Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Eiser is afkomstig uit Algerije en heeft een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. Verweerder heeft gesteld dat Algerije een veilig land van herkomst is. Eiser betwist dit. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:630) waarin is geoordeeld dat verweerder terecht Algerije heeft aangemerkt als veilig land van herkomst. In hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. Uit overweging 5.4 blijkt dat de stelling van eiser dat de Afdeling een onjuist toetsingskader hanteert omdat alleen de “absolute rechten” genoemd in artikel 15 EVRM worden betrokken en niet andere rechten genoemd in het EVRM, zoals bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting, feitelijk onjuist is. De Afdeling betrekt de mensenrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en vrouwenrechten bij de beoordeling, maar komt vervolgens tot de conclusie dat de nog bestaande onvolkomenheden op dat gebied niet leiden tot het oordeel dat Algerije om die reden in het algemeen niet veilig is.

Vervolgens heeft de Afdeling in rechtsoverweging 5.5. overwogen dat uit rechtsoverwegingen 5.3 en 5.4 volgt dat de aanwijzing van Algerije als veilig land van herkomst voldoet aan het bepaalde in artikel 3.105ba, tweede lid, Vb , dat er in Algerije wet- en regelgeving is die vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 EVRM verbiedt, dat die wet- en regelgeving wordt toegepast en dat daadwerkelijk een systeem van rechtsmiddelen beschikbaar is. Verweerder heeft daarom zorgvuldig onderzocht en deugdelijk gemotiveerd dat in Algerije algemeen gezien geen vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 EVRM plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.37f VV, waardoor de aanwijzing van Algerije als veilig land van herkomst aan de wettelijk voorgeschreven vereisten voldoet. De rechtbank wijst er in dit kader op dat artikel 3.37 f VV nagenoeg letterlijk overeenkomt met de in Bijlage I bij de Procedurerichtlijn opgenomen definitie van het begrip “veilig land van herkomst ”. Dat de Afdeling in de uitspraak van 8 maart 2017 niet afzonderlijk heeft beoordeeld of Algerije kan worden aangemerkt als “democratisch stelsel”, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt niet eisers standpunt dat de vraag of in een land sprake is van een democratisch stelsel afzonderlijk zou moeten worden getoetst. Het gaat er blijkens artikel 337f, eerste lid, VV immers om of in zo ’n rechtstelsel de rechtsvoorschriften in de praktijk worden toegepast. De rechtbank ziet daarom in hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van justitie. Verweerder heeft aldus terecht Algerije aangemerkt als veilig land van herkomst.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL 16.3841

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 1 mei 2017 in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedatum 1] , van Algerijnse nationaliteit,

eiser,

(gemachtigde: S. Thelosen, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

verweerder,

(gemachtigde: mrs. A.H. Noordeloos en M.P. de Boo, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Eiser heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hij verzoekt verweerder te verbieden hem uit te zetten tot vier weken nadat de rechtbank op het beroep heeft beslist.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. A.H. Noordeloos.

De voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van 9 januari 2017 (NL 16.3842) de door eiser verzochte voorlopige voorziening toegewezen.

De rechtbank heeft partijen vervolgens op 10 januari 2017 bericht dat het onderzoek zal worden heropend en bij schrijven van 15 februari 2017 dat de zaak verder zal worden behandeld door de meervoudige kamer.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 17 maart 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.P. de Boo.

Overwegingen

1. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn aanvraag het volgende aangevoerd. Eiser is geboren zonder dat zijn ouders getrouwd waren. Hij heeft daarom geen geboorteakte gekregen. Tot zijn derde levensjaar is eiser bij zijn ouders gebleven. Daarna hebben zijn ouders hem achter gelaten bij de buurvrouw en zijn zij samen weggelopen. De oma van eiser is er vervolgens achter gekomen dat eiser geboren was. Toen de oma hier met haar echtgenoot over sprak, bleek dat zijn opa al op de hoogte was van eisers bestaan. De opa van eiser wilde hem doden. De oma is vervolgens van zijn opa gescheiden en zij heeft eiser bij de buurvrouw opgehaald en hem verder grootgebracht. Ze hebben in het oude huis van zijn oma gewoond. Toen eiser op een dag water ging halen bij de waterbron, riep een vriend eisers naam nadat eiser een jerrycan had laten vallen. Er liepen daar nog drie mannen, die - naar wat zijn oma hem later vertelde - zijn opa en ooms waren. De opa kende eisers naam. Toen eiser een jerrycan stond te vullen, gooide zijn opa een kei op zijn been. Ook heeft hij met zijn ring op eisers ogen geslagen. Eiser heeft daardoor zijn been gebroken en ook zijn oog wijkt hierdoor wat af. Zijn opa trok een mes en wilde de keel van eiser doorsnijden. Doordat eiser gilde, kwamen er mensen op hem afgerend om hem te redden. Zijn opa en ooms zijn daarop weg gegaan.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft de volgende elementen als relevant aangemerkt:

- eiser is [eiser] en is geboren op [geboortedatum 2] ;- eiser heeft de Algerijnse nationaliteit en is afkomstig uit [plaats] ; - eiser is nimmer geregistreerd in zijn land van herkomst; - de opa van eiser wil hem doden, omdat hij een onwettig kind is. Eiser is in november 2015 aangevallen door zijn opa.

Verweerder heeft enkel geloofwaardig geacht dat eiser de Algerijnse nationaliteit heeft en afkomstig is uit [plaats] . De overige elementen heeft verweerder ongeloofwaardig geacht. Eiser komt daarom niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b van de Vw .

3. Eiser voert aan, zoals ter zitting nader is toegelicht, dat verweerder ten onrechte geen aanleiding heeft gezien om nader onderzoek te laten doen door de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (FMMU) en de aanvraag in de verlengde asielprocedure te behandelen. Van het missen van één afspraak bij het FMMU treft eiser in ieder geval geen blaam, van de andere afspraak geeft eiser aan dat de uitnodiging hem niet tijdig heeft bereikt. Een FMMU-onderzoek is een belangrijk deel van de asielprocedure, waaraan niet lichtzinnig voorbij kan worden gegaan. Door de handelswijze van verweerder heeft eiser geen bewijs kunnen leveren van het fysieke letsel (zijn littekens) dat hij heeft overgehouden aan de mishandeling door zijn opa. De bevindingen van de FMMU hadden vervolgens voldoende grond kunnen opleveren voor nader medisch onderzoek door verweerder op grond van artikel 18 van de Richtlijn 2013 /32/EU (de Procedurerichtlijn). Eiser verwijst in dit verband naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 9 maart 2010 inzake R.C. tegen Zweden (nr. 41827/07). Verweerder heeft miskend dat medisch onderzoek steunbewijs kan opleveren, dat kan maken dat verweerder het relaas van eiser dient te volgen.

3.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser tweemaal niet is verschenen op de ingeplande afspraken bij de FMMU. Eiser is voldoende in de gelegenheid gesteld om zich te laten onderzoeken. Verder is van belang dat namens eiser is aangegeven dat hij goed in staat was om de gehoren te volbrengen. Daarnaast heeft de gang van zaken tijdens de gehoren geen aanleiding gevormd om alsnog een onderzoek door FMMU op te starten. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat zijn oogklachten en de littekens op zijn been verband zouden houden met door hem ondergane mishandeling in Algerije. In de onderhavige zaak wordt - nog los van het ontbreken van medische documenten over zijn medisch/psychische klachten en omstandigheden - een onderzoek naar medisch steunbewijs niet relevant geacht, omdat er in de kern van het asielrelaas sprake is van ongeloofwaardige verklaringen. Het is daarom voorzienbaar dat het onderzoek niet leidt tot een ander oordeel. Een forensisch medisch onderzoek wordt niet geacht van doorslaggevend belang te kunnen zijn in deze zaak, gelet op de ongeloofwaardigheid van eisers verklaringen op meerdere aspecten.

3.2

De rechtbank overweegt dat uit rechtsoverweging 53 van het arrest van het EHRM in de zaak R.C. tegen Zweden volgt dat, op het moment waarop een rapport van een medisch onderzoek wordt overgelegd waaruit volgt dat er sterke aanwijzingen bestaan dat de betrokkene het slachtoffer is geworden van de gestelde mishandeling of marteling, het op de weg van verweerder ligt om daar nader onderzoek naar te doen. Eiser heeft een dergelijk rapport niet overgelegd. Hij heeft weliswaar het IMMO ingeschakeld, maar, zo blijkt uit informatie van eiser zelf, deze zijn niet tot onderzoek overgegaan. Het enkele feit dat eiser oogklachten heeft en een litteken op zijn been, hetgeen ook door de gehoormedewerker is waargenomen tijdens het nader gehoor, heeft verweerder dan ook niet ten onrechte onvoldoende geacht om een nader medisch onderzoek te laten doen. Daarbij weegt de rechtbank ook mee dat eiser, zoals hierboven vermeld, in de gelegenheid is geweest om het IMMO te vragen om hem nader te onderzoeken en dat het IMMO daartoe niet is overgegaan, omdat het keuzes moet maken gelet op het grote aantal verzoeken. De beroepsgrond faalt.

4. Eiser voert met betrekking tot zijn identiteit aan dat hij bij het eerste gehoor duidelijk heeft gemaakt dat hij de waarheid wil vertellen. Hij heeft vervolgens zijn persoonsgegevens doorgegeven, waarop hij niet meer is terug gekomen. Dat deze verklaringen tegenstrijdig zijn met zijn daarvóór afgelegde verklaringen is juist, maar dat heeft eiser ook eerlijk toegegeven. Volgens eiser heeft verweerder in strijd met het recht gehandeld door verklaringen in de aanmeldfase aan eiser tegen te werpen. Het aanmeldgehoor heeft geen wettelijke basis en onduidelijk is op basis waarvan verweerder meent de verklaringen van eiser bij de vreemdelingenpolitie te mogen betrekken. Uit artikel 12, eerste lid, onder a, van de Procedurerichtlijn, dat is ge ïmplementeerd in artikel 3.108c van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) volgt dat eiser recht had op informatieverstrekking over de belangrijkste elementen van de asielprocedure, waaronder informatie over de geloofwaardigheids-beoordeling, vóór aanvang van de procedure. Nu verweerder de verklaringen van eiser in de aanmeldfase bij de beoordeling heeft betrokken, had verweerder dus ook al in die fase deze informatie moeten verstrekken. Niet gebleken is dat aan die plicht is voldaan. Verweerder heeft daardoor onzorgvuldig gehandeld. Los daarvan heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom hij de identiteit van eiser ongeloofwaardig vindt, maar hij wel uitgaat van de gestelde afkomst. Nu eiser alle twijfel daaromtrent kennelijk weg heeft kunnen nemen, valt niet in te zien waarom hem niet ook het voordeel van de twijfel is gegund over zijn identiteit. Verweerder heeft onvoldoende betrokken dat eiser minderjarig is en dat van hem in dit verband niet hetzelfde mag worden verwacht als van een volwassene. Met de stelling van verweerder dat de twijfel enkel nog zou kunnen worden weggenomen met een officieel document, wordt voorbij gegaan aan het asielrelaas van eiser. Eiser heeft nooit een geboorteakte gehad, noch enig ander identificerend document. Het is een keuze van zijn ouders, en later van zijn oma, geweest om eiser niet in te schrijven in zijn land van herkomst. Er rust in Algerije een stigma op buitenechtelijk geboren kinderen. Als zij zich wel inschrijven, dan blijkt uit hun documenten duidelijk dat zij niet uit een huwelijk zijn geboren, hetgeen het stigma in stand houdt. Er is volgens eiser dan ook geen reden om te twijfelen aan het feit dat hij de facto staatloos is.

4.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser afwijkende verklaringen heeft afgelegd over zijn identiteit. Dat eiser, gelet op zijn overige verklaringen, wel wordt gevolgd in zijn opgegeven nationaliteit en herkomst, laat onverlet dat er twijfel bestaat over zijn gestelde identiteit. De verschillende verklaringen strekken zich wel degelijk uit over het eerste en nader gehoor. Eiser heeft zijn stelling dat zijn verklaringen tijdens het gehoor met de Afdeling Vreemdelingen Identificatie Mensenhandel (AVIM) en tijdens het aanmeldgehoor geen wettelijke basis zouden hebben, niet onderbouwd. In latere verhoren is ingegaan op de eerdere verklaringen, zodat deze stelling van eiser ook niet wordt gevolgd. De grootste ommezwaai in de verklaringen van eiser heeft plaatsgevonden ten overstaan van de AVIM. Daar heeft hij wel de twijfel over zijn nationaliteit en herkomst kunnen wegnemen, maar door zijn aanhoudend wisselende verklaringen over zijn naam en geboortedatum, is de twijfel over zijn identiteit blijven bestaan. Tijdens het eerste gehoor heeft eiser eerst verklaard dat zijn naam klopt, maar zijn geboortedatum niet. Hij zou geboren zijn op [geboortedatum 3] en veertien jaar oud zijn. Dat is intern tegenstrijdig, omdat eiser op dat moment dan dertien jaar oud zou zijn. De aangedragen redenen voor het wisselend verklaren kunnen wellicht enige duiding hieraan geven, maar worden niet als verschoonbare redenen aangemerkt, te meer gelet op de persistentie in het afleggen van wisselende verklaringen inzake zijn naam en geboortedatum. Daarbij blijft van belang dat de ontstane twijfel over de identiteit slechts kan worden weggenomen door het overleggen van een echt bevonden origineel identiteitsdocument dat is afgegeven door de centrale autoriteiten van het land van herkomst van eiser. Dit heeft eiser niet gedaan. Dat hij hiertoe niet in staat kan worden geacht, volgt verweerder niet. Eiser heeft immers verklaard dat hij in het bezit is geweest van identificerende documenten. Ook tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij in het bezit is geweest van documenten, welke bewijzen dat hij Algerijn is. Uit de omstandigheid dat eiser in het bezit is gesteld van identificerende documenten, dan wel documenten die zijn Algerijnse nationaliteit bevestigen, kan afgeleid worden dat eiser kennelijk wel geregistreerd is bij de Algerijnse autoriteiten. Dat hij als buitenechtelijk kind niet geregistreerd zou worden en dus niet in staat zou zijn officiële documenten te verkrijgen, volgt bovendien niet uit de landeninformatie over Algerije. Van een evidente, hem niet toe te rekenen, bewijsnood omtrent zijn identiteit is bij eiser dan ook geen sprake.

4.2

De rechtbank stelt voorop dat het in eerste instantie aan eiser is om zijn identiteit en nationaliteit te onderbouwen met documenten. Eiser heeft echter geen identificerende documenten overgelegd. In hetgeen eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te oordelen dat verweerder ten onrechte de verklaringen die eiser bij het aanmeldgehoor heeft afgelegd bij de beoordeling van de asielaanvraag heeft betrokken. Weliswaar is het denkbaar dat met verklaringen afgelegd in een aanmeldgehoor voorzichtiger moet worden omgegaan gelet op eventuele ontbrekende waarborgen, echter dan valt te denken aan gedetailleerde verklaringen die betrekking hebben op het asielrelaas. Nu het in dit geval niet eisers asielmotieven betreft maar zijn naam, familie, geboortedatum en de aanwezigheid van identiteitsdocumenten, ziet de rechtbank hiertoe geen aanleiding. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eisers identiteit niet geloofwaardig wordt geacht omdat hij hierover wisselende verklaringen heeft afgelegd. Bij zijn intake op 27 oktober 2016 heeft eiser immers verklaard [naam 1] te zijn, geboren op [geboortedatum 4] en met de Syrische nationaliteit. Eiser zou naar Nederland gereisd zijn met zijn broer, [naam 2] . Later die dag heeft eiser echter gesteld dat hij [eiser] is, geboren op [geboortedatum 2] , dat hij de Algerijnse nationaliteit heeft en dat zijn broer [naam 3] heet. Tijdens het aanmeldgehoor op 30 oktober 2016 heeft eiser verklaard dat hij niet [naam 4] heet, maar [naam 5] . Ook zou [naam 3] niet zijn broer zijn, maar zijn neef. Bij het eerste gehoor heeft eiser vervolgens verklaard dat zijn naam klopt, maar zijn geboortedatum niet. Hij zou geboren zijn op [geboortedatum 3] en zou veertien jaar oud zijn. Ook heeft eiser toen gezegd dat [naam 3] niet zijn neef is, maar zijn vriend. De omstandigheid dat verweerder de gestelde Algerijnse nationaliteit van eiser geloofwaardig acht, leidt niet tot het oordeel dat verweerder reeds daarom ook eisers identiteit geloofwaardig had moeten achten. Nationaliteit en identiteit zijn immers niet dezelfde persoonsgegevens en dat verweerder de nationaliteit wel geloofwaardig acht, kan niet afdoen aan het feit dat eiser tegenstrijdige verklaringen over zijn identiteit heeft afgelegd.De stelling van eiser dat hij ten aanzien van identificerende documenten in bewijsnood verkeert, volgt de rechtbank evenmin. Daartoe is redengevend hetgeen eiser heeft verklaard over het bezit van documenten die zijn identiteit en nationaliteit kunnen aantonen. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser verklaard dat hij een originele geboorteakte én een Franse geboorteakte had, maar dat deze in Amsterdam zijn. Tijdens het eerste gehoor heeft eiser vervolgens verklaard dat hij niet in het bezit is van enig document dat zijn verklaringen zou kunnen onderbouwen. Hij zou proberen om per mail documenten te verkrijgen vanuit Algerije. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij documenten heeft waaruit zijn Algerijnse nationaliteit zou blijken, maar dat hij deze in Amsterdam heeft achtergelaten om een uitzetting naar Algerije te frustreren.Uit de omstandigheid dat eiser in het bezit gesteld is van identificerende documenten, dan wel documenten die zijn Algerijnse nationaliteit kunnen bevestigen, heeft verweerder terecht afgeleid dat eiser kennelijk wel geregistreerd is bij de Algerijnse autoriteiten en dat hij daarom in staat was om identiteitsdocumenten te verkrijgen en in de asielprocedure over te leggen. Hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, faalt daarom.

5. Eiser voert aan dat hij duidelijk en helder heeft verklaard over de mishandeling door zijn opa. Verweerder miskent dat eiser twaalf jaar oud was op het moment dat hij zijn opa tegen het lijf liep. Het is niet vreemd dat hij tot die tijd niet ontdekt is door zijn opa. Wat zijn opa en ooms verder nog hebben ondernomen voorafgaand aan de eerste confrontatie, weet eiser niet, zodat hij daar ook niet over heeft kunnen verklaren. Eiser heeft voorts een schatting gemaakt van de afstand van de mensen die hem hebben geholpen. Niet uit het oog moet worden verloren dat de situatie voor eiser ten tijde van het incident met de opa heel dreigend was en dat het voor eiser subjectief gezien ongetwijfeld lang zal hebben geduurd. Eiser is mishandeld en daarna door zijn opa bedreigd. De vrees van eiser dat zijn opa hem op een ander moment wel zal doden als er geen getuigen in de buurt zijn, is begrijpelijk en reëel. Eiser heeft op geen enkel punt bevreemdingwekkende verklaringen afgelegd, zodat hij het voordeel van de twijfel had moeten krijgen. Voorts heeft eiser consistent verklaard.

5.1

De rechtbank is allereerst van oordeel dat verweerder niet ten onrechte belang hecht aan het feit, dat eiser geen documenten heeft overgelegd die inzicht geven in zijn gestelde hoedanigheid als buitenechtelijk kind en de problemen met zijn opa die hij daardoor zou hebben ondervonden. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser niet wordt gevolgd in zijn stelling dat zijn opa hem pas jaren na zijn geboorte, nadat hij hem door toeval was tegengekomen, daadwerkelijk naar het leven stond. Indien zijn opa eiser had willen doden omdat hij een buitenechtelijk kind is, had het in de lijn van verwachtingen gelegen dat hij eerder zou hebben geprobeerd om eiser op te sporen. Hiervan is echter niet gebleken. De enkele stelling van eiser dat dit niet is gebeurd omdat zijn opa niet wist waar eiser woonde, heeft verweerder, gelet op de gestelde belangen die hiermee voor zijn opa gemoeid waren, onvoldoende kunnen achten.

5.2

Verweerder heeft voorts het standpunt kunnen innemen dat eiser bevreemdend heeft verklaard over de omstandigheden ten tijde van de mishandeling. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat onwaarschijnlijk is dat deze personen eiser en zijn opa op tien minuten renafstand hebben kunnen zien en de situatie vervolgens zo hebben kunnen inschatten dat een onmiddellijk ingrijpen geboden was. Reeds op grond van de hiervoor besproken, bevreemdende verklaringen van eiser over het incident bij de waterbron, heeft verweerder niet ten onrechte eisers stelling dat hij in Algerije is mishandeld door zijn opa omdat hij een buitenechtelijk kind is en dat hij bij terugkeer naar dat land te vrezen heeft voor zijn opa of ooms die hem zouden willen doden of anderszins ernstige schade willen toebrengen, niet geloofwaardig geacht.

6. Eiser voert voorts aan dat verweerder Algerije ten onrechte als veilig land van herkomst heeft aangemerkt. Niet is voldaan aan de geldende maatstaven, die nader zijn uitgelegd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 september 2016 (De Afdeling, ECLI:NL:RVS:2016:2474). Voor Algerije geldt dat de overheidsdiensten in de praktijk nog steeds martelen en dat bescherming van overheidswege tegen deze martelpraktijken in werkelijkheid non-existent zijn. LHBT’s worden gediscrimineerd, evenals vrouwen die verkracht zijn. Verder wordt gesproken over slavernij waartegen de overheid niet optreedt, buitensporig politiegeweld waartegen kennelijk ook geen bescherming kan worden gekregen en disproportioneel lange periodes van voorlopige hechtenis — in samenhang dus met het gegeven dat in de gevangenissen wordt gemarteld. Daar komt dan nog bij dat ook de vrijheid van meningsuiting en persvrijheid zeer beperkt zijn, wat ook verklaart dat niet snel aangifte wordt gedaan door gewone burgers tegen machtigere partijen. Dat er in Duitsland een wetsvoorstel aanhangig is om Algerije als veilig land van herkomst aan te merken laat onverlet dat dit voorstel momenteel nog niet is aangenomen en dat er dus maar één land in Europa is naast Nederland, waar dit wel al het geval is. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom dit gegeven volgens hem niet van belang is. Uit de overgelegde informatie van Vluchtelingenwerk blijkt dat in Algerije ook de mensenrechten van buitenechtelijke kinderen worden veronachtzaamd. In het bestreden besluit reageert verweerder in het geheel niet op de aangedragen punten, onder verwijzing naar het asielrelaas van eiser. Verweerder stelt dat eiser geen last zal hebben van martelpraktijken en dergelijken, omdat het asielrelaas ongeloofwaardig is. Daarbij wordt miskend dat verweerder allereerst in het algemeen heeft tegengeworpen dat Algerije een veilig land van herkomst is, en eisers asielaanvraag ook om die reden als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Het is dan ook aan verweerder om aannemelijk te maken dat Algerije in het algemeen inderdaad een veilig land van herkomst is. Eiser heeft ten slotte aangevoerd dat de toets die de Afdeling thans in recente jurisprudentie voorschrijft te beperkt is en er daarom ten onrechte toe heeft geleid dat Algerije als veilig land van herkomst is aangemerkt. Volgens deze toets is feitelijk alleen relevant of vervolging, onmenselijke behandeling en/of ernstige schade op duurzame wijze niet voorkomt en dat er wet- en regelgeving is die daartegen daadwerkelijk bescherming biedt. De algehele mensenrechtensituatie en de stand van de democratie speelt geen zelfstandige rol, tenzij het gaat om de rechten genoemd in artikel 15, tweede lid, EVRM , oftewel de absolute rechten. Ondanks structurele schendingen van andere fundamentele rechten uit het EVRM, zoals de vrijheid van meningsuiting, en een niet functionerende of zelfs afwezige democratie kan een land dus nog steeds als veilig worden aangemerkt. Dit is in strijd met de Procedurerichtlijn. Voorts volgt uit de toelichting op deze richtlijn dat het een dwingend vereiste is dat sprake is van een “democratisch stelsel”. Eiser verzoekt de rechtbank om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (het HvJ) over de term “democratisch stelsel” in artikel 37, eerste lid, Procedurerichtlijn en over de vraag of sprake is van een veilig land van herkomst dient te worden beoordeeld aan de hand van fundamentele rechten zoals die zijn neergelegd in artikel 6 en 10 van het EVRM , of dat het voldoende is als aannemelijk is dat er geen structurele schendingen plaatsvinden van rechten genoemd in artikel 15, tweede lid, EVRM .

6.1

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser zelf heeft verklaard dat Algerije een veilig land is. Om als veilig land van herkomst aangemerkt te kunnen worden, is niet enkel van belang dat rechten op papier bestaan, maar ook dat ze in de praktijk gegarandeerd worden. In de Kamerbrief van 11 oktober 2016 is aangegeven dat de huidige regelgeving, beleid en uitvoeringspraktijk voor veilige landen van herkomst voldoen aan de criteria zoals benoemd in de eerder genoemde uitspraak van 14 september 2016 van de Afdeling. De in de zienswijze genoemde corruptie binnen de rechtspraak en de afhankelijkheid van de regering wordt inderdaad genoemd in de Kamerbrief, maar niet ingezien wordt waarom eiser daar met zijn problematiek voor te vrezen zou hebben. Eiser heeft immers geen geloofwaardige verklaringen afgelegd omtrent de problemen die hij zou hebben ondervonden. Aldus valt niet in te zien dat hij om welke reden dan ook bescherming behoeft. Hetzelfde geldt voor de aangehaalde marteltechnieken en buitensporig politiegeweld die beide in de zienswijze worden genoemd. Nu de problemen van eiser niet geloofwaardig worden geacht, valt niet in te zien dat hij met dergelijke praktijken in aanraking is geweest of zal komen bij terugkeer. In de zienswijze wordt er op gewezen dat in Europa enkel Bulgarije, Algerije ook als veilig land van herkomst aanduidt. Volgens gemachtigde dient dit als een contra indicatie te worden gezien dat veruit het grootste deel van de lidstaten Algerije niet als veilig land van herkomst ziet. Wat hier verder ook van zij, overwogen wordt dat de gehanteerde criteria bij de vaststelling of een land van herkomst als veilig kan worden bestempeld, voortkomen uit de Procedurerichtlijn, dat Europees recht is. Nog los van het vorenstaande, wordt overwogen dat uit de brief van 11 oktober 2016 kan worden opgemaakt dat in Duitsland op het moment van schrijven een wetsvoorstel in behandeling was waarin Algerije kan worden aangemerkt als veilig land van herkomst. Verweerder heeft ten slotte in het verweerschrift verwezen naar een recente uitspraak van de Afdeling van 8 maart 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:630) waarin is geoordeeld dat verweerder terecht Algerije als veilig land van herkomst heeft aangemerkt.

6.2

Ingevolge artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 Vw worden afgewezen als kennelijk ongegrond in de zin van artikel 32, tweede lid, van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn.

Op grond van artikel 3.105ba, eerste lid, Vb kan bij ministeri ële regeling een lijst worden opgesteld van veilige landen van herkomst in de zin van de artikelen 36 en 37 van de Procedurerichtlijn. Van deze bevoegdheid is gebruik gemaakt met de Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 oktober 2016, nummer 750970, houdende wijziging van het VV 2000, Staatscourant 2016, nr. 55444 (hierna: de Regeling). Bij deze Regeling is de in bijlage 13 (behorend bij artikel 3.37f, derde lid, van het VV 2000 ) opgenomen lijst van veilige landen van herkomst uitgebreid met onder meer Algerije.

6.3

De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder ter zitting heeft erkend dat in het bestreden besluit onvoldoende is gereageerd op het standpunt van eiser in de zienswijze dat verweerder ten onrechte Algerije in zijn algemeenheid als veilig land van herkomst heeft aangemerkt. Verweerder heeft in het bestreden besluit hierop enkel gereageerd met het standpunt dat eisers asielrelaas ongeloofwaardig wordt geacht. De rechtbank ziet echter aanleiding om dit gebrek in de motivering te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft namelijk in het voornemen en in het verweerschrift uiteengezet dat en waarom Algerije in zijn algemeenheid naar zijn oordeel een veilig land van herkomst is. Gesteld noch gebleken is dat eiser door het genoemde gebrek hierdoor is benadeeld. Eiser heeft in de zienswijze en in beroep voldoende gronden naar voren kunnen brengen om het alsnog gemotiveerde standpunt van verweerder te bestrijden.

6.4

De Afdeling heeft in haar uitspraak van 8 maart 2017 geoordeeld dat verweerder terecht Algerije heeft aangemerkt als veilig land van herkomst. In hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen aanleiding om anders te oordelen. De Afdeling heeft immers in die uitspraak in rechtsoverweging 5.3 en 5.4 de rechten die zijn opgenomen in het EVRM betrokken en niet alleen de “absolute rechten” genoemd in artikel 15 EVRM , zoals eiser meent. De rechtbank wijst in dit verband met name op hetgeen in rechtsoverweging 5.4 van de genoemde uitspraak is overwogen:“Weliswaar blijkt uit de betrokken informatiebronnen dat in Algerije de situatie van mensen die via de media of internet kritiek uiten op de overheid te wensen overlaat, vrouwen niet in dezelfde situatie verkeren als mannen, de aanpak van corruptie verbetering behoeft en de feitelijke toepassing van het wettelijke stelsel ter bescherming van mensenrechten nog te wensen overlaat en dat er dus nog onvolkomenheden zijn in het systeem van rechtsbescherming, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat Algerije om die reden in het algemeen niet veilig is als hiervoor bedoeld onder 4. Dit kan uiteraard anders zijn in individuele gevallen. Uit de toelichting van de staatsecretaris blijkt overigens ook dat hij acht heeft geslagen op de situatie van personen die via de media of internet kritiek hebben geuit op de autoriteiten, nu hij voor die groep bij de beoordeling van de individuele situatie verhoogde aandacht heeft gevraagd. De bestrijding van corruptie, het functioneren van politie en justitie en de feitelijke toepassing van het wettelijk stelsel behoeft weliswaar verbetering, maar uit de informatiebronnen kan niet worden geconcludeerd dat de op dit moment geboden bescherming zodanig gebrekkig is, dat in de regel daadwerkelijke rechtsmiddelen niet beschikbaar zijn.”Uit deze overweging blijkt dat de stelling van eiser dat de Afdeling een onjuist toetsingskader hanteert omdat alleen de “absolute rechten” genoemd in artikel 15 EVRM worden betrokken en niet andere rechten genoemd in het EVRM, zoals bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting, feitelijk onjuist is. De Afdeling betrekt de mensenrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en vrouwenrechten bij de beoordeling, maar komt vervolgens tot de conclusie dat de nog bestaande onvolkomenheden op dat gebied niet leiden tot het oordeel dat Algerije om die reden in het algemeen niet veilig is. Vervolgens heeft de Afdeling in rechtsoverweging 5.5. overwogen dat uit rechtsoverwe-gingen 5.3 en 5.4 volgt dat de aanwijzing van Algerije als veilig land van herkomst voldoet aan het bepaalde in artikel 3.105ba, tweede lid, Vb , dat er in Algerije wet- en regelgeving is die vervolging en behandeling in strijd met artikel 3 EVRM verbiedt, dat die wet- en regelgeving wordt toegepast en dat daadwerkelijk een systeem van rechtsmiddelen beschikbaar is. Verweerder heeft daarom zorgvuldig onderzocht en deugdelijk gemotiveerd dat in Algerije algemeen gezien geen vervolging of behandeling in strijd met artikel 3 EVRM plaatsvindt als bedoeld in artikel 3.37f VV, waardoor de aanwijzing van Algerije als veilig land van herkomst aan de wettelijk voorgeschreven vereisten voldoet. De rechtbank wijst er in dit kader op dat artikel 3.37 f VV nagenoeg letterlijk overeenkomt met de in Bijlage I bij de Procedurerichtlijn opgenomen definitie van het begrip “veilig land van herkomst ”.Dat de Afdeling in de uitspraak van 8 maart 2017 niet afzonderlijk heeft beoordeeld of Algerije kan worden aangemerkt als “democratisch stelsel”, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank volgt niet eisers standpunt dat de vraag of in een land sprake is van een democratisch stelsel afzonderlijk zou moeten worden getoetst. Het gaat er blijkens artikel 337f, eerste lid, VV immers om of in zo ’n rechtstelsel de rechtsvoorschriften in de praktijk worden toegepast.De rechtbank ziet daarom in hetgeen eiser heeft aangevoerd ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ. Verweerder heeft aldus terecht Algerije aangemerkt als veilig land van herkomst.

7. Eiser voert verder aan dat Algerije voor hem persoonlijk niet als veilig kan worden aangemerkt. Zijn asielrelaas is ten onrechte ongeloofwaardig geacht en eiser moet de facto als staatloos buitenechtelijk kind worden aangemerkt.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat, nu reeds is geoordeeld dat verweerder niet ten onrechte de identiteit van eiser en de relevante elementen betreffende het niet geregistreerd staan in Algerije en de gestelde problemen met de opa ongeloofwaardig heeft geacht, deze beroepsgrond reeds daarom niet kan slagen.

8. Eiser voert voorts, onder verwijzing naar de zienswijze, aan dat verweerder had moeten motiveren dat de asielaanvraag van eiser evident kansloos was. Daar is verweerder niet in geslaagd.

8.1

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 6.4 al geoordeeld dat verweerder terecht heeft gesteld dat Algerije een veilig land van herkomst is. Voorts volgt uit artikel 32, tweede lid, gelezen in samenhang met artikel 31, achtste lid, aanhef en onder b, Procedurerichtlijn en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b Vw dat verweerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als kennelijk ongegrond kan afwijzen indien de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst. Daar is in dit geval sprake van, zodat de beroepsgrond faalt.

9. Eiser voert ten slotte aan dat verweerder hem ten onrechte een vertrektermijn heeft onthouden. Allereerst omdat Algerije geen veilig land van herkomst is, maar voorts ook omdat het een disproportionele inmenging is in een fundamenteel recht van eiser. Eiser heeft nooit eerder asiel aangevraagd in Nederland of elders in Europa. Hij heeft een lange en zware reis afgelegd om hier te komen, hetgeen verweerder niet heeft betwist. Het onthouden van een vertrektermijn maakt dat eiser niet de tijd heeft om een goede voorbereiding te treffen voor zijn terugkeer. Daarnaast overtreedt hij vanaf het moment dat het bestreden besluit in rechte vast zou komen te staan de wet, met alle gevolgen van dien. Onduidelijk is welk belang verweerder hier tegenover kan stellen dat zwaarder weegt dan de problemen die eiser door deze beslissing ondervindt. Voor zover wordt verwezen naar het standpunt dat namens verweerder is verwoord in de uitspraak van de Afdeling van 6 december 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:3281), wordt opgemerkt dat die redenering in het geval van eiser niet opgaat. Het valt op dat in deze toelichting wordt opgemerkt dat een asielaanvraag evident kansloos is als hij wordt afgewezen omdat de asielzoeker afkomstig is uit een veilig land van herkomst - dit terwijl in het bestreden besluit juist is overwogen door verweerder dat het helemaal niet zo is dat een asielaanvraag die als kennelijk ongegrond wordt afgewezen noodzakelijkerwijs evident kansloos is. Reeds om die reden kan de motivering die namens verweerder is gegeven in de aangehaalde passage in het geval van eiser niet opgaan. Daarnaast mag het als feit van algemene bekendheid worden aangenomen dat uitzetting naar Algerije niet gemakkelijk te organiseren is, zodat ook dat deel van de onderbouwing niet op gaat. In 2011 zijn geen, in 2012 één en in 2013 vijf laissez-passers afgegeven, tegenover respectievelijk 88,117 en 160 aanvragen. Verweerder heeft aldus onvoldoende rekening gehouden met de belangen van eiser en met artikel 3 het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het Kind (IVRK) bij de beslissing om een vertrektermijn aan eiser te onthouden.

9.1

In voornoemde uitspraak van de Afdeling van 6 december 2016 is in rechtsoverweging 4.2 geoordeeld dat verweerder de vertrektermijn kan onthouden indien sprake is van een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd die op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw als kennelijk ongegrond is afgewezen. Dit heeft als achtergrond dat dan sprake is van een evidente afwijzing, waarbij zich tevens de omstandigheid voordoet dat verwijdering naar het land van herkomst veelal eenvoudig te realiseren valt. De Afdeling is van oordeel dat dit zich verdraagt met de individuele beoordeling en afweging die het Hof van Justitie in het arrest van 11 juni 2015, inzake Z. Zh. en I.O. (ECLI:EU:C:2015:377), voorschrijft, nu verweerder, gezien de in het WBV 2016/2 opgenomen proportionaliteitstoets, het beleid voert dat van het onthouden van een vertrektermijn wordt afgezien indien de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling daartoe nopen. Hetgeen eiser heeft aangevoerd, leidt niet tot het oordeel dat deze uitspraak van de Afdeling niet op hem van toepassing is. Het enkele feit dat verwijdering naar Algerije niet altijd eenvoudig is te realiseren, is hiertoe onvoldoende. Voorts heeft verweerder terecht gesteld dat eiser geen persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die het onthouden van een vertrektermijn in zijn geval disproportioneel maken. Eerst in beroep heeft eiser de omstandigheid genoemd dat hij nooit eerder asiel heeft aangevraagd en een lange reis heeft gemaakt, maar ook dit maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder een vertrektermijn niet heeft mogen onthouden. Dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met artikel 3 IVRK volgt de rechtbank evenmin aangezien verweerder blijkens het voornemen aan dit verdrag heeft getoetst. De beroepsgrond faalt.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, voorzitter, en mrs. N.O.P. Roché en L.M. Kos, in aanwezigheid van mr. A.W. Martens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2017.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

RechtsmiddelTegen deze uitspraak kan binnen een week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature