Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Zorgvuldigheidsgebrek gehoor voorafgaand aan oplegging maatregel

Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen (ECLI:NL:RBDHA:2016:14705) vormt het in artikel 5.2, vierde lid, Vb neergelegde vereiste van het opmaken van een afzonderlijk proces-verbaal van gehoor een waarborg dat een precieze, en achteraf goed controleerbare weergave wordt gegeven van hetgeen is besproken tijdens het gehoor van de vreemdeling voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4063) waarin is overwogen dat verweerder ‘de rechter ten volle in staat moet stellen om de controle van de rechtmatigheid van het door hem genomen besluit uit te oefenen’. Niet valt in te zien dat dit anders zou zijn in het geval dat aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw wordt opgelegd. Immers, ook in dat geval moet de vreemdeling worden gehoord teneinde hem in staat te stellen hem persoonlijk betreffende feiten of omstandigheden aan te voeren die de vrijheidsontneming mogelijk onevenredig bezwarend zouden kunnen maken. Net zoals bij de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, 59 a of 59b Vw geldt bij vrijheidsontneming ingevolge artikel 6 Vw dat de rechtmatigheid van de maatregel op basis van de door verweerder overgelegde dossierstukken door de rechter achteraf ten volle moet kunnen worden gecontroleerd. Het is daarvoor van essentieel belang dat de feitelijke gang van zaken rond de oplegging van de maatregel - waaronder de wijze waarop het gehoor is afgenomen en wat in het concrete geval daarin is besproken - precies is weergegeven.

De rechtbank is ambtshalve bekend met bewaringsdossiers en de processen-verbaal van bevindingen van de KMar in zaken waarin de maatregel van artikel 6 Vw is opgelegd, die zich kenmerken door het gebruik van standaardteksten die keer op keer worden herhaald, inclusief (met zekere regelmaat) de in de processen-verbaal weergegeven antwoorden van de vreemdeling. Gelet op deze werkwijze kan de rechtbank er niet zonder meer van uitgaan dat hetgeen in die processen-verbaal staat vermeld, een juiste en exacte weergave is van hetgeen de vreemdeling heeft verklaard. Hierdoor wordt afbreuk gedaan aan de waarborg van artikel 5.4 Vb .

De rechtbank is, gelet op hetgeen eiser heeft verklaard tijdens het eerste gehoor, van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, nu dit niet is afgenomen in een taal die voor eiser voldoende begrijpelijk is. Ook uit het aanvullend proces-verbaal van 25 april 2017 blijkt dat eiser bij het gehoor heeft aangegeven dat hij de Franse taal niet goed beheerste. Nu dit proces-verbaal niet een duidelijke weergave bevat van de aan eiser gestelde vragen en de door hem gegeven antwoorden evenmin precies zijn weergegeven, is niet vast te stellen of eiser de verbalisant daadwerkelijk heeft begrepen en of hij zich voldoende heeft kunnen uitdrukken in de Franse taal. De mededeling van de verbalisant dat de vreemdeling positief antwoordde op de vraag of hij alles begrepen had, is niet te rijmen met hetgeen eiser tijdens het eerste gehoor over zijn beheersing van de Franse taal heeft verklaard. Daarnaast is onvoldoende komen vast te staan dat de antwoorden vermeld op bladzijde 2 van het proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2017 daadwerkelijk door eiser zijn gegeven.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek kleeft, die maakt dat de maatregel van aanvang af onrechtmatig was. Het beroep is ook hierom gegrond.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.1653

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2017 in de zaak tussen [eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. drs. J.E. Groenenberg),

en

de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder

(gemachtigde: mr. S.O. Naarendorp).

Procesverloop

Bij besluit van 7 april 2017 (bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep strekt van rechtswege ook tot een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 23 april 2017 de vrijheidsontnemende maatregel opgeheven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Senegalese nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] .

2. Nu de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. De rechtbank overweegt het volgende. Ter zitting was geen tolk aanwezig. Eiser spreekt de Wolof taal en voorafgaand aan de zitting is de rechtbank gebleken dat het tolkenbureau voor de zitting op 24 april 2017 geen tolk in de Wolof taal beschikbaar had en evenmin bleek dat zo’n tolk binnen een redelijke termijn beschikbaar zou zijn. Dit heeft tot gevolg gehad dat eiser, die ter zitting is verschenen, niet in een voor hem begrijpelijke taal kon worden gehoord. Getracht is in het Frans met hem te communiceren, maar dit verliep uiterst moeizaam en een werkelijk gesprek kon daardoor niet plaatsvinden. Aangezien geen tolk binnen redelijke termijn beschikbaar zou zijn, heeft de rechtbank het beroep behandeld en is de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld de beroepsgronden naar voren te brengen. De rechtbank is echter van oordeel dat, om redenen die niet voor rekening en risico van eiser behoren te komen, van een gehoor als bedoeld in artikel 94, vierde lid, Vw geen sprake is geweest. Het beroep is reeds hierom gegrond. Aangezien de maatregel echter al op 23 april 2017 door verweerder is opgeheven heeft dit verder geen consequenties.

4. Eiser voert aan dat het gehoor voorafgaande aan de oplegging van de vrijheidsont-nemende maatregel niet in een voor hem begrijpelijke taal heeft plaatsgevonden. Hij is immers gehoord in de Franse taal, terwijl hij die taal onvoldoende machtig is. Hij had gehoord moeten worden in de Wolof taal. Nu het gehoor niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft plaatsgevonden, heeft verweerder niet voldaan aan de op hem rustende plicht om voldoende kennis te vergaren over de af te wegen belangen. De antwoorden die staan vermeld op bladzijde 2 van het proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2017, te weten: “Ik heb er geen probleem mee” en “Ik ben gezond en gebruik geen medicatie” heeft de gemachtigde vaker aangetroffen in bewaringsdossiers van vreemdelingen. Eiser betwist dat dit zijn verklaringen zijn. Hij heeft in dit verband ter zitting gewezen op het rapport van het eerste gehoor van de asielprocedure, waarin op bladzijde 4 zijn volgende verklaring staat:

“Spreekt u Frans ?Nee, ik versta het niet zo goed.Ik zie wel dat u in het Frans bent gehoord bij de Koninklijke Marechaussee ?Het klopt wat u zegt. Mijn Frans is heel erg slecht. Ik ben namelijk met school gestopt in de zesde klas van de middelbare school. Dit heb ik toen ook al eerder aangegeven bij de

Koninklijke Marechaussee. Wolof is mijn moedertaal en de taal die ik het best beheers. Er is toen geprobeerd een Wolof tolk te regelen, zij hebben meegedeeld dat niet gelukt is. Zij hebben toen gezegd: laten we dit met een Franse taal proberen.”

4.1

Verweerder neemt het standpunt in dat eiser terecht in de Franse taal is gehoord. Niet is gebleken dat eiser deze taal niet beheerst. Eerder, op 5 april 2017 bij de grenscontrole, is eiser in het Frans gehoord en toen heeft hij ook antwoord gegeven. Hij heeft toen gezegd dat zijn broer in Frankrijk woont. Dit is tijdens het eerste gehoor bevestigd. Wat de in het proces-verbaal van bevindingen vermelde antwoorden betreft gaat verweerder uit van de juistheid van dat verbaal.

4.2

De rechtbank heeft in hetgeen eiser heeft aangevoerd aanleiding gezien verweerder in de gelegenheid te stellen een aanvullend proces-verbaal van de Koninklijke Marechaus-see (KMar) over te leggen waarin wordt aangegeven of en zo neen, waarom niet gebruik is gemaakt van een tolk tijdens het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de vrijheids-ontnemende maatregel. Tevens is de KMar verzocht te reageren op de verklaring van eiser tijdens het eerste gehoor, zoals hiervoor vermeld onder 4.Bij proces-verbaal van bevindingen van 25 april 2017 heeft verbalisant [naam 1] op ambtseed/ambtsbelofte het volgende verklaard:

“Op vrijdag 07 april 2017 heb ik, verbalisant voornoemde vreemdeling gehoord. Ten tijde van het gehoor was er geen tolk Wolof beschikbaar, derhalve heb ik, verbalisant, voornoemde vreemdeling gehoord in de Franse taal.

Voornoemde vreemdeling gaf aan dat hij de Franse taal niet goed beheerste. Voornoemde vreemdeling gaf wel aan de vragen die ik, verbalisant aan hem stelde goed te begrijpen. Gedurende het gehoor merkte, ik, verbalisant op dat voornoemde vreemdeling erg aan het stotteren was, waardoor het gehoor erg moeizaam verliep. Ik verbalisant heb voornoemde vreemdeling aan het einde van het gehoor gevraagd of hij alles begrepen had. Voornoemde vreemdeling antwoordde hier positief op.”

4.3

Bij schrijven van 25 april 2017 heeft eiser als volgt gereageerd op het aanvullende proces-verbaal:

“Uit het proces-verbaal blijkt dat eiser heeft aangegeven de Franse taal niet goed te beheersen. Onder die omstandigheid had eiser niet in het Frans, en al helemaal niet zonder tolk, gehoord mogen worden. Eiser verwijst naar hetgeen hij hierover reeds ter zitting naar voren heeft gebracht.”

4.4

De rechtbank overweegt dat het gehoor voorafgaand aan het nemen van een besluit over de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel van groot belang is, omdat de vreemdeling daarin in de gelegenheid moet worden gesteld om feiten en omstandigheden betreffende zijn persoonlijke belangen naar voren te brengen die verweerder in staat stellen te beoordelen of tot oplegging van de maatregel kan worden overgegaan of dat van het opleggen moet worden afgezien omdat de maatregel voor de vreemdeling onevenredig bezwarend is. Om die reden is het van groot belang dat de vreemdeling wordt gehoord in een voor hem begrijpelijke taal, dat wil zeggen een taal die hij zodanig beheerst dat een werkelijk tweegesprek mogelijk is. Bij voorkeur dient een gehoor plaats te vinden in de moedertaal van de vreemdeling. Indien dit niet mogelijk is, kan het gehoor in een secundaire taal plaatsvinden, maar dan moet wel vastgesteld zijn dat de vreemdeling die taal begrijpt en dat hij zich ook goed verstaanbaar kan maken in die taal.

4.5

De rechtbank stelt vast dat eiser op 7 april 2017 - anders dan op 5 april 2017 - zonder tolk is gehoord in de Franse taal. Uit het aanvullend proces-verbaal van 25 april 2017 maakt de rechtbank op dat het gehoor is afgenomen door een verbalisant die niet in het oorspronkelijke proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2017 staat vermeld. Dat proces-verbaal is immers opgemaakt door verbalisant [naam 2] . In het proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2017 - dat niet op ambtseed of ambtsbelofte is opgemaakt - staat onder het kopje “Maatregel” niet vermeld hoe het gehoor heeft plaatsgevonden en met wie en dit verbaal bevat voorts evenmin de verklaringen die eiser volgens het aanvullend proces-verbaal van 25 april 2017 heeft afgelegd.

4.6

Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen (ECLI:NL:RBDHA:2016:14705) vormt het in artikel 5.2, vierde lid, Vb neergelegde vereiste van het opmaken van een afzonderlijk proces-verbaal van gehoor een waarborg dat een precieze, en achteraf goed controleerbare weergave wordt gegeven van hetgeen is besproken tijdens het gehoor van de vreemdeling voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 24 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4063) waarin is overwogen dat verweerder ‘de rechter ten volle in staat moet stellen om de controle van de rechtmatigheid van het door hem genomen besluit uit te oefenen’. Niet valt in te zien dat dit anders zou zijn in het geval dat aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw wordt opgelegd. Immers, ook in dat geval moet de vreemdeling worden gehoord teneinde hem in staat te stellen hem persoonlijk betreffende feiten of omstandigheden aan te voeren die de vrijheidsontneming mogelijk onevenredig bezwarend zouden kunnen maken. Net zoals bij de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, 59 a of 59b Vw geldt bij vrijheidsontneming ingevolge artikel 6 Vw dat de rechtmatigheid van de maatregel op basis van de door verweerder overgelegde dossierstukken door de rechter achteraf ten volle moet kunnen worden gecontroleerd. Het is daarvoor van essentieel belang dat de feitelijke gang van zaken rond de oplegging van de maatregel - waaronder de wijze waarop het gehoor is afgenomen en wat in het concrete geval daarin is besproken - precies is weergegeven. De rechtbank is ambtshalve bekend met bewaringsdossiers en de processen-verbaal van bevindingen van de KMar in zaken waarin de maatregel van artikel 6 Vw is opgelegd, die zich kenmerken door het gebruik van standaardteksten die keer op keer worden herhaald, inclusief (met zekere regelmaat) de in de processen-verbaal weergegeven antwoorden van de vreemdeling. Gelet op deze werkwijze kan de rechtbank er niet zonder meer van uitgaan dat hetgeen in die processen-verbaal staat vermeld, een juiste en exacte weergave is van hetgeen de vreemdeling heeft verklaard. Hierdoor wordt afbreuk gedaan aan de waarborg van artikel 5.4 Vb .

4.7

De rechtbank is, gelet op hetgeen eiser heeft verklaard tijdens het eerste gehoor, van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, nu dit niet is afgenomen in een taal die voor eiser voldoende begrijpelijk is. Ook uit het aanvullend proces-verbaal van 25 april 2017 blijkt dat eiser bij het gehoor heeft aangegeven dat hij de Franse taal niet goed beheerste. Nu dit proces-verbaal niet een duidelijke weergave bevat van de aan eiser gestelde vragen en de door hem gegeven antwoorden evenmin precies zijn weergegeven, is niet vast te stellen of eiser de verbalisant daadwerkelijk heeft begrepen en of hij zich voldoende heeft kunnen uitdrukken in de Franse taal. De mededeling van de verbalisant dat de vreemdeling positief antwoordde op de vraag of hij alles begrepen had, is niet te rijmen met hetgeen eiser tijdens het eerste gehoor over zijn beheersing van de Franse taal heeft verklaard. Daarnaast is onvoldoende komen vast te staan dat de antwoorden vermeld op bladzijde 2 van het proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2017 daadwerkelijk door eiser zijn gegeven.

4.8

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek kleeft, die maakt dat de maatregel van aanvang af onrechtmatig was. Verweerder heeft in deze zaak niet betoogd dat eiser door het gebrek in het gehoor niet in zijn belangen is geschaad. Daarom komt de rechtbank niet toe aan de beantwoording van de vraag of dit gebrek, dat als een schending van het verdedigingsbeginsel kan worden aangemerkt, eiser daadwerkelijk de mogelijkheid heeft ontnomen om zich zodanig te verweren dat de besluitvorming een andere afloop had kunnen hebben (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 10 september 2013, C-383/13 PPU, M.G. en N.R., punten 39 tot en met 41, 44 en 45; ECLI:EU:C:2013:533). Het beroep is ook hierom gegrond. Nu de maatregel reeds is opgeheven behoeft geen bevel tot opheffing te worden gegeven.

5. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 16 nachten onrechtmatige bewaring van 16 x € 80,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.280,-.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,00 en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.280,-, te betalen door de griffier;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 990,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.O.P. Roché, rechter, in aanwezigheid van mr. H.C. Otten, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 april 2017.

griffier

rechter

Coll:

De rechter beveelt de tenuitvoerlegging van deze uitspraak voor het bedrag van de schadevergoeding en draagt de griffier van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, op aan eiser € 1.280,- uit te betalen.

Gedaan op 26 april 2017, door mr. N.O.P. Roché , rechter.

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature