Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

scheiding/Marokkaans recht

Uitspraak



Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummers: FA RK 16-3078 (echtscheiding) en FA RK 16-7885 (afwikkeling huwelijksvermogensregime)

Zaaknummers: C/09/509692 (echtscheiding) en C/09/520140 (afwikkeling huwelijksvermogensregime)

Datum beschikking: 11 april 2017

Scheiding

Beschikking op het op 21 april 2016 ingekomen verzoek van:

[verzoekster] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. M. Kaouass te Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de man,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. N. Brands te Gouda.

Procedure

Bij beschikking van 8 februari 2017 van deze rechtbank is iedere beslissing ten aanzien van de echtscheiding, verdeling en de proceskosten aangehouden en is de zaak verwezen naar de meervoudige kamer. Voorts is, voor zover hier van belang, bepaald dat:

de verdere behandeling van de verzoeken van partijen zal worden voortgezet op de terechtzitting van de meervoudige kamer van 7 maart 2017 om 13.30 uur;

partijen zich uiterlijk tien dagen vóór voormelde terechtzitting dienen uit te laten zoals in de beschikking onder het kopje beoordeling is vermeld.

Tevens zijn de raadslieden in de gelegenheid gesteld bescheiden te overleggen waarop zij zich ter terechtzitting willen beroepen, welke zij uiterlijk tien dagen vóór de dag der terechtzitting in afschrift aan de wederpartij en aan de rechtbank moeten doen toekomen.

De rechtbank heeft vervolgens de volgende stukken ontvangen:

- het F9 formulier d.d. 20 februari 2017 met bijlage van de zijde van de vrouw (uitlating naar aanleiding van tussenbeschikking);

- het F9 formulier d.d. 21 februari 2017 met bijlage van de zijde van de vrouw (productie 18);

- het faxbericht d.d. 24 februari 2017 met bijlagen van de zijde van de man (uitlating naar aanleiding van tussenbeschikking);

- het faxbericht d.d. 24 februari 2017 van de zijde van de vrouw;

- het faxbericht d.d. 28 februari 2017 van de zijde van de man.

Op 7 maart 2017 is de behandeling ter terechtzitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vrouw bijgestaan door haar advocaat en mevrouw N. El Mousaoui als tolk en de man bijgestaan door zijn advocaat en de heer [tolk] als tolk. Van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft al hetgeen bij genoemde beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.

Beoordeling

Echtscheiding

Aan de wettelijke formaliteiten is voldaan.

Rechtsmacht

Nu beide echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding rechtsmacht toe.

Toepasselijk recht

De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op de verzoek tot echtscheiding toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat de daarop steunende niet weersproken verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar zijn.

Afwikkeling huwelijksvermogensregime

Rechtsmacht

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot de verzoeken die betrekking hebben op de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime van partijen.

Toepasselijk recht

De vrouw stelt zich primair op het standpunt dat Nederlands recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen.

De man betwist dit en stelt dat het Marokkaanse recht van toepassing is.

Zoals ter terechtzitting met partijen besproken, is de rechtbank van oordeel dat het Marokkaanse recht van toepassing is. De rechtbank overweegt daartoe dat de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen, gelet op de datum van de huwelijkssluiting, zijnde in het jaar 1960, beantwoord dient te worden aan de hand van de in het Chelouche/Van Leer-arrest (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275) geformuleerde conflictregels. Volgens de aanknopingsladder van dit arrest wordt het toepasselijke huwelijksvermogensrecht bij het ontbreken van een gezamenlijke rechtskeuze van de aanstaande echtgenoten bepaald door hun gemeenschappelijke nationaliteit ten tijde van de huwelijkssluiting. Gebleken is dat partijen geen rechtskeuze hebben gedaan en dat zij beiden ten tijde van de huwelijkssluiting de Marokkaanse nationaliteit hadden. Het huwelijksregime van de echtgenoten wordt daarom beheerst door Marokkaans recht. De rechtbank ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd – met toepassing van de zogenaamde Sabah-exceptie en onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 maart 1993, NIPR 230 (Rhodesië/Zimbabwe-arrest) – geen grond om af te wijken van dat uitgangspunt. De vrouw heeft haar stelling dat partijen zich vanaf de huwelijkssluiting steeds hebben gedragen naar het uitgangspunt dat hun huwelijksvermogensregime werd beheerst door het Nederlands recht niet of althans onvoldoende met concrete feiten of omstandigheden onderbouwd. Het enkele feit dat partijen hun huwelijk naar Nederlands recht hebben laten erkennen en dat zij daarbij geen huwelijkse voorwaarden hebben laten maken is daartoe onvoldoende.

Vermogensrechtelijke gevolgen naar Marokkaans recht

Het Marokkaanse huwelijksvermogensrecht – zoals dat is neergelegd in de Mudawwana – kent geen enkele gemeenschap van goederen. Door het huwelijk als zodanig ontstaat geen gemeenschappelijke vermogen. Iedere echtgenoot behoudt wat van hem of haar is en wat hij of zij tijdens het huwelijk verkrijgt. Uitgangspunt is voorts dat iedere echtgenoot zelf aansprakelijk is met zijn gehele vermogen voor zijn eigen schulden. Gelet hierop zal de rechtbank het primaire en het subsidiaire verzoek van de vrouw afwijzen. Immers, tussen partijen is geen sprake van een wettelijke gemeenschap van goederen. Om die reden is er voor het vaststellen van de omvang van de gemeenschap of voor het vaststellen van een te betalen bedrag wegens overbedeling geen wettelijke grondslag. Nu voorts niet in geschil is dat de woning [adres] te [plaatsnaam] in 1982 enkel aan de man in eigendom geleverd werd, is er geen sprake van gemeenschappelijk eigendom van die woning en dus kan die woning evenmin tussen partijen verdeeld worden. Er rust evenmin een verplichting op de man om mee te werken aan de overdracht van die woning aan de vrouw. Nu het primaire en subsidiaire verzoek van de vrouw wordt afgewezen, heeft de man naar het oordeel van de rechtbank geen belang meer bij toewijzing van zijn zelfstandige verzochte nevenvoorzieningen, zodat deze eveneens zullen worden afgewezen.

Vergoedingsrecht

Daarmee komt de rechtbank toe aan het meer subsidiaire verzoek van de vrouw. Uit artikel 49 van de Mudawwana (Marokkaanse Familiewet nr 70.03), zoals in werking getreden op 5 februari 2004, volgt dat echtgenoten afspraken kunnen maken met betrekking tot de wijze van ‘verdeling’ van het vermogen dat gedurende het huwelijk is verkregen. Deze afspraken dienen te worden opgenomen in een akte, apart van de huwelijksakte. Indien de echtgenoten hierover geen overeenstemming kunnen bereiken, beslist de rechter hierover, rekening houdend met de algemene beginselen van het bewijsrecht en met inachtneming van de werkzaamheden van ieder van beide echtgenoten, alsmede met wat is ingebracht aan inspanningen en wat is gedragen aan lasten met betrekking tot de ontwikkeling van het vermogen van het gezin (vermogensaanwas).

De vrouw stelt, samengevat, dat aan haar op grond van artikel 49 Mudawwana een vergoedingsrecht ten laste van de man toekomt.

De man betwist dat aan de vrouw een dergelijk vergoedingsrecht toekomt.

De rechtbank overweegt dat in dit kader de volgende vragen beantwoord dienen te worden:

- wat is naar Marokkaans recht de peildatum voor het bepalen van de omvang en de waarde van het eventueel “te verdelen” vermogen?;

- welke vermogensbestanddelen dienen in aanmerking te worden genomen?;

- hoeveel bedraagt de vermogensaanwas?;

- komt aan de vrouw een vergoedingsrecht toe en zo ja, op welk percentage van het vermogen van de man dient dit vergoedingsrecht dan te worden gesteld?

De rechtbank zal deze vragen hierna bespreken.

Peildatum naar Marokkaans recht

De rechtbank volgt het standpunt van de vrouw dat de peildatum gesteld dient te worden op de datum van beëindiging van het huwelijk. De rechtbank laat daarbij meewegen dat een eventueel vergoedingsrecht volgens de Mudawwana betrekking heeft op vermogensaanwas tijdens het huwelijk. Naar Marokkaans recht eindigt het huwelijk met de echtscheidingsuitspraak van de rechter (hoger beroep is niet mogelijk). De rechtbank gaat daarmee voorbij aan de stelling van de man dat de peildatum op 19 september 1992 bepaald dient te worden, omdat op die datum alle kinderen van partijen meerderjarig waren en de vrouw daarna geen bijdrage meer heeft geleverd aan de vermeerdering van zijn vermogen. De rechtbank merkt op dat deze omstandigheid wel een rol kan spelen bij het bepalen van (de hoogte van) een eventueel aan de vrouw toekomend vergoedingsrecht.

Vermogensbestanddelen

De vrouw stelt dat de volgende vermogensbestanddelen van de man, voor de hierna te noemen waardes, in aanmerking genomen dienen te worden bij de vaststelling van haar vergoedingsrecht:

de woning te [plaatsnaam] aan de [adres] € 120.000,00

de woning in [plaatsnaam] , Marokko € 82.000,00

de kavel [naam] 1 te Marokko € 85.000,00

de kavel [naam] 2 te Marokko € 54.000,00

de kavel [naam] 3 te Marokko € 119.000,00

€ 460.000,00

Ad 1. (woning te Gouda)

Voor zover de vrouw een vergoedingsrecht toekomt, zijn partijen zijn het er over eens dat uitgegaan dient te worden van een waarde van deze woning van € 120.000,00.

De man stelt dat op deze waarde in mindering moet worden gebracht het bedrag dat hij nog verschuldigd is wegens een krediet dat hij heeft afgesloten in Marokko voor de aanschaf van deze woning – volgens de man staat nu nog bedrag van € 60.804,00 open - en de aflossingen die hij na 1992 op dit krediet heeft gedaan. Volgens de man blijft er dan geen in aanmerking te nemen waarde meer over. De man heeft ter onderbouwing van het bestaan van het krediet in Marokko een kopie van een gevraagde inlichting en een handgeschreven reactie daarop met datumstempel 17 september 1980 van de inspectie Gouda dir. belastingen (productie 18) overgelegd.

De vrouw betwist dat sprake is van een nog openstaande schuld in Marokko en voert aan dat de man het bestaan daarvan niet met relevante stukken heeft onderbouwd. Volgens de vrouw is het krediet destijds snel afgelost met een deel van de bijstandsuitkering die zij en de man vanaf 1982/1983 ontvingen. Ook hebben zij de gehele kinderbijslag daarvoor aangewend en hebben de kinderen nadat zij gingen werken meebetaald aan de aflossing, aldus de vrouw.

De rechtbank is van oordeel dat de man, gelet op de gemotiveerde betwisting door de vrouw en de beperkte door hem overgelegde schriftelijke informatie, zijn stellingen met betrekking tot het krediet en de aflossingen onvoldoende heeft onderbouwd en zal daarom een waarde van € 120.000,00 voor de woning in Gouda in aanmerking nemen.

Ad 2. (woning te [plaatsnaam] , Marokko)

De man betwist dat de woning in Marokko een voor een eventueel vergoedingsrecht in aanmerking te nemen vermogensbestanddeel is. De man voert aan dat hij zijn onroerend goed in Marokko – de woning en de kavels – krachtens erfrecht heeft verkregen en dat er daarom geen sprake is van vermogen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd. Bovendien behoort volgens de man die woning (en een deel van de kavels) inmiddels niet meer tot zijn vermogen, omdat hij deze aan zijn zoon [zoon belanghebbende] (geboren uit zijn nieuwe huwelijk) heeft geschonken.

De rechtbank is van oordeel dat de man gelet op de betwisting door de vrouw onvoldoende met verifieerbare stukken of anderszins heeft onderbouwd dat de woning uit een erfenis is verkregen. De rechtbank overweegt daarbij dat uit het door de man als productie 16 overgelegde afschrift van de akte van testament slechts kan worden opgemaakt dat de man tot erfgenaam van een/derde gedeelte van de nalatenschap van zijn stiefvader is benoemd. Uit dit stuk is niet af te leiden dat de woning en/of de kavels tot die nalatenschap behoorden of dat de woning en/of de kavels krachtens erfrecht door de man zijn verkregen. De rechtbank passeert daarom de stelling van de man op dit punt. De weliswaar onweersproken stelling van de man dat hij de woning inmiddels aan zijn zoon [zoon belanghebbende] geschonken heeft, doet er niet aan af dat de woning als tijdens het huwelijk opgebouwd vermogen kan worden beschouwd. De rechtbank zal de woning daarom betrekken bij het bepalen van een eventueel aan de vrouw toekomend vergoedingsrecht. De vrouw heeft onder overlegging van een Nederlandse vertaling van een taxatierapport (bij haar F9 formulier d.d. 6 januari 2017) gesteld dat de woning een waarde heeft van € 82.000,00 (870.000 DH). De rechtbank zal van die waarde uitgaan omdat de man zijn verweer dat de waarde in het taxatierapport onjuist is en dat er vermoedelijk sprake is van fraude of omkoping (zie punt 25 in zijn brief d.d. 11 januari 2017) onvoldoende heeft onderbouwd.

Ad 3. tot en met 5. (de drie kavels in Marokko)

Zoals hiervoor al overwogen, verwerpt de rechtbank het verweer van de man dat het onroerend goed in Marokko krachtens erfrecht is verkregen en wordt de omstandigheid dat de man de kavels aan zijn zoon [zoon belanghebbende] heeft geschonken buiten beschouwing gelaten, omdat dat niet afdoet aan een eventueel vergoedingsrecht van de vrouw. Om die reden merkt de rechtbank de kavels aan als vermogen dat tijdens het huwelijk is opgebouwd en dat betrokken dient te worden bij het bepalen van het eventueel aan de vrouw toekomende vergoedingsrecht. Nu de man de door de vrouw gestelde waarde van de kavels van € 258.000,00 voor de drie kavels samen kennelijk gelet op punt 39 van zijn nadere uitlating naar aanleiding van de tussenbeschikking niet langer betwist, zal de rechtbank van die waarde uitgaan.

Vermogensaanwas

De vrouw stelt dat er bij aanvang van het huwelijk geen vermogen was. De man heeft dit niet betwist. De rechtbank zal daarom uitgaan van een vermogensaanwas tijdens het huwelijk van € 460.000,00.

Vergoedingsrecht

De vrouw stelt dat zij aanspraak heeft op een door de man te betalen vergoeding ter waarde van 50% van zijn vermogen. Zij voert daartoe aan dat zij altijd het huishouden heeft gedaan en de kinderen heeft verzorgd en dat dit gezien kan worden als een bijdrage aan de vermeerdering van het bezit van de man in de zin van artikel 49 Mudawwana.

De man betwist dat de vrouw recht heeft op een vergoedingsrecht. Volgens de man hebben hij en de vrouw het grootste deel van het huwelijk niet samengewoond – de vrouw heeft volgens de man de echtelijke woning in 1996 verlaten – en is het dus niet zo dat zij grotendeels de verzorging van hun huishouden op zich heeft genomen. Wel heeft zij de kinderen verzorgd en opgevoed, maar dit betekent niet dat zij daarmee een bijdrage heeft geleverd aan de vermeerdering van zijn vermogen, aldus de man. Verder voert de man aan dat de vrouw vanaf 1992 in ieder geval niet meer heeft bijgedragen aan de opbouw van zijn vermogen, omdat vanaf die datum alle kinderen van partijen meerderjarig waren. De man heeft de stelling van de vrouw dat partijen een deel van hun bijstandsuitkering en de gehele kinderbijslag hebben aangewend voor de financiering van het onroerend goed betwist.

De rechtbank stelt gelet op de overgelegde stukken en het ter terechtzitting verhandelde het volgende vast. Partijen zijn in 1960 in Marokko gehuwd. De man is in 1966 naar Nederland gekomen en heeft gedurende de daarop volgende zestien jaren gewerkt in Nederland. De vrouw woonde in die periode in Marokko waar zij voor de kinderen van partijen zorgde en waar zij ook gedeeltelijk werkte op de zelfvoorzienende boerderij van de familie. De vrouw is in 1982 met de kinderen naar Nederland gekomen. Van 1983 tot 2001 ontving de man een bijstandsuitkering. In 2001 is de man vijfenzestig jaar geworden en is hij in plaats van bijstand pensioen gaan ontvangen. De vrouw ontving nadat zij in Nederland is gekomen eveneens een bijstandsuitkering. In 2008 is de vrouw vijfenzestig jaar geworden en is zij ook pensioen in plaats van bijstand gaan ontvangen. Partijen hebben tot 1992 kinderbijslag ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op voormelde omstandigheden in onderlinge samenhang bezien en in het licht van artikel 49 Mudawwana, de vrouw gedurende de huwelijkse periode heeft bijgedragen aan de vermogensaanwas van de man en dat zij in dat verband recht heeft op een vergoeding. De rechtbank laat daarbij meewegen de duur van het huwelijk van partijen - zevenenvijftig jaar - waarbinnen vijf kinderen zijn geboren en het feit dat de man gedurende zestien jaar in staat was loon uit arbeid in Nederland te verwerven, terwijl de vrouw in Marokko zorgde voor de kinderen. De rechtbank acht het aannemelijk dat er ten gevolge van deze door partijen binnen hun huwelijk gehanteerde constructie (waaronder de inspanningen van de vrouw ten behoeve van het gezin) sprake is geweest van vermogenstoename aan de zijde van de man. Of de vrouw al dan niet na 1996 in de echtelijke woning heeft gewoond (partijen verschillen hierover van mening), is hierbij niet relevant. Datzelfde geldt voor het nieuwe huwelijk van de man in Marokko. Wel weegt de rechtbank mee dat de kinderen vanaf 1992 meerderjarig zijn en dat de inspanningen van de vrouw ten aanzien van de opvoeding en huishouding (en dus ook de bijdrage in de vermogensaanwas van de man) vanaf toen minder zal zijn geweest. De rechtbank acht het gelet op het voorgaande ter bepaling van de omvang van het aan de vrouw toekomende vergoedingsrecht redelijk om van een percentage van 25 uit te gaan. Dit betekent dat de vrouw recht heeft op een bedrag van € 115.000,00 (0,25 x € 460.000,00) van de man. De rechtbank zal het meer subsidiaire verzoek van de vrouw in zoverre toewijzen.

Proceskosten

Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt uit de echtscheiding tussen: [belanghebbende] , en [verzoekster] , gehuwd op

[datum] te [plaatsnaam] , Marokko;

bepaalt dat de man aan de vrouw in het kader van de afwikkeling van het tussen hen geldende huwelijksgoederenregime dient te voldoen een bedrag van € 115.000,00, en verklaart deze bepaling uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.S. Vonck, K.M. Braun en S.M. Westerhuis-Evers, bijgestaan door mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2017.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature