Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:

Inhoudsindicatie:

Verweerder heeft diverse lasten onder dwangsom opgelegd om het met het bestemmingsplan strijdige recreatieve gebruik van gebouwen te beëindigen, en om een hekwerk, een (zwem)vijver en diverse bijgebouwen te verwijderen. Naar het oordeel van de rechtbank is op al deze onderdelen sprake van een overtreding. Voorts is geen sprake van concreet zicht op legalisatie of van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien.

Het hekwerk van 1,5 meter hoog is voorts niet vergunningvrij op grond van artikel 2, onderdeel 12, sub b van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), omdat het niet in een functionele relatie staat met de woning op het perceel.

Het beroep is echter gedeeltelijk gegrond, omdat de lasten onder dwangsom met betrekking tot het verwijderen van het hekwerk en het verwijderen van één bijgebouw te verstrekkend zijn. Niet valt uit te sluiten dat het hekwerk zo kan worden aangepast dat het vergunningvrij is (artikel 2, onderdeel 12, onder a, van Bijlage II bij het Bor ). Niet valt uit te sluiten dat het bijgebouw kan worden teruggebracht in de staat waarin het was toen er eerder een bouwvergunning voor is verleend.

De rechtbank voorziet zelf in de zaak door de lasten op deze punten aan te passen.

Uitspraak



RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/6851

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J. van Groningen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres onder oplegging van lasten onder dwangsom gelast uiterlijk 17 mei 2016:

a. het verhuren van de woning (“ [naam] ”) als recreatiewoning en

b. het verhuren van de voor bewoning geschikt gemaakte bijgebouwen als recreatiewoning, (“ [naam 2] ”) (B1) en (“ [naam 3] ”) (B2) op het perceel [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie l, nummers 1504 en 1503 te beëindigen en beëindigd te houden;

c. het geplaatste hekwerk op het perceel [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie l, nummers 2809 en 2810 te verwijderen en verwijderd te houden;

d. de zwemvijver en

e. het vernieuwde, vergrootte en voor bewoning geschikt gemaakte bestaande bijgebouw [naam 3] en

f. de twee nieuwe bijgebouwen, waarvan er één geschikt is gemaakt voor bewoning (“ [naam 2] ”) (F1) en de andere (kapschuur) wordt gebruikt voor opslag (F2) op het perceel [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] sectie l, nummers 1504 en 1503 te verwijderen en verwijderd te houden.

Verweerder heeft aan de overtreding van voornoemde lasten, indien niet of niet tijdig daaraan wordt voldaan, de volgende dwangsommen gekoppeld:

a. ten aanzien van last a. een bedrag van € 21.000 per maand met een maximum van € 126.000;

b. ten aanzien van last b. (“ [naam 2] ”) (B1) een bedrag van € 24.000 per maand met een maximum van € 144.000 en ten aanzien van last b. (“ [naam 3] ”) (B2) een bedrag van € 15.000 per maand met een maximum van € 90.000;

c. ten aanzien van last c. een bedrag van € 5.000 per maand met een maximum van € 30.000;

d. ten aanzien van last d. een bedrag van € 5.000 per maand met een maximum van € 30.000;

e. ten aanzien van last e. een bedrag van € 25.000 per maand met een maximum van € 150.000;

f. ten aanzien van last f. (“ [naam 2] ”) (F1) een bedrag van € 25.000 per maand met een maximum van € 150.000 en ten aanzien van last f. (F2) een bedrag van € 10.000 per maand met een maximum van € 60.000.

Bij besluit van 7 oktober 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Verweerder heeft de begunstigingstermijn bij besluit van 8 maart 2017 verlengd tot 6 weken na de uitspraak van de rechtbank.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 maart 2017. Namens eiseres is verschenen [betrokkene] , bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, mr. A.J.C. Leysner, G.L. ter Brugge en R. Klop.

Overwegingen

1. Verweerder heeft in het bestreden besluit aan eiseres diverse lasten onder dwangsom opgelegd in verband met het aanleggen, bouwen, en gebruiken van gronden en bouwwerken op het perceel [adres] in strijd met het bestemmingsplan “Stuwwalrand Parkzone Zuid” (hierna: het bestemmingsplan). Het perceel is in dit bestemmingsplan deels bestemd als “Woondoeleinden” en deels als “Bos en natuurgebied”.

De lasten zijn gebaseerd op overtreding van artikel 2.1, eerste lid, onder a, b en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en zien op het beëindigen van het recreatieve gebruik van de gebouwen, alsmede op het verwijderen van het hekwerk, de (zwem)vijver, de bijgebouwen “ [naam 2] ” en “ [naam 3] ” en de kapschuur.

2. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder bestuursdwang of dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisering bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.1.

De rechtbank zal hierna – overeenkomstig de bovenstaande standaardoverweging van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) – per last ingaan op de vraag of sprake is van een overtreding. Vervolgens zal worden ingegaan op de vraag of concreet zicht op legalisering bestaat en of bijzondere omstandigheden bestaan om van handhaving af te zien.

De wettelijke bepalingen waarnaar in deze uitspraak wordt verwezen zijn opgenomen als bijlage bij deze uitspraak.

Gebruik “ [naam] ”, “ [naam 2] ” en “ [naam 3] ” (lasten a en b)

3. Eiseres betoogt dat de “ [naam] ”, “ [naam 2] ” en “ [naam 3] ” worden gebruikt om te wonen en niet als een recreatiewoning, zodat geen sprake is van strijd met het bestemmingsplan. Volgens eiseres blijkt niet waar de conclusie dat sprake is van recreatieve bewoning op is gebaseerd. Eiseres betoogt voorts dat in nieuwe bestemmingsplannen voor het buitengebied van Apeldoorn een bed & breakfast is toegestaan in een woning, en dat verweerder ten aanzien van de bijgebouwen heeft geoordeeld dat een bed & breakfast mogelijk is. Volgens eiseres is het gelet op deze gebruiksmogelijkheden onevenredig om tot handhaving over te gaan.

3.1.

Verweerder heeft als bewijs voor zijn conclusie dat sprake is van recreatieve bewoning internet-advertenties overgelegd waarin de gebouwen voor verhuur worden aangeboden, internet-recensies over het verblijf aldaar die teruggaan tot augustus 2013 en een controlerapport van een toezichthouder van 4 februari 2016.

Met deze bewijsstukken heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat de bouwwerken ten tijde van het nemen van het bestreden besluit werden gebruikt voor recreatieve bewoning. Eiseres heeft ook geen concrete aanknopingspunten geboden voor een ander oordeel.

Deze verblijfsrecreatie is in strijd met de bestemming “Woondoeleinden” en “Bos en natuurgebied” zodat sprake is van een overtreding.

Verweerder was daarom bevoegd om tegen dit met het bestemmingsplan strijdige gebruik handhavend op te treden.

3.2.

De rechtbank stelt daarbij wel vast dat verweerder deze bewijsstukken eerst heeft overgelegd bij het aanvullend verweerschrift van 22 februari 2017 en daarom relatief kort voor de zitting. Daarmee is eerst toen een voldoende deugdelijke motivering gegeven voor de conclusie dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit sprake was van een overtreding. Het bestreden besluit is daardoor in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank ziet echter aanleiding om dit motiveringsgebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. Op grond van dit artikel kan een schending van een rechtsbeginsel worden gepasseerd indien aannemelijk is dat belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.

Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres niet benadeeld door het ontbreken van de bewijsstukken, aangezien eiseres ter zitting voldoende in de gelegenheid is gesteld om hierop te reageren. Daarbij komt dat de van het internet afkomstige stukken geacht moeten worden bekend te zijn bij eiseres. De door verweerder overgelegde recensies met betrekking tot het verblijf in de recreatiewoningen zijn namelijk afkomstig van de AirBnB-website waarop eiseres de gebouwen voor verhuur aanbood.

3.3.

De rechtbank overweegt vervolgens, in navolging van vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2333), dat het enkele feit dat verweerder niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan te verlenen, in beginsel volstaat voor het oordeel dat er geen concreet zicht op legalisering is.

Nu verweerder heeft aangegeven dat hij het gebruik niet wenst te legaliseren in de huidige omvang bestaat daarom geen concreet zicht op legalisering. Dat in de nieuwe bestemmingsplannen voor het buitengebied ruimere mogelijkheden bestaan voor het uitoefenen van een bed & breakfast maakt handhaving voorts niet onevenredig, reeds omdat niet is vast komen te staan dat met deze verruiming het strijdige gebruik voor de gebouwen zou kunnen worden opgeheven.

Voorts is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die verweerder ertoe hadden moeten brengen af te zien van handhavend optreden. Verweerder heeft met betrekking tot het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel – in verband met de bed & breakfast op het perceel Traandijk 18-20 – aangegeven dat de daarvoor verleende omgevingsvergunning ziet op het gebruik van slechts een deel van de woning als bed & breakfast. Aangezien in het voorliggende geval sprake is van het gebruik van zowel het hoofdgebouw als bijgebouwen voor verblijfsrecreatie kan niet worden gesproken van vergelijkbare gevallen.

De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.

Hekwerk

4. Eiseres betoogt dat het hekwerk vergunningvrij is op grond van artikel 2, onderdeel 12, van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor), en dat daarom geen sprake is van een overtreding.

4.1.

De bouwhoogte van het hekwerk bedraagt ongeveer 1,5 meter.

Nu de bouwhoogte meer dan 1 meter bedraagt dient het hekwerk – om zonder een omgevingsvergunning te kunnen worden gebouwd – te voldoen aan de voorwaarden zoals opgenomen onder b van artikel 2, onderdeel 12, van Bijlage II bij het Bor. Daarvoor is van belang te bepalen of er een functionele relatie bestaat tussen het hekwerk en de woning.

De rechtbank overweegt dat voor het bepalen van de functionele relatie de bestemming van de gronden in het bestemmingsplan van belang is (zie de Nota van Toelichting bij het Bor, Staatsblad 2010, 143, p. 134/135 en p. 149/150). In dit geval is het hekwerk gelegen binnen de bestemming “Bos en natuurgebied”, terwijl de woning is gelegen binnen de bestemming “Woondoeleinden”. Naar het oordeel van de rechtbank is door deze verschillende bestemmingen geen sprake van een functionele relatie tussen de woning en het hekwerk. Reeds hieruit volgt dat voor de bouw van het hekwerk een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a en c, van de Wabo is vereist.

Nu verweerder voor het hekwerk geen omgevingsvergunning heeft verleend was zij bevoegd om handhavend op te treden.

4.2

Gebleken is dat verweerder bij besluit van 18 januari 2017 heeft geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het hekwerk. Gelet daarop is geen sprake van concreet zicht op legalisering. Het beroep van eiseres op het gelijkheidsbeginsel met betrekking tot hekwerken op de percelen Schalterbergweg 50 en 60 vormt geen bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien. Verweerder heeft namelijk aangegeven dat handhavend wordt opgetreden tegen het hekwerk op het perceel Schalterbergweg 60. Dat voor het perceel Schalterbergweg 50 (nog) niet handhavend wordt opgetreden maakt niet dat in het voorliggende geval ook van handhaving zou moeten worden afgezien.

De beroepsgrond slaagt niet.

4.3

Eiseres wijst er voorts op dat een hekwerk van 1 m hoog zonder meer is toegestaan. Tot die hoogte is ieder hekwerk vergunningvrij, ongeacht de bestemming, aldus eiseres.

De rechtbank leest dit, met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, van de Awb zo, dat de last te verstrekkend is. De rechtbank volgt eiseres hierin. Verweerder had dienen te onderzoeken in hoeverre de opgelegde last tot verwijdering van het hekwerk aanpassing behoeft in die zin dat ook aan de last wordt voldaan indien het hekwerk wordt teruggebracht tot een vergunningvrije hoogte van 1 m (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3388). Dit in het licht van artikel 2, onderdeel 12, onder a, van Bijlage II bij het Bor. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Awb . De beroepsgrond slaagt en het bestreden besluit komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. In rechtsoverweging 7 zal de rechtbank ingaan op de consequenties hiervan.

(Zwem)vijver

5. Eiseres betoogt dat voor het aanleggen van de vijver een omgevingsvergunning verleend had kunnen worden met toepassing van artikel 3.26, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan, zodat sprake is van concreet zicht op legalisatie.

5.1.

De gronden ter plaatse van de vijver zijn bestemd als “Bos en natuurgebied”.

Vast staat dat voor het afgraven van de gronden geen omgevingsvergunning is verleend op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo in samenhang met artikel 3.26, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan.

Nu eiseres de vijver zonder een omgevingsvergunning heeft aangelegd is daarom sprake van een overtreding, zodat verweerder bevoegd was om handhavend op te treden.

5.2.

Eiseres heeft ter legalisering van de vijver een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend en daarbij een ecologisch rapport overgelegd. Verweerder heeft aangegeven dat legalisering van de vijver in de huidige situatie niet mogelijk is.

5.3.

Zoals de rechtbank onder 3.3 heeft overwogen, volstaat in beginsel het enkele feit dat verweerder niet bereid is gebruik te maken van zijn bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen, voor het oordeel dat geen concreet zicht op legalisering bestaat. Nu verweerder heeft aangegeven dat hij de vijver niet wenst te legaliseren in de huidige omvang, bestaat geen concreet zicht op legalisering.

De beroepsgrond slaagt niet.

“ [naam 3] ” en kapschuur

6. Eiseres betoogt dat de last ten onrechte strekt tot verwijdering van de “ [naam 3] ” omdat voor dit gebouw, inclusief de uitbreiding, een bouwvergunning is verleend. De veranderingen van het gebouw zijn volgens eiseres niet zodanig dat dit moet leiden tot afbraak. Volgens eiseres is het gebouw voorts gelegen binnen het bestemmingsvlak van de bestemming “Woondoeleinden” en kan voor de aangebrachte wijzigingen een omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” worden verleend.

Eiseres betoogt voorts dat voor de kapschuur sprake is van concreet zicht op legalisatie indien een kronkel in het bestemmingsvlak voor de bestemming “Woondoeleinden” wordt rechtgetrokken, waardoor de schuur in zijn geheel binnen deze bestemming komt te liggen.

6.1.

Vast staat dat verweerder in 1975 een bouwvergunning heeft verleend voor een bijgebouw bij de woning. Ter zitting is vast komen te staan dat dit bouwwerk door eiseres is gewijzigd in de “ [naam 3] ” door het aanbrengen van dakpannen in plaats van golfplaten, het wijzigen van ramen, het aanbrengen van natuursteen-elementen op de gevel en het bouwen van een schoorsteen.

De rechtbank overweegt dat deze wijzigingen geen betrekking hebben op de draagconstructie, de brandcompartimentering, de bebouwde oppervlakte of het bouwvolume van het bouwwerk. Deze wijzigingen zijn daarom vergunningvrij op grond van artikel 3, onderdeel 8, van Bijlage II bij het Bor, indien geen sprake is van gebruik in strijd met het bestemmingsplan. De wijzigingen zijn derhalve vergunningvrij als het bouwwerk wordt gebruikt als bijgebouw bij de woning.

Nu voor het bijgebouw een bouwvergunning is verleend, en de aangebrachte wijzigingen na het beëindigen van het recreatieve gebruik vergunningvrij kunnen worden gerealiseerd, is het naar het oordeel van de rechtbank te verstrekkend om eiseres te gelasten dit bijgebouw in zijn geheel af te breken. De stelling van verweerder dat onzeker is dat het gebouw kan worden teruggebracht in een staat die in overeenstemming is met de verleende bouwvergunning, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende voor een ander oordeel.

Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 3:4 van de Awb .

De beroepsgrond slaagt.

6.2.

Ten aanzien van de kapschuur overweegt de rechtbank dat voor het bouwen daarvan geen omgevingsvergunning is verleend, zodat sprake is van een overtreding en verweerder bevoegd was om handhavend op te treden.

De kapschuur is deels gelegen binnen de bestemming “Bos en natuurgebied” en reeds daarom in strijd met het bestemmingsplan. Nu verweerder heeft aangegeven dat hij de kapschuur niet wenst te legaliseren bestaat geen concreet zicht op legalisering.

De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

7. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de rechtsoverwegingen 4.3 en 6.1 is het beroep van eiseres gegrond, omdat de last onder dwangsom met betrekking tot het verwijderen van het hekwerk en de “ [naam 3] ”, te verstrekkend is. Het bestreden besluit komt op deze onderdelen voor vernietiging in aanmerking.

Op grond van artikel 8:41a van de Awb dient de bestuursrechter het voorliggende geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit voor wat betreft de lasten ten aanzien van zowel het hekwerk als de “ [naam 3] ” te herroepen en deze lasten aan te passen. De rechtbank zal ten aanzien van het hekwerk bepalen dat dit dient te worden verwijderd dan wel te worden teruggebracht tot een hoogte van 1 m. Ten aanzien van de “ [naam 3] ” zal de rechtbank bepalen dat in plaats van sloop van het gebouw kan worden volstaan met het verwijderen van de woonvoorzieningen in het gebouw. Zodra de woonvoorzieningen zijn verwijderd kan het gebouw weer worden gebruikt als bijgebouw bij de woning, en is er geen sprake meer van strijd met het bestemmingsplan.

8. De overige beroepsgronden heeft de rechtbank ongegrond verklaard, zodat de lasten onder dwangsom voor de overige onderdelen in stand blijft.

Het voorgaande betekent dat eiseres voor het verstrijken van de begunstigingstermijn, dat is 6 weken na deze uitspraak, aan de verschillende lasten moet hebben voldaan, op straffe van de verbeurte van de dwangsommen.

9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Tevens bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die eiseres in bezwaar heeft gemaakt. Er is immers voor wat betreft twee lasten sprake van herroeping van het primaire besluit vanwege een aan verweerder te wijten onrechtmatigheid. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.980 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, 1 punt voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar, met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1).

10. Voorts bepaalt de rechtbank dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het verwijderen en verwijderd houden van het geplaatste hekwerk (last onder c), en voor zover dat ziet op het verwijderen en verwijderd houden van de “ [naam 3] ” (last onder e);

herroept het primaire besluit voor zover dat ziet op de last onder c en de last onder e;

bepaalt dat de lasten op deze onderdelen als volgt komen te luiden:

“c. het geplaatste hekwerk op het perceel [adres] te [plaats] , kadastraal bekend gemeente [plaats] , sectie I, nummers 2809 en 2810, te verwijderen en verwijderd te houden dan wel terug te brengen tot een hoogte van 1 m.” en:

“e. de woonvoorzieningen uit het voor bewoning geschikt gemaakte bestaande bijgebouw “ [naam 3] ” te verwijderen en verwijderd te houden.”;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dat is vernietigd;

veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.980;

draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 334 aan eiseres te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J.H. van Breda, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage: wettelijk kader

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en Besluit omgevingsrecht

Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald,

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, (…),

(…).

Ingevolge het derde lid kan bij algemene maatregel van bestuur worden bepaald dat met betrekking tot daarbij aangewezen activiteiten als bedoeld in het eerste lid in daarbij aangegeven categorieën gevallen, het in dat lid gestelde verbod niet geldt.

De hier bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit omgevingsrecht (Bor).

Het vergunningvrij bouwen is daarin opgenomen in Bijlage II.

Ingevolge artikel 2, onderdeel 12, van Bijlage II bij het Bor is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op een erf- of perceelafscheiding, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. niet hoger dan 1 m, of

b. niet hoger dan 2 m, en

1°. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de erf- of perceelafscheiding in functionele relatie staat,

2°. achter de voorgevelrooilijn, en

3°. op meer dan 1 m van openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn.

Ingevolge artikel 3, onderdeel 8, van Bijlage II bij het Bor is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de wet niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een verandering van een bouwwerk, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

a. geen verandering van de draagconstructie,

b. geen verandering van de brandcompartimentering of beschermde subbrandcompartimentering,

c. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte, en

d. geen uitbreiding van het bouwvolume.

Bestemmingsplan “Stuwwalrand Parkzone Zuid”

Ingevolge artikel 3.4, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als “Bos en natuurgebied” aangewezen gronden bestemd voor behoud, bescherming en versterking van de bossen en de natuurwaarden.

Ingevolge artikel 3.5, eerste lid, onder a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart als “Woondoeleinden” aangegeven gronden bestemd voor woningen, waaronder begrepen het begeleid wonen, een en ander met bijbehorende bouwwerken en voorzieningen.

Ingevolge artikel 3.26 van de voorschriften van het bestemmingsplan is het verboden de in het plan bedoelde gronden, gebouwen en bouwwerken te gebruiken in strijd met de bestemming.

Ingevolge artikel 3:26, vierde lid, van de voorschriften van het bestemmingsplan is het verboden zonder een vergunning de volgende werkzaamheden uit te voeren:

(…)

4. het egaliseren, ophogen, verharden en afgraven van gronden binnen de bestemming “Bos en Natuurgebied”.

Hiervoor gelden de volgende toetsingscriteria:

• behoud van de aanwezige differentiatie in abiotische milieu-omstandigheden

• behoud van de aanwezige hoogteverschillen

• behoud van bestaande kwetsbare vegetaties

• noodzaak voor het agrarisch gebruik van de gronden

• geen aanlegvergunning is vereist, indien de werkzaamheden plaatsvinden in het kader van een door de provincie goedgekeurd natuurontwikkelingsplan.

In artikel 1 van de planvoorschriften zijn de volgende definities opgenomen:

Woning: “Een gebouw of een zelfstandig gedeelte van een gebouw dat bedoeld is voor de huisvesting van personen.”

Recreatiewoning: “Een gebouw, geen woonkeet en geen stacaravan of een ander bouwwerk op wielen zijnde, dat uitsluitend één woning bevat, niet voor permanente bewoning bestemd is en dat gedurende het hele jaar gebruikt wordt voor recreatieve doeleinden.”

Verblijfsrecreatie: “Recreatief nachtverblijf, waarbij overnacht wordt in kampeermiddelen en/ of recreatiewoningen.”


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature