Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Kort geding. Aanbesteding. Aanbestedingsprocedure met betrekking tot deurwaardersdiensten ten behoeve van het CJIB. Het CJIB hanteert in de aanbestedingsprocedure een vaste vergoeding en twee gunningscriteria. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het CJIB niet verplicht is te gunnen op basis van laagste prijs of emvi en dat niet vereist is dat inschrijvers zich kunnen onderscheiden op de prijscomponent. De gehanteerde gunningscriteria en de gebruikte beoordelingssystematiek leveren voldoende onderscheidend vermogen op. De bezwaren van eiseres tegen de geboden vaste vergoeding (die niet marktconform zou zijn) worden door de voorzieningenrechter evenmin gevolgd.

Uitspraak



Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/521521 / KG ZA 16/1375

Vonnis in kort geding van 12 januari 2017

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

eiseres,

advocaat mr. K.A.M. van Kampen te Den Bosch,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden, Ministerie van Veiligheid en Justitie, meer in het bijzonder het Centraal Justitieel Incassobureau,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. J.H.C.A. Muller te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘het CJIB’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de door het CJIB op voorhand overgelegde eerste paragraaf van de pleitnota (Inleiding en achtergrond) en producties;

- de op 22 december 2016 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

Het CJIB int vorderingen van verschillende organisaties/onderdelen van de Rijksoverheid. In het kader van het uitvoeringsprogramma Compacte Rijksdienst is besloten om de gerechtsdeurwaarderstrajecten van het Centraal Administratiekantoor (CAK), het Zorginstituut Nederland (ZIN), de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) en het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) centraal bij het CJIB onder te brengen. Beoogd wordt om te gaan werken met een persoonsgerichte incasso, waarbij alle executoriale titels van voornoemde vijf bestuursorganen door het CJIB per debiteur worden aangeboden aan één gerechtsdeurwaarder.

2.2.

Om te komen tot persoonsgerichte incasso heeft het CJIB inmiddels drie aanbestedingsprocedures uitgeschreven. De eerste aanbesteding is door het CJIB ingetrokken. De tweede aanbestedingsprocedure is naar aanleiding van vijf afzonderlijke kort gedingen op last van de voorzieningenrechter ingetrokken (vonnissen uitgesproken op 3 september 2015).

2.3.

Met het oog op het organiseren van een nieuwe aanbesteding heeft het CJIB een marktconsultatie gehouden. Deze marktconsultatie is op 20 april 2016 aangekondigd op TenderNed. De marktconsultatie heeft op 26 mei 2016 plaatsgevonden.

2.4.

Op 15 juli 2016 heeft het CJIB op TenderNed de huidige Europese aanbestedingsprocedure “Gerechtsdeurwaardersdiensten Clustering Rijksincasso” aangekondigd. De aanbesteding wordt uitgevoerd conform het Europese regime voor sociale en andere specifieke diensten als bedoeld in artikel 2.38 van de Aanbestedingswet 2012 (hierna: Aw).

2.5.

In het “Beschrijvend Document Aanbesteding Gerechtsdeurwaardersdiensten Clustering Rijksincasso” (hierna: het Beschrijvend Document) is opgenomen dat is gekozen om een vaste vergoeding uit te keren per niet-inbare vordering. De vaste vergoeding bedraagt € 46,13 inclusief BTW. Deze vaste vergoeding wordt uitgekeerd in alle zaken waarin de gerechtsdeurwaarder bij het sluiten van de zaak geen geld afdraagt aan de opdrachtgever en derhalve ook in zaken waarin wel genoeg bij de debiteur is geïnd om de eigen kosten van de deurwaarder geheel of gedeeltelijk op de debiteur te verhalen. In paragraaf 1.4 van het Beschrijvend Document staat hierover, voor zover nu relevant, het volgende vermeld:

“De belangrijkste redenen voor de Opdrachtgever om te kiezen voor een vaste vergoeding per Niet-inbare vordering zijn:

 Een vergoeding per Niet-inbare vordering sluit aan bij de voorkeur van de Gerechtsdeurwaarders, zoals duidelijk is gebleken uit de marktconsultatie;

 De Opdrachtgever en in het bijzonder het programma CRI heeft geen doelstelling om besparingen (inkoopvoordeel) te realiseren op de tarieven voor Gerechtsdeurwaarders. Een vaste vergoeding die budgettair neutraal is ten opzichte van de vergoedingen die de Bestuursorganen in de huidige situatie uitkeren doet hier het meeste recht aan;

 Het toelaten van prijsconcurrentie heeft in een eerdere aanbesteding geleid tot een “race to the bottom”, aangezien de Gerechtsdeurwaarders bereid waren tegen een minimumtarief in te schrijven. In een opvolgende aanbesteding - waarbij gegund zou worden op laagste prijs - heeft de rechter aangenomen dat de Gerechtsdeurwaarders wederom bereid zouden zijn voor een minimumtarief in te schrijven. Ook uit de marktconsultatie is deze bereidheid wederom naar voren gekomen. De Opdrachtgever beschouwt prijsconcurrentie in de onderhavige aanbesteding als onwenselijk, omdat de verwachting bestaat dat het prijscriterium (wederom) nauwelijks onderscheidend zal zijn, hetgeen zal kunnen leiden tot een lage(re) vergoeding, waardoor de kwaliteit van de Dienstverlening en mogelijkheden om te innoveren negatief kunnen worden beïnvloed.”

2.6.

In hoofdstuk 5 van het Beschrijvend Document is, voor zover nu relevant, het volgende opgenomen:

“ 5. Gunningscriteria

(...)

De inschrijvingen worden op grond van twee Gunningscriteria beoordeeld. Tussen de Gunningscriteria hanteert de Opdrachtgever een weging. De gehanteerde Gunningscriteria en de bijbehorende weging staan in onderstaande tabel:

Nr.

Omschrijving

Gewicht

§

G1

Snelle en betrouwbare herkenning van Debiteuren die geen verhaal (meer) bieden

- Aangeboden werkwijze en onderbouwing

40%

5.2.1

G2

Persoonsgericht incasseren bij Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen

- Aangeboden werkwijze en onderbouwing

60%

5.2.2

5.1

Wijze van beoordelen Gunningscriterïa

Om per Inschrijver tot een totaalscore op grond van de Gunningscriteria te komen, worden de volgende twee stappen doorlopen:

1. Bepalen van de ongewogen score per Gunningscriterium;

2. Berekenen van de gewogen eindscores.

Deze stappen worden hieronder nader toegelicht:

1 Bepalen van de ongewogen score per Gunningscriterium

(…)

Beoordelingsteams

Per Gunningscriterium (in paragraaf 5.2.1 en verder zijn de Gunningscriteria nader uitgewerkt) is er een deskundig beoordelingsteam bestaande uit een voorzitter en ten minste 3 beoordelaars. In totaal zijn er twee beoordelingsteams, één voor G1 en één voor G2.

(…)

Rapportcijfers

De leden van het beoordelingsteam beoordelen per Gunningscriterium eerst individueel de kwaliteit van de door de Inschrijver bij zijn Inschrijving ingediende informatie voor het betreffende Gunningscriterium. Afhankelijk van de kwaliteit van het aangebodene wordt door elk lid van het beoordelingsteam een rapportcijfer gegeven op een schaal van 1 tot 10:

(…)

Tijdens een plenaire beoordelingssessie bespreekt het beoordelingsteam de per beoordelaar

toegekende rapportcijfers. De individuele beoordelaars hebben daarbij de mogelijkheid om, op basis van de gevoerde discussie, hun rapportcijfers al dan niet bij te stellen. Vervolgens worden de rapportcijfers per Gunningcriterium gemiddeld, waarbij de beoordeling van elk afzonderlijk beoordelingsteamlid even zwaar weegt. Het gemiddelde rapportcijfer wordt niet afgerond (maar kan om praktische redenen wel afgerond worden weergegeven).

Gevraagde onderwerpen en beoordelingsaspecten

Vanaf paragraaf 5.2.1 wordt per Gunningscriterium beschreven (i) welke informatie de Inschrijver in het kader van het betreffende Gunningscriterium - op straffe van ongeldigheid - moet inleveren; en (ii) op welke aspecten het beoordelingsteam de beoordeling op het betreffende Gunningscriterium zal uitvoeren (per Gunningscriterium is hiervoor een tekstkader opgenomen in het vervolg van dit hoofdstuk).

Het beoordelingsteam zal nagaan of de Inschrijver alle gevraagde informatie voor het betreffende Gunningscriterium heeft ingeleverd. Als dat niet het geval is, leidt dat tot ongeldigheid van de Inschrijving.

Een uitwerking van de Gunningscriteria die niet overeenstemt met het gestelde in het Programma van Eisen leidt tot ongeldigheid van de Inschrijving (bijvoorbeeld indien uit de Inschrijving blijkt dat de bejegening van de Debiteur niet behoorlijk en correct is, hetgeen niet overeenstemt met het gestelde in het Programma van Eisen) of haaks staat op wettelijke verplichtingen van de Inschrijver.

Inschrijvers dienen in hun Inschrijving concreet en ondubbelzinnig te beschrijven wat zij aanbieden (dus niet “we kunnen...’ of “we doen mogelijk...”, maar “we zullen...” of ‘we doen...’).

Onduidelijkheden in de Inschrijving kunnen leiden tot een lagere beoordeling op de kwalitatieve Gunningscriteria.

2 Berekenen van de eindscore en omgang met gelijke eindscores

Berekenen van de eindscore

Nadat per Perceel en per Inschrijver voor elk Gunningscriterium een gemiddeld niet-afgerond rapportcijfer is berekend, wordt voor elke Inschrijver de eindscore berekend door de gemiddelde rapportcijfers per Gunningscriterium te vermenigvuldigen met het bijbehorende gewicht en vervolgens deze scores bij elkaar op te tellen. Dit resulteert in een niet-afgerond eindrapportcijfer per Inschrijver en per Perceel. Een voorbeeldberekening van een beoordeling is opgenomen in Bijlage G.

(…)

Omgang met gelijke eindscores per Perceel

Indien na het vaststellen van de eindrapportcijfers meer Inschrijvers in aanmerking komen voor (voorlopige) gunning van een Perceel dan het maximaal aantal te contracteren Opdrachtnemers voor dat Perceel, dan wordt gekeken naar de niet-afgeronde rapportcijfers per Gunningscriterium om te bepalen aan welke Inschrijvers wordt gegund. Voor Inschrijvers die in aanmerking komen voor gunning met het laagste niet-afgeronde eindrapportcijfer wordt eerst gekeken naar het behaalde niet-afgeronde rapportcijfer op Gunningscriterium G2. Indien ook op G2 geen onderscheid wordt gemaakt, wordt gekeken naar het niet-afgeronde rapportcijfer op Gunningscriterium G1. Indien daarna nog steeds teveel Inschrijvers in aanmerking komen voor gunning, vindt een loting plaats door een notaris om te bepalen aan welke Inschrijvers wordt gegund.”

2.7.

In paragraaf 5.2 van het Beschrijvend Document zijn de gunningscriteria G1 en G2 nader uitgewerkt. Voor zover nu relevant is daarin het volgende opgenomen:

“5.2.1 G1: Snelle en betrouwbare herkenning van Debiteuren die geen verhaal (meer)

bieden

(…)

De Inschrijver wordt gevraagd in zijn uitwerking op de volgende onderwerpen in onderstaande volgorde in te gaan (met onderstaande nummering en paragraaftitels):

1. Werkwijze voor een snelle en betrouwbare herkenning van Debiteuren die geen verhaal (meer) bieden

Een beknopte omschrijving van de werkwijze waarmee u bepaalt of een nieuwe of bestaande

Debiteur geen verhaal (meer) biedt. Als onderdeel van uw werkwijze wordt u gevraagd in ieder geval aan te geven: welke kenmerken of criteria voor verhaalbaarheid u hanteert (in aanvulling op de hierboven genoemde kenmerken en criteria), op welke wijze en volgens welke stappen u de verhaalbaarheid toetst, op welk moment (of op welke momenten) u deze toets uitvoert, welke informatie u hierbij gebruikt en welke informatiebronnen u hiervoor raadpleegt, hoe u ‘oneigenlijke’ niet-kunners die wél kunnen betalen identificeert en in hoeverre Debiteuren de mogelijkheid wordt geboden om zelf aan te tonen dat zij geen verhaal (meer) bieden.

2 Onderbouwing van de effecten van de aangeboden werkwijze

De onderbouwing die u ons kunt overleggen om ons ervan te overtuigen dat de door u aangeboden werkwijze zal leiden tot een snelle en betrouwbare herkenning van Debiteuren die geen verhaal (meer) bieden, met als resultaat dat onnodige schuldoploop bij deze Debiteuren wordt voorkomen. U kunt dit bijvoorbeeld aantonen door middel van een logische onderbouwing, gebruik van relevante (regionale) kennis, voorbeelden van best practices en soortgelijke opdrachten en/of metingen en onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat uw werkwijze het beoogde effect heeft.

(…)

Beoordelingskader G1: Aangeboden werkwijze en onderbouwing voor snelle en betrouwbare herkenning van Debiteuren die geen verhaal (meer) bieden

Bij de beoordeling van Gunningscriterium G1 kijkt het beoordelingsteam naar het ‘totaalbeeld’ van de aangeboden werkwijze en de geleverde onderbouwing. Daarbij let het

beoordelingsteam op de mate waarin de Inschrijver;

1. Duidelijk en concreet inzicht geeft in zijn aangeboden werkwijze op alle gevraagde onderdelen;

2. Onderbouwt dat zijn werkwijze effectief is en naar verwachting zal leiden tot een snelle en

betrouwbare herkenning van Debiteuren die geen verhaal (meer) bieden, met als resultaat

dat onnodige schuldoploop bij deze Debiteuren wordt voorkomen.

De beoordelingsaspecten zijn geen nadere (sub)Gunningcriteria. Het betreffen aspecten

waarop de beoordelaars de Inschrijving beoordelen om te komen tot één integraal rapportcijfer voor G1. De genoemde aspecten kennen geen onderlinge weging.

Opdrachtgever kiest bewust voor een integrale beoordeling van G1, omdat zij van mening is

dat er een duidelijke relatie ligt tussen de beoordelingsaspecten. Zonder een duidelijke

werkwijze is de onderbouwing niet goed te beoordelen. Dit betekent dat wanneer de

beschrijving van de werkwijze onvolledig, niet concreet en/of onduidelijk is, dit bepalend is

voor de integrale beoordeling en zal leiden tot een onvoldoende (rapportcijfer 5 of lager). Dit ongeacht de kwaliteit van de onderbouwing.

Een volledige, concrete en duidelijke werkwijze zal pas leiden tot een hoog rapportcijfer

(rapportcijfer 7 of hoger) indien de onderbouwing minimaal op een voldoende niveau is

uitgewerkt. Ten aanzien van de onderbouwing geldt dat deze beter wordt beoordeeld naarmate specifieker is uitgewerkt hoe de verschillende onderdelen van de werkwijze bijdragen aan het beoogde resultaat (snelle en betrouwbare herkenning van Debiteu ren die geen verhaal (meer) bieden) en aangedragen voorbeelden, metingen of onderzoeksresultaten onafhankelijk en voor het beoordelingsteam te verifiëren zijn.

5.2.2. G2: Persoonsgericht incasseren bij Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen

(…)

De Inschrijver wordt gevraagd in zijn uitwerking op de volgende onderwerpen in onderstaande volgorde in te gaan (met onderstaande nummering en paragraaftitels):

1. Werkwijze voor persoonsgericht incasseren bij Debiteuren die niet direct (het hele

bedrag) kunnen betalen

Een beknopte omschrijving van de werkwijze van incasseren waarmee u voor Debiteuren die

niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen, toch een effectief incassoproces weet vorm te

geven op basis van een persoonsgerichte aanpak. Als onderdeel van uw werkwijze wordt u

gevraagd om in ieder geval aan te geven:

• Welke persoonsgerichte handelingen u in welke volgorde verricht (bijvoorbeeld bezoek

aan huis, schriftelijke communicatie op passend taalniveau, sms-diensten),

• Welke technieken of competenties u hierbij inzet (bijvoorbeeld nudging, motiverende gespreksvoering),

• Welke maatwerkproducten u aan Debiteuren kunt bieden (bijvoorbeeld diverse betalingsregelingen),

• In welke gevallen c.q. voor welke doelgroep(en) deze maatwerkproducten effectief zijn en

• Hoe u omgaat met onvoorziene omstandigheden bij de Debiteur (dit kan tot uiting komen als een Debiteur niet voldoet aan de voorwaarden van een met u overeengekomen betalingsregeling, bijvoorbeeld door één of meerdere termijnen niet te betalen omdat de Debiteur een onverwacht grote uitgave moet doen).

Daarnaast vragen wij u een beschrijving te geven van de algemene dienstverlening die u aan Debiteuren biedt (bijvoorbeeld budgetcoaching, betaalgemak, bereikbaarheid) voor zover deze ondersteunend is aan de persoonsgerichte handelingen, technieken en producten die u als onderdeel van uw werkwijze heeft benoemd.

2 Onderbouwing van de effecten van de aangeboden werkwijze

De onderbouwing die u ons kunt overleggen om ons ervan te overtuigen dat uw werkwijze,

bestaande uit zowel persoonsgerichte handelingen en technieken als algemene dienstverlening, zal leiden tot een effectief incassoproces voor Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen op basis van een persoonsgerichte aanpak. U kunt dit bijvoorbeeld aantonen door middel van een logische onderbouwing, relevante certificering, opleiding en/of ervaring van personeel, voorbeelden van best practices en soortgelijke opdrachten en/of metingen en onderzoeksresultaten waaruit blijkt dat uw werkwijze het beoogde effect heeft.

(…)

Beoordelingskader G2: Aangeboden werkwijze en onderbouwing voor persoonsgericht incasseren bij Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen

Bij de beoordeling van Gunningscriterium G2 kijkt het beoordelingsteam naar het ‘totaalbeeld’ van de aangeboden werkwijze en de geleverde onderbouwing. Daarbij let het

beoordelingsteam op de mate waarin de Inschrijver:

1. Duidelijk en concreet inzicht geeft in zijn aangeboden werkwijze op alle gevraagde

onderdelen, zowel de persoonsgerichte handelingen, technieken, maatwerkproducten en

omgang met onvoorziene omstandigheden als de algemene dienstverlening voor zover die

hier ondersteunend aan is;

2. Onderbouwt dat zijn werkwijze effectief is en naar verwachting zal leiden tot een effectief

incassoproces voor Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen op basis

van een persoonsgerichte aanpak.

De beoordelingsaspecten zijn geen nadere (sub)Gunningcriteria. Het betreffen aspecten

waarop de beoordelaars de Inschrijving beoordelen om te komen tot één integraal rapportcijfer voor G2. De genoemde aspecten kennen geen onderlinge weging.

Opdrachtgever kiest bewust voor een integrale beoordeling van G2, omdat zij van mening is

dat er een duidelijke relatie ligt tussen de beoordelingsaspecten. Zonder een duidelijke

werkwijze is de onderbouwing niet goed te beoordelen. Dit betekent dat wanneer de

beschrijving van de werkwijze onvolledig, niet concreet en/of onduidelijk is, dit bepalend is

voor de integrale beoordeling en zal leiden tot een onvoldoende (rapportcijfer 5 of lager). Dit ongeacht de kwaliteit van de onderbouwing.

Een volledige, concrete en duidelijke werkwijze zal pas leiden tot een hoog rapportcijfer

(rapportcijfer 7 of hoger) indien de onderbouwing minimaal op een voldoende niveau is

uitgewerkt. Ten aanzien van de onderbouwing geldt dat deze beter wordt beoordeeld naarmate specifieker is uitgewerkt hoe de verschillende onderdelen van de werkwijze bijdragen aan het beoogde resultaat (een effectief incassoproces voor Debiteuren die niet direct (het hele bedrag) kunnen betalen op basis van een persoonsgerichte aanpak) en aangedragen voorbeelden, metingen of onderzoeksresultaten onafhankelijk en voor het beoordelingsteam te verifiëren zijn.”

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert, na intrekking van de subsidiaire vordering ter zitting, – zakelijk weergegeven – het CJIB te bevelen de aanbestedingsprocedure af te breken en te verbieden de opdracht onder deze aanbestedingsprocedure te gunnen, althans het CJIB te bevelen – indien hij de aanbestedingsprocedure wil voortzetten – de voorwaarden van de aanbestedingsprocedure zodanig aan te passen dat deze met inachtneming van het in dit vonnis bepaalde alsnog in overeenstemming is met het aanbestedingsrecht, alles op straffe van een dwangsom en met veroordeling van het CJIB in de kosten van deze procedure.

3.2.

Daartoe voert [eiseres] – samengevat – het volgende aan. Deze aanbesteding wordt uitgevoerd conform het nieuwe (verlichte) Europese regime voor sociale en andere specifieke diensten, als bedoeld in artikel 2.38 Aw . Het CJIB heeft gekozen voor een selectiemethode die is gebaseerd op een reguliere aanbestedingsprocedure als beschreven in hoofdstuk 2 Aw. Het CJIB moet de bijbehorende eisen en voorwaarden naleven, waaronder dat een gunningsmethodiek moet worden gekozen zoals opgenomen in artikel 2.114 Aw . Dit impliceert dat gunning moet plaatsvinden op basis van laagste prijs, dan wel op basis van de economisch meest voordelige inschrijving (emvi). Dat veronderstelt dat er in de gunningsmethodiek een kwaliteits- en prijscomponent moet zitten zodat daarbij een concurrerend inschrijfgedrag mogelijk is. Dit vloeit ook voort uit artikel 1.4 lid 2 Aw, dat van toepassing is op alle aanbestedingen, ook op aanbestedingen waarop deel 2 Aw niet van toepassing is. Ingevolge artikel 1.4 lid 2 moet een aanbestedende dienst zorg dragen voor het leveren van zoveel mogelijk maatschappelijke waarde voor publieke middelen. De aanbestedende dienst moet de opdracht en de procedure zo vorm geven, dat de ondernemer de beste kwaliteit kan leveren tegen de beste prijs. Onderhavige aanbesteding voldoet niet aan de gunningsmethodiek zoals opgenomen in artikel 2.114 Aw en ook niet aan het gestelde in artikel 1. 4, lid 2, Aw . Het CJIB werkt enerzijds met een vaste niet-marktconforme vergoeding en hanteert anderzijds twee gunningscriteria die geen onderscheidend vermogen hebben. Hierdoor zal deze aanbesteding nooit resulteren in de beste prijs/kwaliteit uitslag.

3.3.

Onderscheid op kwaliteit is niet mogelijk omdat alle gerechtsdeurwaarders verplicht zijn om aan de in het Reglement van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders neergelegde kwaliteitsnormen te voldoen. Dit betekent dat alle gerechtsdeurwaarders ten aanzien van de gunningscriteria G1 en G2 volgens dezelfde systematiek/methodiek te werk gaan. Ook de wijze waarop het CJIB de inschrijvingen beoordeelt, leidt niet tot onderscheid. De aspecten waarop de gunningscriteria worden beoordeeld kennen namelijk geen onderlinge weging, maar worden met één integraal rapportcijfer beoordeeld. Dit heeft een nivellerende werking. Omdat gewerkt wordt met een vaste prijs voor niet-inbare vorderingen, heeft de prijs evenmin onderscheidend vermogen. Dit kan bovendien nooit tot de beste prijs leiden. De prijs wordt namelijk arbitrair vastgesteld en is geen marktconforme prijs, maar een prijs die ver onder de marktprijs ligt. Dit alles kan dan ook niet leiden tot concurrentie op kwaliteit en evenmin tot de beste prijs. De aanbesteding kan niet in stand blijven, omdat deze niet voldoet aan de uitgangspunten van de aanbestedingswet.

3.4.

Het CJIB voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

4.1.

De voorzieningenrechter overweegt allereerst dat op onderhavige aanbesteding het regime van artikel 2.38 en 2.39 Aw van toepassing is. Ingevolge lid 2 van artikel 2.39 Aw zijn bij toepassing van de ze procedure uitsluitend de paragrafen 2.3.1.2, 2. 3.2.1 en 2.3.3.1, afdeling 2.3.4 en paragraaf 2.3.8.9 van hoofdstuk 2.3 Aw van toepassing. Gelet hierop is artikel 2.114 Aw (dat is opgenomen in paragraaf 2.3.8.4 Aw) niet van toepassing. De stellingen die [eiseres] baseert op de toepasselijkheid van dit artikel kunnen de rhalve reeds gelet hierop worden gepasseerd en het CJIB is derhalve ook niet verplicht om te gunnen op basis van laagste prijs of emvi.

4.2.

Artikel 1.4 Aw is wel op onderhavige aanbesteding van toepassing. Ingevolge lid 2 van dit artikel dient een aanbestedende dienst zorg te dragen voor het leveren van zo veel mogelijk maatschappelijke waarde voor de voor de publieke middelen bij het sluiten van de overeenkomst die aanleiding vormt voor de aanbestedingsprocedure. Anders dan [eiseres] betoogt (althans lijkt te betogen) impliceert dit niet dat inschrijvers in een aanbestedingsprocedure zich moeten kunnen onderscheiden op de prijscomponent. Uit dit artikel kan niet (in algemene zin) worden afgeleid dat een aanbesteding met een vaste prijs niet toelaatbaar is. Zoals het CJIB terecht aanvoert kan zo veel mogelijk maatschappelijke waarde ook worden gerealiseerd door inschrijvers te vragen voor het beschikbare vaste tarief zoveel mogelijk maatschappelijke waarde te leveren. Gelet hierop en omdat uit de eerdere (ingetrokken) aanbestedingsprocedures over dezelfde opdracht reeds is gebleken dat concurrentie op prijs ten aanzien van onderhavige opdracht niet of slechts zeer beperkt mogelijk lijkt te zijn (vgl. paragraaf 1.4 van het Beschrijvend Document), kan aan het CJIB niet worden tegengeworpen dat de prijs niet als gunningscriterium is aangemerkt.

4.3.

[eiseres] baseert haar stelling dat gunningscriteria G1 en G2 geen onderscheidend vermogen hebben op de omstandigheid dat gerechtsdeurwaarders allen dezelfde opleiding en wettelijke bevoegdheden hebben en allen moeten voldoen aan de in het Reglement van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) neergelegde kwaliteitsnormen en de aan de “Best Practices” van de KBvG en het Bureau Financieel Toezicht. Dit leidt, aldus [eiseres] , tot een norm waarbinnen gerechtsdeurwaarders zich niet wezenlijk van elkaar kunnen onderscheiden. In dit betoog kan [eiseres] niet worden gevolgd. Weliswaar is sprake van regelgeving ten aanzien van de kwaliteit van de werkzaamheden van gerechtsdeurwaarders, doch gesteld noch gebleken is dat deze regelgeving zo verstrekkend is dat de wijze waarop een gerechtsdeurwaarder zijn werkzaamheden uitvoert volledig is ingekleurd. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om haar stelling op dit punt te concretiseren, doch dit heeft zij nagelaten. De voor gerechtsdeurwaarders toepasselijke wet- en regelgeving creëert weliswaar een kader waarbinnen gerechtsdeurwaarders werkzaamheden moeten uitvoeren, maar laat onverlet op welke wijze de gerechtsdeurwaarder deze werkzaamheden precies uitvoert, bijvoorbeeld ten aanzien van manier waarop en de frequentie waarmee debiteuren worden benaderd. [eiseres] heeft ter terechtzitting zelf ook opgemerkt dat er, bijvoorbeeld, marges zitten in de termijnen waarmee gewerkt kan worden.

4.4.

Evenmin, en derhalve anders dan [eiseres] betogen, is gebleken dat de beoordelingssystematiek geen onderscheidend vermogen ten aanzien van de kwalitatieve gunningscriteria oplevert. Het CJIB werkt bij de beoordeling van G1 en G2 met twee afzonderlijke beoordelingsteams, van tenminste drie beoordelaars. Die beoordelaars geven op individuele basis een rapportcijfer van 1 tot en met 10. Het gemiddelde van die individuele cijfers, afgerond op twee cijfers achter de komma, wordt vervolgens vermenigvuldigd met het bijbehorende gewicht (40% respectievelijk 60%) en vervolgens bij elkaar opgeteld. Voor zover de aldus resulterende rapportcijfers geen onderscheidend vermogen hebben, wordt vervolgens aan de hand van het niet-afgeronde rapportcijfer voor G2 bepaald wie de winnaars zijn en daarna – zo nodig – ook nog aan de hand van het niet afgeronde rapportcijfer op G1. In paragraaf 5.2 van het Beschrijvend Document is bovendien geconcretiseerd op welke onderwerpen de Inschrijver bij de uitwerking van de kwalitatieve criteria dient in te gaan en waar het beoordelingsteam bij de beoordeling op let. Zonder nadere toelichting van de zijde van [eiseres] , die achterwege is gebleven, valt niet in te zien waarom deze beoordelingssystematiek onvoldoende onderscheidend vermogen zou hebben. De stelling dat per gunningscriterium met één integraal rapportcijfer wordt gewerkt is daartoe ontoereikend, te meer gezien de onvoldoende weersproken toelichting van het CJIB op de in dit verband gekozen beoordelingswijze in paragraaf 5.2 van het Beschrijvend Document.

4.5.

[eiseres] hebben, tot slot, ook bezwaar geuit tegen de hoogte van de door het CJIB aangeboden prijs voor niet-inbare vorderingen. Deze prijs is, aldus [eiseres] , arbitrair vastgesteld en niet marktconform. Hierover overweegt de voorzieningenrechter allereerst dat de Gerechtsdeurwaarderswet (of andere toepasselijke regelgeving) er – in verband met de door de wetgever wenselijk geachte marktwerking voor gerechtsdeurwaardersdiensten – niet aan de in de weg staat dat voor niet-inbare vorderingen geen kostendekkende vergoeding wordt betaald door de opdrachtgever. Voorts overweegt de voorzieningenrechter dat het een opdrachtgever, zoals het CJIB is, in beginsel – binnen redelijke marges – vrij staat te bepalen welke prijs hij wil betalen voor een dienst, zoals het een opdrachtnemer vrij staat te bepalen of hij voor de geboden prijs bereid is de dienst te leveren. Dit zou anders kunnen zijn, indien de door het CJIB aangeboden prijs onredelijk laag is en daarom in strijd is met aanbestedingsrechtelijke beginselen. Hiervan is de voorzieningenrechter niet gebleken. Daartoe wordt als volgt overwogen.

4.6.

Deurwaarders kunnen bij alle zaken waarin zij de vorderingen wel kunnen innen op de debiteur de kosten van hun werkzaamheden op grond van het Besluit ambtshandelingen gerechtsdeurwaarders (Btag) verhalen op de debiteur. Het tarief voor niet-inbare vorderingen wordt in alle zaken waarin geen afdracht aan de opdrachtnemer kan plaatsvinden uitbetaald, ook als de deurwaarder zijn eigen kosten geheel of gedeeltelijk conform de Btag-tarieven op de debiteur heeft kunnen verhalen en er geen geld voor de opdrachtnemer overblijft. Het CJIB heeft gemotiveerd en onweersproken toegelicht dat vorderingen waarvan het CJIB weet – aan de hand van controle in het Personen Service Verhaal register – dat die naar verwachting niet incasseerbaar zijn, niet ter inning aan de gerechtsdeurwaarder worden overgedragen en dat derhalve veruit de meeste vorderingen die de gerechtsdeurwaarder ter hand neemt geheel of gedeeltelijk verhaalbaar zijn. Gelet op dit alles is de deurwaarder slechts voor een beperkt aantal zaken ten aanzien van zijn inkomsten afhankelijk de door het CJIB aangeboden prijs voor niet-inbare vorderingen en niet gebleken is dat het geboden tarief in het licht van deze omstandigheden onredelijk laag is. Hier komt bovendien nog bij dat – gezien het verloop van de eerste twee aanbestedingsprocedures (zie paragraaf 1.4 van het Beschrijvend Document) – aannemelijk is dat wanneer in deze aanbesteding wel prijsconcurrentie zou worden toegelaten, lagere tarieven zouden worden geboden door inschrijvers dan het thans door het CJIB aangeboden tarieven. Slotsom is dan ook dat [eiseres] niet gevolgd kunnen worden in hun bezwaren tegen het door het CJIB geboden vaste tarief voor niet-inbare vorderingen.

4.7.

Op grond van al het vorenstaande is de conclusie dat de vorderingen van [eiseres] moeten worden afgewezen. [eiseres] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van [eiseres] af;

5.2.

veroordeelt [eiseres] om binnen veertien dagen nadat dit vonnis is uitgesproken de kosten van dit geding aan het CJIB te betalen, tot dusverre aan de zijde van CJIB begroot op € 1.435,--, waarvan € 816,-- aan salaris advocaat en € 619,-- aan griffierecht;

5.3.

bepaalt dat [eiseres] bij gebreke van tijdige betaling de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd is;

5.4.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. G.H.I.J. Hage en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2017.

idt


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature