worden veroordeeld aan [eiser] een bruto-specificatie te verstrekken van het op 8 september 2014 betaalde bedrag van € 4.628,--, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,-- per dag of gedeelte van een dag indien [gedaagde] daarmee binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis in gebreke blijft, met een maximum van € 1.000,-- aan te verbeuren dwangsommen in totaal.

4.8.

De kantonrechter gaat er voorshands vanuit - naar aanleiding op basis van de vordering van [eiser] en de door hem overgelegde stukken - dat de door [eiser] gevorderde vakantiebijslag vanaf 21 mei 2014 tot 15 mei 2015 nog niet opeisbaar is, zodat dit als zodanig in deze procedure niet toewijsbaar is.

4.9.

[eiser] maakt aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim op/na 1 juli 2012 is ingetreden.

De kantonrechter stelt vast dat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Conform het in het Besluit bepaalde tarief zal een bedrag van € 705,90 aan buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen.

4.10.

[gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding € 93,80

- griffierecht € 219,00

- salaris gemachtigde € 400,00 (2 punten x tarief € 200,00)

Totaal € 712,80

5 De beslissing

De kantonrechter:

geeft de volgende onmiddellijke voorziening:

veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] tegen bewijs van kwijting te betalen:

- € 1.654,52 € 1.654,52 bruto per vier weken ter zake van loon vanaf 6 oktober 2014 totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van maximaal 25% over het thans opeisbare en achterstallige loon en de

de wettelijke rente vanaf de data van respectieve opeisbaarheid van dit loon tot de dag der voldoening;

- € 705,90 € 705,90 aan buitengerechtelijke incassokosten;

veroordeelt [gedaagde] om uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis een bruto-specificatie te vertrekken van het op 8 september 2014 betaalde nettobedrag van € 4.628,-- op straffe van straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50,-- per (gedeelte van een) dag met een maximum van € 1.000,-- aan te verbeuren dwangsommen in totaal;

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser] tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 712,80 waarin begrepen € 400,-- aan salaris gemachtigde;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het anders of meer gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.O. Zuurmond, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2015.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature