Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaats:

Inhoudsindicatie:

Art. 10.1a, 10.2, 10.37 en 10.45 Wet Milieubeheer.

Overtreding van de Wet Milieubeheer door afgifte van ingezameld groenafval door een groenrecyclingbedrijf en ontvangst en toepassing daarvan door een loon- en grondverzetbedrijf.

De rechtbank acht bewezen dat het groenrecyclingbedrijf en het loon- en grondverzetbedrijf zich (in vereniging) hebben ontdaan van grote hoeveelheden (bedrijfs)afvalstoffen, terwijl de ontvanger(s) niet stond(en) vermeld op de lijst van Vervoerders, Inzamelaars, Handelaars en Bemiddelaars in afvalstoffen (VIHB-lijst). De rechtbank acht daarnaast bewezen dat het loon- en grondverzetbedrijf zelf bedrijfsafvalstoffen heeft ingezameld, terwijl het bedrijf daartoe niet bevoegd was en dat het bedrijf bedrijfsafvalstoffen op of in de bodem heeft gebracht, terwijl dit niet mocht.

De rechtbank heeft het beroep van verdachten op diverse vrijstellingen waardoor er geen, of niet langer, sprake zou zijn van een afvalstof, verworpen.

De rechtbank heeft het groenrecyclebedrijf veroordeeld tot een geldboete van € 10.000,--. Aan het loon- en grondverzetbedrijf is een geldboete van € 5.000,-- opgelegd. De feitelijk leidinggevers van beide bedrijven zijn veroordeeld tot taakstraffen van respectievelijk 80 uur en 40 uur.

Uitspraak



RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/982762-14

Datum uitspraak : 31 maart 2017

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

gevestigd te [adres] , [woonplaats] .

De vennootschap is ter terechtzitting vertegenwoordigd door [betrokkene] .

Raadsman: mr. W.J.W. van Eijk, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van

10 mei 2016, 18 juli 2016 en 21 maart 2017.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij één- of meermalen op of omstreeks na te noemen data, te Hummelo, gemeente

Bronckhorst en/of te Zelhem, gemeente Bronckhorst, althans in Nederland,

(telkens) al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan (een) ander(en) van

bedrijfsafvalstoffen, te weten (een mengsel van) half blad en/of half

zeefgrond (dat -onder andere- plastic, klinkers, grote stukken hout en/of

grove takken bevatte) heeft ontdaan, en wel:

27 en/of 28 november 2013, aan de maatschap [naam 1]

(te [plaats] ), -in totaal- 313,80 ton, althans een (grote)

hoeveelheid, en/of

18 en/of 19 december 2013, aan [bedrijf 1] (te Zelhem) -in totaal-

214,46 ton, althans een (grote) hoeveelheid;

2.

zij in of omstreeks na te noemen periode(n), te Zelhem, gemeente Bronckhorst,

(telkens), al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan na te noemen

(rechts- en/of natuurlijke) perso(o)n(en), althans (telkens) aan een ander,

van na te noemen hoeveelheden bedrijfsafvalstoffen, althans een (grote)

hoeveelheid, (als zodanig aangeduide) zeefgrond en/of humusrijke teelaarde

(grond), heeft ontdaan:

periode: (rechts-)persoon : hoeveelheid:

13 en/of 14 november 2013 Loon- en Grondverzet- 340,9 ton

bedrijf [bedrijf 1] (zeefgrond)

18 februari 2014 t/m Groenaanemings-Loon- 140 ton20 oktober 2014 en [bedrijf 2]

;

3.

zij één- of meermalen op of omstreeks 11 en/of 22 juli 2014, te Zelhem,

gemeente Bronckhorst en/of te Hummelo, gemeente Bronckhorst, althans in

Nederland, (telkens) samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel

alleen, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan [naam 3] en/of

[naam 4] , althans (telkens) aan een ander, van bedrijfsafvalstoffen, te

weten -in totaal- 185,75 ton (als zodanig aangeduide) zeefgrond, heeft ontdaan;

4.

zij een aantal malen in of omstreeks na te noemen periode(n) te Zelhem,

gemeente Bonckhorst en/of te Hummelo, gemeente Bronckhorst, (telkens) al dan

niet opzettelijk, zich door afgifte aan na te noemen (rechts)perso(o)n(en) van

bedrijfsafvalstoffen, te weten (geheel of gedeeltelijk verteerd)

(sloot-/berm)maaisel/gras en/of groenafval, heeft ontdaan, te weten:

A.

periode van 4 maart 2014 tot en met 5 december 2014, aan Loon- en

Grondverzetbedrijf [bedrijf 1] , ongeveer 774,3 ton, althans een (grote)

hoeveelheid,

en/of

B.

op of omstreeks 20 oktober 2014, samen en in vereniging met anderen of een

ander dan wel alleen, aan De stille maatschap [naam 5] ongeveer

10.48

ton, althans een (grote) hoeveelheid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Ten aanzien van feit 1

[verdachte] (hierna: [verdachte] ), gevestigd te Zelhem, heeft op 27 november 2013 en 28 november 2013 in Zelhem in totaal 313.800 kg (313,8 ton) van een mengsel bestaande uit half blad en half zeefgrond geleverd aan [naam 1] (hierna: [naam 1] ), gevestigd te Hummelo. Het geleverde mengsel bevatte onder andere ook houtachtigmateriaal/takken, plastic en stenen. [naam 1] stond op dat moment niet vermeld op de lijst van Vervoerders, Inzamelaars, Handelaars en Bemiddelaars in afvalstoffen (hierna: VIHB-lijst).

[verdachte] heeft daarnaast op 18 december 2013 en 19 december 2013 in Zelhem in totaal 214.460 kg (214,46 ton) van een mengsel bestaande uit half blad en half zeefgrond geleverd aan Loon- en grondverzetbedrijf [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ), gevestigd te Hummelo. Het bij [bedrijf 1] aangetroffen mengsel bevatte onder andere ook houtachtig materiaal. [bedrijf 1] stond op dat moment niet vermeld op de VIHB-lijst.

Ten aanzien van feit 2

[verdachte] heeft op 13 november 2013 en 14 november 2013 in Zelhem in totaal 340.900 kg (340,9 ton) zeefgrond geleverd aan [bedrijf 1] Zoals hiervoor vermeld, stond [bedrijf 1] niet vermeld op de VIHB-lijst.

Daarnaast heeft [verdachte] in de periode 18 februari 2014 tot en met 20 oktober 2014 in totaal 138.980 kg (138,98 ton) humusrijke teelaarde geleverd aan [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [bedrijf 2] stond op dat moment niet vermeld op de VIHB-lijst.

Ten aanzien van feit 3

[verdachte] heeft op 11 juli 2014 102.900 kg (102,9 ton) zeefgrond geleverd aan [naam 3] en heeft op 22 juli 2014 82.880 kg (82,88 ton) zeefgrond geleverd aan [naam 4] . [bedrijf 1] heeft deze hoeveelheden zeefgrond bij [verdachte] opgehaald en rechtstreeks naar percelen van respectievelijk [naam 3] en [naam 4] in Hummelo vervoerd. De weegbonnen van deze leveringen zijn aangetroffen in de bedrijfsadministratie van [verdachte] Deze weegbonnen staan op naam van [bedrijf 1] , maar met de hand zijn de namen ‘ [naam 3] ’ (weegbon van 11 juli 2014) en ‘ [naam 4] ’ bijgeschreven (weegbon van 22 juli 2014). [naam 3] en [naam 4] stonden niet vermeld op de VIHB-lijst.

Ten aanzien van feit 4

A.[verdachte] heeft in de periode van 4 maart 2014 tot en met 5 december 2014 ongeveer 681,8 ton slootmaaisel/gras geleverd aan [bedrijf 1]

B.

[verdachte] heeft op 20 oktober 2014 een grote hoeveelheid, te weten ongeveer 83.840 kg (83,84 ton) slootmaaisel/gras geleverd aan de stille maatschap van [naam 9] en G.H. Levers (hierna: [naam 5] ). De begeleidingsbrief van deze levering is aangetroffen in de administratie van [verdachte] Deze begeleidingsbrief staat op naam van [bedrijf 1] , maar met de hand is daarop geschreven ‘geleverd aan [naam 5] ’. [naam 5] heeft dit materiaal bij [verdachte] in Zelhem opgehaald. [naam 5] stond niet vermeld op de VIHB‑lijst.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde. De geleverde partijen half blad half zeefgrond, zeefgrond, humusrijke teelaarde en maaisel moeten worden aangemerkt als afvalstoffen. De ontvangers waren niet bevoegd om deze afvalstoffen aan te nemen.

Volgens de officier van justitie is de uitzonderingsbepaling in artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet milieubeheer (hierna: Wm) niet van toepassing. Zeefgrond en teelaarde vallen niet onder het begrip ‘natuurlijk landbouw- of bosbouwmateriaal’. Ook het oorspronkelijke groenmateriaal, zoals bladafval en maaisel, valt niet onder artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, Wm, nu het door [verdachte] ingezamelde materiaal ook afkomstig was van hoveniers en particulieren. Daarnaast zijn de geleverde materialen niet (representatief) gekeurd, waardoor niet is komen vast te staan dat het om niet-gevaarlijk materiaal gaat.

De geleverde materialen kunnen verder niet worden aangemerkt als grond- of bouwstof, omdat ze niet gekeurd zijn. Ook kunnen de materialen niet worden aangemerkt als meststoffen, nu geen sprake is van compostering en zij ook verder niet voldoen aan de bij of krachtens de Meststoffenwet gestelde eisen. Vrijstelling krachtens het bepaalde in artikel 22.1, negende lid, Wm is daarom niet aan de orde.

Verder is geen sprake van een in artikel 10.2, tweede lid, Wm bedoelde vrijstelling. Het materiaal kan niet als grond worden aangemerkt, omdat het niet is gekeurd. Daarom kan geen sprake zijn van een vrijstelling als bedoeld in het Besluit vrijstelling stortverbod buiten inrichtingen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde materialen vallen onder artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, Wm, waardoor hoofdstuk 10 van de Wm niet van toepassing is. Al het afgezette materiaal is aan te merken als natuurlijk materiaal, afkomstig uit de landbouw of bosbouw, welk materiaal bovendien is toegepast in de landbouw. Niet is komen vast te staan dat sprake is van gevaarlijke stoffen. Voor zover het door [verdachte] ingenomen materiaal afkomstig is van particulieren, is het aan de rechtbank om te oordelen of sprake is van uit de landbouw- of bosbouw afkomstig materiaal.

Daarnaast heeft de raadsman bepleit dat de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde materialen moeten worden aangemerkt als meststoffen, zodat op grond van artikel 22.1, negende lid, Wm, hoofdstuk 10 van de Wm niet van toepassing is. De genomen monsters op het terrein van [verdachte] voldoen aan de samenstellingseisen van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. Ook uit het door de verdediging ingebrachte rapport van [bedrijf 3] volgt dat het om meststoffen gaat.

Als de rechtbank niet vindt dat sprake is van meststoffen, dan is volgens de raadsman ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde artikel 10.2, tweede lid, Wm van toepassing. Uit het rapport van [bedrijf 3] volgt dat er sprake is van ‘grond’ in de zin van het Besluit bodemkwaliteit, waardoor wordt voldaan aan de vereisten van artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen (hierna: Besluit vrijstellingen stortverbod) en is voldaan aan de vrijstellingsvoorwaarden uit artikel 10.2, tweede lid, Wm . Ingevolge die bepaling is het verbod in artikel 10. 37, eerste lid, Wm niet van toepassing. Voor deze feiten dient, subsidiair, ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.

De beoordeling door de rechtbank

[verdachte] is een groenrecyclingbedrijf, dat in de periode voorafgaand aan en ten tijde van het ten laste gelegde van de overheid, bedrijven, waaronder hoveniers en aannemers, en particulieren groenafval innam. Omdat deze leveranciers zich van deze stoffen ontdeden, hadden de stoffen bij binnenkomst bij [verdachte] op grond van artikel 1.1, eerste lid, Wm de status van (bedrijfs)afvalstof. Zoals als vaststaand is aangemerkt, stonden [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] niet op de VIHB-lijst. Zij mochten daarom, gezien het verbod van artikel 10.37, eerste lid, Wm, geen afvalstoffen ontvan gen.

Aan de orde is de vraag of het door [verdachte] geleverde materiaal de status van afvalstof had verloren op het moment dat het werd geleverd door [verdachte] aan de hiervoor genoemde afnemers. Verder moet de vraag beantwoord worden of een vrijstelling als bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, Wm van toepassing was.

Artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, Wm.

De raadsman heeft een beroep gedaan op artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, Wm, op grond van welke bepaling hoofdstuk 10 van de Wm niet van toepassing is op natuurlijk,

niet-gevaarlijk landbouw- of bosbouwmateriaal dat wordt gebruikt in de landbouw en de bosbouw. Hij heeft daarnaast een beroep gedaan op artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht, omdat de bepaling van artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, Wm nu anders luidt dan ten tijde van het ten laste gelegde en de huidige bepaling gunstiger is dan de oude bepaling.

Naar het oordeel van de rechtbank brengt een redelijke uitleg van artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f , Wm, gelet ook op het karakter van artikel 10.1a waarbij het bereik van hoofdstuk10 van de Wm over afvalstoffen wordt beperkt, reden waarom aan die bepaling geen ruime uitleg behoort te worden gegeven, met zich, dat slechts dan met succes een beroep op dit artikel kan worden gedaan, als de aard en de samenstelling van het materiaal ten tijde van de afzet niet wezenlijk anders is dan ten tijde van de inname.

Zoals hiervoor beschreven, werd door diverse ontdoeners groenafval geleverd aan [verdachte] Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , werkzaam bij [verdachte] , hebben verklaard dat de zeefgrond op het terrein van [verdachte] ontstaat door het shredderen van het ingeleverde groen. De vrijkomende zeefgrond wordt opgeslagen op het terrein. Elke keer als er na een shredderbeurt zeefgrond vrijkomt, wordt het op de al opgeslagen partij gegooid. [getuige 2] heeft nog verklaard dat door het shredderen en zeven, naast de zeefgrond, ook hout achterblijft. Dit hout wordt als brandstof gebruikt. Ook [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) heeft verklaard dat de procedure telkens dezelfde is. Hij heeft verklaard dat het ingezamelde groenafval wordt verkleind en door een zeef gaat. Afhankelijk van de samenstelling van het groenafval ontstaat dan zeefgrond of humusrijke teelaarde. Alles wat het terrein verlaat, is door de zeef geweest.

Voordat het groenafval het terrein van [verdachte] verlaat en geleverd wordt aan afnemers, wordt het dus eerst bewerkt en vermengd met de al op het terrein aanwezige zeefgrond, dan wel met humusrijke aarde. Daarmee zijn de aard en samenstelling van het groenafval (stroken, stobben, wortels, en ander groenmateriaal) bij de afzet anders dan bij de inname. Naar het oordeel van de rechtbank valt dit materiaal daarom niet onder het bereik van de uitzondering in artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, Wm.

Naar het oordeel van de rechtbank is evenmin een van de uitzonderingen van artikel 10.1a Wm van toepassing op het onder 4 ten laste gelegde gras /maaisel. [betrokkene] heeft verklaard dat hij gras of maaisel ontvangt van zowel het waterschap als van [bedrijf 4] en dat het materiaal van [bedrijf 4] op het terrein van [verdachte] op één bult met het materiaal van het waterschap terechtkomt. Ook in dat geval is de samenstelling van het materiaal veranderd op het moment dat het de inrichting weer verlaat en wordt geleverd aan de afnemers.

Het door de raadsman gevoerde verweer wordt verworpen. De rechtbank merkt daarbij op, dat gelet op de uitleg die zij aan (zowel het oude als het nieuwe) artikel 10.1 a, aanhef en onder f, Wm geeft, zij verder niet ingaat op het door de raadsman gedane beroep op artikel 1 Sr .

Besluit bodemkwaliteit / Meststoffenwet

Een stof kan de status van afvalstof verliezen als de stof kan worden aangemerkt als grond of bouwstof in de zin van het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk) of als meststof in de zin van de Meststoffenwet.

Besluit bodemkwaliteit

Zoals als vaststaand is aangemerkt, heeft [verdachte] grote hoeveelheden, meer dan 100 ton, zeefgrond en humusrijke teelaarde geleverd. De aan [naam 1] en [bedrijf 1] geleverde half blad half zeefgrond had een totale omvang van ongeveer 710 kubieke meter. [betrokkene] heeft verklaard dat deze partijen afkomstig zijn van dezelfde partij op het terrein van [verdachte] Ten aanzien van de bespreking van het beroep op artikel 10.1a, eerste lid, aanhef en onder f, Wm is overwogen dat al het ingenomen groen wordt bewerkt tot zeefgrond of humusrijke teelaarde en dat nieuwe partijen op het terrein van [verdachte] telkens met de al bestaande partij worden samengevoegd.

Om te beoordelen of [verdachte] heeft voldaan aan het Bbk, zijn de artikelen 15 en 18 Bbk, en het daarop gebaseerde artikel 4.3. 2. van de Regeling bodemkwaliteit , bepalend.

Artikel 15, eerste lid, Bbk bepaalt dat het verboden is om een werkzaamheid uit te voeren zonder een daartoe verleende erkenning.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, Bbk is het verboden om een werkzaamheid uit te voeren in strijd met het daarvoor geldende normdocument.

Artikel 4.3.2., eerste lid, van de Regeling bodemkwaliteit bepaalt dat het samenvoegen van partijen grond van meer dan 25 kubieke meter is toegestaan als de partijen in dezelfde bodemkwaliteitsklasse zijn ingedeeld en als de partijen zijn gekeurd en samengevoegd overeenkomstig (voor zover hier van belang) de Beoordelingsrichtlijn 9335 (hierna: BRL 9335), door een persoon of instelling die daartoe over een erkenning beschikt.

Onder 1.3.3. van de BRL 9335 staat aangegeven dat, als onderdelen van de BRL 9335 strijdig zijn met vergunningvoorschriften, de vergunningsvoorwaarden of voorschriften bepalend zijn. [verdachte] beschikt over een omgevingsvergunning. In deze omgevingsvergunning zijn geen voorwaarden of voorschriften met betrekking tot het samenvoegen van grond opgenomen. Daarom moet wat betreft het samenvoegen van grond worden voldaan aan de vereisten in de BRL 9335.

Een persoon of instelling moet op grond van de BRL 9335 gecertificeerd zijn om partijen grond, groter dan 25 kubieke meter, samen te voegen. [verdachte] was niet gecertificeerd voor het samenvoegen van grond. Het bedrijf beschikte daarom ook niet over een erkenning als bedoeld in artikel 4.3.2, eerste lid, van de Regeling bodemkwaliteit . [verdachte] mocht daarom partijen grond, groter dan 25 kubieke meter, niet samenvoegen. Doordat zij dat wel heeft gedaan, zoals hiervoor besproken, is gehandeld in strijd met het verbod van artikel 15 Bbk .

[verdachte] heeft daarnaast gehandeld in strijd met een normdocument zoals bedoeld in artikel 18 Bbk , te weten de BRL 9335, en het daarbij horende protocol 9553-1.

Zonder erkenning mogen partijen grond worden samengevoegd tot een omvang van 25 kubieke meter, zij het dat de partijen samen niet meer mogen wegen dan 100 ton. Voordat deze partijen worden samengevoegd (tot een partij van maximaal 100 ton), moeten de partijen, op grond van het onder 6.4.1. van het protocol 9553-1 bepaalde, afzonderlijk worden beoordeeld op herkomst en mogelijke verontreinigingen. Gekeken moet daarbij worden naar de herkomst van de partij, naar het huidige gebruik en het voormalige gebruik van de grond en of sprake is van verontreiniging.

Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij bij [verdachte] afvalstoffen inneemt. Als een persoon zich meldt aan de poort, inspecteert hij of er zichtbare vervuiling in de partij zit. Op de vraag of hij volgens een speciaal protocol werkt, antwoordde hij dat hij naar eigen nuchterheid werkt. Volgens hem heeft [betrokkene] hem niets verteld over een acceptatiebeleid. Getuige [getuige 3] werkt bij de weegbrug op het terrein van [verdachte] en heeft verklaard dat hij als er afvalstoffen worden aangeboden eerst kijkt wat er op de bak van het vervoersmiddel ligt. Hij vraagt niet waar het materiaal vandaan komt. Hij volgt geen apart protocol. Bij binnenkomst van de afvalstoffen weet hij niet welke kwaliteitsklasse het materiaal heeft.

Hiermee wordt naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan de vereisten in het protocol 9553-1.

Op grond van wat onder 6.4.1 van het protocol 9553-1 is bepaald, mogen de hiervoor bedoelde afzonderlijke partijen van 100 ton worden samengevoegd tot een partij van 2.000 ton. Voordat dit gebeurt, moet ten aanzien van elke afzonderlijke partij van 100 ton een onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit worden verricht. Kort gezegd, moet van elke partij een mengmonster worden genomen, waarna dit mengmonster moet worden geanalyseerd. De analyse moet worden uitgevoerd door een daartoe geaccrediteerd en erkend laboratorium en het analyseresultaat moet worden getoetst aan een toetsingswaarde, zoals beschreven in de BRL 9553. Voorgeschreven is dat het samenvoegen tot een partij van maximaal 2.000 ton alleen is toegestaan als de individuele partijen van elk maximaal 100 ton dezelfde milieuhygiënische indicatie hebben.

[verdachte] heeft dit onderzoek niet uitgevoerd voordat de partijen van 100 ton werden samengevoegd tot een groter geheel. [betrokkene] heeft daarnaast verklaard dat hij niet op de hoogte was van de milieuhygiënische kwaliteit op het moment dat de verschillende partijen grond werden ontvangen door [verdachte]

[verdachte] beschikte dus niet over een erkenning als bedoeld in artikel 15 Bbk en heeft gehandeld in strijd met een normdocument, als bedoeld in artikel 18 Bbk .

Omdat de hiervoor beschreven eisen gelden voor zowel de toepassing van een bouwstof (artikel 28 Bbk) als voor de toepassing van grond (artikel 38 Bbk), is de conclusie dat niet is voldaan aan de eisen van het Bbk, zodat verdachte zich niet op deze regeling kan beroepen.

Meststoffenwet

Ingevolge artikel 22.1, negende lid, Wm is hoofdstuk 10 Wm over afvalstoffen niet van toepassing op gedragingen voor zover daaromtrent voorschriften gelden die zij gesteld bij of krachtens de Meststoffenwet.

De raadsman heeft bepleit dat de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde materialen deels kunnen worden aangemerkt als meststoffen. Hij heeft gesteld dat het feit dat niet werd gewerkt met verhitting er niet aan in de weg staat dat de materialen kunnen worden gezien als compost in de zin van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

Uit artikel 1, aanhef en onder h, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet , leidt de rechtbank af dat, om van compost te kunnen spreken, sprake moet zijn van een homogeen en stabiel eindproduct. Om een stabiel eindproduct in de vorm van compost in de zin van deze bepaling te verkrijgen, moet het materiaal zijn gehygiëniseerd. Het materiaal moet worden verhit om instabiele onkruidzaden en ziektekiemen te doden. [betrokkene] heeft verklaard dat [verdachte] zelf niet composteerde, omdat het materiaal dan verhit moet worden. Dat was een te dure optie. Dit maakt dat naar het oordeel van de rechtbank het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde materiaal niet kan worden aangemerkt als compost in de zin van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

Daarnaast is het door [verdachte] ingenomen materiaal in 2013 niet gekeurd of geanalyseerd. In januari 2014 zijn wel analyses uitgevoerd. Ten aanzien van de humusrijke zeefgrond is door het laboratorium echter geconstateerd dat niet is voldaan aan de samenstellingseisen van compost, zoals bedoeld in de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet. De rechtbank overweegt daarnaast dat de analyses, voor zover de uitkomst daarvan is dat (wel) wordt voldaan aan de vereisten van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet, niet representatief zijn. Zo werden, zoals eerder overwogen, de partijen zeefgrond op het terrein van [verdachte] telkens aangevuld met nieuwe, niet‑gekeurde partijen, afkomstig van groenafval van verschillende leveranciers. Dat maakt dat de aard en de samenstelling van de partijen telkens veranderden, terwijl de milieuhygiënische kwaliteit van de afzonderlijke toegevoegde partijen onbekend was. Reeds omdat de monstername in januari 2014 dateert van een latere datum dan de levering van de partijen, kan het daarop betrekking hebbende analyserapport niet representatief zijn voor de hele partij. Daarnaast zijn in de gedeeltelijke rapportage ten aanzien van ‘zeefgrond uit proces’ niet alle relevante parameters onderzocht bij de analyse. Ook hierom is geen representatief beeld van de samenstelling van de partij ontstaan.

Verder is gebleken dat de partij gras/maaisel niet werd bemonsterd of geanalyseerd. [betrokkene] heeft daarover verklaard dat [verdachte] dat materiaal de laatste tijd niet heeft laten onderzoeken. Hij kende de kwaliteit van het aan de afnemers verstrekte maaisel niet.

Het voorgaande maakt dat de onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde materialen, niet kunnen worden aangemerkt als meststoffen in de zin van de Meststoffenwet. De uitzondering van artikel 22.1, negende lid, Wm, is daarom niet van toepassing.

Artikel 10.2, tweede lid, Wm

De raadsman heeft aangevoerd dat sprake is van de in artikel 10.2, tweede lid, aanhef en onder b, onder 2o, Wm opgenomen vrijstelling, waardoor het verbod van artikel 10.37, eerste lid, Wm niet geldt.

De bedoelde vrijstelling kan worden verleend op basis van artikel 2 van het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen . Vereist daarvoor is, voor zover hier van belang, dat sprake is van het toepassen van grond in de zin van het Bbk. De rechtbank heeft hiervoor al overwogen dat niet wordt voldaan aan vereisten uit het Bbk, waardoor van het toepassen van grond in de zojuist bedoelde zin geen sprake kan zijn.

Ook kan een vrijstelling aan de orde zijn als wordt voldaan aan de Vrijstellingsregeling plantenresten (hierna: de regeling). Ingevolge de regeling zijn bermmaaisel, oogstrestanten, heideplagsel en maaisel, dat vrijkomt binnen een natuurgebied, uitgezonderd van het stortverbod. De geleverde partijen bestonden niet uit bermmaaisel, oogstrestanten of heideplagsel. Ingevolge artikel 1, onder d, van de regeling is een natuurgebied een Natura 2000-gebied als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, van de Wet natuurbescherming dan wel een ander gebied met als hoofdfunctie natuur. Nu niet is aangetoond dat het maaisel afkomstig was van een natuurgebied als bedoeld in de regeling, is de regeling niet van toepassing. Daar komt bij dat een ontdoener zich slechts dan op de regeling kan beroepen indien de aard en de samenstelling van het maaisel niet wijzigen nadat dat is ingenomen. Zoals hiervoor is overwogen heeft [verdachte] hier, door partijen gras en maaisel samen te voegen, niet aan voldaan.

Naar het oordeel van de rechtbank kan dus geen beroep worden gedaan op de vrijstelling als bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, Wm .

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de status van afvalstoffen niet aan het ten laste gelegde materiaal is komen te ontvallen. [verdachte] heeft zich daarom ontdaan van afvalstoffen. Het door de verdediging ingebrachte rapport van M‑Tech maakt dit oordeel niet anders. Dit rapport is gebaseerd op analyses uit 2010 en 2011. Deze analyses zijn bovendien niet representatief, nu de aard en samenstelling van de diverse materialen op het terrein van [verdachte] telkens veranderden, door het toevoegen van niet‑gecontroleerde afvalstromen, afkomstig van verschillende ontdoeners. Dat [verdachte] een consistente werkwijze hanteerde, maakt die conclusie niet anders aangezien de werkwijze niet bepalend is voor de aard en samenstelling van de partijen. Dat de herkomst van het groenmateriaal niet substantieel wijzigde, is bovendien niet vast komen te staan. [verdachte] heeft immers nagelaten om de herkomst van het ingenomen groenafval te registreren, de kwaliteit daarvan te analyseren en de samenvoegingen daarvan te verrichten met inachtneming van de daarvoor geldende eisen.

Gelet op het voorgaande behoeft de vraag of er mogelijk sprake zou kunnen zijn van een nuttige toepassing, geen beantwoording meer.

De afnemers van [verdachte] waren niet bevoegd om afvalstoffen aan te nemen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 tot en met 4 ten laste gelegde, dat telkens is toegesneden op overtreding van het verbod van artikel 10.37, eerste lid, Wm .

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] het feit tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] heeft gepleegd. Zoals als vaststaand is aangemerkt, heeft [bedrijf 1] de zeefgrond bij [verdachte] opgehaald en rechtstreeks naar respectievelijk [naam 3] en [naam 4] overgebracht, maar is op de weegbonnen in de administratie van [verdachte] aangegeven dat aan [naam 3] en [naam 4] werd geleverd. Daarnaast heeft [betrokkene] verklaard dat hij wist dat [bedrijf 1] de zeefgrond rechtstreeks doorzette naar [naam 6] . Ook voor [verdachte] was dus duidelijk dat de zeefgrond aan hen werd geleverd. Uit de bewijsmiddelen volgt dat aan [naam 3] en [naam 4] gezamenlijk in totaal 185,78 ton zeefgrond is geleverd, maar ten laste is gelegd een totaal van 185,75 ton. De rechtbank komt daarom tot een bewezenverklaring van die hoeveelheid.

De rechtbank is verder van oordeel dat [verdachte] het onder 4 ten laste gelegde tezamen en in vereniging met [bedrijf 1] heeft gepleegd. Eerder is al vastgesteld dat de begeleidingsbrief van de levering aan [naam 5] is aangetroffen in de administratie van [verdachte] en dat de brief op naam van [bedrijf 1] stond, terwijl met de pen was bijgeschreven ‘geleverd aan [naam 5] ’. De rechtbank neemt hierbij verder in aanmerking dat [naam 7] heeft verklaard dat [naam 8] (opmerking rechtbank: de zoon van [naam 9]) hem heeft gevraagd of [betrokkene] nog maaisel had liggen. [bedrijf 1] heeft dit bij [betrokkene] nagevraagd. [naam 5] heeft daarna een trekker van [bedrijf 1] gehuurd en heeft het maaisel zelf bij [verdachte] opgehaald. Ook [betrokkene] heeft verklaard dat de levering aan [naam 5] via [bedrijf 1] is gelopen. Gelet op het voorgaande was het zowel [verdachte] als [bedrijf 1] duidelijk dat maaisel zou worden geleverd aan [naam 5] en waren beide ondernemingen hierbij betrokken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het

1. tot en met 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

zij één- of meermalen op of omstreeks na te noemen data, te Hummelo, gemeente

Bronckhorst en/of te Zelhem, gemeente Bronckhorst, althans in Nederland,

(telkens) al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan (een) ander(en) van

bedrijfsafvalstoffen, te weten (een mengsel van) half blad en/of half

zeefgrond (dat -onder andere- plastic, klinkers, grote stukken hout en/of

grove takken bevatte) heeft ontdaan, en wel:

27 en/of 28 november 2013, aan de [naam 1] (te Hummelo), -in totaal- 313,80 ton, althans een (grote)

hoeveelheid, en/of

18 en/of 19 december 2013, aan [bedrijf 1] (te Zelhem) -in totaal-

214,46 ton, althans een (grote) hoeveelheid;

2.

zij in of omstreeks na te noemen periode(n), te Zelhem, gemeente Bronckhorst,

(telkens), al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan na te noemen

(rechts- en/of natuurlijke) perso(o)n(en), althans (telkens) aan een ander,

van na te noemen hoeveelheden bedrijfsafvalstoffen, althans een (grote)

hoeveelheid, (als zodanig aangeduide) zeefgrond en/of humusrijke teelaarde

(grond), heeft ontdaan:

periode: (rechts-)persoon : hoeveelheid:

13 en/of 14 november 2013 Loon- en Grondverzet- 340,9 ton

bedrijf [bedrijf 1] (zeefgrond)

18 februari 2014 t/m Groenaanemings-Loon- 138,98 ton20 oktober 2014 en [bedrijf 2]

3.

zij één- of meermalen op of omstreeks 11 en/of 22 juli 2014, te Zelhem,

gemeente Bronckhorst en/of te Hummelo, gemeente Bronckhorst, althans in

Nederland, (telkens) samen en in vereniging met anderen of een ander dan wel

alleen, al dan niet opzettelijk, zich door afgifte aan [naam 3] en/of

[naam 4] , althans (telkens) aan een ander, van bedrijfsafvalstoffen, te

weten -in totaal- 185,75 ton (als zodanig aangeduide) zeefgrond, heeft ontdaan;

4.

zij een aantal malen in of omstreeks na te noemen periode(n) te Zelhem,

gemeente Bonckhorst en/of te Hummelo, gemeente Bronckhorst, (telkens) al dan

niet opzettelijk, zich door afgifte aan na te noemen (rechts)perso(o)n(en) van

bedrijfsafvalstoffen, te weten (geheel of gedeeltelijk verteerd)

(sloot-/berm)maaisel/gras en/of groenafval, heeft ontdaan, te weten:

A.

periode van 4 maart 2014 tot en met 5 december 2014, aan Loon- en

Grondverzetbedrijf [bedrijf 1] , ongeveer 681,8 ton, althans een (grote)

hoeveelheid,

en/of

B.

op of omstreeks 20 oktober 2014, samen en in vereniging met anderen of een

ander dan wel alleen, aan de stille maatschap [naam 5] ongeveer

10.48

ton, althans een (grote) hoeveelheid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van de feiten 1 en 2, telkens:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer , begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 3:

Medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer , begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 4:

Opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer , begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd

en

medeplegen van opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 10.37, eerste lid, van de Wet milieubeheer , begaan door een rechtspersoon.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat [verdachte] ten aanzien van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 10.000,--. Zij heeft bij het bepalen van de eis rekening gehouden met de ernst van de feiten. De gedragingen hebben gevolgen voor het milieu. Daarnaast heeft zij rekening gehouden met het feit dat [verdachte] een blanco strafblad heeft.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat [verdachte] failliet dreigt te gaan. De vennootschap zal een geldboete, zoals door de officier van justitie geëist, niet kunnen betalen.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 7 april 2016.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

[verdachte] heeft diverse keren de Wet milieubeheer overtreden. Het bedrijf heeft zich, tezamen en in vereniging met een ander, dan wel alleen, ontdaan van voornamelijk bedrijfsafvalstoffen, terwijl de afnemers niet bevoegd waren om deze afvalstoffen in te nemen. [verdachte] lijkt om financiële redenen te hebben afgezien van de op grond van milieuwetgeving vereiste keuringen van het materiaal dat het als groenrecyclebedrijf innam. Het bedrijf heeft hierdoor het zicht en de controle op grote hoeveelheden afvalstoffen bemoeilijkt. Daarnaast heeft het bedrijf, door zo te handelen en vrijwel geheel af te zien van keuringen, kosten bespaard.

De milieuwetgeving is er niet voor niets. De op deze zaak betrekking hebbende regelgeving is complex. Dit moet voor een onderneming als die van [verdachte] echter juist een reden zijn om zich goed te laten adviseren. [verdachte] heeft zich schijnbaar onvoldoende verdiept in de relevante milieuwetgeving. Het innemen van (bedrijfs)afvalstoffen, in de zin van groenafval, behoort tot de dagelijkse bedrijfsvoering van [verdachte] De rechtbank acht het met name daarom verwijtbaar, dat zij zo heeft gehandeld.

Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen reden om af te wijken van de eis van justitie. Aan [verdachte] zal een onvoorwaardelijke geldboete van € 10.000,-- worden opgelegd.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 23, 24, 24c, 47, 51, 57 en 91 van het Wetboek van Strafrecht , de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten en artikel 10.37 van de Wet milieubeheer .

9. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een geldboete van € 10.000,-- (tienduizend euro).

Dit vonnis is gewezen door mr. R.G.J. Welbergen (voorzitter), mr. N.C. van Lookeren Campagne en mr. B.J. Zippelius, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 maart 2017.

Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] , van de politie Oost‑Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer 06EXO14001, gesloten op 6 april 2015, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

Een uittreksel van de Kamer van Koophandel, gedateerd 14 januari 2014, p. 40006, en DG-148, een begeleidingsbrief d.d. 28 november 2013, p. 100019, en DG-147, een begeleidingsbrief d.d. 27 november 2013, p. 100020, en DG-146, een factuur d.d. 22 december 2013, p. 100023, en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 500062, en proces-verbaal van bevindingen, p. 000010, onderaan.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 000007, en proces-verbaal van bevindingen, p. 000009 en p. 000010, en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 4] , p. 500062.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 000012.

DG-111, een begeleidingsbrief d.d. 19 december 2013, p. 100021, en DG-112, een begeleidingsbrief d.d. 18 december 2013, p. 100022, en proces-verbaal van bevindingen, p. 000012, en het proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 7] , p. 100090.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 000007, en proces-verbaal van bevindingen, p. 000010.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 000012.

DG-114, een begeleidingsbrief, betrekking hebbende op 13 november 2013 en 14 november 2013 en DG-115, een begeleidingsbrief d.d. 14 november 2013 en proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 7] , p. 200210, en het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 200163.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 000012.

DG180-05, een begeleidingsbrief d.d. 21 mei 2014, p. 200199 en DG180-05, een begeleidingsbrief d.d. 20 mei 2014, p. 200200, DG180-06, een begeleidingsbrief, p. 200201 en DG180-03, een begeleidingsbrief d.d. 200207 en weegbonnen d.d. 18 februari 2014, p. 200202 t/m 200206.

Proces-verbaal van verhoor getuige [bedrijf 2] , p. 500114.

DG-183-01, een weegbon d.d. 11 juli 2014, p. 200029, en DG-183-01, een weegbon d.d. 22 juli 2014, p. 200030, en het proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 200164.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 200164, en proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 7] , p. 200212

Overzichtsproces-verbaal zaaksdossier 2, p. 2000007, in samenhang bezien met DG-183-01, een weegbon d.d. 11 juli 2014, p. 200029, en DG-183-01, een weegbon d.d. 22 juli 2014, p. 200030.

DG-183-01, een weegbon d.d. 11 juli 2014, p. 200029, en DG-183-01, een weegbon d.d. 22 juli 2014, p. 200030.

Overzichts-proces-verbaal zaaksdossier 2, p. 200014.

DG-138, een begeleidingsbrief d.d. 17 oktober 2014, DG-139, een begeleidingsbrief d.d. 20 oktober 2014, p. 300170 en DG-140, een weegbon d.d. 3 oktober 2014, p. 300171 en DG-140, een weegbon d.d. 8 oktober 2014, p. 300172 en DG-140, een weegbon d.d. 10 oktober 2014, p. 300171 en DG-141, een weegbon d.d. 5 december 2014, p. 300174 en DG-142, een weegbon d.d. 4 december 2014, p. 300175 en DG-144, een weegbon d.d. 12 maart 2014, p. 300176 en een begeleidingsbrief d.d. 4 maart 2014, p. 300178 en DG-204, een weegbon d.d. 8 oktober 2014.

DG-139, een begeleidingsbrief d.d. 20 oktober 2014, p. 300220, en proces-verbaal van verhoor getuige [naam 9] , p. 500130.

Overzichtsproces-verbaal zaaksdossier 3, p. 300009, in samenhang bezien met DG-139, een begeleidingsbrief d.d. 20 oktober 2014, p. 300220.

DG-139, een begeleidingsbrief d.d. 20 oktober 2014, p. 300220.

Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 9] , p. 500130.

Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 9] , p. 500131.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 40010, en proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 100057, en proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 300182 en p. 300183 en de verklaring van [betrokkene] ter terechtzitting van 21 maart 2017 en een weegbon d.d. 28 november 2013, p. 300030, en een weegbon d.d. 20 januari 2014, p. 300067.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 500003 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 500008.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 500004 en proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 500008.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 500008.

De verklaring van [betrokkene] ter terechtzitting van 21 maart 2017.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 300183.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 000007 en proces-verbaal van bevindingen, p. 000071.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 100061.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 000073 en een beschikking van 20 september 2006, p. 000093 e.v.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 000082 en het proces-verbaal van verhoor [betrokkene] , p. 200167.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 500002 en 500003.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 500012.

Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 3] , p. 500013.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 000084.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 200166.

Het proces-verbaal van de zitting van 18 juli 2016, inhoudende de verklaring van verdachte, p. 2 en p. 3.

Overzichtsproces-verbaal zaaksdossier 1, p. 100008, in samenhang bezien met DG210, inhoudende een overzicht van keuringen, p. 100035.

DG-208-10, een kwaliteitsonderzoek d.d. 21 januari 2014.

Overzichtsproces-verbaal zaaksdossier 1, p. 000009.

Proces-verbaal van bevindingen, p. 000063.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 300183.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 300184.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 200164.

Proces-verbaal van verhoor getuige [naam 9] , p. 500130.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam 7] , p. 300199.

Proces-verbaal van verhoor verdachte [betrokkene] , p. 300164.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature