Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Zittingsplaats:
Instantie:

Inhoudsindicatie:

Intellectueel eigendomsrecht, de rechtbank oordeelt dat voor het maken en verspreiden van ondertitels bij buitenlandse films toestemming nodig is van de auteursrechthebbende op het filmwerk.

Uitspraak



vonnis

RECHTBANK AMSTERDAM

Afdeling privaatrecht

zaaknummer / rolnummer: C/13/601599 / HA ZA 16-133

Vonnis van 19 april 2017

in de zaak van

1. de stichting

STICHTING LAAT ONDERTITELS VRIJ,

gevestigd te Almere,

2. [eiseres 1],

wonende te [plaats] ,

eiseressen,

advocaat: mr. C. Beijer te Utrecht,

tegen

de stichting

STICHTING BREIN,

gevestigd te Amsterdam,

gedaagde,

advocaat: mr. W.A. Roos te Amsterdam.

Eisers zullen hierna in vrouwelijk enkelvoud worden aangeduid als SLOV c.s. en afzonderlijk als SLOV en [eiseres 1] . Gedaagde zal hierna worden aangeduid als Brein.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

de dagvaarding van 21 januari 2016, met producties;

de conclusie van antwoord, met producties;

het tussenvonnis van 1 juni 2016, waarbij een comparitie van partijen is gelast;

het proces-verbaal van comparitie gehouden op 16 september 2016.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

SLOV is een stichting die blijkens haar statuten (onder meer) tot doel heeft het behartigen van de belangen van en het opkomen voor de rechten van makers en gebruikers van ondertitels bij televisie- en filmwerken en het verrichten van alle verdere handelingen die daarmee in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn. Volgens haar statuten probeert SLOV haar doel onder meer te verwezenlijken door het optreden in rechte en/of het bemiddelen namens makers en/of gebruikers van ondertitels in juridische procedures ten behoeve van het doel.

2.2.

[eiseres 1] is een particulier die in eigen beheer ondertitels bij televisie- en filmproducties heeft gemaakt. Zij stelde de gemaakte ondertitels via het internet ter beschikking aan derden, die deze ondertitels konden gebruiken. [eiseres 1] heeft voor de opheffing daarvan deel uitgemaakt van een collectief van vertalers genaamd Simply Releases Team.

2.3.

Brein is een stichting die zich blijkens haar statuten – kort gezegd – ten doel stelt onrechtmatige exploitatie van informatiedragers en informatie te bestrijden en het behartigen van de belangen van de rechthebbenden op informatie en van de rechtmatige exploitanten daarvan. Zij doet dit door het handhaven, het bevorderen en het verkrijgen van een afdoende juridische bescherming van de rechten en belangen van die rechthebbenden en exploitanten. Volgens haar statuten probeert Brein haar doel onder meer te bereiken door het voeren en doen voeren van rechtsgedingen ter bescherming van de rechten en belangen van haar aangeslotenen en de leden van die aangeslotenen en tot het verkrijgen van vergoeding van de door hen ten gevolge van de onrechtmatige exploitatie van informatie te lijden schade. Brein kan daarbij, zowel ter verwezenlijking en bescherming van haar doel als ten behoeve van haar aangeslotenen en de leden van die aangeslotenen, op eigen naam in rechte optreden en al datgene doen wat hiermee in de meest uitgebreide zin van het woord verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn.

2.4.

Brein heeft [eiseres 1] bij brief van 18 december 2013 – voor zover hier van belang – het volgende geschreven:

“Wij hebben geconstateerd dat u, zonder toestemming van de auteursrechthebbenden, ondertitels vervaardigt. Deze ondertitels worden geüpload naar verschillende media op het internet en het usenet en kunnen door gebruikers van deze media worden gedownload. De ondertitels zijn bedoeld om te worden toegevoegd aan videobestanden, die doorgaans ook uit illegale bron verkregen zijn.

De ondertitels zijn aan te merken als bewerkingen van de oorspronkelijke werken, waarvan de auteursrechten onder meer bij de bij BREIN aangeslotenen en hun leden liggen. Voor deze verveelvoudiging is ingevolge artikel 13 Aw jo. artikel 1 Aw toestemming van de rechthebbenden vereist. De vertalingen zijn altijd bestemd geweest voor openbaarmaking en verdere verspreiding. U bent reeds lange tijd actief op verschillende websites en het usenet en u heeft deze vertalingen gedeeld met anderen uit uw releaseteam. Dergelijke vorm van openbaarmaking is ingevolge artikel 12 Aw jo. artikel 1 Aw een exclusief recht van de rechthebbenden.

(…)

Uw handelwijze is inbreukmakend en onrechtmatig, nu u het aan de rechthebbenden toekomende exclusieve recht om het werk te verveelvoudigen en openbaar te maken schendt.

Uitsluitend ter voorkoming van een civielrechtelijke procedure biedt BREIN u namens benadeelden de mogelijkheid deze zaak in der minne af te doen. U dient daartoe per direct uw inbreukmakend handelen te staken en gestaakt te houden en daarnaast de bijgevoegde onthoudingsverklaring te ondertekenen. Door ondertekening van de onthoudingsverklaring verplicht u zich niet langer inbreukmakend, dan wel onrechtmatig te zullen handelen jegens onze aangeslotenen en hun leden. Indien u zich in de toekomst niet houdt aan deze verklaring dan verbeurt u een direct opeisbare boete. Deze verklaring dient u uiterlijk maandag 30 december 2013 te retourneren aan: (…).

Daarnaast verlangen wij van u een tegemoetkoming in de door BREIN gemaakte

kosten in verband met deze zaak van € 1500,-. De werkelijke kosten die BREIN voor

de behandeling van deze zaak heeft moeten maken zijn aanmerkelijk hoger. Indien u

gebruik wilt maken van de minnelijke schikking dient u uiterlijk maandag 30

december 2013 het bedrag van € 1500,- aan BREIN over te hebben gemaakt (…).

Indien u weigert om volledig en tijdig aan bovenstaande verzoeken te voldoen, vervalt

het schikkingsaanbod en zijn wij genoodzaakt een gerechtelijke procedure tegen u te

starten. Naast vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten, zal BREIN dan tevens de

volledige proceskosten van u vorderen. Dat deze kosten aanzienlijk zijn bij IE-zaken,

kunt u nalezen op http://www.rechtspraak.nl/Procedures/Landelijke

regelingen/Sector-civiel-recht/Documents/INDICATIETARIEVEN.pdf.”

2.5.

Tussen [eiseres 1] en Brein hebben gesprekken plaatsgevonden over de door Brein gevorderde onthoudingsverklaring. [eiseres 1] is bij deze gesprekken bijgestaan door twee advocaten. [eiseres 1] heeft op 24 februari 2014 de onthoudingsverklaring getekend.

3 Het geschil

3.1.

SLOV vordert – samengevat weergegeven – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. voor recht verklaart dat een vervaardigde Nederlandse ondertiteling van een filmwerk geproduceerd in een vreemde taal, een zelfstandig werk is, dan wel kan zijn, en om die reden geen toestemming van auteursrechthebbenden van het filmwerk nodig is om die ondertiteling openbaar te mogen maken en te verveelvoudigen;

2. voor recht verklaart dat de beoordeling of een Nederlandse ondertiteling van een filmwerk – dat is geproduceerd in een vreemde taal – auteursrechtinbreuk oplevert, zal moeten worden beoordeeld aan de hand van een inhoudelijk vergelijk tussen het filmwerk en de Nederlandse ondertiteling waarbij doorslaggevend is of in de ondertiteling auteursrechtelijk beschermde trekken herkenbaar zijn overgenomen;

subsidiair:

3. voor recht verklaart dat het publiekelijk toegankelijk maken van een vervaardigde Nederlandse ondertiteling van een filmwerk geproduceerd in een vreemde taal een legale handeling is waarvoor geen toestemming van auteursrechthebbenden van het filmwerk nodig is;

meer subsidiair:

4. voor recht verklaart dat als uitgangspunt heeft te gelden dat bij de beoordeling van de vraag of een ondertiteling – die niet afkomstig is van een auteursrechthebbende op het filmwerk en/of met zijn toestemming is vervaardigd en derhalve moet worden gekwalificeerd als bewerking in de zin van artikel 13 Auteurswet – openbaar mag worden gemaakt of verveelvoudigd een afzonderlijke toetsing dient plaats te vinden aan de hand van artikel 10 lid 1 EVRM en/of artikel 11 lid 1 Europees Handvest;

meest subsidiair

5. voor recht verklaart dat een vervaardigde Nederlandse ondertiteling van een filmwerk geproduceerd in een vreemde taal een bewerking in de zin van artikel 13 Auteurswet is en om die reden [de rechtbank leest: nimmer] toestemming van auteursrechthebbenden van het filmwerk nodig is om die ondertiteling openbaar te mogen maken en te verveelvoudigen;

6. voor recht verklaart dat als uitgangspunt heeft te gelden dat bij de beoordeling van de vraag of een ondertiteling – die niet afkomstig is van een auteursrechthebbende op het filmwerk en/of met zijn toestemming is vervaardigd en derhalve moet worden gekwalificeerd als bewerking in de zin van artikel 13 Auteurswet – openbaar mag worden gemaakt of verveelvoudigd een afzonderlijke toetsing dient plaats te vinden aan de hand van artikel 10 lid 1 EVRM en/of artikel 11 lid 1 Europees Handvest;

primair tot en met meest subsidiair

7. voor recht verklaart dat voor het vervaardigen van ondertitels voor een filmwerk geen toestemming benodigd is van de auteursrechthebbende(n) van dat filmwerk;

8. voor recht verklaart dat het door Brein in haar sommaties a) niet concreet uiteenzetten voor welke auteursrechthebbende(n) zij optreedt, b) het niet melden hoe ver haar volmacht strekt alsmede c) het niet duidelijk maken welke auteursrechtelijk beschermde trekken zijn overgenomen, ieder afzonderlijk en in totaliteit als onzorgvuldig kwalificeert, in strijd is met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betamelijk is en daarmee onrechtmatig;

9. Brein veroordeelt in de kosten van deze procedure, waarbij voorwaardelijk – uitsluitend voor het geval de rechtbank oordeelt dat artikel 1019h Rv van toepassing is – een proceskostenveroordeling ex artikel 1019h Rv wordt gevorderd conform de door SLOV c.s. overgelegde urenspecificatie.

3.2.

SLOV c.s. legt, onder verwijzing naar de door haar gestelde feiten en in het geding gebrachte stukken, aan haar vorderingen ten grondslag dat ondertitels moeten worden aangemerkt als werk in de zin van de Auteurswet (hierna: Aw). Zij zijn zelfstandig beschermde werken. Voor het vervaardigen en openbaar maken van ondertitels is dus geen toestemming nodig. Voor zover ondertitels moeten worden aangemerkt als bewerking in de zin van artikel 13 Aw , geldt volgens SLOV c.s. dat deze bewerking legaal openbaar gemaakt en verveelvoudigd moet kunnen worden. Daarnaast zijn ondertitels expressies van degenen die de ondertitels maken. Het zijn uitingen van informatie en deze kwalificeren als inlichting die onder de vrijheid van meningsuiting en daarmee onder artikel 10 Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM) en artikel 11 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest) moeten worden geschaard. Daarom moet steeds een afweging plaatsvinden tussen het beweerd geschonden auteursrecht en artikel 10 EVRM/11 Handvest. Met haar bejegening van de personen die zij aanspreekt handelt Brein onzorgvuldig en in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Aldus steeds SLOV c.s.

3.3.

Brein voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover voor de beoordeling van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is de bevoegdheid van SLOV om namens haar leden op te treden niet in geschil. De rechtbank zal van die bevoegdheid uitgaan.

ontvankelijkheid SLOV ten aanzien van gevorderde verklaringen voor recht

4.2.

SLOV c.s. heeft meerdere verklaringen voor recht gevorderd. Brein heeft hiertegen aangevoerd dat de gevorderde verklaringen voor recht deels van algemene aard zijn en niet beogen de rechtsverhouding tussen partijen te regelen. Volgens Brein stuiten deze gevorderde verklaringen voor recht reeds hierop af, omdat SLOV geen belang heeft bij deze verklaringen voor recht. De rechtbank volgt Brein hierin niet. SLOV c.s. heeft onbetwist gesteld dat SLOV op grond van haar statuten de belangen behartigt van – onder meer – die personen die ondertitels vervaardigen bij televisie- en filmwerken. Zij heeft in dit verband voorts gesteld dat deze personen er belang bij hebben dat nadere kaders worden vastgesteld – naar de rechtbank begrijpt – met betrekking tot de auteursrechtinbreuk waarvoor zij door Brein worden aangesproken. Die nadere kaders wil zij verkrijgen door middel van de gevorderde verklaringen voor recht. Gelet op SLOVs statutaire doel en de omstandigheid dat de belangen van de groep personen die zij vertegenwoordigt gelijksoortig zijn, is SLOV in haar vorderingen ontvankelijk.

toestemming nodig voor vervaardigen en openbaar maken van ondertitels?

4.3.

In de onderhavige procedure is de vraag aan de orde of het vervaardigen en het openbaar maken van ondertitels, anders dan in opdracht van de auteursrechthebbenden op filmwerken (hierna: auteursrechthebbende of auteursrechthebbenden), een inbreuk vormt op de rechten van deze auteursrechthebbenden. In deze zaak gaat het uitsluitend om de vervaardiging en openbaarmaking van ondertitels bij buitenlandse niet-Nederlandstalige filmwerken (hierna: filmwerk of filmwerken).

4.4.

Bij de beoordeling wordt het volgende vooropgesteld.

Tussen partijen is niet in geschil dat op dialogen die in een film worden uitgesproken auteursrecht rust. Verder is niet in geschil dat bij het vervaardigen van ondertitels, de dialogen die in een film worden uitgesproken naar het Nederlands worden vertaald. Hoewel volgens haar geen letterlijke vertaling, moeten ook volgens SLOV c.s. ondertitels worden aangemerkt als een vertaling van dialogen in een film. Dit brengt met zich dat, gelet op de omstandigheid dat artikel 13 Aw een vertaling als verveelvoudiging aanmerkt, ondertitels als verveelvoudiging moeten worden aangemerkt. Voor de vervaardiging en het openbaar maken van ondertitels is daarom in beginsel toestemming nodig van de auteursrechthebbende op het oorspronkelijke werk (artikel 13 jo artikel 1 Aw ). Ondertitels kunnen een zelfstandig werk zijn. Of dit aan de orde is kan niet in zijn algemeenheid worden bepaald, maar zal in het concrete geval, met inachtneming van de omstandigheden van het geval, moeten worden beoordeeld. Daarbij moet worden beoordeeld of het beweerdelijk inbreukmakende werk in zodanige mate de auteursrechtelijk beschermde trekken van het eerdere werk vertoont dat de totaalindrukken die de beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeel dat het eerstbedoelde werk als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE8456). Dat sprake kan zijn van een zelfstandig werk staat er niet aan in de weg dat ook dan voor vervaardiging en openbaarmaking van ondertitels toestemming van de auteursrechthebbende op het oorspronkelijke werk nodig is (artikel 10 lid 2 Aw). Het brengt slechts met zich dat er twee auteursrechten op de ondertitels rusten; het recht van de auteursrechthebbende op het oorspronkelijke werk en het recht van de maker van de ondertitels op de ondertitels.

Verder staat voorop dat de rechter, indien een daarop gericht verweer wordt gevoerd, dient te onderzoeken of in het concrete geval de handhaving van een intellectueel eigendomsrecht afstuit op een ander grondrecht. Weliswaar dient reeds bij de totstandbrenging van regelgeving betreffende intellectuele eigendom een juist evenwicht tussen de diverse grondrechten te worden verzekerd, maar dat laat onverlet dat ook de rechter in een hem voorgelegd geschil, indien de stellingen van de aangesproken partij daartoe aanleiding geven, dient te onderzoeken of in de omstandigheden van het geval bij toewijzing van de gevraagde maatregel, gelet op het beginsel van proportionaliteit, niet te zeer afbreuk wordt gedaan aan het grondrecht waarop de aangesproken partij zich beroept (HR 3 april 2015, ECLI:NL: HR:2015:841). Dit betekent dat, indien in een concreet geval ter afwering van een vordering uit auteursrechtinbreuk, een beroep wordt gedaan op de vrijheid van meningsuiting uit artikel 10 lid 1 EVRM dan wel artikel 11 lid 1 Handvest, de rechter een belangenafweging zal moeten maken tussen het ingeroepen intellectueel eigendomsrecht en het ter afwering ingeroepen andere grondrecht. Ook hier geldt echter dat niet in zijn algemeenheid kan worden geoordeeld welk grondrecht prevaleert, maar dat dit afhangt van de omstandigheden van het geval.

Tot slot wordt vooropgesteld dat ook voor de vordering tot het verkrijgen van een verklaring voor recht noodzakelijk is dat de eiser daarbij voldoende belang heeft (artikel 3:303 Burgerlijk Wetboek).

4.5.

Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.4 is vooropgesteld wordt het volgende geoordeeld.

4.5.1.

Voor de vervaardiging en de openbaarmaking van ondertitels is in beginsel toestemming nodig van de rechthebbende op het filmwerk. Ondertitels kunnen weliswaar een zelfstandig werk zijn, maar dat brengt op zichzelf niet met zich dat om die reden geen toestemming van de auteursrechthebbende op het filmwerk moet worden gevraagd voor de vervaardiging en openbaarmaking van ondertitels (artikel 10 lid 2 Aw). Het vervaardigen en openbaar maken van ondertitels zonder toestemming van de auteursrechthebbende op het filmwerk is derhalve een inbreukmakende handeling. SLOV c.s. kan dan ook niet in haar andersluidende stelling worden gevolgd. De gevorderde verklaringen voor recht onder primair sub 1, subsidiair sub 3, meest subsidiair sub 5 en primair tot en met meest subsidiair sub 7, zullen om voormelde redenen worden geweigerd.

4.5.2.

Dat bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een werk moet worden gekeken naar de mate waarin auteursrechtelijk beschermde trekken zijn overgenomen, is vaste jurisprudentie. Niet valt in te zien – en SLOV c.s. heeft dit onvoldoende toegelicht – welk concreet belang SLOV c.s. heeft bij een verklaring voor recht op dit punt. De gevorderde verklaring voor recht onder primair sub 2 zal daarom bij gebrek aan belang worden geweigerd.

4.5.3.

SLOV c.s. wordt niet gevolgd in haar stelling dat als (algemeen) uitgangspunt heeft te gelden dat steeds een afzonderlijke toets moet plaatsvinden aan de hand van artikel 10 lid 1 EVRM en /of artikel 11 Handvest. Op zich is juist dat ondertitels onder het bereik van artikel 10 lid 1 EVRM en /of artikel 11 Handvest vallen (het is een vorm van het verstrekken van inlichtingen of denkbeelden). Zoals hiervoor onder 4.4 is vooropgesteld, zal de toets echter steeds in het concrete geval moeten plaatsvinden, indien de stelling van de aangesproken partij daartoe aanleiding geeft. Degene die zich op de informatievrijheid beroept zal concrete op het individuele geval toegesneden belangen hebben aan te voeren die zodanig klemmend zijn dat zij rechtvaardigen dat de belangen van de auteursrechthebbende bij handhaving van zijn recht daaraan ondergeschikt wordt gemaakt (zie HR 3 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:841 r.o. 5.2.5). De gevorderde verklaringen voor recht onder meer subsidiair sub 4 en meest subsidiair sub 6 zullen om die reden worden geweigerd. Hetgeen SLOV c.s. verder op dit punt nog heeft aangevoerd behoeft, als niet ter zake dienend, geen beoordeling.

4.6.

SLOV c.s. heeft ter comparitie nog aangevoerd dat het vervaardigen van ondertitels, gelet op de veranderde techniek, in het kader van artikel 13 Aw anders moet worden ge ïnterpreteerd dan Brein voorstaat. SLOV c.s. wordt hierin niet gevolgd. De enkele omstandigheid dat de techniek sinds de invoering van de Auteurswet significant is gewijzigd en dat er technisch veel meer mogelijk is dan de wetgever toentertijd wellicht voor mogelijk hield, maakt nog niet dat de Auteurswet op een andere wijze moet worden geïnterpreteerd, laat staan op de door SLOV c.s. betoogde wijze. Weliswaar is de techniek veranderd, de handelingen waarover dient te worden geoordeeld zijn handelingen die nog steeds onder het bereik van de Auteurswet vallen (zie hiervoor onder 4.4).

handhavingspraktijk Brein

4.7.

In haar petitum heeft SLOV c.s. de gevraagde verklaring voor recht beperkt tot het door Brein niet concreet uiteenzetten voor welke auteursrechthebbenden zij optreedt, het door Brein niet melden hoe ver haar volmacht strekt en het door Brein niet duidelijk maken van de auteursrechtelijk beschermde trekken die herkenbaar zijn overgenomen. Hoewel SLOV c.s. in het lichaam van de dagvaarding nog andere onderwerpen betreffende Breins handhavingspraktijk aansnijdt, zal de rechtbank zich beperken tot een beoordeling van de in het petitum genoemde onderwerpen.

4.8.

Vastgesteld wordt dat SLOV c.s. niet concreet heeft gesteld op welke rechtsgrond Brein tegenover de personen die zij aanspreekt gehouden is reeds bij haar sommaties concreet te vermelden voor welke auteursrechthebbenden zij optreedt, hoe ver haar volmacht strekt of duidelijk te maken welke auteursrechtelijk beschermde trekken herkenbaar zijn overgenomen. Onduidelijk is dus welke norm Brein volgens SLOV c.s. heeft overtreden. De enkele opmerking dat de handelwijze van Brein in zoverre onbetamelijk is en in strijd is met hoe men zich in het maatschappelijk verkeer betaamt is daartoe onvoldoende. Van SLOV c.s. mag worden verwacht dat zij duidelijk maakt wat de maatschappelijke betamelijkheid op dit punt van Brein verlangt en waarom. SLOV c.s. heeft in zoverre niet aan haar stelplicht voldaan. De vordering onder primair tot en met meest subsidiair sub 8 stuit reeds hierop af.

4.9.

De slotconclusie is dan dat de vorderingen integraal zullen worden afgewezen. SLOV c.s. zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure aan de zijde van Brein. Brein heeft bij conclusie van antwoord en ter comparitie van partijen medegedeeld dat zij geen bezwaar heeft tegen een berekening van de te vergoeden proceskosten die niet is gebaseerd op artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. De kosten aan de zijde van Brein worden daarom begroot op EUR 619,-- aan griffierecht en op EUR 904,-- (2 punten x tarief EUR 452,--) aan salaris advocaat. SLOV c.s. zal tevens worden veroordeeld in de nakosten van deze procedure, zoals hierna in de beslissing bepaald.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt SLOV en [eiseres 1] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van Brein begroot op EUR 1.523,--;

5.3.

veroordeelt SLOV en [eiseres 1] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op EUR 131,-- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat SLOV en [eiseres 1] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van EUR 68,-- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak.

Dit vonnis is gewezen door mr. J. Thomas, rechter, bijgestaan door mr. E.R. Mac-Donald, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 19 april 2017.

type: ERM

coll: AV


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature