Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Irak, asiel, minderjarige Yezidi van Koerdische afkomst. Asielrelaas geloofwaardig geacht op een enkel deel na. De vreemdeling is een vestigingsalternatief in de KAR tegengeworpen. Daarbij wijkt verweerder af van de hoofdlijn van zijn eigen beleid, ten nadele van de minderjarige vreemdeling en heeft verweerder niet kenbaar het belang van het kind meegewogen.

Uitspraak



RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 16/24319

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] ,

van [… 1] nationaliteit,

V-nummer [… 2] eiser,

(gemachtigde: mr. R.L. Braakman),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder,

(gemachtigde: mr. M.M. Luik).16/24319

Procesverloop

Bij besluit van 29 september 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen om verlening van een verblijfsvergunning asiel. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 december 2016. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is afkomstig uit [geboorteplaats] , hij is minderjarig en behoort tot de Yezidi. Hij is Irak ontvlucht vanwege de steeds gevaarlijker wordende situatie voor Yezidi daar, Yezidi werden vermoord en verwond. Ook eisers vader is korte tijd ontvoerd geweest.

2. Verweerder heeft bij zijn besluitvorming de volgende elementen als relevante elementen aangemerkt:- eiser is een 16-jarige vreemdeling van Koerdische afkomst en Yezidi religie, afkomstig uit het [geboorteplaats] .- eiser werd op school gediscrimineerd (net als andere Yezidi’s) door de Arabische leraren, die hen uitmaakten voor ‘ongelovigen’ en hen slecht les gaven.- eisers vader is op 29 juli 2014 ontvoerd door IS en is na twee dagen vrijgelaten na bemiddeling door bevriende Arabieren.- op 3 augustus 2014 is eiser met zijn familie vertrokken uit [geboorteplaats] naar de Koerdische autonome regio (KAR) gevlucht zodra zij hoorden over de aanval van IS op het district Sinjar. Onderweg werd hun auto beschoten.- in de KAR hebben eiser en zijn familie verbleven in (ontheemden)kampen in Zakho, Sheikhan en Duhok tot aan zijn vertrek naar Nederland op 21 juni 2015.- de situatie in die kampen was slecht, eiser en zijn familie kregen onvoldoende voedsel, de tenten waren slecht en eiser kon er niet naar school. Verweerder acht de herkomst van eiser geloofwaardig, evenals zijn Koerdische afkomst, Yezidi geloof en Iraakse nationaliteit, gelet op de door hem overgelegde Iraakse nationaliteitsverklaring en ID-kaart die echt zijn bevonden en op grond van de door eiser afgelegde verklaringen. Ook de door eiser beschreven gebeurtenissen in augustus 2014 waaronder de aanval van IS op het district Sinjar worden geloofwaardig geacht. De ontvoering van eisers vader wordt echter niet geloofwaardig geacht met name niet omdat -gezien het feit dat IS zeer wreed handelde- het niet geloofwaardig wordt geacht dat eisers vader kennelijk zo eenvoudig na slechts twee dagen zou zijn vrijgelaten. Gelet op eisers asielrelaas acht verweerder niet aannemelijk dat eiser in zijn land heeft te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Wel is er in het gebied waar eiser vandaan komt een zogeheten 15c-situatie. Verweerder verlangt dan ook niet van eiser dat hij terugkeert naar de provincie Ninewa zolang de situatie daar zo is.Verweerder wijst op het beleid zoals vastgelegd in hoofdstuk C7/13.5 van de Vreemdelingen-circulaire 2000 (Vc 2000). Daarin is opgenomen dat in beginsel geen vlucht- of vestigingsalternatief wordt tegengeworpen aan minderjarige vreemdelingen die geen familie hebben in het gebied dat als vlucht- of vestigingsalternatief zou gelden en evenmin aan vreemdelingen die behoren tot een kwetsbare minderheidsgroep. Hoewel eiser zowel minderjarig is als tot een kwetsbare minderheid behoort, kan eiser volgens verweerder terug naar Irak naar de KAR omdat zijn beide ouders en ook verdere familie daar verblijven.

3. In de gronden van zijn beroep vestigt eiser er de aandacht op dat de ontvoering van zijn vader niet vreemd is gezien de vele ontvoeringen door IS, maar ook diens vrijlating is niet vreemd. Er zijn vele Yezidi’s vrijgekomen onder meer doordat sommige lokale Irakezen ze hebben vrij gekocht. Eisers vader is vrijgekomen door bemiddeling van bevriende Arabieren en bij navraag is gebleken dat wel degelijk is betaald voor zijn vrijlating. Voorts stelt eiser onderbouwd dat de opvang in de KAR slecht is. Verweerder kan zich daarom niet op het standpunt stellen dat de situatie daar voor eiser voldoende veilig en stabiel zou zijn. Vanwege de slechte opvang en het feit dat de ouders van eiser steeds in andere ontheemdenkampen moeten verblijven, proberen de ouders het land te ontvluchten. Daarbij is het nog maar de vraag of eiser in KAR-gebied zal worden toegelaten, hij beschikt immers niet over een paspoort.

4. In het verweerschrift van 22 december 2016 stelt verweerder dat de gronden van het beroep in feite neerkomen op hetgeen in de zienswijze al is aangevoerd. En verder gaat het enkel om stellingen volgens verweerder. Daarbij verwijst verweerder naar de ambtsberichten van oktober 2015 en november 2016. Volgens verweerder is de vraag of eiser wel zal worden toegelaten tot het KAR-gebied niet relevant voor de beoordeling van de asielaanvraag. Die vraag zou alleen zien op ‘uitzettingsmodaliteiten’.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

6. Op grond van verweerders beleid ten aanzien van Irak zoals vastgelegd in hoofdstuk C7/13 van de Vc 2000 en voor zover hier van belang zijn uitsluitend de volgende gebieden in Irak aangewezen als gebieden waarin sprake is van een uitzonderlijke situatie zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw (http://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0011823&artikel=29&g=2016-12-23&z=2016-12-23) 2000:− De provincies: Anbar, Ninewa, Salaheddin, Ta’mim, en Diyala;− De delen van de ring rondom de stad Bagdad (de zogenaamde Baghdad-belts), die grenzen aan de provincies Anbar, Salaheddin en Diyala.Hieruit blijkt – voor zover hier van belang - tevens dat verweerder onder meer Yezidi’s afkomstig uit Centraal-en Zuid-Irak, waartoe eiser behoort, aanmerkt als kwetsbare minderheidsgroep:Ook blijkt uit dit beleid dat verweerder aanneemt dat in beginsel, in ieder geval voor de volgende categorieën Iraakse asielzoekers afkomstig uit een van hiervoor genoemde gebieden, geen sprake is van een binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief in andere delen van Irak:– minderjarige vreemdelingen die geen familie hebben in het gebied dat als vlucht- of vestigingsalternatief zou gelden; en– vreemdelingen die behoren tot een in dit beleid genoemde kwetsbare minderheidsgroep.Ten slotte neemt verweerder aan dat een vreemdeling afkomstig uit een van de hiervoor genoemde gebieden geen binnenlands vlucht- of vestigingsalternatief heeft in de KAR, tenzij er sprake is van concrete aanknopingspunten op basis waarvan geconcludeerd kan worden dat de persoon zich in de KAR kan vestigen.

7. Verweerder acht eisers verklaringen over de ontvoering van zijn vader ongeloofwaardig omdat verweerder het ongeloofwaardig acht dat eisers vader vrij snel en kennelijk tamelijk eenvoudig is vrijgekomen terwijl dit volgens verweerder niet past bij de wreedheid waarmee IS optreedt. Ter zitting is echter gebleken dat het bij verweerder niet bekend is of die wrede behandeling alle gevangenen van IS ten deel viel. Verweerder heeft ter zitting erkend dat hij niet weet welke aantallen mensen door IS zijn opgepakt en wat er met al deze mensen is gebeurd en dat hij evenmin weet hoeveel van deze mensen door IS vermoord zijn of hoeveel er zijn vrijgelaten door IS en onder welke condities. Gelet daarop en op eisers verklaringen over de vrijlating van zijn vader heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet zonder nader onderzoek of nadere toelichting de ontvoering en vrijlating van eisers vader ongeloofwaardig kunnen achten. Verweerder heeft dan ook zonder nader onderzoek of nadere toelichting evenmin eisers asielrelaas op deze grond ongeloofwaardig kunnen achten. Het bestreden besluit kan op dit punt geen stand houden.

8. Mede gelet op dit oordeel heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet nader beoordeeld of eiser op grond van zijn asielrelaas als geheel diende te worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Hoewel verweerder heeft vastgesteld dat eiser komt uit een gebied waar sprake is van een uitzonderlijke situatie als bedoel in artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), en geloofwaardig heeft geacht dat eiser Yezidi is en dat het Yezidi-gezin waartoe hij behoort, is gevlucht toen IS de regio Sinjar aanviel, heeft verweerder bij zijn besluitvorming niet betrokken de bij hem bekende informatie over de vervolging van Yezidi’s door IS vanwege hun religie, een vervolging waartegen de Iraakse autoriteiten geen bescherming (hebben) kunnen bieden.

9. Verweerder heeft eiser een vestigingsalternatief in de KAR tegengeworpen. Eiser bestrijdt dat hij daar een vestigingsalternatief heeft. De rechtbank stelt vast dat volgens verweerders eigen beleid in beginsel in ieder geval geen vestigingsalternatief binnen Irak wordt tegengeworpen aan vreemdelingen die behoren tot de door verweerder in zijn beleid genoemde kwetsbare minderheden. Zoals hiervoor reeds is vermeld, heeft verweerder vastgesteld dat eiser behoort tot een kwetsbare minderheidsgroep. Door eiser een vestigingsalternatief tegen te werpen in de KAR, wijkt verweerder ten nadele van eiser af van de hoofdlijn van zijn beleid. Verweerder dient te motiveren waarom hij van de hoofdlijn van zijn beleid afwijkt. De rechtbank is van oordeel dat het besluit op dat punt onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd. De rechtbank betrekt bij dat oordeel het feit dat eiser (onderbouwd) heeft gewezen op de slechte situatie in de vluchtelingenkampen in de KAR, een feit dat verweerder niet heeft tegengesproken. Nu het in eisers geval gaat om een minderjarige had verweerder bij het tegenwerpen van het vestigingsalternatief in de KAR de belangen van eiser als kind kenbaar moeten onderzoeken en betrekken in zijn afwegingen. Dit betekent dat verweerder kenbaar het belang van eiser bij het verkrijgen van voldoende voeding, kleding, behoorlijke medische zorg, het volgen van onderwijs en het hebben van een veilige leefomgeving diende mee te wegen. Dit heeft verweerder niet gedaan. Tenslotte is nog in geschil de vraag of een vestigingsalternatief in de KAR bestaat nu de vraag is of eiser zonder paspoort wel toegang zou krijgen tot de KAR. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het daarbij niet om een uitzettingsmodaliteit maar om de vraag of eiser zal worden toegelaten. Bij het tegenwerpen van een vestigingsalternatief, zeker indien dit wordt tegengeworpen aan een aan minderjarige die tot een kwetsbare minderheidsgroep behoort, dient verweerder te bewijzen dat de betreffende vreemdeling wordt toegelaten in het gebied dat door hem als vestigingsalternatief is aangemerkt en dat de betreffende vreemdeling daar veilig heen kan reizen. Ook dit heeft verweerder niet gedaan. Het bestreden besluit kan ook hierom geen stand houden.

10. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd en verweerder dient een nieuw besluit te nemen met in achtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

11. De rechtbank ziet aanleiding verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 990,-- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting; waarde per punt € 495,--; wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank - verklaart het beroep gegrond;- vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 990,--, te voldoen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Banda, rechter, in aanwezigheid van mr. J.T.M. Nijboer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Artikel 85 van de Vw 2000 bepaalt dat het beroepschrift een of meer grieven tegen de uitspraak bevat. Artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (herstel verzuim) is niet van toepassing.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature