Jure.nl Rechtspraak, Jurisprudentie, Rechterlijke uitspraken online


 

E-mail deze uitspraak

Uitspraak waar naar gelinkt wordt vanuit de e-mail die gestuurd zal worden:

ECLI:NL:PHR:2017:330
Parket bij de Hoge Raad, 16/01047

Inhoudsindicatie:

Belanghebbende was van september 2002 tot begin 2010 als financieel-directeur in dienst bij [E] BV, een dochtervennootschap van [G] Holding. Eind 2008 is een raamovereenkomst gesloten tussen grootaandeelhouder [H] en de drie directieleden van [E] BV (waaronder belanghebbende). De drie directieleden van [E] BV zijn (tegen betaling van € 1,-) ieder voor 1/9 toegetreden als aandeelhouders van [G] Holding en hebben alle drie aan deze vennootschap een geldlening verstrekt van € 300.000. Op haar beurt heeft [H] van haar bestaande leningen aan [G] Holding (ter grootte van in totaal € 3.600.000) een gedeelte (ter grootte van € 1.800.000) omgezet in een geldlening waarop dezelfde voorwaarden (als de leningen van de drie directieleden aan [G] Holding) van toepassing zijn. Na beëindiging in 2011 van de dienstbetrekking van belanghebbende bij [E] BV heeft hij zijn aandelen [G] Holding voor € 1 overgedragen aan [H]. De vordering van € 300.000 op [G] Holding is voor een bedrag van € 30.000 overgedragen aan [H].

Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2011 in box 1 een afwaarderingsverlies in aanmerking genomen van € 337.972. De Inspecteur heeft geen afwaarderingsverlies in box 1 toegestaan. Aan belanghebbende is een aanslag in de IB/PVV opgelegd voor het jaar 2011, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.552. Bij uitspraak op bezwaar is de aanslag verminderd tot een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 49.152 en een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van negatief € 270.560.

Volgens het Hof was niet gesteld of gebleken dat de lening een deelnemerschapslening was. Het Hof oordeelde dat ook geen sprake was van een onzakelijke lening, nu de uitzonderingssituatie als bedoeld in het arrest HR BNB 2014/98 zich niet heeft voorgedaan.

Tegen de uitspraak van het Hof heeft de Staatssecretaris cassatieberoep ingesteld. In cassatie is in geschil of sprake is van een deelnemerschapslening dan wel een onzakelijke lening. Ten aanzien van laatstgenoemd geschilpunt is meer specifiek in geschil of een situatie is ontstaan waarin alle aandeelhouders in verhouding tot hun aandelenbelang onder dezelfde voorwaarden een geldlening aan een vennootschap verstrekken.

Ten aanzien van de vraag of sprake is van een onzakelijk lening merkt de A-G op dat de in het arrest HR BNB 2014/98 gekozen bewoordingen ruimte laten om de uitzondering eveneens toe te passen buiten het in die zaak berechte geval. De A-G vraagt zich af of dit wenselijk is en betoogt dat de onzakelijkeleningjurisprudentie van meet af aan veel onzekerheid heeft opgeroepen die het tot stand brengen van onder meer bedrijfsopvolgingen en -overnames in de praktijk belemmert. Deze onzekerheid is volgens hem door het arrest HR BNB 2014/98 – mede gezien de daarop geleverde commentaren – versterkt. Uit de literatuur komt naar hij meent naar voren dat de vraag of in een gegeven situatie het aandeelhouderschap voortvloeit uit de geldlening of andersom, in wezen niet objectief kan worden beantwoord.

Daarom geeft de A-G de Hoge Raad in overweging om de situaties waarin dat arrest kan worden toegepast, niet verder uit te breiden, en daarmede wat dit betreft aan de praktijk rechtszekerheid te bieden.

Het Hof is volgens de A-G uitgegaan van een juiste uitleg van de rechtsregels die voortvloeien uit het arrest HR BNB 2014/98. De A-G onderschrijft het oordeel van het Hof dat niet is voldaan aan de uitzondering, nu de meerderheidsaandeelhouder [H] niet opnieuw gelden naar evenredigheid van het aandelenbelang (en onder dezelfde voorwaarden) heeft verstrekt en [H] in verhouding tot het aandelenbelang een aanzienlijk groter bedrag aan geldleningen heeft verstrekt aan [G] Holding dan belanghebbende.

Nu niet aan de uitzondering als bedoeld in HR BNB 2014/98 is voldaan, geldt volgens de A-G de hoofdregel dat van een onzakelijke lening geen sprake is in een geval waarin de verstrekking van de lening plaatsvindt door een belastingplichtige die voorafgaand aan de geldverstrekking nog niet aandeelhouder was en in het kader van die verstrekking door toekenning van aandelen in die vennootschap medegerechtigd wordt tot de winst.

De conclusie strekt ertoe het beroep in cassatie van de Staatssecretaris ongegrond te verklaren.

Van


Aan


Opmerkingen (optioneel)


E-mail

Terug