Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Ontbindingsverzoek werknemer 7:671c lid 1 BW, (wijze van) afwijzing zorgverlof en handelswijze ziekmelding is werkgever te verwijten, maar naar het oordeel van de kantonrechter geen ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Transitievergoeding en billijke vergoeding wordt afgewezen. In het tegenverzoek van de werkgever wordt arbeidsovereenkomst ontbonden vanwege verstoorde arbeidsverhouding en transitievergoeding toegekend.

Uitspraak



beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 5389601 \ HA VERZ 16-292 en 5390352 \ HA ZA VERZ 16-293 \

475 \ 28195

uitspraak van 31 januari 2017

beschikking

in de zaak van

[werknemer]

wonende te [wooonplaats]

verzoekende partij, tevens verwerende partij in het tegenverzoek

gemachtigde mr. W.J. Floor

en

de stichting Stichting Iriszorg

gevestigd te Arnhem

verwerende partij, tevens verzoekende partij in het tegenverzoek

gemachtigde mr. J. de Wrede

Partijen worden hierna [werknemer] en IrisZorg genoemd.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift van 21 september 2016, ingekomen ter griffie op 23 september 2016;

- het verweerschrift van 4 november 2016;

- de door [werknemer] ter voorbereiding op de mondelinge behandeling overgelegde producties 28 t/m 34;

- de mondelinge behandeling van 15 november 2016 mede inhoudende de pleitnotitie van de gemachtigde van [werknemer] ;

- de akte na mondelinge behandeling van IrisZorg met producties;

- de antwoord-akte na mondelinge behandeling van [werknemer] met producties;

- de brief d.d. 8 december 2016 van IrisZorg;

- de brief d.d. 23 december 2016 van IrisZorg.

2 De feiten

2.1.

[werknemer] , geboren in Iran, werkt sinds 1 februari 2007 als verslavingsarts bij IrisZorg. Op de arbeidsovereenkomst is de cao GGZ van toepassing. Haar huidige leidinggevende is regiomanager [persoon A] .

2.2.

De ouders van [werknemer] wonen in Iran. In augustus 2015 alsmede in november/december 2015 neemt [werknemer] zorgverlof op in verband met de gezondheid van haar ouders in Iran.

2.3.

In december 2015 vraagt [werknemer] opnieuw zorgverlof aan voor de periode vanaf 19 mei 2016 tot en met 3 juni 2016.

2.4.

[persoon A] stuurt [werknemer] op 8 maart 2016 een e-mail met de volgende inhoud.

Mijn excuses voor de late reactie op jouw vraag over opname van zorgverlof in de maanden mei en juni. Hierbij mijn antwoord op je vraag: ik ga niet akkoord met de opname van 72 uur zorgverlof in 2016. Je kan uiteraard wel vakantie/onbetaald verlof in de periode opnemen om je ouders te bezoeken.

In 2015 heb je in augustus 3 weken zorgverlof opgenomen, in november/december 2 weken. Bij elkaar 180 uur in 2015. Nu vraag je in 2016 weer 72 uur zorgverlof op in de maanden mei en juni.

Over de periode augustus 2015 tot en met juli 2016 (= 12 maanden) mag je maximaal 72 uur zorgverlof aanvragen. Je hebt echter al 180 uur zorgverlof ontvangen (108 uur teveel).

De 72 uur zullen dus in ieder geval niet kunnen worden verleend. Of we met terugwerkende kracht nog uren kunnen gaan corrigeren met betrekking tot de 108 uur (3 weken) teveel ontvangen zorgverlof dat zal ik verder nog uit laten zoeken door HRM.

In augustus 2015 heb je drie weken zorgverlof opgenomen. Dat is geen kortdurend zorgverlof, maar langdurend. In het geval er sprake is van langdurend zorgverlof krijg je dat alleen maar uitbetaald indien het in jouw geval zou gaan om een inwonende ouder. Je had hier dus geen recht op doorbetaling van loon. In november/december 2015 heb je 2 weken zorgverlof gehad. Dat is wel kortdurend zorgverlof. Echter omdat er gekeken wordt over een periode van 12 maanden betekent dat dat je nu in de maanden mei en juni 2016 geen beroep meer kan doen op het kortdurend zorgverlof. Dat is “op”.

In de CAO staat het volgende over zorgverlof:

(…)

Langdurend zorgverlof

Langdurend zorgverlof is er om voor langere tijd noodzakelijke zorg aan (pleeg- of adoptie)kinderen, de partner of ouders te geven (…) en wordt volledig doorbetaald ingeval het langdurend zorgverlof betreft voor: de echtgenoot of relatiepartner, een inwonend kind, inwonend kind van de echtgenoot of relatiepartner, een inwonende ouder van de werknemer. De werknemer legt een verklaring over van de arts/behandelaar over de noodzaak van de verpleging en/of verzorging.

2.5.

Als reactie op het verzoek van [persoon B] , Medewerkster Administratie bij IrisZorg, om voor het nieuwe rooster de vakantieplanning door te geven, stuurt [werknemer] haar op 14 maart 2016 de volgende e-mail.

Ivm het ziek zijn van mijn ouders, neem ik ipv 4 weken achter elkaar 3 keer korte vakantie en ga naar mijn ouders in Iran.

vanaf 19 mei t/m 6 juni

vanaf 28juli t/m 14 aug.

vanaf 15 dec t/m31 dec.

2.6.

[werknemer] stuurt [persoon A] op 16 maart 2016 een e-mail waarin, onder meer, het volgende staat.

(…) Momenteel zijn mijn ouders ziek en aan het dementeren. Ik weet niet hoelang ze nog te leven hebben of mij kunnen kennen. Daarom wil ik zolang ze er nog zijn van hun aanwezigheid genieten. Door hun dementie vertrouwen ze de onbekende niet. Daardoor moeten wij/ hun kinderen voor hen zorgen. Ik ga 2-3 keer per jaar naar mijn ouders om mijn steen bijdragen en hen zien. door hun instabiel situatie bel ik hen dagelijks. sinds 2 dagen gaat het niet echt goed met mijn vaders. Hij praat ook op een rare manier. Vanochtend zal naar cardioloog gaan. Ik maak me echt zorgen. Ik heb even de steun van IZ nodig. Ik had verwacht dat ik deze steun zou krijgen.

-Je gaf je goedkeuring en ik heb erop gerekend en plannen gemaakt. Het terugtrekken van de goedkeuring had ik van mijn manager niet verwacht. Dat heeft de vertrouwensband tussen ons geschaad. Volgens CAO GGZ heb ik wel recht op zorgverlof. In de CAO wordt de term ouders genoemd, maar er staat nergens dat het om inwonende ouders gaat. (…)

2.7.

Op 5 april 2016 stuurt [persoon B] , HRM adviseur van IrisZorg, een e-mail aan [persoon D] , voormalig gemachtigde en partner van [werknemer] , in vervolg op een tussen hen gevoerd telefoongesprek. [persoon B] vermeldt in deze e-mail onder andere het volgende.

(…) dat er per abuis een foutieve zin in de papieren versie van de cao GGZ is gekomen. Deze is hersteld in de digitale versie. (…)

Ons standpunt is dat, op basis van de mondelinge en schriftelijke communicatie van medewerkster zelf, er geen aanspraak kan worden gemaakt op de regeling, aangezien o.a. de noodzakelijkheid van zorg en afhankelijkheid van werknemer ontbreken. (…)

2.8.

Op 21 april 2016 vindt een gesprek plaats in aanwezigheid van [werknemer] , [persoon D] , [persoon A] en [persoon B] . [persoon B] heeft een verslag van dit gesprek gemaakt. In dit gespreksverslag staat over (de aanvraag van) het zorgverlof 2016 het volgende opgenomen.

(…) [persoon B] opent het gesprek, heet iedereen welkom en geeft, na een voorstelronde, aan dat er op basis van een telefoongesprek tussen dhr. [persoon D] en [persoon E] (bedrijfsjurist) geen discussie meer is over het afwijzen van de aanvraag tot zorgverlof, maar dat dit gesprek bedoelt is om de onjuiste registratie van zorgverlof in 2015 te corrigeren.

(…)

Registratie Zorgverlof 2015

Geconstateerd is dat [werknemer] in 2015, buiten de toegekende twee periodes van zorgverlof (zie bijlage 2), onterecht zorgverlof heeft geregistreerd in het urenverantwoordingsprogramma Aysist (zie bijlage 3). Het betreft de data: 13 & 20 &27 augustus en daarnaast de data 26 november en 3 december 2015. Speciaal wordt stilgestaan bij het feit dat [werknemer] voor 27 augustus en 3 december geen akkoord had gekregen voor zorgverlof en toch zorgverlof heeft toegepast. [werknemer] geeft aan dat een planner haar hier altijd mee helpt. [persoon B] geeft aan dat de registratie de verantwoording van de medewerker zelf is, in dit geval dus [werknemer] . Een planner heeft geen bevoegdheden en sluit slechts aan ter ondersteuning. [werknemer] beaamt dat ze buiten de toegekende verlofperiode uren heeft geregistreerd op zorgverlof. Afgesproken wordt dat ze buiten de toegekende verlofperiode uren heeft geregistreerd op zorgverlof. Afgesproken wordt dat er een correctie zal worden doorgevoerd voor bovengenoemde data, te weten: 45 uur (5 data * 9 upd) wordt gecorrigeerd van ZVL naar PLB.

(…)

Verlof 2016

(…) op het voorstel van [persoon A] om, bij wijze van uitzondering, de helft van de periode van afwezigheid te compenseren, geeft dhr. [persoon D] aan dat [werknemer] recht heeft op drie maanden volledige loondoorbetaling op grond van de cao en wet en het voorstel niet akkoord is. [persoon B] geeft aan verbaasd te zijn dat dhr. [persoon D] wederom de discussie wil voeren over de rechtmatigheid van de afgekeurde aanvraag, terwijl zij begrepen had van de bedrijfsjurist dat hierover tijdens het telefoongesprek d.d. 20 april jl. consensus was dat zorgverlof niet van toepassing was. Dit heeft [persoon B] herhaald bij de opening van het overleg, wat dhr. [persoon D] niet heeft tegengesproken, waardoor zij er van uit mocht gaan dat dit correct was. [persoon A] en [persoon B] beëindigen daarmee het gesprek, waarna dhr. [persoon D] [werknemer] adviseert rechtsbijstand aan te spreken en de ‘arbeidsrechter’ een uitspraak te laten doen. Hij geeft aan dat daarmee een arbeidsconflict niet kan worden uitgesloten.

2.9.

[werknemer] stuurt op 18 mei 2016 in de ochtend e-mails aan Nijmegen Polikliniek Team 1 en in totaal 20 collega’s, waaronder [persoon A] , waarin het volgende is opgenomen.

Vanaf 23-5 tot 6-6 ben ik afwezig. Bij vragen kunnen jullie met de artsen in Nijmegen (…) contact opnemen. Indien ze niet beschikbaar zijn, kunnen jullie met de artsen in Tiel (…) contact opnemen.

Als deze artsen ook niet bereikbaar zijn, kunnen jullie met de achterwachtarts (jullie kunnen via centrale telefoon team erachter komen wie de achterwacht heeft) contact opnemen.

2.10.

[persoon B] stuurt [werknemer] op 18 mei 2016 in de avond een e-mail, als reactie op een ontvangen afwezigheidsassistent van [werknemer] waarin staat vermeld dat zij tot 6 juni afwezig is, met de volgende inhoud:

Zoals je in Youforce hebt kunnen zien is jouw zorgverlofaanvraag voor de tweede maal op 27 april jl. afgekeurd.

Aangezien er geen toestemming is verleend zorgverlof op te nemen, ga ik er vanuit dat de inhoud van onderstaande afwezigheidsassistent onjuist is, wordt aangepast en je je werkzaamheden hervat.

Een eventuele afwezigheid gedurende onderstaande periode, zullen wij opvatten als ongeoorloofde afwezigheid waarbij arbeidsrechtelijke consequenties niet zijn uitgesloten.

2.11.

[persoon F] , directeur Zorg bij IrisZorg, bericht [werknemer] bij brief van 24 mei 2016 als volgt.

Naar aanleiding van je herhaalde schriftelijke verzoek voor het opnemen van langdurend zorgverlof (d.d. 26 april 2016), heb je op 27 april jl. een schriftelijke afwijzing ontvangen van je manager [persoon A] conform WAZO artikel 5:11 lid 6. Over de inhoudelijke reden van afwijzing is uitvoerig gecommuniceerd. Op 18 mei jl. is daarnaast expliciet door HRM adviseur [persoon B] schriftelijk (per e-mail) aan zowel jou als je juridisch vertegenwoordiger, dhr. [persoon D] , kenbaar gemaakt dat je zorgverlof is afgekeurd en eventuele afwezigheid als ongeoorloofde afwezigheid zal worden aangemerkt. Desondanks ben je sinds vrijdag 13 mei jl. afwezig en niet bereikbaar voor ons.

Ik wil je er met deze brief op attent maken dat je gehoor dient te geven aan oproepen van je werkgever. Ik verzoek je dringend alsnog zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk donderdag 26 mei a.s. vóór 12.00 uur, contact op te nemen met [persoon A] . Je zult daarbij worden uitgenodigd voor een gesprek in bijzijn van HRM adviseur [persoon B] op maandag 30 mei a.s.

Indien je geen gehoor geeft aan deze oproep, zie ik mij genoodzaakt je afwezigheid als ongeoorloofd te beschouwen waarbij arbeidsrechtelijke consequenties, zoals het stopzetten van de salarisbetaling o.g.v. art. 7:627 BW, niet zijn uitgesloten. Ik vertrouw er op dat het zover niet hoeft te komen.

2.12.

Bij e-mail van 26 mei 2016, onder meer gericht aan [persoon B] en [persoon A] , reageert [persoon D] als volgt.

Hedenmiddag werd ik gecontacteerd door een zeer verontruste dochter van mw. [werknemer] . Zij heeft een aangetekende brief aangenomen welke door uw instelling aan mw. [werknemer] is verzonden. Uw brief vermeldt een aantal onjuistheden en bevat een impliciete onmogelijkheid; de brief werd hedenmiddag ontvangen en een gewone brief noch een email met die brief werd eerder ontvangen. Wellicht ligt die brief nog bij iemand om in te scannen terwijl die met verlof is…. De door u in de brief vermelde fatale datum en tijdstip zijn derhalve door uzelf onmogelijk gemaakt. Mw. [werknemer] is bovendien tot en met 18 mei op haar werk aanwezig geweest. Uw instelling en in het bijzonder de direct leidinggevende zijn derhalve niet op de hoogte van de eigen procedures en bezetting. Maar dat was al bekend. Waar u uw wijsheid vandaan haalt zoals vermeld in uw brief (13/5) is ons een volstrekt raadsel en mag opgehelderd worden. U heeft er eigenlijk best een rommeltje van gemaakt en u blijkt vreemd genoeg de enige(n) die niet op de hoogte is/zijn van dit verlof. De absentie van mw. [werknemer] is conform de vigerende regulering inzake ruimschoots op tijd geregeld met betrokkenen.

Ik neem deze brief u wederom bijzonder kwalijk. Dit kan met recht een asociale manier genoemd worden van het omgaan met personeel. Ik kan mij niet voorstellen dat uw directie hiervan inhoudelijk correct op de hoogte is en zal derhalve door ons worden geïnformeerd zodra mw. [werknemer] terug is van haar zorgverlof. Ook zal ik dan inhoudelijk de brief met haar bespreken en u een antwoord sturen.

2.13.

[persoon F] stuurt [werknemer] op 27 mei 2016 een brief met de volgende inhoud.

In het schrijven van 24 mei jl. inzake ongeoorloofde afwezigheid is per abuis een foutieve datum vermeld. Je kunt dat schrijven als niet verzonden beschouwen. Bijgaan tref je de juiste inhoud van de brief aan. Excuses voor de eventueel ontstane verwaring.

Naar aanleiding van je herhaalde schriftelijke verzoek voor het opnemen van langdurend zorgverlof (d.d. 26 april 2016), heb je op 27 april jl. een schriftelijke afwijzing ontvangen van je manager [persoon A] conform WAZO artikel 5:11 lid 6. Over de inhoudelijke reden van afwijzing is uitvoerig gecommuniceerd. Op 18 mei jl. is daarnaast expliciet door HRM adviseur [persoon B] schriftelijk (per e-mail) aan zowel jou als je juridisch vertegenwoordiger, dhr. [persoon D] , kenbaar gemaakt dat je zorgverlof is afgekeurd en eventuele afwezigheid als ongeoorloofde afwezigheid zal worden aangemerkt. Desondanks ben je sinds donderdag 19 mei jl. afwezig en niet bereikbaar voor ons.

Ik wil je er met deze brief op attent maken dat je gehoor dient te geven aan oproepen van je werkgever. Ik verzoek je dringend alsnog zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk maandag 30 mei a.s. vóór 12.00 uur, contact op te nemen met [persoon A] . Je zult daarbij worden uitgenodigd voor een gesprek in bijzijn van HRM adviseur [persoon B] op donderdag 2 juni a.s.

Indien je geen gehoor geeft aan deze oproep, zie ik mij genoodzaakt je afwezigheid als ongeoorloofd te beschouwen waarbij arbeidsrechtelijke consequenties, zoals het stopzetten van de salarisbetaling o.g.v. art. 7:627 BW, niet zijn uitgesloten. Ik vertrouw er op dat het zover niet hoeft te komen.

2.14.

Bij e-mail van 28 mei 2016, onder meer gericht aan [persoon B] en [persoon A] , reageert [persoon D] , onder andere, als volgt.

Ik begrijp verder dat mw. [werknemer] door alle door uw instelling nu onnodig veroorzaakte stress en spanning zich bij een arts heeft gemeld en rustgevende medicijnen voorgeschreven heeft gekregen. ik weet op dit ogenblik nog niet of dat gevolgen zal hebben voor haar terugreis en dientengevolge langere verblijfkosten en omboekingskosten. U begrijpt dat ons verzocht is u daarvoor aansprakelijk te stellen nu reeds voor alsdan indien zal blijken dat deze manifest worden. Ook de kosten voor vervoer naar en opname van haar ouders in een kliniek of ziekenhuis nu u het haar zo lastig en/of onmogelijk maakt deze zorg te verlenen zullen in dat geval op u verhaald gaan worden. Er is namelijk voor mw. [werknemer] geen enkele reden meer – na deze onfatsoenlijke behandeling van haar door uw instelling – om uw instelling ook maar ergens voor nog maar te ontzien. Om dat mogelijk te veranderen zal de benadering en behandeling van mw. [werknemer] door uw instelling op geheel andere wijze dienen te geschieden.

2.15.

Bij e-mail van 2 juni 2016 nodigt [persoon F] [werknemer] uit voor een gesprek op 8 juni 2016 om, zoals hij stelt, de situatie inzake het aangevraagde doch afgewezen zorgverlof en de gevolgen van haar ongeoorloofde afwezigheid te bespreken, waarna hierover over en weer via e-mail wordt gecorrespondeerd.

2.16.

Op 3 juni 2016 hervat [werknemer] haar werkzaamheden.

2.17.

[werknemer] stuurt [persoon A] op 21 juni 2016 de volgende e-mail.

Vandaag heb ik me ziek gemeld. Door stress / mij niet op mijn gemak voelen heb ik weer een migraineaanval gehad. Zoals ik al eerder met je besproken heb, heb ik last van paniekaanval in het verkeer en concentratie/slaapproblemen. Daardoor is momenteel het werken bij iriszorg niet verantwoord. Ik wil geen medische fouten maken. Volgens mij wil iriszorg dat ook niet. Ik denk dat het verstandig is om even een timeout te nemen om tot mezelf te kunnen komen. Je kan me ziekmelden of mijn PJB uren als vrije dagen gebruiken en mij 2 mnd vrij te geven. De beslissing laat ik aan jou over. Want ik weet niet wat van toepassing is. Ik denk dat het geen grote probleem voor de artsenbezetting in Nijmegen zal zijn. Volgens mij komt [persoon G] naar Nijmegen en hij of een andere arts kan het even van mij overnemen.

2.18.

Bedrijfsarts [persoon H] adviseert op 5 juli 2016 over [werknemer] als volgt.

- Er is thans geen sprake van ziekte of gebrek als oorzaak van het verzuim, oftewel er is geen sprake van een medische aandoening, maar de klachten zijn een direct gevolg van de werksituatie.

- Ik adviseer werkgever en mevrouw op korte termijn in gesprek te gaan om de door mevrouw ervaren knelpunten te bespreken, tot een oplossing te komen en afspraken te maken voor de toekomst. Eventueel kan hierbij een derde onafhankelijke persoon ingezet worden.

2.19.

[persoon A] stuurt [werknemer] op 8 juli 2016 een e-mail waarin, onder meer, het volgende staat.

Ik heb zojuist geprobeerd je te bellen op zowel je mobiele telefoonnummer als je privé nummer. Op beide nummers werd niet opgenomen.

Vandaar deze dringende boodschap per mail.

Volgens de bevindingen van de bedrijfsarts is er geen sprake van arbeidsongeschiktheid ten gevolge van ziekte en/of gebrek.

Daarom verwacht ik je met ingang van 11-07-2016 weer terug op het werk in jouw eigen functie. De dagen waarop je niet aanwezig bent geweest de afgelopen twee werken zullen als verlof worden afgeboekt van je verlofsaldo.

2.20.

Bij e-mail van 11 juli 2016 om 8.40 uur, gericht aan [persoon A] en met het onderwerp ‘Ziek melden’, reageert [werknemer] als volgt.

Ik heb jouw e-mail gelezen en ook aan mijn advocaat en bedrijfsarts doorgestuurd. Van hen heb ik nog niet vernomen. Helaas heb ik door jouw email niet kunnen slapen en heb al een aantal dagen hevige migraine. Jammer, want dat ging net een beetje beter. Ik ben dus niet in staat om te komen werken. Ik hoop dat ik tijdens mijn vakantie van 13 t/m 20 juli een beetje kan bijkomen zoals ik al met de bedrijfsarts doorgesproken had. Ik neem aan dat je verder van mijn advocaat zult vernemen.

2.21.

Op 18 juli 2016 stuurt [persoon A] [werknemer] de volgende e-mail.

Ik begrijp dat je niet op je werk verschenen bent vandaag 18-07-2016.

Ik heb geprobeerd je te bellen op je vaste en mobiele nummer maar krijg geen gehoor.

Ik hoor graag uiterlijk vandaag om 17:00 uur van jou of je je werk weer hebt hervat.

Mocht dat niet het geval zijn dan ben je ongeoorloofd afwezig en zal ik onze afdeling HRM vragen je een brief te doen toekomen waarin dit formeel aan jou bekend zal worden gemaakt.

2.22.

De correspondentie vindt vervolgens plaats tussen de gemachtigden van partijen. Op 2 augustus 2016 vindt een gesprek plaats tussen partijen in bijzijn van hun gemachtigden.

3 Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.

[werknemer] verzoekt de kantonrechter, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:

I) de tussen [werknemer] en IrisZorg bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens de daarvoor aangevoerde omstandigheden die maken dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen;

II) IrisZorg te veroordelen om aan [werknemer] een transitievergoeding te betalen van € 20.981,29 (bruto);

III) IrisZorg te veroordelen om aan [werknemer] een billijke vergoeding te betalen van € 86.125,00 (bruto), althans een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;

IV) IrisZorg te veroordelen om bij de beëindiging van het dienstverband aan [werknemer] een vergoeding in loon uit te betalen voor 1.404,17 opgebouwde, maar niet genoten verlofuren tot een bedrag van € 56.125,80 (bruto);

V) IrisZorg te veroordelen om aan [werknemer] te betalen de wettelijke rente over voormelde bedragen vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

VI) IrisZorg te veroordelen in de kosten van de onderhavige procedure, het salaris van de gemachtigde daaronder begrepen.

3.2.

[werknemer] legt, kort gezegd, aan haar verzoek ten grondslag dat IrisZorg ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, als gevolg waarvan de arbeidsverhouding tussen partijen zodanig verstoord is geraakt dat van [werknemer] in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst voort te zetten. Als gevolg hiervan dient de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd te eindigen als bedoeld in artikel 7:671 c BW.

3.3.

IrisZorg voert gemotiveerd verweer en voert aan dat zij zich zal refereren aan het oordeel van de kantonrechter omtrent de gevraagde ontbinding met dien verstande dat zij de kantonrechter verzoekt om in het geval van een ontbinding te oordelen dat:

I) er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van haar zijde;

II) er geen grond is voor betaling van de transitievergoeding;

III) er geen grond is voor betaling van een aanvullende billijke vergoeding;

IV) indien er grond mocht zijn voor betaling van een aanvullende billijke vergoeding, deze op nihil vast te stellen;

V) voor recht te verklaren dat het aantal openstaande verlofuren bedraagt 392,12 uur met verrekening van de dagen waarop [werknemer] geen arbeid heeft verricht vanaf 21 juni 2016 tot en met heden dan wel 973,11 uur zonder verrekening van de dagen waarop [werknemer] vanaf 21 juni 2016 geen arbeid heeft verricht;

VI) [werknemer] in de kosten van onderhavige procedure dient te worden veroordeeld.

3.4.

Indien en voor zover de kantonrechter het verzoek zijdens [werknemer] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afwijst, dan verzoekt IrisZorg de kantonrechter om:

I) de arbeidsovereenkomst met [werknemer] te ontbinden op de eerst mogelijke datum, zonder toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding;

II) indien de kantonrechter van oordeel is dat er al grond bestaat voor een billijke vergoeding, deze op nihil vast te stellen;

VII) voor recht te verklaren dat het aantal verlofuren bedraagt 392,12 uur met verrekening van de dagen waarop [werknemer] geen arbeid heeft verricht vanaf 21 juni 2016 tot en met heden dan wel 973,11 uur zonder verrekening van de dagen waarop [werknemer] vanaf 21 juni 2016 geen arbeid heeft verricht;

III) [werknemer] te veroordelen in de kosten van onderhavige procedure.

3.5.

Op de standpunten van partijen wordt, voor zover relevant voor de beoordeling, hierna ingegaan.

4 De beoordeling van het verzoek

Ontbinding

4.1.

Ingevolge artikel 7:671c lid 1 BW kan een arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer worden ontbonden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. De kantonrechter is van oordeel dat, op grond van de feiten genoemd onder 2. en het ontbreken van verweer tegen het ontbindingsverzoek als zodanig, sprake is van omstandigheden waardoor de arbeidsverhouding tussen partijen is verstoord en de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na een korte tijd behoort te worden beëindigd. Het verzoek tot ontbinding wordt dan ook toegewezen. Op grond van artikel 7:671c lid 2 aanhef en onder a BW dient de kantonrechter te bepalen op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. De kantonrechter is voornemens de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden met ingang van 1 maart 2017.

Billijke vergoeding

4.2.

[werknemer] verzoekt om veroordeling van IrisZorg tot betaling van een billijke vergoeding. Gelet op artikel 7:671c lid 2 aanhef en onder b BW is voor toekenning in de gegeven omstandigheden alleen plaats indien de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat het hierbij gaat om uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld:

- als er als gevolg van laakbaar gedrag van de werkgever een verstoorde arbeidsrelatie is ontstaan (bijvoorbeeld als gevolg van het niet willen ingaan op avances zijnerzijds) en de rechter concludeert dat er geen andere optie is dan ontslag;

- als een werkgever discrimineert, de werknemer hiertegen bezwaar maakt, er een onwerkbare situatie ontstaat en niets anders rest dan ontslag;

- als een werkgever grovelijk de verplichtingen niet nakomt die voortvloeien uit de arbeidsovereenkomst en er als gevolg daarvan een verstoorde arbeidsverhouding ontstaat. Te denken is hierbij aan de situatie waarin de werkgever zijn re-integratieverplichtingen bij ziekte ernstig heeft veronachtzaamd;

- de situatie waarin de werkgever een valse grond voor ontslag aanvoert met als enig oogmerk een onwerkbare situatie te creëren en ontslag langs die weg te realiseren;

- de situatie waarin een werknemer arbeidsongeschikt is geworden (en uiteindelijk wordt ontslagen) als gevolg van verwijtbaar onvoldoende zorg van de werkgever voor de arbeidsomstandigheden (Kamerstukken II, 2013-2014, 33 818, nr.3, p. 34).

4.3.

[werknemer] stelt allereerst dat IrisZorg haar, na een eerdere mondelinge toezegging door [persoon A] in januari 2016, op oneigenlijke gronden zorgverlof heeft geweigerd. IrisZorg heeft haar vervolgens bij herhaling ten onrechte beschuldigd van ongeoorloofd verzuim en haar opgezadeld met praktisch onuitvoerbare verzoeken en opdrachten. [werknemer] stelt dat zij zich op 11 juli 2016 wederom ziek heeft gemeld bij IrisZorg en dat zij vanwege ziekte niet in staat is haar werkzaamheden te verrichten. Desondanks houdt IrisZorg vanaf 21 juni 2016 ten laste van [werknemer] vakantiedagen in. IrisZorg is eveneens weigerachtig, althans nalatig geweest, om met haar in gesprek te gaan over de door haar ervaren knelpunten op het werk.

4.4.

IrisZorg betwist dat [persoon A] mondeling zou hebben toegezegd dat het aangevraagde zorgverlof voor 2016 zou worden toegekend. Ter zitting heeft IrisZorg verklaard dat het zorgverlof is afgewezen omdat [werknemer] haar ouders wenst te bezoeken om tijd met hen te besteden, maar dat dit geen noodzakelijke zorg voor haar ouders is. [werknemer] heeft haar werkzaamheden niet hervat, ondanks de verzoeken van IrisZorg. IrisZorg voert aan dat sprake is van werkweigering en heeft, in plaats van het opschorten van het salaris, de niet gewerkte uren in mindering gebracht op de vakantie-uren van [werknemer] . IrisZorg voert voorts aan dat zij diverse malen heeft voorgesteld om in gesprek te gaan met [werknemer] .

4.5.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat het conflict tussen partijen is ontstaan na de afwijzing van het zorgverlof voor de periode vanaf 19 mei 2016 tot en met 3 juni 2016. De stelling van [werknemer] dat [persoon A] haar mondeling zou hebben toegezegd dat dit zorgverlof zou worden toegekend, wordt door IrisZorg betwist. Deze mondelinge toezegging is dan ook niet komen vast te staan. De kantonrechter stelt vast dat het zorgverlof schriftelijk is afgewezen bij e-mail van 8 maart 2016 (rechtsoverweging 2.4.). De kantonrechter is van oordeel dat het IrisZorg te verwijten is dat zij het verzoek om zorgverlof heeft afgewezen op het enkele feit dat [werknemer] bij haar ouders wenste te zijn om tijd met hen door te brengen. De e-mail van [werknemer] d.d. 16 maart 2016 (rechtsoverweging 2.6.) bevat immers meer informatie. Het had op de weg van IrisZorg gelegen om bij [werknemer] te informeren over de noodzakelijkheid van de zorg voor haar ouders. IrisZorg had het zorgverlof dan ook niet op deze wijze mogen afwijzen. In deze procedure is echter niet in geschil of het zorgverlof onterecht is afgewezen, omdat [werknemer] in plaats van zorgverlof regulier verlof heeft opgenomen. De kantonrechter beoordeelt de afwijzing van het zorgverlof dan ook enkel in het kader van dit ontbindingsverzoek. De kantonrechter is van oordeel dat de (wijze van) afwijzing van het zorgverlof niet te kwalificeren is als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van IrisZorg.

De kantonrechter stelt voorts vast dat partijen tijdens het gesprek op 21 april 2016 hebben gediscussieerd over het afgewezen zorgverlof voor 2016. Uit het gespreksverslag (rechtsoverweging 2.8.) blijkt dat partijen dit gesprek in gespannen sfeer hebben beëindigd. De kantonrechter acht het voldoende aannemelijk dat [persoon A] en [persoon B] door de e-mail respectievelijk de ontvangen afwezigheidsassistent van [werknemer] d.d. 18 mei 2016 (rechtsoverwegingen 2.9. en 2.10.) op het verkeerde been zijn gezet, nu hieruit volgt dat [werknemer] afwezig is in dezelfde periode als waarvoor zij zorgverlof had aangevraagd en dat zorgverlof was afgewezen. Het vermoeden dat [werknemer] ongeoorloofd afwezig was, werd door [persoon D] bevestigd in de e-mail (rechtsoverweging 2.12.) waarin hij schrijft ‘zodra mw. [werknemer] terug is van haar zorgverlof’. Dat IrisZorg heeft nagelaten om intern navraag te doen of [werknemer] regulier verlof heeft opgenomen, gelet op haar e-mail van 14 maart 2016 (rechtsoverweging 2.5.), is IrisZorg te verwijten. De kantonrechter is echter van oordeel dat de handelswijze van IrisZorg, waaronder haar brieven d.d. 24 en 27 mei 2016, ten aanzien van de mogelijk ongeoorloofde afwezigheid van [werknemer] gezien het voorgaande niet ernstig verwijtbaar is.

De kantonrechter stelt tenslotte vast dat IrisZorg de e-mail van [werknemer] d.d. 11 juli 2016 (rechtsoverweging 2.20.) niet als een ziekmelding heeft opgevat. De kantonrechter overweegt dat enerzijds het onderwerp van deze e-mail (‘Ziek melden’) een duidelijke aanwijzing geeft dat [werknemer] heeft bedoeld om zich opnieuw ziek te melden, maar dat het anderzijds voorstelbaar is dat IrisZorg, vanwege de inhoud van de e-mail (zoals geciteerd in rechtsoverweging 2.20.), deze e-mail niet als zuivere ziekmelding heeft gezien. De kantonrechter is van oordeel dat het, met name vanwege het onderwerp van de e-mail, (wederom) op de weg van IrisZorg lag om ter verduidelijking contact op te nemen met [werknemer] . IrisZorg heeft getracht in gesprek te gaan met [werknemer] , in eerste instantie gepland op 8 juni 2016 (rechtsoverweging 2.15.), wat uiteindelijk heeft geleid in een gesprek op 2 augustus 2016. Het is de kantonrechter ter zitting gebleken dat partijen tijdens dit gesprek nog wel verschilden van mening of [werknemer] ziek was, maar dat zij niet meer gesproken hebben over de ziekmelding of een te verrichten onderzoek door de bedrijfsarts, omdat het gesprek gericht was op beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat het in deze situatie, [werknemer] werd tijdens dit gesprek bijgestaan door haar gemachtigde, op de weg van [werknemer] lag om enig misverstand over de ziekmelding van 11 juli 2016 weg te nemen. Dit heeft zij nagelaten. IrisZorg heeft na dit gesprek geen bedrijfsarts ingeschakeld om de ziekmelding van [werknemer] te onderzoeken,. De kantonrechter is van oordeel dat dit IrisZorg is te verwijten, maar – gelet op de feiten en omstandigheden alsmede de communicatie tussen partijen – niet te kwalificeren is als ernstig verwijtbaar handelen.

4.6.

De kantonrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de door [werknemer] aangevoerde feiten en omstandigheden niet leiden tot de conclusie dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van IrisZorg. Het verzoek van [werknemer] om IrisZorg te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding wordt dan ook afgewezen.

Transitievergoeding

4.7.

[werknemer] verzoekt tevens om veroordeling van IrisZorg tot betaling van een transitievergoeding. Ingevolge artikel 7:673 lid 1 aanhef en onder b 2 ° BW is de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever op verzoek van de werknemer is ontbonden. Aan deze vereisten is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, niet voldaan, nu geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van IrisZorg. Het verzoek van [werknemer] om een transitievergoeding wordt dan ook afgewezen.

Verlofuren

4.8.

[werknemer] verzoekt tenslotte de veroordeling van IrisZorg tot betaling van een vergoeding in loon voor 1.404,17 opgebouwde, maar niet genoten verlofuren tot een bedrag van € 56.125,80 bruto.

4.9.

De kantonrechter overweegt allereerst dat deze vordering door [werknemer] op grond van artikel 7:686a lid 3 BW kan worden ingediend in deze verzoekschriftprocedure, omdat het gaat om een vordering die voldoende verband houdt met de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

4.10.

Tussen partijen is allereerst in geschil of IrisZorg vanaf 21 juni 2016 de dagen waarop [werknemer] niet heeft gewerkt mocht verrekenen met de verlofuren. [werknemer] stelt dat zij deze dagen vanwege ziekte niet heeft kunnen werken dan wel dat zij niet heeft kunnen werken door omstandigheden die in redelijkheid voor rekening van IrisZorg behoren te komen. IrisZorg voert aan dat [werknemer] niet ziek is en er geen omstandigheden zijn waardoor zij haar werkzaamheden niet zou kunnen hervatten. IrisZorg heeft deze dagen daarom beschouwd als werkweigering en deze in mindering gebracht op de verlofuren n plaats van het salaris op te schorten.

4.11.

De kantonrechter stelt vast dat [werknemer] zich op 21 juni 2016 heeft ziekgemeld (rechtsoverweging 2.17.). Nadat IrisZorg deze ziekmelding heeft laten beoordelen door de bedrijfsarts, heeft zij [werknemer] op de hoogte gesteld van de bevindingen van de bedrijfsarts en [werknemer] op 8 juli 2016 dringend verzocht om op 11 juli 2016 haar werkzaamheden te hervatten. IrisZorg heeft [werknemer] op 8 juli 2016 eveneens bericht dat de dagen waarop zij niet aanwezig is geweest als verlof zullen worden afgeboekt van haar verlofsaldo (rechtsoverweging 2.19.).

Ten aanzien van de periode vanaf 21 juni 2016 tot 11 juli 2016 overweegt de kantonrechter dat IrisZorg, achteraf op 8 juli 2016, [werknemer] heeft bericht dat deze niet gewerkte uren met terugwerkende kracht worden afgeboekt van haar verlofsaldo. Allereerst is het de kantonrechter onduidelijk op welke grondslag IrisZorg hiertoe is overgegaan. Voor zover al moet worden uitgegaan dat IrisZorg ten voordele van [werknemer] heeft afgeweken door haar verlof in te houden in plaats van het stopzetten dan wel opschorten van haar loon, maakt niet dat kan worden afgeweken van artikel 7:629 lid 7 BW . IrisZorg kan geen beroep meer doen op enige grond het loon geheel of gedeeltelijk niet te betalen of de betaling daarvan op te schorten, indien zij [werknemer] daarvan geen kennis heeft gegeven onverwijld nadat bij haar het vermoeden van het bestaan daarvan is gerezen of redelijkerwijs had behoren te rijzen.

Ten aanzien van de periode vanaf 11 juli 2016 overweegt de kantonrechter, gelet op hetgeen overwogen in rechtsoverweging 4.5. laatste alinea, dat IrisZorg heeft verzuimd de bedrijfsarts in te schakelen na de e-mail van [werknemer] d.d. 11 juli 2016 waarin zij zich, naar het oordeel van de kantonrechter, ziek heeft gemeld. Nu er geen bedrijfsarts is ingeschakeld en diens advies (tot op heden) aldus ontbreekt, dient te worden uitgegaan dat [werknemer] vanaf 11 juli 2016 ziek is en om die reden haar werkzaamheden niet heeft verricht. [werknemer] behoudt vanwege ziekte vanaf 11 juli 2016 haar loon.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat IrisZorg vanaf 21 juli 2016 tot heden de dagen waarop [werknemer] niet heeft gewerkt niet mocht afboeken van haar verlofuren.

Opbouw verlofuren

4.12.

Partijen verschillen van mening over het aantal opgebouwde verlofuren tot en met januari 2017. Nu de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 maart 2017 wordt beëindigd, berekent de kantonrechter het verlofsaldo per 1 maart 2017. De kantonrechter stelt vast dat de verlofuren bestaan uit vakantie-uren, zogenoemde PLB uren (Levens Fase Budget uren) en extra gewerkte uren. Partijen zijn het erover eens dat [werknemer] per jaar recht heeft op 166 vakantie-uren en 35 PLB uren. Partijen zijn het daarnaast over eens dat [werknemer] op 1 januari 2016 een positief verlofsaldo had van 3 vakantie-uren en 1.033 PLB uren. Tenslotte is niet in geschil dat [werknemer] in 2016 96,19 uur extra heeft gewerkt.

4.13.

[werknemer] stelt dat de zowel de vakantie-uren alsmede de PLB uren per maand moeten worden vastgesteld door het aantal uren op jaarbasis te delen door 12. Dat wil zeggen een opbouw van 13,83 per maand aan vakantie-uren en 2,92 per maand aan PLB uren.

IrisZorg heeft in haar overzicht de opbouw van vakantie-uren en PLB uren niet in gelijke verhouding over de maanden verdeeld, maar een iets wisselende maandelijkse opbouw gehanteerd. IrisZorg heeft deze berekeningswijze niet onderbouwd.

De kantonrechter gaat, bij gebreke van enige onderbouwing van IrisZorg, uit van een gelijkmatige opbouw per maand van zowel de vakantie-uren als de PLB uren. Dit betekent dat [werknemer] voor de maanden januari 2017 en februari 2017 in totaal 27,66 vakantie-uren en 5,84 PLB uren heeft opgebouwd en (tot 1 maart 2017) zal opbouwen.

4.14.

De kantonrechter stelt, naast de 96,19 extra gewerkte uren in 2016, de totale opbouw van de vakantie-uren respectievelijk PLB uren tot 1 maart 2017 als volgt vast:

Startsaldo vakantie-uren 1 januari 2016 3

Opbouw vakantie-uren 2016 166

Opbouw vakantie-uren 2017 27,66+

Saldo opbouw vakantie-uren 1 maart 2017 196,66

Startsaldo PLB uren 1 januari 2016 1.033

Opbouw PLB uren 2016 35

Opbouw PLB uren 2017 5,84+

Saldo opbouw PLB uren 1 maart 2017 1.073,84

Opname verlofuren

4.15.

IrisZorg heeft een Excel bestand overgelegd waarin staat vermeld dat [werknemer] vanaf 1 januari 2016 in totaal 217 vakantie-uren en 207 PLB uren heeft opgenomen.

[werknemer] stelt daartegenover dat onder meer sprake is van een dubbeltelling omdat PLB uren volgens de systematiek van de verlofregistratie eerst moeten worden omgezet in vakantie-uren voordat deze PLB uren als verlofuren kunnen worden opgenomen. Zij stelt vanaf 1 januari 2016 tot 21 juni 2016 in totaal 81 vakantie-uren en 91 PLB uren te hebben opgenomen. [werknemer] specificeert daarbij op welke dagen zij uren heeft opgenomen en onderbouwt haar stellingen met onder meer uitdraaien van Aysist, het medewerkersportaal van IrisZorg.

De kantonrechter is van oordeel van [werknemer] voldoende aannemelijk heeft gemaakt, dat zij in de periode van 1 januari 2016 tot 21 juni 2016 in totaal 81 vakantie-uren en 91 PLB uren heeft opgenomen. Niet alleen heeft IrisZorg enkel een kaal overzicht overgelegd, zij heeft bij brief van 23 december 2016 ook afgezien van een reactie op de door [werknemer] overgelegde gegevens en stukken.

De stelling van [werknemer] dat zij na 21 juni 2016 geen verlofdagen meer heeft opgenomen volgt de kantonrechter niet, omdat zij bij haar ziekmelding op 11 juli 2016 spreekt over haar vakantie van 13 tot en met 20 juli (rechtsoverweging 2.20.) en zij deze vakantie zal gebruiken om een beetje bij te komen. De kantonrechter is van oordeel dat [werknemer] op dat moment, ondanks haar bedoelde ziekmelding, wel voornemens was haar reeds geplande vakantie-uren als zodanig op te nemen. Gelet op de werkdagen en -tijden van [werknemer] (maandag tot en met donderdag, 9 uur per dag), heeft zij op woensdag 13 juli, donderdag 14 juli, maandag 18 juli, dinsdag 19 juli en woensdag 20 juli in totaal 45 uur vakantie-uren opgenomen. De kantonrechter stelt hiermee de totale opname aan vakantie-uren vanaf 1 januari 2016 vast op 126.

4.16.

De kantonrechter concludeert dat de volgende verlofuren op 1 maart 2017 resteren.

Vakantie-uren (196,66 – 126) 70,66

PLB uren (1.073,84 – 91) 982,84

Extra gewerkte uren 96,19

Waarde verlofuren

4.17.

Tussen partijen is niet in geschil dat het salaris van [werknemer] per uur € 37,01 bruto (exclusief vakantiebijslag en exclusief eindejaarsuitkering) bedraagt. [werknemer] stelt dat zij recht heeft op uitbetaling van het bruto uurloon inclusief 8% vakantiebijslag en inclusief 6,75% eindejaarsuitkering van zowel de vakantie-uren, de PLB uren als de extra gewerkte uren. Uit het Excel bestand van IrisZorg alsmede de korte toelichting daarop volgt dat IrisZorg aanvoert dat de vakantie-uren een waarde vertegenwoordigen ter hoogte van het bruto uurloon inclusief 8% vakantiebijslag en exclusief eindejaarsuitkering. De PLB uren alsmede de extra gewerkte uren vertegenwoordigen volgens IrisZorg een waarde ter hoogte van het bruto uurloon exclusief vakantiebijslag en exclusief eindejaarsuitkering.

4.18.

De kantonrechter stelt vast dat [werknemer] bij het einde van haar arbeidsovereenkomst nog aanspraak heeft op vakantie en zij op grond van artikel 7:641 lid 1 BW recht heeft op uitkering in geld tot een bedrag van het loon overeenkomend met de aanspraak. Onder loon bedoeld in artikel 7:641 lid 1 BW wordt niet slechts verstaan het maandelijks verschuldigde vaste loon, maar ook eventuele emolumenten en vergoedingen waarop de werknemer normaal recht heeft. Dit betekent dat de waarde van de vakantie-uren het brutoloon betreft inclusief de vakantiebijslag en inclusief de eindejaarsuitkering. De vakantiebijslag bedraagt 8%. De eindejaarsuitkering bedraagt op grond van artikel 12 van hoofdstuk 7A van de cao GGZ (1 juli 2015 – 1 maart 2017) tot 1 december 2016 6,75% en per 1 december 2016 7,75%. De vakantie-uren worden dan ook als volgt gesplitst:

Vakantie-uren tot 1 december 2016 (3 + 11/12 van 166 – 126) = 29,17

Vakantie-uren per 1 december 2016 tot 1 maart 2017 (3/12 van 166) = 41,5

De waardes van deze vakantie-uren bedragen:

29,17 x (€ 37,01 vermeerderd met 8% en 6,75%) = € 1.238,85

41,5 x (€ 37,01 vermeerderd met 8% en 7,75%) = € 1.777,86

[werknemer] heeft dan ook recht op uitkering van de vakantie-uren van in totaal € 3.016,71 bruto.

4.19.

Ingevolge artikel 4 van hoofdstuk 12C van de cao GGZ continueert de werkgever, kort gezegd, bij opname van PLB uren de opbouw van vakantiebijslag en de opbouw van eindejaarsuitkering. IrisZorg voert aan dat bij uitdiensttreding de PLB uren worden uitgekeerd zonder vakantiebijslag (en eindejaarsuitkering), maar zij onderbouwt haar stelling niet. Bovendien wordt zowel de vakantiebijslag als de eindejaarsuitkering uitgekeerd over het feitelijk verdiende (jaar)salaris. De kantonrechter overweegt dat gesteld noch gebleken is dat wanneer [werknemer] haar PLB uren opnam als vrije tijd, zij over deze uren haar salaris kreeg uitbetaald zonder dat daarover vakantiebijslag en eindejaarsuitkering werd berekend. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [werknemer] recht heeft op uitbetaling van haar PLB vermeerderd met zowel de vakantietoeslag als de eindejaarsuitkering, te weten:

PLB uren tot 1 december 2016 (1.033 + 11/12 van 35 – 91) = 974,08

PLB uren per 1 december 2016 tot 1 maart 2017 (3/12 van 35) = 8,75

De waardes van deze PLB uren bedragen:

974,08 x (€ 37,01 vermeerderd met 8% en 6,75%) = € 41.369,18

8,75 x (€ 37,01 vermeerderd met 8% en 7,75%) = € 374,85

[werknemer] heeft dan ook recht op uitkering van de PLB uren van in totaal € 41.744,03 bruto.

4.20.

Ten aanzien van de extra gewerkte uren geldt dat artikel 2 van hoofdstuk 12A van de cao GGZ overwerk expliciet heeft uitgezonderd van de vakantiebijslag. Dit geldt echter niet voor de, in artikel 12 van hoofdstuk 7A van de cao GGZ geregelde, eindejaarsuitkering. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat [werknemer] recht heeft op uitbetaling van de extra gewerkte uren verhoogd met 6,75% eindejaarsuitkering, omdat deze uren zijn opgebouwd voor 1 december 2016, te weten: 96,19 x (€ 37,01 vermeerderd met 6,75%) = € 3.800,47 bruto.

4.21.

De kantonrechter komt tot de conclusie dat [werknemer] bij het einde van haar arbeidsovereenkomst per 1 maart 2017 recht heeft op een bedrag van € 48.561,21 bruto aan uitbetaling van haar verlofuren. In verband met de intrekkingsmogelijkheden van partijen over en weer zal deze veroordeling gekoppeld worden aan het geval dat de arbeidsovereenkomst ook daadwerkelijk eindigt en waarbij als uitgangspunt geldt dat intrekking van het verzoek door [werknemer] niet de beslissing op dit verzoek raakt. Omdat de termijnen voor intrekking doorlopen tot 24 februari 2017 wordt nog toegevoegd dat betaling van genoemde bedrag niet per 1 maart 2017 maar uiterlijk 24 maart 2017 dient te geschieden.

Mogelijkheid tot intrekking

4.22.

Op grond van artikel 7:686a lid 6 BW heeft [werknemer] de bevoegdheid het verzoek in te trekken. Aan haar wordt een termijn gegund tot 14 februari 2017.

5 De beoordeling van het tegenverzoek

5.1.

IrisZorg heeft een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend en formuleert dit verzoek als volgt: Indien en voor zover de rechtbank het verzoek zijdens de werkneemster tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst afwijst, dan verzoekt Iriszorg als volgt (…)

5.2.

De kantonrechter overweegt, gelet op de geciteerde tekst van het voorwaardelijk tegenverzoek van IrisZorg, niet aan de voorwaarde voor het tegenverzoek is voldaan, omdat de kantonrechter het verzoek van [werknemer] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst toewijst. Echter, uit het feit dat geen verweer is gevoerd tegen de door [werknemer] verzochte ontbinding, de correspondentie tussen de gemachtigden voorafgaand aan deze procedure alsmede de proceshouding van IrisZorg tijdens deze procedure (zoals ook in de brief d.d. 23 december 2016), volgt voldoende duidelijk dat IrisZorg de bedoeling heeft om het tegenverzoek óók te laten gelden wanneer de kantonrechter de arbeidsovereenkomst ontbindt en [werknemer] het verzoek, daartoe zal haar een termijn worden vergund, intrekt. De kantonrechter zal het tegenverzoek dan ook in die zin opvatten en daarom beoordelen.

Tegenverzoek - algemeen

5.3.

Ten aanzien van het tegenverzoek merkt de kantonrechter allereerst op dat het verzoek van [werknemer] en het tegenverzoek van IrisZorg op dezelfde zitting gelijktijdig zijn behandeld. De kantonrechter zal de standpunten en vorderingen van partijen in het verzoek dan ook als herhaald en ingelast beschouwen.

Ontbinding

5.4.

IrisZorg stelt primair dat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] , zodanig dat van IrisZorg in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder e BW ). [werknemer] weigert vanaf 20 juli 2016 haar werkzaamheden te hervatten en is niet ziek en heeft zich niet ziek gemeld, aldus IrisZorg.

5.5.

De kantonrechter heeft, in rechtsoverweging 4.11. laatste alinea, reeds overwogen dat dient te worden uitgegaan dat [werknemer] vanaf 11 juli 2016 ziek is. Van werkweigering kan derhalve geen sprake zijn. In hetgeen IrisZorg voor het overige heeft gesteld, ziet de kantonrechter evenmin omstandigheden die [werknemer] zodanig zijn te verwijten dat sprake is van voornoemde grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

5.6.

IrisZorg stelt subsidiair dat sprake is van een verstoorde arbeidsverhouding, zodanig dat van haar in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren (artikel 7:669 lid 3 aanhef en onder g BW ).

5.7.

De kantonrechter is, zoals eerder overwogen in rechtsoverweging 4.1., van oordeel dat de arbeidsverhouding tussen partijen dermate is verstoord dat sprake is van genoemde redelijke grond voor ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Dit blijkt in feite reeds uit de door partijen over en weer gedane verzoeken tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst. De kantonrechter constateert echter dat sprake is van een opzegverbod, omdat – bij gebreke van enig onderzoek door de bedrijfsarts, hetgeen voor rekening en risico van IrisZorg komt – moet worden uitgegaan dat [werknemer] ongeschikt is tot het verrichten van haar arbeid wegens ziekte (artikel 7:670 lid 1 BW). Dit opzegverbod staat in beginsel aan ontbinding in de weg, tenzij, zo volgt uit artikel 7:671b lid 6 BW , het verzoek geen verband houdt met de ziekte van [werknemer] . De kantonrechter is van oordeel dat het opzegverbod niet aan het verzoek van IrisZorg in de weg staat, omdat het verzoek van IrisZorg geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [werknemer] , maar met de verstoorde arbeidsverhouding tussen partijen die is ontstaan na de afwijzing van het zorgverlof voor de periode vanaf 19 mei 2016 tot en met 3 juni 2016 en de daaropvolgende (schriftelijke) communicatie tussen partijen. Nu het opzegverbod wegens ziekte niet aan de ontbinding van de arbeidsovereenkomst in de weg staat, zal de kantonrechter het ontbindingsverzoek van IrisZorg toewijzen.

5.8.

De arbeidsovereenkomst zal met toepassing van artikel 7:671b lid 8 onder a BW op grond van artikel 7:671b lid 1 BW gelezen in samenhang met artikel 7:669 lid 3 onder g BW worden ontbonden met ingang van 1 maart 2017.

Transitievergoeding

5.9.

IrisZorg stelt dat [werknemer] geen recht heeft op een transitievergoeding, omdat zij ernstig verwijtbaar heeft gehandeld en verzoekt (in het tegenverzoek) daarover een uitspraak te doen.

5.10.

Uit artikel 7:673 lid 1 aanhef en onder a sub 2 BW volgt dat de werkgever aan de werknemer een transitievergoeding is verschuldigd, indien – kort samengevat – de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werkgever is ontbonden. Aan deze vereisten is voldaan, terwijl – gelet op hetgeen hiervoor is overwogen – geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [werknemer] . Nu de uitzonderingssituatie van artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW zich niet voordoet, is het verzoek van [werknemer] om een transitievergoeding toewijsbaar.

5.11.

Aangezien [werknemer] bij het eindigen van de arbeidsovereenkomst ouder dan 50 jaar is en de arbeidsovereenkomst meer dan 120 maanden heeft geduurd, geldt voor haar de ‘verzwaarde’ transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673a lid 1 BW . Hierbij overweegt de kantonrechter dat IrisZorg de (in het verzoekschrift ingenomen) stelling van [werknemer] dat er bij Iriszorg circa 1.450 personeelsleden werkzaam zijn niet heeft betwist en zij dus meer dan 25 werknemers in dienst heeft en niet als ‘kleine’ werkgever als bedoeld in artikel 7:673a lid 2 BW is aan te merken. Ingevolge artikel 3 lid 1 aanhef en onder a van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding wordt het loon voor de transitievergoeding vermeerderd met de vakantiebijslag en de vaste eindejaarsuitkering waar de werknemer binnen twaalf maanden aanspraak op zou hebben bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst, gedeeld door twaalf. Rekening houdend met het loon van € 5.774,00 bruto per maand vermeerderd met 8% vakantiegeld en 7,75% eindejaarsuitkering, heeft de kantonrechter de transitievergoeding berekend op € 26.733,64 bruto.

Billijke vergoeding

5.12.

De kantonrechter is, gelet op hetgeen overwogen in rechtsoverwegingen 4.2. tot en met 4.5., van oordeel dat de door [werknemer] aangevoerde feiten en omstandigheden niet leiden tot de conclusie dat van dergelijk ernstig handelen of nalaten sprake is. Het verzoek van [werknemer] om IrisZorg te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding wordt dan ook afgewezen.

Verlofuren

5.13.

De verklaring voor recht aangaande de openstaande verlofuren kan niet gegeven worden omdat daarop al is beslist op het verzoek van [werknemer] en is geoordeeld dat een eventuele intrekking van het ontbindingsverzoek door haar geen betrekking heeft op dit verzoek en de beslissing daarop.

5.14.

Op grond van artikel 7:686a lid 6 BW heeft IrisZorg de bevoegdheid het verzoek in te trekken. Aan haar wordt een termijn gegund tot 24 februari 2017.

6 in de zaak van het verzoek en in de zaak van het tegenverzoek

Nu partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld, is de kantonrechter van oordeel dat het redelijk is dat iedere partij de eigen kosten draagt.

7 De beslissing

De kantonrechter,

7.1.

veroordeelt IrisZorg om, indien de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 maart 2017 eindigt, uiterlijk 24 maart 2017 aan [werknemer] een vergoeding voor de opgebouwde, maar niet genoten verlofuren te betalen van € 48.561,21 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

7.2.

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

7.3.

stelt [werknemer] in de gelegenheid het verzoek uiterlijk 14 februari 2017 in te trekken door een schriftelijke mededeling aan de griffier van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem alsmede per fax: 088-3610375, alsook een schriftelijke mededeling aan IrisZorg;

als [werknemer] het verzoek niet intrekt:

7.4.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2017;

7.5.

verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

7.6.

wijst het meer of anders verzochte af;

als [werknemer] het verzoek intrekt:

7.7.

stelt IrisZorg in de gelegenheid het verzoek uiterlijk 24 februari 2017 in te trekken door een schriftelijke mededeling aan de griffier van de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem alsmede per fax: 088-3610375, alsook een schriftelijke mededeling aan [werknemer] ;

als IrisZorg het verzoek niet intrekt:

7.8.

ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 maart 2017;

7.9.

veroordeelt IrisZorg om aan [werknemer] een transitievergoeding als bedoeld in artikel 7:673 BW te betalen van € 26.733,64 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid tot aan de dag der algehele voldoening;

7.10.

verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

7.11.

wijst het meer of anders verzochte af;

in alle gevallen:

7.12.

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. B.J. Engberts en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature