Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

JeugdMK: Aan de destijds zeventienjarige verdachte is een jeugddetentie voor de duur van 206 dagen met aftrek opgelegd voor de afpersing van een vijftienjarige jongen en de mishandeling van een veertienjarige jongen. Ten tijde van de bewezen verklaarde feiten liep de verdachte in een proeftijd van een vonnis waarbij hem een voorwaardelijke PIJ-maatregel was opgelegd. Deze voorwaardelijke PIJ-maatregel is tenuitvoergelegd, omdat de eerdere zorgen en redenen tot het opleggen van een PIJ-maatregel nog aan de orde zijn. Afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel, zoals door de officier van justitie ter zitting verzocht, zou de verdachte slechts sterken in de overtuiging dat zijn daden zonder gevolgen blijven.

Uitspraak



Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken

Parketnummers: 09/819021-16, 09/154994-16 (t.t.g), 09/157185-15 (tul)

Datum uitspraak: 4 mei 2017

Tegenspraak

(Promis)

De rechtbank Den Haag, rechtdoende in jeugdstrafzaken, heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedag] 1999 te [geboorteplaats] ,

[adres 1] ,

thans preventief gedetineerd [inrichting] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek in de zaak met parketnummer 09/819021-16 is gehouden ter terechtzitting met gesloten deuren van 23 januari 2017 (pro forma) en op 20 april 2017 gevoegd en inhoudelijk behandeld met de zaak met parketnummer 09/154994-16.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie

mr. M. Fikenscher en van hetgeen door de raadsman van de verdachte mr. M.G. Eckhardt, advocaat te Den Haag en door de verdachte naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

Dagvaarding I: 09/819021-16

hij op of omstreeks 28 september 2016 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen Een tas (merk: Louis Vuitton) en/of twee mobiele telefoons (merk: Samsung) en/of oordopjes (merk: Apple en/of een bril (merk: My Brand) en/of een portemonnee met inhoud (o.a. geld, bankpas en

ov-chipkaart), in elk geval enig(e) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen deze

[benadeelde 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het:

- zeggen "haal je zakken leeg" en/of vervolgens "als je niet al je spullen geeft, dan pak ik mijn mes" en/of “of je laat zien wat je daar hebt of ik steek je neer” en/of het steken van een hand in een tasje en/of (vervolgens) het tonen van een mes;

en/of

hij op of omstreeks 28 september 2016 te ‘s - Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van Een tas (merk: Louis Vuitton) en/of twee mobiele telefoons (merk: Samsung) en/of oordopjes (merk: Apple en/of een bril (merk: My Brand) en/of een portemonnee met inhoud (o.a. geld, bankpas en ov-chipkaart), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of zijn mededader(s):

- tegen [benadeelde 1] heeft/hebben gezegd: "haal je zakken leeg" en/of vervolgens "als je niet al je spullen geeft, dan pak ik mijn mes" en/of “of je laat zien wat je daar hebt of ik steek je neer” en/of

- een hand in een tasje heeft/hebben gestoken en/of

- een mes heeft/hebben getoond.

Dagvaarding II: 09/154994-16

hij op of omstreeks 7 juni 2016 te 's-Gravenhage [benadeelde 2] heeft mishandeld door met een bezem of een stok tegen het hoofd van [benadeelde 2] te slaan.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De rechtbank dient - kort samengevat - te beoordelen of de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan een diefstal met bedreiging met geweld dan wel afpersing van een tas van een vijftienjarige jongen en de mishandeling van een veertienjarige jongen.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat de verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft - kort en zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte ten aanzien van het hem bij dagvaarding I ten laste gelegde feit dient te worden vrijgesproken. De verdachte heeft dit feit ontkend, de aangever heeft bij de rechter-commissaris te kennen gegeven de verdachte niet te herkennen en voor de aanwezigheid van het weggenomen tasje bij hem thuis heeft de verdachte een verklaring gegeven: verdachte had zijn eigen tasje

geruild met een tasje dat hem door [medeverdachte 1] was aangeboden.

De verklaring van [medeverdachte 1] dat hij de verdachte herkent als [alias verdachte] ’ die de aangever zou hebben afgeperst, dient buiten beschouwing gelaten te worden. [medeverdachte 1] heeft eerder in een andere zaak een belastende verklaring tegen de verdachte afgelegd en deze zaak is bij gebrek aan bewijs geseponeerd.

De herkenning van de verdachte door [medeverdachte 2] dient eveneens buiten beschouwing gelaten te worden. Deze herkenning betreft een eenzijdige fotoconfrontatie en kan derhalve niet meewegen voor het bewijs.

Voorts kan het telefonisch contact tussen [medeverdachte 1] en een familielid van de verdachte op de dag van de beroving niet meewegen voor het bewijs. De verdachte ontkent dat hij telefonisch contact heeft gehad met [medeverdachte 1] . Dit alles tezamen maakt dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor het aan de verdachte bij dagvaarding I tenlastegelegde.

Ten aanzien van het onder dagvaarding II ten laste gelegde feit dient de verdachte eveneens te worden vrijgesproken. De aangever stelt in zijn aangifte dat hij geslagen is met een bezem, maar dat hij op dat moment zijn ogen dicht had. De aangever heeft dan ook niet kunnen zien wie hem geslagen heeft. De verdachte ontkent de aangever te hebben geslagen. De verdachte ontkent voorts ook dat hij zijn excuses heeft aangeboden aan de aangever. De verdachte dient derhalve ook van dit feit te worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Dagvaarding I: 09/819021-16

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder dagvaarding I tenlastegelegde (afpersing [benadeelde 1] als volgt.

Op 28 september 2016 wordt aangifte van diefstal met bedreiging met geweld dan wel afpersing gedaan door [benadeelde 3]. De aangever verklaart dat hij aan vrienden op school, onder andere aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] , heeft laten zien dat hij veel geld in zijn portemonnee had. Na school bleef [medeverdachte 2] vragen of hij met hem naar het Puntpark wilde gaan, waarop hij uiteindelijk met [medeverdachte 2] is meegelopen. In het Puntpark kwamen vervolgens [medeverdachte 1] en een hem onbekende jongen bij hen staan. De aangever is vervolgens door deze jongens - onder bedreiging van het pakken van een mes - gedwongen zijn tas met spullen (twee telefoons, oordopjes van iPhone, een zonnebril van het merk MyBrand en zijn portemonnee) af te geven.

Op 29 september 2016 wordt [medeverdachte 2] gehoord door de politie en uit zijn verklaring komt naar voren dat [medeverdachte 1] de dag ervoor op school meermalen telefonisch contact heeft gehad met iemand en dat hij aan diegene heeft verteld dat er een jongen op school was, die veel geld op zak had. [medeverdachte 1] zou vervolgens telefonisch hebben afgesproken deze jongen te beroven. Wanneer de politie tijdens het tweede verhoor van [medeverdachte 2] op 2 oktober 2016 de foto van de

verdachte toont, verklaart [medeverdachte 2] dat hij de jongen herkent als degene die tijdens de beroving zei ‘haal je zakken leeg’.

Uit de telefoongegevens van [medeverdachte 1] is naar voren gekomen dat hij op 28 september 2016 om 13.48 uur, 14.14 uur, 14.46 uur, dat wil zeggen voor de beroving, en 16.25 uur, dat wil zeggen na de beroving, telefonisch contact heeft gehad met iemand met het telefoonnummer 06-24298651. Dit telefoonnummer staat op naam van [verdachte 2] (de achternaam van verdachte), wonende aan de [adres 1] .

[medeverdachte 1] heeft tijdens zijn verhoor bij de politie op 1 oktober 2016 verklaard dat hij erbij was toen de aangever werd beroofd van zijn tas. Een jongen genaamd ‘ [alias verdachte] ’ heeft de aangever gedwongen zijn tas af te geven. Als de politie vervolgens aan [medeverdachte 1] een foto toont, verklaart hij dat degene op de foto ‘ [alias verdachte] ’ is. Op de foto staat de verdachte, die woont aan [adres 1] .

Op 30 september 2016 treft de politie in de slaapkamer van de verdachte het van de aangever gestolen tasje aan met daarin oordopjes van iPhone, een zonnebril van het merk MyBrand en een ov-chipkaart op zijn naam.

De verdachte heeft ter terechtzitting ontkend betrokken te zijn geweest bij de afpersing. Hij heeft voorts verklaard dat hij het tasje met [medeverdachte 1] heeft geruild voor zijn eigen oudere tasje en dat hij niet wist dat dit tasje gestolen was. Ter terechtzitting is besproken dat deze ruil dan zou moeten hebben plaatsgevonden op de dag van de beroving, aangezien [medeverdachte 1] de volgende dag vroeg door de politie is aangehouden.

De rechtbank stelt vast dat de lezing van de verdachte wordt weersproken door de verklaring van de aangever, de verklaring van [medeverdachte 2] , de verklaring van [medeverdachte 1] en de overig genoemde bewijsmiddelen in het dossier en dat zijn verklaring overigens niet wordt ondersteund. De rechtbank acht deze lezing ongeloofwaardig en leidt uit de meergenoemde bewijsmiddelen af dat de verdachte zich met zijn medeverdachten schuldig heeft gemaakt aan de afpersing van [benadeelde 1] .

Dagvaarding II: 09/154994-16

De rechtbank overweegt ten aanzien van het onder dagvaarding II tenlastegelegde (mishandeling van [benadeelde 2] ) als volgt.

Op 7 juni 2016 doet [benadeelde 2] bij de politie aangifte van mishandeling. Hij verklaart dat hij rond 18.00 uur op zijn longboard langs vijf jongens reed en dat een van de jongens een bezem in zijn hand had. Hij had deze jongen al een keer eerder gezien. Er werd getracht zijn petje van zijn hoofd te pakken en, toen dat niet lukte, werd hij met een bezem tegen zijn hoofd geslagen, waardoor zijn lip is gaan bloeden. Hij is naar huis gegaan en direct met zijn moeder teruggekeerd naar het pleintje waar hij geslagen was. De jongen die hem geslagen

had, stond er nog en aan de daar aanwezige verbalisant heeft de aangever verteld wat er gebeurd was en de jongen aangewezen als de degene die hem geslagen had.

Uit het proces-verbaal van de verbalisant blijkt dat de aangever de verdachte heeft aangewezen als degene die hem met de bezem heeft geslagen. Hierna is de verdachte aangehouden.

Wanneer de aangever op 20 juli 2016 bij de politie gehoord wordt, verklaart hij dat degene die hem geslagen heeft een of twee dagen erna zijn excuses heeft aangeboden. De [getuige] bevestigt het verhaal van de aangever bij de politie. Hij verklaart voorts dat de jongen die zijn excuses heeft aangeboden, ook aan de aangever gevraagd heeft om zijn aangifte in te trekken, omdat hij anders drie jaren de cel in zou gaan.

De rechtbank acht op grond van de verklaringen van de aangever, de verklaring van de [getuige] en de overig genoemde bewijsmiddelen in het dossier, waaronder het gegeven dat de verdachte een voorwaardelijk PIJ-maatregel voor de duur van drie jaren boven zijn hoofd heeft hangen, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 7 juni 2016 schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [benadeelde 2] door hem met een bezem tegen zijn hoofd te slaan.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat

Dagvaarding I: 09/819021-16

hij op 28 september 2016 te ‘s-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [benadeelde 1] heeft gedwongen tot de afgifte van een tas (merk: Louis Vuitton) en twee mobiele telefoons (merk: Samsung) en oordopjes (merk: Apple) en een bril (merk: My Brand) en een portemonnee met inhoud (o.a. geld, bankpas en ov-chipkaart), toebehorende aan die [benadeelde 1] , welke bedreiging met geweld hierin bestonden dat verdachte en/of zijn mededaders:

- tegen die [benadeelde 1] hebben gezegd: "haal je zakken leeg" en vervolgens "als je niet al je spullen geeft, dan pak ik mijn mes" en “of je laat zien wat je daar hebt of ik steek je neer” en

- een hand in een tasje heeft gestoken.

Dagvaarding II: 09/154994-16

hij op 7 juni 2016 te 's-Gravenhage [benadeelde 2] heeft mishandeld door met een bezem tegen het hoofd van die [benadeelde 2] te slaan.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

4 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Dit levert de in de beslissing genoemde strafbare feiten op.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat niet is gebleken van omstandigheden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het hem bij dagvaarding I en dagvaarding II tenlastegelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 11 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

6.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit.

6.3.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank houdt bij het bepalen van de strafmaat rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder zij zijn gepleegd en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een afpersing van een vijftienjarige jongen van zijn tas. Afpersingen kunnen, naar algemeen bekend is, naast materiële schade tevens grote psychische schade bij de slachtoffers teweeg brengen en dragen ook in het algemeen bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Dat ook het slachtoffer in deze zaak last heeft gehad van de beroving, die mede werd uitgevoerd door klasgenoten, blijkt uit zijn aangifte en uit de vordering die hij heeft ingediend. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de mishandeling van een veertienjarige jongen door hem op het hoofd te slaan met een bezem, zonder dat daartoe enige aanleiding bestond. Ook voor dit slachtoffer is dit een nare ervaring geweest, waar hij niet alleen lichamelijk, maar ook psychisch last van heeft gehad. Jongens van veertien moeten zich net als ieder ander op straat veilig kunnen voelen. De verdachte heeft dat gevoel van veiligheid weggenomen.

Vast is komen te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie, in het recente verleden reeds eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Ten tijde van de bewezen verklaarde feiten liep de verdachte in een proeftijd van een vonnis waarbij hem een voorwaardelijke PIJ-maatregel was opgelegd. De rechtbank acht het zeer zorgelijk dat de verdachte binnen acht maanden tweemaal is gerecidiveerd., terwijl hem deze zware maatregel boven het hoofd hing.

Voorts neemt de rechtbank het de verdachte zeer kwalijk dat hij op geen enkele wijze heeft laten merken spijt te hebben van zijn handelen. De rechtbank rekent dit alles de verdachte ernstig aan.

De rechtbank overweegt dat voor onderhavige bewezen strafbare feiten het opleggen van een onvoorwaardelijke jeugddetentie van nader te noemen duur passend en geboden is, mede gelet op de gevorderde tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk aan de verdachte opgelegde PIJ-maatregel, waarop hieronder nader zal worden ingegaan.

7 De vordering van de benadeelde partij / schadevergoedingsmaatregel

7.1

De vordering van [benadeelde 1]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd ten aanzien van het onder 1 bewezen verklaarde feit ter zake van de vordering tot schadevergoeding van € 650,-, bestaande uit immateriële schade, groot € 100,- en materiële schade, groot € 550,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade op 28 september 2016 tot de dag der algehele betaling, en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.2

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van [benadeelde 1] , te vermeerderen met de wettelijke rente en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van benadeelde partij in de vordering, omdat er vrijspraak is bepleit. Bij een bewezenverklaring van het feit acht de raadsman matiging van de gevorderde immateriële schade aangewezen, aangezien er geen sprake is geweest van het tonen van een mes. De gevorderde materiële schade dient te worden afgewezen bij gebrek aan enige onderbouwing ervan, aldus de raadsman.

7.4

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering van [benadeelde 1] ten aanzien van de gevorderde immateriële schade hoofdelijk toewijzen. De gevorderde materiële schade zal worden toegewezen tot een bedrag van € 400,- (de telefoons). De gevorderde materiële schade met betrekking tot de pet zal niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien deze pet in de aangifte niet is genoemd en het wegnemen van de pet niet aan de verdachte ten laste is gelegd. De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen, omdat vast is komen te staan dat de schade met ingang van 28 september 2016 is ontstaan.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt. Deze kosten heeft de rechtbank tot op heden begroot op nihil.

Aangezien de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van [benadeelde 1] .

8 Vordering tenuitvoerlegging

8.1.

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank d.d.

8 februari 2016 voorwaardelijk opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (PIJ-maatregel) gevorderd.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting geconcludeerd tot afwijzing van de vordering. Uit de stukken en het hetgeen ter zitting is besproken blijkt dat de verdachte minimaal heeft meegewerkt aan de hem opgelegde behandeling Topzorg bij De Waag. Uit het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 18 april 2017 komt naar voren dat de ten uitvoerlegging van de PIJ-maatregel niet de benodigde verandering teweeg kan of zal brengen die wenselijk is bij de verdachte, omdat hij ongevoelig is voor gedragsinterventies die een appèl doen op zijn gewetensontwikkeling en zijn veronderstelde bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling. De gesprekken en sessies, persoonlijk en met het (gezins)systeem, gericht op het vergroten van probleembesef en motivatie voor gedragsverandering hebben geen resultaat gehad. Afschrikking of toepassing van detentie wordt de meest geschikte strafrechtelijke afdoening geacht, omdat detentie de verdachte (en zijn ouders) een duidelijk oorzaak en gevolg beeld biedt. De officier van justitie acht derhalve de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke opgelegde PIJ-maatregel niet opportuun.

8.2.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman acht de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel niet in het belang van de verdachte. Er is een alternatief plan opgesteld door de jeugdreclassering en de verdachte is bereid daaraan mee te werken en zich aan de overige bijzondere voorwaarden te houden.

8.3.

Het oordeel van de rechtbank

Aan de verdachte is bij voormeld vonnis een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd met een proeftijd van 2 jaren, met als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem te geven door of namens de Jeugdreclassering en dat hij - onder andere - zal deelnemen aan de gedragsinterventie Topzorg bij De Waag.

Voormeld vonnis is onherroepelijk geworden, nadat de verdachte zijn hoger beroep op

7 juni 2016 heeft ingetrokken.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd, doordat hij zich voor het einde van de proeftijd die bij voormeld vonnis was opgelegd, wederom heeft schuldig gemaakt aan twee ernstige strafbare feiten.

Voorts heeft de verdachte zich ook niet aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden gehouden door niet goed mee te werken aan de behandeling Topzorg bij De Waag. Uit de afsluitrapportage van De Waag d.d. 19 september 2016 blijkt dat er geen behandeling van de grond is gekomen. De verdachte ervaart geen lijdensdruk, geeft zelf ook aan niet te willen en zullen veranderen en hij heeft geen boodschap aan wat anderen vinden. Hij houdt zich thuis niet aan de afspraken, liegt veel en ervaart weinig tot geen consequenties van zijn keuzes.

De rechtbank overweegt dat de in het voormelde vonnis van 8 februari 2016 genoemde zorgen en redenen tot het opleggen van een PIJ-maatregel thans nog aan de orde zijn. Bij de verdachte is blijkens de destijds opgestelde rapportages sprake van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling, en een hoog recidiverisico, dat zich ook verwezenlijkt heeft. De rechtbank acht het daarom nog steeds noodzakelijk dat de verdachte wordt behandeld voor de ernstige (antisociale) gedragsstoornis waar hij aan lijdt en dat hij gaat leren om de juiste keuzes te maken, zijn geringe frustratietolerantie en agressieregulatie te beteugelen en gaat leren zijn zelfbepalendheid te begrenzen. De rechtbank is van oordeel dat het afgelopen jaar heeft uitgewezen dat de noodzakelijke (motivatie tot) gedragsverandering niet zal plaatsvinden, zolang echte consequenties uitblijven. Afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel zal hem slecht sterken in de overtuiging dat zijn daden zonder gevolgen blijven.

Alles overwegende kan de rechtbank niet tot een andere conclusie komen dan dat de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel ten uitvoer gelegd dient te worden, aangezien alle eerdere hulpverleningsvormen geen enkel soelaas hebben geboden en de verdachte gerecidiveerd is, terwijl hij zich ervan bewust was dat hij een laatste kans had gekregen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat thans de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie dient te worden toegewezen.

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:

36f, 77a, 77g, 77h, 77i, 77l, 77dd, 77ee, 77gg, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de hem bij dagvaarding I en bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan en dat het bewezene uitmaakt:

Dagvaarding I: 09/819021-16

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde

personen;

Dagvaarding II: 09/154994-16

Mishandeling;

verklaart het bewezene en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte bij dagvaarding meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot

jeugddetentie voor de duur van 206 (tweehonderdenzes) dagen;

bepaalt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

wijst de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde 1] gedeeltelijk hoofdelijk toe tot een bedrag van € 500,- (vijfhonderd euro) en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [benadeelde 1] , een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door [benadeelde 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 500,- (vijfhonderd euro) vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 september 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het [benadeelde 1] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 10 (tien) dagen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan [benadeelde 1] de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat gehele of gedeeltelijke voldoening van de betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan [benadeelde 1] doet vervallen;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader(s) aan de [benadeelde 1] , dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader(s) opgelegde, betalingsverplichting aan de Staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;

gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, opgelegd bij vonnis van de rechtbank Den Haag d.d.

8 februari 2016 in de zaak met parketnummer: 09/157185-15;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd gelijk is geworden aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie.

Dit vonnis is gewezen door

mr. E.M.M. Engbers, kinderrechter, voorzitter,

mr. M.F. Baaij, kinderrechter, en

mr. V.J. de Haan, kinderrechter,

in tegenwoordigheid van mr. C.K. van Dijk, griffier.

Het vonnis is uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 mei 2017.

Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2016271250, doorgenummerd pag. 1 t/m 192.

Aangifte door [benadeelde 1] , p. 46 t/m 49.

Verhoor [medeverdachte 2] , p. 87 t/m 96.

Verhoor [medeverdachte 2] , p. 98.

Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , p. 140.

Verhoor verdachte A.A.M. Shetat, p. 80 t/m 86

Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] , p. 63.

Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit – voor zover niet anders weergegeven - delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier met het nummer PL1500-2016159272.

Aangifte door [benadeelde 2] , PL1500-2016159272-1

Proces-verbaal van aanhouding van [verbalisant 2] , PL1500-2016159272-2

Verhoor aangever, PL1500-2016159272-13

Verhoor [getuige] , PL1500-2016159272-14


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature