Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:RBDHA:2017:4882
Rechtbank Den Haag, NL17.1653

Inhoudsindicatie:

Zorgvuldigheidsgebrek gehoor voorafgaand aan oplegging maatregel

Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen (ECLI:NL:RBDHA:2016:14705) vormt het in artikel 5.2, vierde lid, Vb neergelegde vereiste van het opmaken van een afzonderlijk proces-verbaal van gehoor een waarborg dat een precieze, en achteraf goed controleerbare weergave wordt gegeven van hetgeen is besproken tijdens het gehoor van de vreemdeling voorafgaand aan de oplegging van de maatregel van bewaring. De rechtbank wijst in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 24 december 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:4063) waarin is overwogen dat verweerder ‘de rechter ten volle in staat moet stellen om de controle van de rechtmatigheid van het door hem genomen besluit uit te oefenen’. Niet valt in te zien dat dit anders zou zijn in het geval dat aan de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6 Vw wordt opgelegd. Immers, ook in dat geval moet de vreemdeling worden gehoord teneinde hem in staat te stellen hem persoonlijk betreffende feiten of omstandigheden aan te voeren die de vrijheidsontneming mogelijk onevenredig bezwarend zouden kunnen maken. Net zoals bij de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, 59 a of 59b Vw geldt bij vrijheidsontneming ingevolge artikel 6 Vw dat de rechtmatigheid van de maatregel op basis van de door verweerder overgelegde dossierstukken door de rechter achteraf ten volle moet kunnen worden gecontroleerd. Het is daarvoor van essentieel belang dat de feitelijke gang van zaken rond de oplegging van de maatregel - waaronder de wijze waarop het gehoor is afgenomen en wat in het concrete geval daarin is besproken - precies is weergegeven.

De rechtbank is ambtshalve bekend met bewaringsdossiers en de processen-verbaal van bevindingen van de KMar in zaken waarin de maatregel van artikel 6 Vw is opgelegd, die zich kenmerken door het gebruik van standaardteksten die keer op keer worden herhaald, inclusief (met zekere regelmaat) de in de processen-verbaal weergegeven antwoorden van de vreemdeling. Gelet op deze werkwijze kan de rechtbank er niet zonder meer van uitgaan dat hetgeen in die processen-verbaal staat vermeld, een juiste en exacte weergave is van hetgeen de vreemdeling heeft verklaard. Hierdoor wordt afbreuk gedaan aan de waarborg van artikel 5.4 Vb .

De rechtbank is, gelet op hetgeen eiser heeft verklaard tijdens het eerste gehoor, van oordeel dat onvoldoende is gebleken dat het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, nu dit niet is afgenomen in een taal die voor eiser voldoende begrijpelijk is. Ook uit het aanvullend proces-verbaal van 25 april 2017 blijkt dat eiser bij het gehoor heeft aangegeven dat hij de Franse taal niet goed beheerste. Nu dit proces-verbaal niet een duidelijke weergave bevat van de aan eiser gestelde vragen en de door hem gegeven antwoorden evenmin precies zijn weergegeven, is niet vast te stellen of eiser de verbalisant daadwerkelijk heeft begrepen en of hij zich voldoende heeft kunnen uitdrukken in de Franse taal. De mededeling van de verbalisant dat de vreemdeling positief antwoordde op de vraag of hij alles begrepen had, is niet te rijmen met hetgeen eiser tijdens het eerste gehoor over zijn beheersing van de Franse taal heeft verklaard. Daarnaast is onvoldoende komen vast te staan dat de antwoorden vermeld op bladzijde 2 van het proces-verbaal van bevindingen van 7 april 2017 daadwerkelijk door eiser zijn gegeven.

Op grond van het voorgaande concludeert de rechtbank dat aan het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek kleeft, die maakt dat de maatregel van aanvang af onrechtmatig was. Het beroep is ook hierom gegrond.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug