Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online

U dient ingelogd te zijn om favorieten te kunnen toevoegen aan Mijn Jure
U kunt zich hier gratis registreren
Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:

Inhoudsindicatie:

OM-cassatie. Beklag, beslag ex art. 94a Sv. Herhaald conservatoir beslag op motor, sloep en personenauto. Opvatting dat een eenmaal onrechtmatig geoordeeld ex art. 94a Sv gelegd beslag niet door een tweede op hetzelfde voorwerp ex art. 94a Sv gelegd beslag kan worden gevolgd, vindt in het algemeen geen steun in het recht (vgl. ECLI:NL:HR:2007:AZ3564). Oordeel Rb dat OvJ aan zijn bevoegdheid om ten tweede male conservatoir beslag te leggen een onrechtmatige toepassing heeft gegeven, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is voorts niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat Rb aan haar oordeel ten grondslag heeft gelegd dat t.t.v. het tweede beslag geen sprake was van feiten of omstandigheden die nog niet bekend waren of redelijkerwijze nog niet bekend konden zijn toen Rb oordeelde dat het eerdere beslag moest worden opgeheven wegens disproportionaliteit. Dat niet van zodanige feiten of omstandigheden sprake was, is een feitelijk oordeel dat in cassatie niet verder kan worden getoetst. Samenhang met nr. 15/04886 B.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Conclusie



Nr. 15/04885 B

Zitting: 28 februari 2017

Mr. A.E. Harteveld

Conclusie inzake:

[klager]

De rechtbank Noord‑Holland, zittingsplaats Alkmaar, heeft bij beschikking van 17 april 2015 het klaagschrift van de klager, strekkende onder meer tot opheffing van het conservatoire beslag op enkele voer- en vaartuigen die onder hem in beslag zijn genomen en teruggave van deze voorwerpen aan hem, gegrond verklaard.

Er bestaat samenhang met de zaak 15/04886. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.

Het cassatieberoep is ingesteld door de officier van justitie mr. M. Spruijt. De plaatsvervangende officier van justitie mr. H.H.J. Knol heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

4.1. Het middel klaagt dat de rechtbank het klaagschrift van de klager op onjuiste gronden, dan wel onbegrijpelijk gemotiveerd heeft gegrond verklaard ten aanzien van de in het middel bedoelde voorwerpen.

4.2. Het proces-verbaal van de behandeling in raadkamer houdt het volgende in:

“De raadsman van klagers heeft in raadkamer het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie, waarvan de inhoud als hier overgenomen en ingelast wordt beschouwd en in kopie als bijlage aan dit proces-verbaal is gehecht.

De officier van justitie voert - zakelijk weergegeven - als volgt het woord:

Het gaat hier om de principiële vraag of wat ik heb gedaan juridisch door de beugel kan. De raadsman stelt zich op het standpunt dat mijn handelen in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, maar geeft niet aan om welke beginselen het zou gaan. Ik denk dat hij bedoelt dat het gaat om een doorbreking van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Indien na de gegrondverklaring van het beklag nieuwe feiten aan het licht komen die opnieuw tot inbeslagneming leiden, vind ik het wel zo netjes de voorwerpen eerst terug te geven en pas daarna weer in beslag te nemen. Ik heb geen cassatie ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank van 2 maart 2015 omdat ik de beslissing van de raadkamer wel begrijpelijk vond. Een belangrijk punt is dat er sprake is van een nieuw gegeven, te weten de kasopstelling. Deze was al in de maak, maar nog niet gereed. Eerst was sprake van een transactieberekening. Ik had van de recherche begrepen dat zij vonden dat het gaat om een hele sterke zaak tegen klagers. Ik heb gezegd laten we eerst maar onderhandelen en zet het onderzoek op een laag pitje. Toen kwam de verrassende beslissing van de raadkamer. De kasopstelling komt op een hoger genoten wederrechtelijk verkregen voordeel uit dan het geval was bij de transactieopstelling. Indien het verweer van de raadsman juist is, dan is het reëel de klaagschriften gegrond te verklaren.

(…)

De raadsman reageert als volgt.

De officier van justitie zegt dat hij de beslissing van 2 maart jl. van de rechtbank wel begrijpelijk vond en stelt dat hij toentertijd nog niet de beschikking had over de berekening volgens de kasopstelling. Maar het proces-verbaal is opgemaakt op 16 maart 2015. In feite zijn het oude gegevens in een nieuw jasje.

4.3. De bestreden beschikking houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“Het klaagschrift strekt tot opheffing van de daarop gelegde beslagen, met last tot teruggave aan klager van:

- een bestelauto, merk Ford, type Transit Custom, kenteken [AA-00-BB]

- een personenauto, merk Audi, type A2 Tdi, kenteken [CC-00-DD]

- een personenauto, merk Mercedes Benz, Type 460, kenteken [EE-00-FF]

- een motor, merk Harley Davidson, type Fat Boy, kenteken [GG-00-HH]

- een sloep, merk Interboat.

Op 13 april 2015 is dit klaagschrift op een openbare zitting in raadkamer behandeld. Klager is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. T. van der Goot, voornoemd. Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. M. Spruijt.

Bij een eerder klaagschrift van klager is ook verzocht om opheffing van een gelegd conservatoir beslag op voormelde zaken. Bij beschikking van 2 maart 2015 heeft de rechtbank het beklag gegrond verklaard, de beslagen op de twee personenauto’s, de motor en de sloep opgeheven en gelast dat deze zaken aan klager dienden te worden teruggegeven. In die beschikking is geen beslissing genomen over de in beslag genomen Ford bestelauto.

Op 4 maart 2015 heeft de officier van justitie voormelde zaken opnieuw in conservatoir beslag genomen. Daarbij is op de personenauto Mercedes - ook -strafvorderlijk beslag gelegd. De bestelauto Ford was al eerder in strafvorderlijk beslag genomen.

2. Het standpunt van klager en zijn raadsman

De raadsman van klager heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de officier van justitie de eerdere beslissing van 2 maart 2015 van de rechtbank had dienen te respecteren, of daartegen beroep in cassatie had moeten instellen. Door geen van beide te doen is het huidige beslag in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde gelegd en moet daarom worden opgeheven.

Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat het door het openbaar ministerie vastgestelde wederrechtelijk verkregen voordeel te hoog wordt geschat, ook als wordt uitgegaan van een kasopstelling. Het uitgangspunt van de thans door het openbaar ministerie gepresenteerde rapport, waarin die kasopstelling wordt onderbouwd, is een “nulsituatie” per 1 januari 2011. Op dat moment zouden er geen contanten zijn. Ter zitting in raadkamer heeft de raadsman een map met gegevens overgelegd, waarmee hij het standpunt onderbouwt dat er wel degelijk sprake was van contante inkomsten bij zijn cliënt in en rond de periode 2010 en 2011.

Er liggen nu diverse andere conservatoire beslagen. Die beslagen zijn voldoende ter dekking van het gestelde wederrechtelijk verkregen voordeel. De beslagen die thans op de voer- en vaartuigen liggen zijn niet noodzakelijk en dienen ook daarom te worden opgeheven.

(…)

3. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het beklag ongegrond dient te worden verklaard. In het kader van de berekening van wederrechtelijk verkregen voordeel is het voordeel ten tijde van de eerste beslaglegging berekend op transactiebasis. Daarna is tevens een kasopstelling gemaakt. Uit die (voorlopige) kasopstelling vloeit een aanzienlijk hoger onverklaarbaar vermogen (€ 534.633,95) voort dan uit de berekening op transactiebasis (€ 460.230,55). De gelegde andere conservatoire beslagen dekten niet het via de kasopstelling berekende wederrechtelijk verkregen voordeel. Nu de kasopstelling als een minimumpositie heeft te gelden, was de conclusie dat justitie kennelijk (nog) niet alle strafbare feiten in beeld heeft; er is echter wel een aanzienlijk onverklaarbaar en - gelet op de context van evidente hennepteelt - vermoedelijk wederrechtelijk verkregen vermogen, dat niet door de reeds gelegde beslagen werd gedekt. Uitgaande van de kasopstelling is met andere woorden geen sprake van disproportioneel beslag, maar zou zelfs aanvullend beslag dienen te worden gelegd.

Gelet hierop is opnieuw conservatoir beslag gelegd op de voorwerpen waarvan het bestaande conservatoire beslag op bevel van de rechtbank diende te worden opgeheven.

(…)

4. Beoordeling

Op 18 december 2013 heeft er in een bedrijfspand aan de [a-straat 1] te Wervershoof een doorzoeking plaatsgevonden, waarbij een in werking zijnde hennepplantage is aangetroffen. Het pand staat geregistreerd op naam van [A] B.V. Deze B.V. wordt bestuurd door de holdings van klager en zijn broer. De verdenking bestaat dat klager en zijn broer zich hebben schuldig gemaakt aan hennepteelt. In het kader van een strafrechtelijk financieel onderzoek zijn onder klager en zijn broer diverse beslagen gelegd.

De conservatoire beslagen

In de hiervoor vermelde beschikking van 2 maart 2015 heeft de rechtbank geoordeeld dat het gelet op de toen voorhanden stukken niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan de klager/verdachte een geldboete dan wel de verplichting tot betaling van een geldbedrag ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel zal opleggen. De rechtbank kwam echter tevens tot het oordeel dat op grond van de verdenking de bestaande beslagen op de onroerende zaken en tegoeden van klager en zijn broer voldoende verhaal vormden om aan een dergelijke verplichting te voldoen.

Daarom werd het beklag gegrond verklaard en de gelegde conservatoire beslagen op de voer en vaartuigen opgeheven.

Allereerst dient in de onderhavige raadkamerprocedure te worden beoordeeld of de officier van justitie de bevoegdheid had om ondanks de beslissing van de rechtbank dezelfde zaken opnieuw in beslag te nemen.

De rechtbank is het op dit punt eens met het primaire standpunt van klager en zijn raadsman. Aan de officier van justitie is in het Wetboek van Strafvordering de bevoegdheid gegeven om in bepaalde omstandigheden conservatoir beslag te leggen ten laste van een verdachte. In een situatie zoals hier aan de orde levert het gebruikmaken van die bevoegdheid naar het oordeel van de rechtbank echter een misbruik van dat procesrecht op; ten tijde van de tweede beslaglegging was de officier van justitie er immers van op de hoogte dat de rechter het beslag als disproportioneel had beoordeeld. Dat zou mogelijk anders zijn, indien ten tijde van het tweede beslag sprake was van feiten of omstandigheden die ten tijde van de eerdere beslissing nog niet bekend waren of konden zijn. Daarvan is echter geen sprake. Het enkele feit dat de berekening van het wederrechtelijk voordeel hoger uitvalt, indien de zogenaamde kasopstelling wordt gehanteerd dan wanneer dat voordeel wordt berekend op basis van de transactiemethode, levert niet zo’n nieuw feit of nieuwe omstandigheid op (nog daargelaten dat gemotiveerd is betwist dat die kasopstelling tot een hoger bedrag leidt). De kasopstelling is immers niet gebaseerd op nieuwe gegevens, maar is opgesteld op basis van gegevens die ten tijde van de eerdere berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel ook al uit de stukken in het dossier waren af te leiden.

Het klaagschrift zal daarom gegrond worden verklaard, voor zover het de conservatoire beslagen betreft.

(…)”

4.4. Het middel keert zich niet ‘tout court’ tegen de opvatting van de rechtbank dat bij herhaalde inbeslagneming van voorwerpen beginselen van een behoorlijke procesorde – doorgaans in dit verband meer specifiek het beginsel ‘nemo debet bis vexari’ - zich daartegen kunnen verzetten. Het middel bevat wel de klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het opnieuw conservatoir in beslag nemen van de vaar- en voertuigen waarvan de rechter bij eerdere beschikking de teruggave heeft gelast, in strijd is met de beginselen van een behoorlijke procesorde, indien ten tijde van het tweede beslag geen sprake was van feiten of omstandigheden die ten tijde van de eerdere beslissing niet bekend waren of konden zijn.

Daarbij doet het middel een beroep op de beschikking HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3564, NJ 2008/113, waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de algemene opvatting dat een eenmaal onrechtmatig geoordeelde inbeslagneming niet door een tweede inbeslagneming op dezelfde voorwerpen kan worden gevolgd, geen steun vindt in het recht.

Uit de overwegingen van de Hoge Raad in die beschikking leidt de steller van het middel af dat “ook zonder een (…) novum een herhaalde toepassing van de bevoegdheid tot inbeslagneming rechtmatig kan zijn” en “voor de Hoge Raad het enkele feit dat na de eerste inbeslagneming op procedureel vlak maatregelen zijn genomen om het initiële verzuim (…) te herstellen, doorslaggevend [is] voor het oordeel dat de tweede inbeslagneming niet onrechtmatig is”.

4.5. Dat niet enkel nieuwe feiten en omstandigheden toelaten dat een inbeslaggenomen voorwerp waarop het beslag is opgeheven nadien, op dezelfde grondslag, opnieuw in beslag wordt genomen, is een stelling waarin de steller van het middel gelijk heeft. Ik geef graag toe dat uit de aangehaalde beschikking volgt dat procedurele c.q. formele gebreken die aan de beslaglegging kleven en de inbeslagneming van een voorwerp – zoals in die zaak het geval was – om die reden onrechtmatig maken, niet eraan in de weg staan dat opnieuw, doch met herstel van de aanvankelijke gebreken, beslag wordt gelegd op datzelfde voorwerp. In deze rij past mijns inziens bijvoorbeeld ook een met een gebrekkige machtiging (art. 103 Sv) conservatoir in beslag genomen voorwerp, dat na een opnieuw uitgevaardigde machtiging die wel aan de daaraan te stellen eisen voldoet, opnieuw wordt beslagen.

Het zijn echter niet procedurele gebreken die de rechtbank het beklag van de klager over de eerste conservatoire beslagen op de hier aan de orde zijnde voer en vaartuigen gegrond hebben doen verklaren, maar de disproportionaliteit van die beslagen. Een geval vergelijkbaar met NJ 2008/113 doet zich hier mijns inziens dus niet voor.

4.6. Het lijkt mij dat de rechtbank daarom juist heeft geoordeeld dat in een geval als het onderhavige, waarin een rechter heeft beslist dat (de voorzetting van) het conservatoire beslag op de voorwerpen gelet op de op dat moment bekende feiten en omstandigheden disproportioneel is, uit beginselen van een goede procesorde voortvloeit dat zich wel nieuwe feiten en omstandigheden moeten voordoen om te kunnen rechtvaardigen dat die voorwerpen opnieuw conservatoir in beslag worden genomen.

4.7. De vraag is wat onder nieuwe feiten en omstandigheden moet worden verstaan. Corstens/Borgers, ook aangehaald in het middel, formuleert het criterium aldus:

“Algemeen geformuleerd luidt het criterium: de nieuwe factor was ten tijde van de eerste toepassing van het dwangmiddel bij de strafvorderlijke autoriteiten niet bekend en deze hadden daarvan redelijkerwijze ook niet op de hoogte kunnen zijn.”

De rechtbank lijkt me op datzelfde spoor te zitten, zij het dat het woordje ‘redelijkerwijze’ bij het (niet) bekend konden zijn van de omstandigheden niet expliciet door de rechtbank wordt vermeld. Naar mijn mening valt die uitbreidende begripsbepaling er echter wel in te lezen; het zal volgens de rechtbank immers niet gaan om de kennistheoretisch vraag wat als bekend valt aan te merken maar om de bekendheid in meer juridische zin, dus om wat redelijkerwijze als ‘nieuw’ kan worden aangemerkt. Hoe dan ook is die benadering een andere dan die bij de vraag of een ‘hernieuwd beklag’ ontvankelijk wordt geoordeeld; daarvoor is, zoals de Hoge Raad onlangs uitmaakte, niet per se vereist dat de feiten of omstandigheden waarop een beroep wordt gedaan in die zin nieuw zijn dat zij zich eerst na de behandeling van een eerder gegrond verklaard klaagschrift hebben voorgedaan of bekend zijn geworden. In het algemeen geldt dat een hernieuwd beklag ontvankelijk is indien een beroep wordt gedaan op andere feiten of omstandigheden dan die waarop het eerdere klaagschrift was gebaseerd en die van zodanige aard zijn dat zij nopen tot een nieuwe beoordeling van het verzoek tot opheffing van het beslag. Een dergelijke – niet al te strenge – benadering is wel goed te verklaren vanuit het perspectief van de klagende burger die zijn inbeslaggenomen voorwerp terugwenst, maar valt in mijn ogen niet goed te rijmen met de zorgvuldigheid die het openbaar ministerie dient te betrachten bij de (herhaalde) toepassing van dwangmiddelen. Indien ten tijde van de eerdere behandeling van een klaagschrift feiten en omstandigheden bekend waren die (de voortzetting van) het beslag op een voorwerp zouden rechtvaardigen, maar deze destijds niet door het openbaar ministerie zijn aangevoerd teneinde het gelegde beslag te handhaven, dan lijkt het mij onbehoorlijk dat het openbaar ministerie met een beroep op die reeds langer bekend zijnde feiten en omstandigheden opnieuw beslag legt op dat voorwerp, nadat de rechter de teruggave daarvan heeft gelast.

4.8. Ik meen gelet op het voorgaande dat de rechtbank met haar oordeel dat het opnieuw conservatoir in beslag nemen van de onderhavige voer- en vaartuigen eerst gerechtvaardigd zou zijn indien ten tijde van het tweede beslag sprake was van feiten of omstandigheden die ten tijde van de eerdere beslissing nog niet bekend waren of (redelijkerwijze) bekend konden zijn geen blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

4.9. De vraag die vervolgens rijst is of de rechtbank begrijpelijk heeft geoordeeld dat – kort gezegd – de uitkomst van de gemaakte kasopstelling niet als een zodanig ‘novum’ kan worden aangemerkt, omdat - zo begrijp ik - de opnieuw geschatte hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel enkel berust op een andere rekenmethode en niet is gebaseerd op nieuwe gegevens. De enkele, door de officier van justitie in raadkamer aangevoerde omstandigheid dat met de kasopstelling op een hogere schatting van het verkregen voordeel wordt uitgekomen, heeft de rechtbank klaarblijkelijk niet toereikend geacht. Haar oordeel dat is verweven met feitelijke afwegingen die in cassatie niet verder getoetst kunnen worden acht ik ook niet onbegrijpelijk.

4.10. Het middel faalt.

5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.

6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Ik teken daarbij aan dat tegen dat oordeel geen rechtsmiddel is aangewend door het OM, zodat de juistheid van dit eerdere rechterlijk oordeel in beginsel niet meer ter discussie gesteld kan worden.

Corstens/Borgers, Het Nederlands strafprocesrecht, 8e druk, p. 419.

HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:580, NJ 2016/202.


Juridisch advies nodig?

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?
Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.

Stel uw vraag


naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature