Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2017:79
Parket bij de Hoge Raad, 16/02987

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende exploiteert een akkerbouwbedrijf. Op 28 januari 2000 heeft belanghebbende percelen landbouwgrond verkocht tegen een direct verschuldigde koopsom en een recht op nabetaling bij bestemmingswijziging van de grond. De landbouwgronden zijn bij notariële akte van 15 december 2000 geleverd.

In maart 2003 heeft belanghebbende met de Inspecteur een overeenkomst gesloten over de toepassing van de landbouwvrijstelling op de met de verkoop van de gronden behaalde winst (hierna: het 72-maandencontract). De door belanghebbende verkochte grond is gedurende 72 maanden steeds gebruikt in de landbouwonderneming van belanghebbende. Belanghebbende heeft de daadwerkelijke genoten opbrengsten (ad € 1.417.326) alsmede de contante waarde van het op grond van het nabetalingsrecht ontvangen bedrag (€ 1.570.860) tot de winst van het boekjaar 1999/2000 gerekend. Op deze winst is de ‘oude’, tot 27 juni 2000 geldende landbouwvrijstelling toegepast. Het nabetalingsrecht is vervolgens eind 2000 als vordering geactiveerd op de balans van belanghebbende. In de daarop volgende zes boekjaren is de contante waarde in verband met oprenting verhoogd.

In zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2010 heeft belanghebbende het nabetalingsrecht met € 39.685 afgewaardeerd. In bezwaar en beroep heeft hij het standpunt ingenomen dat het nabetalingsrecht volledig ten laste van de winst moet worden afgewaardeerd. Deze (volledige) afwaardering is door de Inspecteur niet aanvaard.

In geschil is of de (‘oude’ of ‘nieuwe’) landbouwvrijstelling van toepassing en meer specifiek of de afwaardering van het nabetalingsrecht ten laste van de winst van belanghebbende kan worden gebracht.

Volgens zowel de Rechtbank als het Hof kon de (volledige) vordering niet ten laste van belanghebbendes belastbare winst uit onderneming worden gebracht, nu de (oude) landbouwvrijstelling van toepassing zou zijn. Volgens de Rechtbank is de vordering louter aan te merken als een voorwaardelijke aanvulling op de overeengekomen initiële koopprijs en brengt een redelijke wetstoepassing mee dat de ‘oude’ landbouwvrijstelling van toepassing is. Ook het Hof heeft geoordeeld dat het oude regime van toepassing is. Anders dan de Rechtbank heeft het Hof belang toegekend aan (de door de Inspecteur voorgestane uitleg van) het 72-maandencontract. Het Hof dit contract aangemerkt als vaststellingsovereenkomst in de zin van artikel 7:900 BW .

A-G Niessen is van mening dat de uitleg van een vaststellingsovereenkomst in beginsel is voorbehouden aan de feitenrechter. Het Hof heeft volgens hem hierbij terecht de Haviltex-criteria toegepast. ’s Hofs oordeel dat de vaststellingsovereenkomst zodanig moet worden uitgelegd dat daaruit voortvloeit dat de afwaardering van het nabetalingsrecht niet ten laste van de winst kan worden gebracht, berust op de aan het Hof voorbehouden uitlegging van de bepalingen van de overeenkomst en de motieven die de partijen daaraan ten grondslag hebben gelegd. Het oordeel is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Derhalve is het in cassatie onaantastbaar.

De A-G meent dat ‘s Hofs oordeel dat van de vaststellingsovereenkomst in elk geval niet kan worden gezegd dat deze zozeer in strijd is met geldende wettelijke regelingen dat de Inspecteur niet op nakoming daarvan mocht vertrouwen (mede gelet op het arrest HR BNB 1997/221), geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Belanghebbende nam de verwachte nabetaling in het resultaat in het jaar waarin de vervreemding plaatsvond (2000). Nu die overeenkomst werd gesloten in januari 2000, derhalve voor de wijziging van de landbouwvrijstelling, paste hij daarop de vrijstelling toe. Volgens A-G Niessen dient daarom in lijn van het arrest HR BNB 2016/180 het landbouwvrijstellingsregime te worden toegepast dat gold vóór 27 juni 2000. In het arrest

HR BNB 2006/245 kwam de Hoge Raad tot dezelfde conclusie op grond van de zogenoemde redelijke wetstoepassing. Ook los van de vaststellingsovereenkomst is volgens de A-G dus de ‘oude’ landbouwvrijstelling van toepassing.

De conclusie strekt ertoe dat het beroep in cassatie van belanghebbende ongegrond dient te worden verklaard.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug