Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Kort geding. Opheffing vervangende hechtenis afgewezen. De Staat hoeft geen gelegenheid te geven voor treffen betalingsregeling met slachtoffer en heeft geen verplichting om zelf een betalingsregeling te treffen.

Uitspraak



Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/526270 / KG ZA 17/147

Vonnis in kort geding van 8 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,

thans verblijvende in de PI te [plaats 1] ,

eiser,

advocaat mr. C.W. Dirkzwager te Utrecht,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden (meer in het bijzonder het Centraal Justitieel Incassobureau),

zetelend te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. F.B. Lekkerkerker te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 3 februari 2017, met 10 producties;

- de door de Staat overgelegde producties 1 tot en met 7;

- de op 1 maart 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door de Staat pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Bij arrest van 4 februari 2011 is [eiser] door het gerechtshof te Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar in verband met (samengevat) medeplegen van oplichting, (poging tot) afpersing (in vereniging), (bedreiging met zware) mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. Tevens zijn aan [eiser] twee schadevergoedingsmaatregelen opgelegd: een bedrag van € 125.000,-- ten behoeve van [A] (in de dagvaarding abusievelijk aangeduid als ‘ [A2] ’), hierna te noemen ‘ [A] ’, bij niet (volledig) betalen te vervangen door 260 dagen vervangende hechtenis en een bedrag van € 51.204,50 ten behoeve van [B] , bij niet (volledig) betalen te vervangen door 100 dagen vervangende hechtenis.

2.2.

Voornoemd arrest is op 17 mei 2011 onherroepelijk geworden. De tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregelen is overgedragen aan het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB), onderdeel van de Staat.

2.3.

Het CJIB heeft [eiser] herhaaldelijk gesommeerd om de schadevergoedingsmaatregelen te voldoen. In de periode van 3 januari 2012 tot begin 2014 heeft het CJIB meerder malen een betalingsregeling met [eiser] getroffen.

2.4.

Omdat (volledige) betaling van de schadevergoedingsmaatregelen uitbleef is [eiser] sinds 26 september 2016 gedetineerd in het kader van de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis. Deze vervangende hechtenis zal tot 11 juni 2017 duren. In totaal heeft [eiser] tot op heden een bedrag van € 49.930,-- volgens [eiser] en € 49.480,-- volgens de Staat ter zake van de schadevergoedingsmaatregelen voldaan. Het openstaande bedrag bedraagt thans volgens de Staat € 161.073,40 (inclusief wettelijke verhogingen van € 34.798,90).

2.5.

Bij brief van 21 oktober 2016 heeft [eiser] via zijn toenmalige advocaat, mr. [X] te [plaats 2] , hierna ‘mr. [X] ’, aan het CJIB kenbaar gemaakt dat hij een betalingsregeling met [A] wil treffen en daarbij verzocht om de contactgegevens van [A] , dan wel een bevestiging dat het CJIB het betalingsvoorstel van [eiser] aan [A] zal toezenden.

2.6.

Het CJIB heeft in een brief van 25 oktober 2015 aan mr. [X] meegedeeld dat het CJIB niet aan het verzoek om te bemiddelen tussen [eiser] en [A] kan voldoen, aangezien zij uitsluitend is belast met het zo spoedig mogelijk incasseren van het volledige schadebedrag voor de slachtoffers. Daarbij is te kennen gegeven dat [eiser] [A] zelf dient te benaderen om een regeling te treffen en dat hij zich voor adresgegevens met betrekking tot de slachtoffers dient te wenden tot het Ressortsparket Arnhem-Leeuwarden.

2.7.

Mr. [X] heeft het Ressortsparket Arnhem-Leeuwarden, afdeling slachtofferhulp, bij brief van 10 november 2016 verzocht om de adresgegevens van [A] te verstrekken. In een e-mailbericht van 30 november 2016 heeft een medewerker slachtofferinformatiepunt bij het Ressortsparket aan mr. [X] meegedeeld dat de adresgegevens van [A] niet verstrekt mogen worden, maar dat een brief van [eiser] wel aan het slachtoffer kan worden doorgestuurd.

2.8.

Bij brief van 6 december 2016 heeft mr. [X] namens [eiser] getracht via het Ressortsparket een betalingsvoorstel aan [A] te doen toezenden. In reactie hierop heeft de Zaakscoördinator Slachtofferzorg bij het Ressortsparket in een e-mailbericht van 15 december 2016 aan mr. [X] meegedeeld dat het Ressortsparket niet meewerkt aan het doorsturen van een brief aan [A] en dat als [eiser] een betalingsregeling wil treffen, dat via het CJIB zal moeten gebeuren.

2.9.

In een e-mailbericht van 28 december 2016 heeft de huidige advocaat van [eiser] namens haar cliënt het volgende betalingsvoorstel aan het CJIB gedaan:

“Cliënt heeft zojuist aangegeven dat hij maandelijks € 1000,- wenst te betalen. De eerste termijn zou hij nog vandaag kunnen overmaken. Voorts zou hij ieder half jaar nog € 5000,- extra kunnen aflossen.(…)”.

2.10.

Het CJIB heeft in een brief van 30 december 2016 – voor zover hier van belang – het volgende aan de advocaat van [eiser] meegedeeld:

“In uw mail van 28 december 2016 vraagt u om een betalingsregeling voor de zaak met [nummer] . Wij kunnen geen betalingsregeling meer toestaan, omdat wij de zaak aan de penitentiaire inrichting hebben aangeboden om de vervangende hechtenis ten uitvoer te leggen. In deze fase is het niet meer mogelijk een betalingsregeling te treffen.

Wilt u het openstaande bedrag van € 161.073,40 alsnog in een keer betalen, maakt u dit bedrag dan over naar (…)

De vordering die het slachtoffer op uw cliënt heeft, blijft na het ondergaan van de vervangende hechtenis bestaan.

Daarnaast doet u het verzoek in uw correspondentie van 21 december 2016 om een meegestuurde brief door te sturen naar de benadeelde partij. Het CJIB heeft eerder aangegeven, geen bemiddelingsrol te hebben tussen veroordeelden en hun slachtoffer. Wij zullen de meegestuurde brief dan ook niet doorsturen.

(…)”.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven – primair de Staat te veroordelen de vervangende hechtenis van [eiser] onmiddellijk op te heffen en hem in de gelegenheid te stellen alsnog een schikking met [A] te treffen en subsidiair de Staat te veroordelen de vervangende hechtenis van [eiser] onmiddellijk op te heffen en de Staat te verbieden de vervangende hechtenis verder ten uitvoer te leggen, onder de voorwaarde dat [eiser] de voorgestelde betalingsregeling nakomt, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten.

3.2.

Daartoe stelt [eiser] – samengevat – het volgende. Het CJIB heeft [eiser] ten onrechte niet toegestaan om een voorstel te doen aan [A] om een betalingsregeling met hem te treffen. In artikel 4.2.2 van de Aanwijzing Executie is bepaald dat het CJIB de incasso van een schadevergoedingsmaatregel definitief stopt indien het slachtoffer zelf afspraken maakt met de veroordeelde met betrekking tot de betaling van de vordering. Dit is een inspanningsverplichting op grond waarvan het CJIB concrete en realistische schikkingsvoorstellen in behandeling dient te nemen en dient door te sturen aan het slachtoffer. Het CJIB is deze verplichting niet nagekomen en handelt in strijd met de doelstelling van de Aanwijzing Executie.

Subsidiair is [eiser] van mening dat het CJIB ten onrechte weigert met hem een betalingsregeling te treffen. Daarmee handelt het CJIB in strijd met (bijlage 3 bij) de Aanwijzing Executie. In de situatie van [eiser] is immers sprake van bijzondere omstandigheden die een betalingsregeling rechtvaardigen. [eiser] heeft reeds een aanzienlijk bedrag betaald en is bereid en in staat om een betalingsregeling na te komen. Voorts is voldaan aan de in de hiervoor vermelde bijlage 3 weergegeven voorwaarden voor het treffen van een betalingsregeling. [eiser] heeft een adequaat betalingsvoorstel gedaan en is in staat om het resterende gedeelte van de schadevergoedingsmaatregel te voldoen binnen de maximale termijn van 36 maanden. Het CJIB had dit voorstel dan ook moeten accepteren.

Ten slotte dient de tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel geen redelijk doel meer, aangezien [eiser] bereid is te betalen en dit ook naar vermogen doet.

Op grond van het voorgaande handelt de Staat (het CJIB) onrechtmatig jegens [eiser] .

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de Staat onrechtmatig jegens hem handelt. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit geval de voorzieningenrechter in kort geding – tot kennisneming van de vorderingen gegeven. [eiser] is in zijn vorderingen ook ontvankelijk, nu hem voor hetgeen hij wil bereiken geen andere middelen ten dienste staan.

Met betrekking tot de primaire vordering

4.2.

[eiser] heeft zich op het standpunt gesteld dat de Staat hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om een betalingsregeling met [A] te treffen. [eiser] beroept zich daarbij op het bepaalde in artikel 4.2.2 van de ‘Aanwijzing Executie’ (laatstelijk Staatscourant 2016, 19890), hierna aan te duiden als ‘de Aanwijzing’, inhoudende dat het CJIB de inning en incasso van de schadevergoedingsmaatregel definitief stopt wanneer het slachtoffer zelf afspraken maakt met de veroordeelde omtrent de betaling van de vordering. Zoals de Staat terecht naar voren heeft gebracht heeft [eiser] miskend dat een opgelegde schadevergoedingsmaatregel niet een betalingsverplichting jegens het slachtoffer, maar een betalingsverplichting jegens de Staat (ten behoeve van het slachtoffer) met zich meebrengt. Tegenover het standpunt van de Staat dat het CJIB geen bemiddelende rol speelt tussen veroordeelden en slachtoffers, maar de inning en incasso van schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de slachtoffers op zich neemt, heeft [eiser] voorshands niet aannemelijk gemaakt op grond waarvan op het CJIB een inspanningsverplichting zou rusten om een betalingsregeling tussen [eiser] en [A] tot stand te brengen. Een dergelijke verplichting kan – anders dan [eiser] heeft gesteld – in ieder geval niet worden afgeleid uit artikel 4.2.2 van de Aanwijzing. De Staat heeft onbetwist aangevoerd dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het CJIB is belast met de tenuitvoerlegging van schadevergoedingsmaatregelen om te voorkomen dat slachtoffers in contact moeten treden met de dader over de betaling van schadevergoeding. Tegen die achtergrond is aannemelijk dat – zoals de Staat ook heeft betoogd – het initiatief in het geval van toepasselijkheid van artikel 4.2.2 van de Aanwijzing moet uitgaan van het slachtoffer. Nu in de onderhavige situatie gesteld noch gebleken is dat [A] een betalingsregeling met [eiser] wenst te treffen, valt niet in te zien waarom het CJIB gehouden zou zijn [eiser] gelegenheid te geven om contact te leggen met het slachtoffer om een betalingsregeling te treffen. De primaire vordering wordt dan ook afgewezen.

Met betrekking tot de subsidiaire vordering

4.3.

Aan zijn subsidiaire vordering legt [eiser] ten grondslag dat het CJIB ten onrechte weigert om een betalingsregeling met hem te treffen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat in het wettelijke stelsel besloten ligt dat een onherroepelijke, veroordelende beslissing van de strafrechter niet alleen mag, maar ook moet worden ten uitvoer gelegd en wel zo spoedig mogelijk. Dat geldt ook voor de executie van een opgelegde schadevergoedingsmaatregel, met dien verstande dat uitstel van betaling kan worden verleend, dan wel betaling in termijnen kan worden toegestaan.

4.4.

In opdracht van het Openbaar Ministerie is het CJIB belast met de executie van schadevergoedingsmaatregelen. De wijze waarop het CJIB dat doet is neergelegd in de Aanwijzing. In de bij de Aanwijzing behorende ‘Bijlage 3. Betalingsregelingen’, hierna ‘Bijlage 3’, is opgenomen dat het CJIB in beginsel geen betalingsregeling treft en dat alleen op grond van bijzondere omstandigheden een verzoek daartoe kan worden gehonoreerd. Uitgangspunt is – onder meer – dat een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling niet in behandeling wordt genomen indien reeds een waarschuwing arrestatiebevel, dan wel een arrestatiebevel is uitgevaardigd. De termijn waarbinnen volledige betaling moet zijn gerealiseerd is in principe maximaal 12 maanden. In bijzondere gevallen kan de termijn worden verlengd tot hoogstens 36 maanden, doch alleen indien binnen de afgesproken termijn betaling van de gehele vordering aannemelijk is. Slechts in uitzonderingsgevallen kan van de maximale termijn van 36 maanden worden afgeweken. In dat geval wordt maatwerk toegepast in het individuele geval, maar ook dan moet de regeling er wel toe leiden dat het (totaal) verschuldigde bedrag binnen een redelijke termijn volledig wordt voldaan. Aan het CJIB is voor wat betreft de toepassing van dit beleid een ruime beleidsvrijheid toegekend, wat met zich brengt mee dat de beslissingen van het CJIB in een procedure als de onderhavige in beginsel slechts marginaal kunnen worden getoetst.

4.5.

Tegenover het standpunt van [eiser] dat het CJIB in strijd met het in de Aanwijzing neergelegde beleid heeft gehandeld door geen betalingsregeling met hem te treffen heeft de Staat allereerst naar voren gebracht dat [eiser] eerder met hem getroffen betalingsregelingen niet is nagekomen, zodat het CJIB een verzoek tot het treffen van een betalingsregeling reeds op grond van het bepaalde onder 4. in bijlage 3 niet in behandeling hoefde te nemen. Nog daargelaten de vraag of het CJIB het verzoek van [eiser] om een betalingsregeling te treffen op grond van die bepaling naast zich neer had mogen leggen – de betalingsregelingen met [eiser] dateren immers uit de periode 2012-2014, terwijl Bijlage 3 uitgaat van de situatie dat een andere betalingsregeling minder dan een jaar geleden verwijtbaar niet is nagekomen – is de voorzieningenrechter van oordeel dat het CJIB het betalingsvoorstel van [eiser] in ieder geval op inhoudelijke gronden mocht afwijzen. Immers, uitgaande van de betalingsregeling zoals die van de zijde van [eiser] is voorgesteld in het e-mailbericht van 28 december 2016, neerkomend op betaling van een bedrag van € 22.000,-- per jaar, zouden de schadevergoedingsmaatregelen volledig zijn voldaan na een periode van ruim zeven jaar. [eiser] heeft weliswaar inmiddels een bedrag van ruim € 49.000,-- ter zake van de schadevergoedingsmaatregelen voldaan, maar er staat nog altijd een bedrag van € 161.073,40, inclusief wettelijke verhogingen, open, hetgeen [eiser] bij herhaling is meegedeeld. Voor zover [eiser] heeft willen betogen dat de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van [B] inmiddels is voldaan, wordt daaraan voorbijgegaan. De Staat heeft immers aangevoerd dat de omstandigheid dat laatstgenoemde schadevergoedingsmaatregel is gecompenseerd met een voorschot uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven nog niet betekent dat [eiser] niet langer gehouden is deze schadevergoedingsmaatregel te voldoen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser] tegenover het voorgaande geen feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht die rechtvaardigen dat het CJIB hem – in afwijking van het in Bijlage 3 neergelegde uitgangspunt dat volledige betaling van een schadevergoedingsmaatregel binnen 12 maanden, in bijzondere gevallen te verlengen tot 36 maanden, moet zijn gerealiseerd – een langere termijn voor het voldoen van de schadevergoedingsmaatregelen zou moeten gunnen. Anders dan [eiser] heeft gesteld is voorshands dan ook niet gebleken dat het CJIB in strijd met de Aanwijzing, dan wel anderszins onrechtmatig heeft gehandeld door geen betalingsregeling met hem te treffen.

4.6.

Het betoog van [eiser] dat tenuitvoerlegging van de schadevergoedingsmaatregel geen redelijk doel meer dient, omdat [eiser] weliswaar bereid is om de schadevergoedingsmaatregel te betalen, maar daartoe financieel niet (volledig) in staat is, wordt verworpen. Bij het opleggen van de schadevergoedingsmaatregelen heeft de strafrechter de persoonlijke omstandigheden van [eiser] , waaronder ook zijn financiële mogelijkheden, reeds meegewogen en [eiser] heeft tegen het arrest van 4 februari 2011 geen beroep in cassatie ingesteld. Gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken dient van de rechtmatigheid van dat arrest te worden uitgegaan en betalingsonmacht staat niet aan (de rechtmatigheid van) de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in de weg.

4.7.

Slotsom van het voorgaande is dat ook de subsidiaire vordering wordt afgewezen. [eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, zoals gevorderd vermeerderd met de wettelijke rente.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan de Staat te betalen, tot dusver aan de zijde van de Staat begroot op € 1.434,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 618,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat [eiser] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M.J. Keltjens en in het openbaar uitgesproken op 8 maart 2017.

mvt


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde wetgeving

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature